Tags

,

Swaving’s reizen en lotgevallen. door hem zelven beschreven. Justus Gerardus Swaving. Dordrecht, Blussé en Van Braam, 1827.

Dit is in meerdere opzichten een bijzonder boek. Het ziet er van buiten niet fraai uit maar binnen wacht een wereld vol van vroeg 19e eeuws leven, vooral interessant waar het zijn avonturen in De West betreft. Michiel van Kempen schrijft in zijn proefschrift: “Eduard Gerdes schijnt niet ver bezijden de waarheid gezeten te hebben als hij schetst hoe aan het einde van de 17de eeuw de figuur Julius, die nooit heeft willen deugen en tenslotte een zware misdaad begaat, toch nog als hardvochtig blankofficier in Suriname terecht kan. In zijn autobiografische Swaving’s reizen en lotgevallen (1827) bevestigt Justus Gerardus Swaving deze topos van de herrijzenis in de West van Europese schelmen, een renaissance die haar ware aard liet zien als de drank in de man was.” (Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Deel 3. De geschreven literatuur van 1596 tot 1923).
Maar ook Swavings beschrijvingen van zijn leven in Amsterdam en Haarlem zijn bijzonder interessant. Onderstaande willen we u in elk geval niet onthouden:
“In Haarlem vernam ik met niet weinig genoegen, dat ik hier in het hartje van de kermis was aangekomen, en dat de redoute juist begonnen was. In plaats van dus in mijn logement tegen mijn grillig gesternte te blijven zitten morren, wilde ik beproeven, om mijne gegronde droefgeestigheid al dansende te verzetten, en stapte luchtig en vrolijk de fraai verlichte, en met Haarlems schoonen opgevulde danszaal binnen, weinig vermoedende, dat deze toevallige en potsige inval de aanleidende oorzaak zoude zijn van mijne wonderbaarlijke verheffing uit den wanhopigsten en beklagelijksten toestand, tot den hoogsten trap van huishoudelijk geluk, rijkdom en grootheid. Het eerste voorwerp, hetwelk hier mijn oog tot zich trok, en mij van stonden aan eene voor mij nimmer te voren gekende gewaarwording inboezemde, was eene jeugdige, beelderig gemaakte, Mulattin, en naauwelijks hadden onze ogen elkander voor het eerst ontmoet, of het scheen als of wij beiden tegelijk, als door eenen sympatetischen schok, werden aangegrepen, althans wij verloren elkander geen ogenblijk meer uit het gezigt, en de uitkomst deed zien dat wij beiden tegelijk op den plotselingen inval gekomen waren van voor elkander geboren te zijn.”
(translation to follow)

Eerste deel: XX, XII, 314 p.; Tweede en laatste deel: XX, 456 p.