Deze lezing over de Bibliotheca Surinamica werd gehouden op 27 april 2008 in het Rembrandthuis in Amsterdam. Dit gebeurde in het kader van een lezingencyclus rond de tentoonstelling over het werk van Maria Sibylla Merian. Deze tentoonstelling werd gemaakt door Ella Reitsma. Voor meer informatie zie:    www.ellareitsma.nl

Inleiding

Ik beschouw het als een eer om hier vandaag te praten over hetgeen mij na aan het hart ligt: de Surinaamse bibliotheek; over boeken en over de geschiedenis van Suriname. Over weinig zaken praat ik liever dan over die waanzinnig interessante, soms bizarre, geschiedenis van die voormalige Nederlandse kolonie en over de boeken die er over verschenen zijn.
Maar eerst even iets over de plek waar we hier nu bijeen zijn: natuurlijk allereerst de stad Amsterdam, waar vele eigenaars van plantages in Suriname woonden; Het paleis op de Dam waar de Societeit van Suriname haar vergaderingen hield; en hier op een steenworp afstand het ‚s Gravenhekje waar nog steeds de magazijnen van de West-Indische Compagnie te zien zijn. Maar meer precies : Het huis waar Rembrandt tussen 1639 en 1658 heeft gewoond. Velen van u weten dat Rembrandt meerdere malen in zijn kunstwerken zwarte mensen heeft afgebeeld (Deze zomer kunt in een prachtige tentoonstelling in de Nieuwe Kerk meer over zien). Hoe kwam hij aan zijn modellen? Wat niet veel mensen weten is dat er in de 17e (maar ook in de 18e en 19e eeuw) in Amsterdam mensen met een donkere huidskleur woonden. Ook wetenschappers zijn lange tijd aan dit feit voorbij gegaan; er is nooit naar zwarte mensen gezocht. En wat je niet zoekt, zul je ook niet vinden. Uit onderzoek van Dienke Hondius, onderzoeker aan de VU blijkt het volgende over enkele bewoners in de Jodenbreestraat ten tijde van Rembrandt:
In de 1e helft van de 17e eeuw woonde een groep van vijf vrije zwarte vrouwen en twee mannen, die samen met hun kinderen een kelder of souterrain aan de Jodenbreestraat bewonen. Vanwege een vechtpartij, anders hadden wij waarschijnlijk nooit van hen gehoord, komen zij in de archiefstukken voor; een Portugese koopman beklaagt zich hierover en heeft een aantal ooggetuigen verklaringen laten geven. Bijzonder feit dat uit deze verklaringen blijkt is dat deze deze groep ‘Swartinnen ende Swarten’ onafhankelijk was: ze waren bij niemand in dienst, ze waren niemands eigendom. Over deze groep is meer bekend maar daarvoor raad ik u aan de catalogus die bij de tentoonstelling in de NK hoort. De getuigen bij de notaris verklaren dat de groep veel overlast veroorzaakt, en zich bezig houdt met diefstal, bedriegerij en prostitutie. Rembrandt van Rijn woonde en werkte juist in deze tijd in deze straat heet, en het is waarschijnlijk dat hij deze zwarte buren vlakbij, op straat, gezien en gekend heeft. Zijn modellen van hij dus van straat gehaald hebben. Bekend is dat Rembrandt een groot verzamelaar van exotica was.

Twee trommelaars (Rembrandt, 1638)

Het begin van een verzameling

Mijn verzamelwoede begon met één boek. Van mijn oma Wies Blom (1908 – 2003) kreeg ik in 1977, 13 jaar oud, een prachtig boek: De Encyclopedie van Suriname. Suriname was kort daarvoor onafhankelijk geworden; op de cover prijkte een foto van het gouvernementsplein waarop een grote menigte samen was gekomen voor de onafhankelijkheidsviering.

Het verschijnen van een boek, meer dan 700 pagina’s, dat in zijn geheel aan Suriname was gewijd was in die tijd bijzonder. Nu verschijnen er jaarlijks tientallen titels over Suriname; literatuur, foto-boeken, wetenschappelijke studies. De encyclopedie kostte NLG100,–, een behoorlijk bedrag toen, en zeker voor mijn oma die van de aow leefde. De oplage was slechts 1000 exemplaren. Men kon vooraf intekenen. We hebben in Nederland meer dan 1200 openbare bibliotheken en tientallen bibliotheken verbonden aan universiteiten en hogescholen. De natuurlijke vraag van deze instellingen gecombineerd met de enthousiaste belangstelling van Nederlanders, Surinamers en Surinaamse Nederlanders, aangewakkerd door de onafhankelijkheid zorgden ervoor dat dit boek binnen de kortste keren uitverkocht was. Nu weet u ook direct waarom dit boek zo moeilijk te vinden is en waarom het zo duur is.

Een extra stimulans om op zoek te gaan naar informatie en boeken over Suriname was toen mij in de openbare bibliotheek aan de Comeniusstraat in Amsterdam-West, waar ik ben opgegroeid, werd verteld dat er geen boeken bestonden over Suriname. Ja, over Indonesië, die parel in de gordel van smaragd, daarover waren dikke boeken geschreven, planken vol. Ook wel interessant maar juist de geschiedenis van die bijna vergeten kolonie in de West daar was het mij om te doen. Tenslotte is Suriname het land waar ik geboren ben.

Er zijn vele manieren om naar de verzameling te kijken. Door de beperkte tijd ben ik genoodzaakt slechts een aantal boeken te laten zien waarvan ik hoop dat u ze de moeite waard vindt.
De opzet van deze voordracht ziet er als volgt uit:

I Klassieke historische werken
II Bibliofiele bibliotheek
III Kinderboeken

Dit is natuurlijk een arbitraire keuze. Ik had ook kunnen kiezen voor boeken die met religie te maken hebben, boeken die over bepaalde etnische groeperingen gaan of boeken op basis van de taal waarin ze geschreven zijn. Als ik u snel in slaap zou willen sussen dan had ik eerst boeken over de verschillende bomensoorten moeten nemen, vervolgens over goudwinning en voor de ‚kill’ boeken over muskieten of zoiets.
Als er één ding is dat ik vandaag graag aan u duidelijk wil maken is dat de bewering dat er geen of nauwelijks boeken zijn geschreven over Suriname niet waar is. Ook hier geldt weer dat als je niet zoekt (of niet goed zoekt), je het ook nooit zult vinden. Er is juist ontzettend veel geschreven over Suriname. Zeker als we dat bekijken relatief ten opzichte van het aantal inwoners van het land. In 1775, bijvoorbeeld, telde de kolonie zo’n 400 plantages, 60.000 slaven, 2.500 kolonisten en ambtenaren, 2000 militairen, enkele duizenden marrons (weggelopen slaven) en indianen. Er was natuurlijk maar een hele kleine groep in staat boeken te lezen en te kopen. Boeken waren natuurlijk vooral gericht op de Nederlandse markt. In 1857, werd de Surinaamsche Koloniale Bibiliotheek in Paramaribo opgericht. De catalogus bevatte maar liefst 500 titels.

I: Klassieke historische werken

De eerste werken waarin Suriname voorkomt, verschijnen in een tijd waarin er nog geen sprake is van permanente kolonisatie. In 1604 en 1608 doen de Engelsen enkele pogingen. Van beide ondernemingen zijn reisverhalen bewaard gebleven. In mijn collectie bevinden zich de Nederlandse vertalingen hiervan die pas honderd jaar later worden uitgegeven. In 1707 verschijnt Naaukeurige versameling der gedenk-waardigste Reysen naar Oost en West-Indien bij Pieter van der Aa, boekverkoper in Leiden. Met daarin een aantal van de vroegste reisbeschrijvingen naar de Guiana’s zoals: “Zee-Togt van Kapiteyn Charles Leig, gedaan na Gujana…..en des selfs Volk-plantinge aldaar begonnen, misgaders de ongelukkige Reyse van het Schip de Olijf-bloeysem, tot des selfs onderstand derwaards gesonden in het Jaar 1604”.

en

“Scheeps-togt na Gujana, gedaan in het jaar 1608. Aanwijsende de gelegentheeden en hoedanigheeden deses landschaps, des selfs eylanden, rivieren, grens-palen, verscheydenheyd der volkeren en talen, jaar ge-getijden, tijd-rekeningen, dood-malen, spijse en drank; als mede veelerley soort van dieren, vogelen, vissen, fruyten, suyker-riet, katoen, verw-stoffen, kostelijke gommen, balsem, droogeryen, tabak, etc. Door den reysiger selfs in het Engels beschreeven, en nu aldereerst uyt die spraak vertaalt.”

George Warren, een Engelsman, bezocht Suriname toen de kolonie nog in handen van de Engelsen was. In het jaar waarin de Vrede van Breda werd gesloten, 1667, en Suriname met de Engelsen werd geruild tegen Nieuw-Amsterdam (het huidige New York) verscheen zijn boek: An impartial description of Surinam upon the continent of Guiana in America. De Nederlandse vertaling die in 1669 verscheen kreeg de titel mee: Een onpartydige beschrijvinge van Surinam, gelegen op het vaste landt van Guiana in Afrika (1669). Hier werd Guiana verward met het Afrikaanse Guinea.

Warren geeft ons een beschrijving, uit eerste hand, van de onmenselijke omstandigheden waaronder de slaven moeten leven:

chapter VIII: Of the negroes or slaves;

Who are most brought out of Guinea in Africa to those parts, where they are sold like dogs, and no better esteem’d but for their work-sake, which they perform all the week, with the severest usages for the slightest fault, till saturday afternoon, when they are allowed to dress their own gardens or plantations, having nothing but what they can produce from thence to live upon; unless perhaps once or twice a year, their masters vouchsafe them, as a great favour, a little rotten salt-fish: or if a cow or horse die of itself, they get roastmeat: their lodging is a hard board, and their black skins their covering. These wretched miseries not seldom drive them to desperate attempts for the recovery of their liberty, endeavouring to escape, and, if like to be retaken, sometimes lay violent hands upon themselves; or if the hope of pardon bring them again alive into their master’s power, they will manifest their fortitude, or rather obstinacy, suffering the most exquiste tortures can be inflicted upon them, for a terror and example to others without shrinking.

Zo’n twintig jaar later verschijnt Oroonoko or The Royal Slave, geschreven door Aphra Behn (1640-1689), in 1688. Over Aphra Behn is niet veel bekend. Zij was in elk geval de eerste professionele vrouwelijke schrijfster in Engeland. Waarschijnlijk heeft zij in 1663 en 1664 de, dan nog Engelse, Kolonie Suriname bezocht. Ook wordt beweerd dat zij een minnareswas van James II (1633 – 1701), de koning van Engeland en spioneerde voor de Engelsen. Wie eens in Londen is kan in elk geval haar graf op Westminster Abbey bezoeken (en er over heen lopen). Oroonoko is het verhaal van een Afrikaanse prins die verliefd wordt op Imoinda, de dochter van de generaal. De grootvader van Oroonoko, de Koning, heeft ook zijn oog op Imoinda laten vallen. Hij neemt haar op in zijn harem. Toch zien zij kans samen de nacht door te brengen. Zij worden ontdekt en Imoinda wordt als slavin verkocht. Oroonoko wordt door de blanke handelaren aan wie hij zelf slaven heeft verkocht gevangen genomen en naar Suriname gebracht. Hij wordt als slaaf tewerkgesteld. Op een naburige plantage ontdekt hij Imoinda. Van de plantage-eigenaren krijgen ze toestemming om te trouwen. Imoinda raakt zwanger. Oroonoko kan de gedachte niet verdragen dat zijn kind in gevangenschap wordt geboren. Hij spoort de andere slaven aan te rebelleren maar de opstand mislukt. Hij is van plan de gouverneur te vermoorden maar is bang dat als hij opgepakt wordt zijn vrouw verkracht en gemarteld zal worden. Daarom overtuigd hij haar dat het beter is als hij haar doodt zodat dat alles haar bespaard blijft. Hij kan van verdriet geen afscheid nemen van haar dode lichaam. Voordat hij zelfmoord kan plegen wordt Oroonoko gearresteerd. Er volgt een afschuwelijke marteling en hij wordt, als voorbeeld voor de andere slaven, terechtgesteld.

Op de prachtige MSM tentoonstelling in dit Rembrandthuis en het boek Merian & dochters is zo veel moois en indrukwekends te zien. Het is duidelijk dat dit alles met heel veel liefde en plezier is gemaakt door Ella Reitsma. Als we zo alle Suriname boeken op chronologische volgorde leggen dan wordt duidelijk hoe vroeg Merian eigenlijk naar Suriname ging. Merians Suriname-boek, Metamorphosis insectorum Surinamensium, ofte Verandering der Surinaamsche insecten, Amsterdam, 1705, hoort natuurlijk op mijn boekenplankje thuis maar is inmiddels een museumstuk geworden. Een Surinaamse verzamelaar vertelde mij dat hij ooit, zo’n veertig jaar geleden, dit boek kon kopen voor NLG400,–. Toen had hij het geld er niet voor, nu is het onbetaalbaar. Bij een Amerikaanse antiquaar zag ik een exemplaar aangeboden voor us$225.000,– (ann. rendement 26%). Daar koop je in Suriname toch een leuk huis voor. Ik prijs me gelukkig met een facsimile uitgave van het Spectrum uit 1975.

In de 18e eeuw verschijnen er veel boeken door Europeanen die Suriname bezochten. Er werd niet alleen veel geschreven maar ook heel veel OVERGESCHREVEN. Herlein was waarschijnlijk van 1707 tot 1715 in Suriname, dus kort nadat Maria Sybilla Merian de kolonie had verlaten. Herlein heeft voor zijn beschrijving over het leven in Suriname gretig gebruikt gemaakt van het relaas van

Adriaan van Berkel, Amerikaansche voyagien, dat in 1695 verscheen. Van Berkel had op zijn beurt weer het grootste deel van zijn werk direct overgeschreven van George Warren. Plagiaat is dus niet iets van de laatste jaren maar als zo oud als Suriname zelf (en nog ouder). Het boek van Herlein, Beschryvinge van de volkplantinge Zuriname, verscheen in 1718 bij Meindert Injema, boek-drukker en verkoper, te Leeuwarden. Dit boek is belangrijk omdat we hierin de oudst bekende tekst in het Sranan Tongo vinden. En de vroegste afbeelingen van slaven.
Toch valt me iets op aan deze en. Deze slaven zien er redelijk tevreden en vrolijk uit. Zijn het wel slaven?, zou je je bijna afvragen. Eigenlijk zien ze er uit als ‘gewone’ landarbeiders. In het boek van Pistorius echter (1763), 45 jaar later dus, zien we de vroegste waarop een bastiaan te zien is. Hij maakt met zijn zweep een slag in de lucht. Daarom is dit boek belangrijk. Hier is duidelijk dat er onvrije arbeid plaatsvindt (Elmer Kolfin).

Pistorius schreef in 1763 : Korte en Zakelyke Beschryvinge van de Colonie van Zuriname……. Door de Heer Thomas Pistorius, lit van de Edele Achtbaare Raad van Policie en Crimineele Justitie op de Colonie van Zuriname.

Over het leven van slaven is al iets gezegd. Maar misschien is het ook eens goed naar het dagelijks leven van een planter te kijken. Philip Fermin (1730-1813) was een belangrijke veelschrijver over het leven in Suriname in de tweede helft van de 18e eeuw. Fermin was geneesheer, tevens natuuronderzoeker. Hij woonde acht jaar in Suriname. In 1770 verschijnt zijn belangrijkste werk: Nieuwe algemeene beschryving van de colonie van Suriname. Behelzende al het merkwaardige van dezelve, met betrekking tot de historie, aardryks- en natuurkunde. Harlingen, V. van der Plaats Junior, 1770. 2 vols.

Hij roemt de Surinaamse gastvrijheid maar dan heeft hij het puur over de plantage-directeuren onderling:

“Hy staat gemeenlyk op met de Zon, dat is, om zes uuren. Naauwlyks is hy op, of hy drinkt zyn thee, of koffy, terwyl zyne slaaven de tafel dekken, om het ontbyt op te zetten, welk, byna in alle de huisen, geschiedt met ham, of een stuk gezouten of gerookt vleesch, of ook met jonge duiven, die gekloofd op den rooster gebraaden zyn, verzeld met boter, kaas, cassave, en goed sterk bier, of Madera-wyn, die met water gemengd wordt. Deze tafel blyft dus tot omtrent negen uuren in order voor alle goede vrienden, welken zich aanbieden. Na dit ontbyt, welk men haast een’ maaltyd zou kunnen noemen, besteedt hy zyn tyd, tot elf uuren aan de bezigheden van het huis, wanneer hy naar de beurs gaat, die een herberg is, daar Punch, of Sangris, gedronken wordt, welk een mengzel is van twee derde Madera of rooden wyn, met een derde water, een weinig zuiker, muskaat, en een schyfje citroen, dat gesamenlyk in een glazen kom gedaan wordt. Ik ken geen’ aangenaamer drank dan deezen. Daar is ook limonade, en bier, voor de geenen die het begeeren. Men verlustigt zich aldaar tot een uur na den middag, met te speelen op het billard, schaakspel, of dambord, waar na zich iedereen naar huis begeeft om te eeten. Het middagmaal gehouden hebbende houdt men de middagrust, of gelyk de Spanjaarden zeggen de Sieste, dat is, men slaapt tot vier uuren; en dan drinkt men thee. Te vyf uuren gaat men weder naar de beurs, of men gaat wandelen, als het fraei weer is; om dat de zon dan zo heet niet is als gemeenlyk van ‘s morgens te tien, tot ‘s middags te drie uuren…….zo ziet men noch man noch vrouw op straat gaan, zonder een slaaf, die hem een zonnescherm boven het hoofd draagt; de vrouwen hebben daarenboven eenige slaavinnen by zich.”Niet zo’n slecht leven lijkt me, als je tenminste geen slaaf bent.
Eerder verscheen van dezelfde auteur Histoire naturelle de la Hollande Equinoxiale ou description des animaux, plantes, fruits, et autres curiosite’s naturelles, qui se trouvent dans la Colonie de Surinam; Amsterdam, M. Magerus, 1765. In dit even curieuze als zeldzame boekje beschrijft Fermin de dieren en planten uit de kolonie. Op de frontispiece zien we o.a. wilde paarden en struisvogels.
Nu zijn er ook lieden die over Suriname schreven zonder dat ze daar ooit geweest zijn. Jan Jacob Hartsinck publiceerde in 1770 “Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust, in Zuid-America, Betreffende de Aardrykskunde en Historie des Lands, de Zeeden en Gewoontes der Inwooners, de Dieren, Vogels, Visschen, Boomen en Gewassen, als mede de eerste Ontdekking dier Kust, de Bezittingen der Spanjaarden, Franschen en Portugeezen en voornaamelyk de Volkplantingen der Nederlanderen”. Dit boek werd lang beschouwd als het beste boek ooit dat over de Guiana’s geschreven werd. Hartsinck’s vader was directeur van de West-Indische Compagnie. Hij is nooit in Suriname geweest maar had toegang tot documenten van de West-Indische Compagnie (WIC) die nu allang verloren zijn gegaan. Uitgebreid beschrijft Hartsinck de geschiedenis en de geografie van Suriname en haar buurlanden.

Zonder twijfel is ‘de Stedman’ (1796) het meest besproken, in de meeste talen vertaalde en belangrijkste boek uit de Bibliotheca Surinamica: Narrative of a Five Years’ Expedition Against the Revolted Negroes of Surinam,in Guiana, on the wild coast of South America; from the year 1772, to 1777: elucidating the history of that country, and describing its productions, viz. quadrupeds, birds, fishes, reptiles, trees, shrubs, fruits, & roots; with an account of the indians of Guiana, & negroes of Guinea….illustrated with 80 elegant engravings from drawings made by the author. London, 1796.

Dit boek was ten tijde van de publicatie in 1796 al direct een bestseller. Het werd meteen na de eerste Engelse druk vertaald in het Duits, Frans, Italiaans, Nederlands en Zweeds. Er verschenen commentaren, bewerkingen, toneelstukken, romans en vele herdrukken. In almanakken, kranten, weekbladen werden de gravures (van o.a, William Blake, op basis van tekeningen van Stedman ) afgedrukt. Vele latere auteurs baseerden hun boeken en analyses op Stedman. John Gabriel Stedman (1744-1797) was geboren in Nederland als zoon van een officier in de Schotse Brigade en een Nederlandse moeder. Tussen 1772 en 1777 verbleef hij in de kolonie Suriname. nam deel aan de strijd tegen de van de plantages weggevluchte slaven. Na zijn terugkeer in Engeland schreef hij op basis van zijn nauwkeurige dagboek aantekeningen dit boek dat een storm van protest deed opwaaien in Europa. Vooral door zijn beschrijving van de brute behandeling van slaven.

Het boek sloeg in Europa in als een bom. Niet eerder werd door een ooggetuige op zo’n levendige en soms schokkende wijze het leven in Suriname beschreven. Het boek bevatte ook 80 prenten, een aantal van de hand van William Blake. Het boek werd ook vele malen bewerkt tot toneelstuk of roman. Stedmans ooggetuigenverslag is vooral een succes geworden door zijn relatie met de slavin Joanna. Joanna is de dochter van ‘één der fatsoenlijkste Colonisten’ genaamd Kruythof en ‘eene Negerin’ Cery. Cery en haar kinderen waren slaven en behoorden toe aan de eigenaar van de plantage Fauquemberg, gelegen aan de Commewijne. Dat kolonisten kinderen verwekten bij slavinnen was in Suriname geen uitzondering.

Joanna

Joanna was, zo schrijft Stedman, een ‘schoon meisjen, eene Mulattin’ (nakomeling van een zwarte en een witte ouder- ch) en ‘ten hoogsten vyftien jaaren oud’: “Haare groote oogen, zoo zwart als ebbenhout, en vol van nadruk, kondigden de goedheid van haar hart aan: onaangezien de donkerheid der kleur van haar aangezicht bedekte een lieffelyk rood haare wangen [….] Haar hair, van een byna zwart bruine kleur, vormde een eindeloos getal van natuurlyke krullen, met goude spelden en bloemen verciert.” Stedman en Joanna kregen samen een kind. Uiteindelijk slaagt Stedman er in Joanna en hun zoon vrij te kopen. In het jaar 1777 verlaat Stedman de kolonie Suriname samen met zijn ‘huisslaaf’ Quaco. Zijn geliefde Joanna en zoon zijn in Suriname achtergebleven. Stedman trouwt na terugkeer in Europa met een Nederlandse vrouw. In 1782 sterft Joanna door vergiftiging. Hun zoon verlaat dan ook de kolonie en voegt zich bij zijn vader die inmiddels met zijn vrouw en kinderen in Engeland is gaan wonen. In de Buku BS collectie zitten naast deze Engelse- nog een Nederlandse-, twee Duitse-, een Franse-, een Zweedse- een een Italiaanse editie.

II: Bibliofiele bibliotheek
We kunnen ook op een andere dan puur historische manier naar de Suriname-bibliotheek kijken: met de ogen van een bibliofiel. Een bibliofiel is iemand die boek vooral vanwege zijn uiterlijke kenmerken en zeldzaamheid waardeert. Voor hem of haar wordt een boek pas interessant als het het boek-zijn overstijgt. Laten we zeggen, als het boek, een museumstuk wordt. Er veel verzamelaars van Suriname-boeken, maar er zijn slechts een paar bibliofiele verzamelaars. Een aantal daarvan is hier ook vandaag aanwezig. In stilte verzamelen ze eerste drukken van bijzondere boeken. Sommigen gaan zelfs zo ver dat ze van alle dichtbundels en romans van iedere druk een exemplaar willen hebben. De klimatologische omstandigheden in Suriname zijn een gruwel voor de bibliofiel. Van een aantal bibliofielen in Suriname weet ik dat ze hun boeken in Nederland hebben opgeslagen, uit angst voor aantasting door hitte, vocht en vooral kleine knaagdiertjes.

Vaak wordt mij gevraagd of ik alle boeken die ik bezit ook werkelijk gelezen heb. Met een gerust hart kan ik dan zeggen dat een bibliofiel niet alles hóeft te lezen. Zo ben ik slechts zijdeling geinteresseerd in rum en nog veel minder in de productie van suiker die daar voor nodig is. Toch kan ik

De Kultuur en de bewerking van het suikerriet van C.J. Hering (Rotterdam, 1858)

zeer waarderen als een van de mooiste boeken over suiker in Suriname. De auteur Christiaan Johannes Hering werd in 1829 in Paramaribo geboren. Zijn vader Constantin Hering (Oschatz 1800 – Philadelphia 1880) was de grondlegger van de homeopathie. Hij verbleef van 1827 tot 1833 in Suriname en was lijfarts van de gouverneur.

Verreweg het mooiste boek uit de Bibliotheca Surinamica is:

Les habitants de Suriname; Notes recueillies a l’exposition coloniale d’Amsterdam en 1883. Paris, A. Quantin, 1884.

Het is op majestueuze wijze uitgegeven met prachtige foto’s en litho’s. Duidelijk voor een selecte groep hoogwaardigheidsbekleders, wetenschappers en bibliotheken bedoeld en niet voor de gewone man. Dit moet moet toen het uitkwam al een vermogen hebben gekost.

In 1883 werd in Amsterdam op het Museumplein een Koloniale Wereldtentoonstelling gehouden. Behalve bezienswaardigheden uit Nederlands-Indië, werd er ook aandacht besteed aan Suriname. 28 inwoners van Suriname werden in een soort van circustent tentoongesteld. Het was de bedoeling door het organiseren van deze tentoonstelling bij Nederlandse particulieren belangstelling te wekken voor Suriname ‘door uit de Kolonie op ethnologisch gebied iets te zien te geven wat nog nimmer in Europa te aanschouwen is geweest.’

Dankzij prins Roland Bonaparte (1858-1924), een kleinzoon van Lucien Bonaparte, broer van Napoleon, is deze tentoonstelling prachtig gedocumenteerd. In deze eerste antropologische studie over de inwoners van Suriname werden Indianen (Arowakken en Caraïben), marrons (bosnegers) en creolen (negres sedentaire) uitvoerig beschreven. Van alle 28 Surinaamse tentoongestelden werden twee foto’s getoond, vooraanzicht en en profil, met een beschrijving van de uiterlijke kenmerken.

Les Habitants de Suriname is naar mijn mening niet alleen belangrijk omdat het het mooist uitgegeven boekwerk is. Het vormt ook duidelijk een breekpunt in de Surinamica. Waren zwarte mensen en indianen in vroegere publicaties anonieme subjecten, hier treden zij voor het eerst in de schijnwerpers. Voor het eerst werden gewone ‚Surinamers’ met naam en toenaam beschreven. Voor het eerst zien we foto’s van een grote groep Surinamers in een boek afgedrukt. Wij weten iets over hun individuele kenmerken en zelfs over karaktereigenschappen. Een bijzondere deelnemer aan de tentoonstelling wil ik hier even uit de groep lichten:

Op deze foto zien we de Aucaanse jongen Johannes Kojo (Kodjo), 13 jaar oud. Hij is geboren op “Berg en Dal”, een plantage aan de Suriname-rivier. Hij spreekt Nederlands en kent zelfs enkele woorden Frans. Hij heeft leren lezen en schrijven op de school van de Moravische broeders die zich vlak bij zijn dorp bevindt.. Van de missionarissen heeft hij leren lezen en schrijven en woont in Paramaribo. Ook verkocht hij ‘met meer dan gewone vrijmoedigheid’ programma’s aan de ingang van de tent.


Wat mij persoonlijk intrigeert aan de foto’s uit Les Habitants de Suriname is dat ze zo tijdloos zijn. Ze brengen de geschiedenis heel dichtbij. Als we Johannes Kojo een een trui aantrekken, een lange broek en een jas, dan zouden we hem zo in het Amsterdam van 2008 kunnen aantreffen. Sterker nog; in Amsterdam stikt het van de Johannes Kojo’s. Je moet het alleen wel willen zien.

Een andere favoriete bibliofiele uitgave is:

De menschetende aanbidders der zonneslang. F.P. Penard en A.P. Penard, Paramaribo, Heyde, 1907 /1908. Deze twee bandjes zijn in prachtig contemporain half rood kalfsleer gebonden met gouden opdruk en versiersels op de band (vermelding jaartal op de rug!); gemarmerde ‚boards’. De boeken verschenen normaliter in een papieren bandje. Deze exemplaren zijn door een particulier in deze mooie bandjes gebonden (of door de broers voor een speciale gelegenheid). In deze twee banden kunnen we o.a. lezen over de geschiedenis der Karaïben, over kanibalisme bij deze indianen, over verschillende legendes en klederdrachten.


De gebroeders Penard, Frederik Paul Penard (1876-1909) en Arthur Philip Penard (1880-1932), behoorden tot een rijke joodse familie. Hun vader verdiende geld in de houthandel. Vanaf kindsaf aan trokken de broers vaak mee het bos in. Zij begonnen ornitologisch en etnografisch materiaal te verzamelen. De beide broers kregen lepra en raakten verlamd en blind. Toch voltooiden zij hun tweedelige werk De vogels van Guyana (1908-1910) en hun grote studie over de indianen De Menschetende Aanbidders der Zonneslang (1907/1908).
De Menschetende Aanbidders der Zonneslang is curieus : verschillende disciplines: psychologische, historische, antropologische, linguïstische, letterkundige, theologische en theosofische aspecten worden moeiteloos vermengd. Het derde deel heeft als titel Neo-sophia of de Cirkelleer van tijd en ruimte meegkregen.

Ik denk dat het meest waardevolle boek in mijn collectie is:

Voyage a Surinam. P.J. Benoit. Bruxelles: Societe des Beaux-Arts (de Wasme et Laurent), 1839. Gebonden in halfleren band en de opdruk op de rug in goud.

Het boek bevat 49 litho’s die tezamen zo’n honderd beelden laten zien van het vroeg 19e eeuwse Suriname. Oorspronkelijk werden deze platen in zwart-wit gedrukt. Dit exemplaar is wat men noemt ‚oud-ingekleurd’, dat betekent dat het in de tijd (dat het gedrukt werd) met de hand is ingekleurd. Het gaat bij de ingekleurde Benoits, waarvan er niet heel veel bekend zijn, dus eigenlijk steeds om unicaten: ieder boek is weer anders qua kleuren.
Benoit werd in 1782 in Antwerpen geboren. Hij werd als goudsmit opgeleid maar hij was veel meer geinteresseerd in reizen en tekenen. Op jonge leeftijd reisde hij naar Italie, Beieren, Switzerland, Oostenrijk, Pruisen, Helgoland en Frankrijk. Later naar Nederlands Indie en in 1830 beland hij in Suriname. Benoits ‘Voyage a Surinam’ is naar mijn smaak het meest indrukwekkend 19e eeuwse boek dat aan Suriname gewijd is. Niet alleen vanwege zijn formaat maar vooral vanwege de prachtige litho’s die Madou en Lauters op basis van de tekeningen van Benoit maakten. In 50 platen (100 litho’s) geeft hij ons een beeld van de bevolking van Suriname, de godsdienst, plantages, het slavenleven, de gebruiken van de indianen. Ook krijgen we een beeld van de stad Paramaribo, feesten (du’s), begrafenis rituelen, klederdrachten en architectuur.

III: Kinderboeken

Kinderboeken vormen een bijzonder onderdeel van mijn verzameling. De verzamelprikkels in dit genre zijn groot. Met name omdat het merendeel er van bijzonder fraai is geillustreerd. Het verschijnsel kinderboek is iets dat pas laat in de 19e eeuw op gang kwam.
Een deel van mijn kinderboekenverzameling heeft met Suriname in directe zin niets te maken. Deze collectie bestaat uit meer dan 200 kinderboeken waarin kinderen of volwassenen met een zwarte/donkere huidskleur voor komen. Een aantal daarvan zijn meer dan honderd jaar oud. Zo omvat de verzameling meer dan 120 verschillende edities van de Negerhut van Oom Tom, waarvan meer dan honderd Nederlandse. Na de bijbel is dit met meest gedrukte boek in de 19e eeuw. Uiteraard is dit boek van belang voor de Surinaamse bibliotheek omdat het een grote rol heeft gespeeld in de afschaffing van de slavernij.
Er zijn ook kinderboeken waarin mensen met een donkere huidskleur op neerbuigende wijze worden afgebeeld. Dat is eerder regel dan uitzondering voor boeken die vóór de jaren ’70 van de vorige eeuw verschenen. Negatieve beeldvorming veroorzaakt een negatieve houding ten opzichte van mensen met een zwarte huidskleur. We vinden hier boeken met titels als Een Neger in het Dorp , De neger die wit wilde zijn, De lotgevallen van Pijpje Drop, Okidoki bij de Negers maar ook Little Black Sambo. Al deze boeken zeggen weinig of niets over de ‘zwarte personages’ die er in voorkomen. Het zegt wel veel over hoe men in Nederland (of Amerika) tegen mensen met een andere huidskleur aankeek. Daarom moeten deze boek ook verzameld, beschreven en gedocumenteerd worden. Ze vormen ook onderdeel van ons culturele erfgoed.

Maar vandaag wil ik het er daar niet over hebben. Vandaag staan de boeken waarin Suriname centraal staat in de schijnwerpers. Sommige hebben een abolitionistische opvoedkundige boodschap, andere verhalen proberen juist een rooskleuriger beeld te schetsen van het leven in het 19e eeuwse Suriname.

In 1800, twee jaar na het ontstaan van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, verscheen een gedrukte catalogus van de collectie. Slechts enkele kinderboeken waren daar in te vinden. Kinderboeken begonnen pas laat in de 19e eeuw opgang te komen. Het is daarom opmerkelijk dat het eerste kinderboek uit de Suriname-bibliotheek verscheen in 1800. In de Duitse taal geschreven. Het was een bewerking voor de jeugd van Stedmans Narrative: Stedmann’s Reisen in Surinam für die Jugend bearbeitet. STEDMAN, J.G.- SCHULZ, M. Berlin, in der Schüppelschen Buchhandlung (1800). Neue Auflage. Met handgekleurde gravures en in een prachtige bewerkte band. Dit is een voor de Duitse jeugd bewerkte editie van het verhaal van Stedman.

In Nederland verschijnen zo vanaf het midden van de 19e eeuw kinderboeken waarin Suriname en slavernij een rol spelen. Bijvoorbeeld:

Een ander bijzonder fraai en zeldzaam boekje is :

Uit verre landen en van nabij. Verhalen voor de jeugd. door Elise. Amsterdam, (1850).

Elise van Calcar (1822-1904) opent deze verhalenbundel voor de jeugd met het verhaal ‘De jonge boschneger’. In veel van soortgelijke 19e eeuwse vertellingen zijn de karakters van zwarte mensen vaak gebaseerd De negerhut van oom Tom (1852). Van Calcars boek verschijnt in 1850 en is dus in vele opzichten uniek.

In 1863 wordt in Suriname de slavernij afgeschaft. Een jaar later verschijnt er in Amsterdam : Vertellingen van een Surinaamschen vogel. Christina van Gogh. Amsterdam: P.M. Van der Made, 1864.

Voorwoord Christina van Gogh: “Lieve jeugd! Gij hebt zeker wel eens een papegaai gezien of gehoord hoe aardig deze vogels kunnen praten?’ Zij voert vervolgens een groene papegaai die zij ontmoette en haar toesprak: `Geloof mij, als ik u verzeker, dat gij hier vele goede en brave inboorlingen zult aantreffen, edele menschen, vol van hulpvaardigheid en opofferende liefde. Veroordeel hen niet, zoo lang zij u nog onbekend zijn; valt hen ook niet hard over de slavernij! Het tegenwoordige geslacht heeft die niet ingesteld; dat deden zijne voorouders in ruwer tijden met ruwer zeden. Van kindsbeen af gewoon, slaven rondom zich te zien, komt de slavernij hen niet als een gruwel voor, te meer dewijl de slaven hier zeer goed worden behandeld en soms veel beter lot hebben dan duizenden handwerkslieden en armen in Europa.”

Dit boekje verschijnt vier jaar na de Max Havelaar en dus één jaar na de afschaffing van de slavernij. Van Gogh probeert hier voor het thuisfront in Nederland de zaken rooskleuriger voor te stellen: De slavenkinderen `werden verzorgd door daartoe aangestelde oude vrouwen, kindermoeders genoemd. Zij kregen twee maal per dag gekookt eten, ten 11 en ten 6 ure, en bovendien ‘s morgens vroeg water met lika, Surinaamsche stroop, en geroosterde bananen. Zij zagen er allen dik en vet uit en waren gezond en vrolijk.’

Jan-Klaassen, verteld en geteekend door Oom Ben. Uitgave van J.M. Schalekamp – Buiksloot, 1903. Ome Ben was het pseudoniem van Ben Wierink (1856-1936), tekenleraar en kunstenaar die rond 1900 verschillende kinderboeken maakte. Zeer zeldzaam kinderboek uit 1903. Alle illustraties zijn kunstwerkjes op zich. Bijzonder aan dit boekje is dat een van de ‘poppen’ een ‘inboorling’ uit Suriname is : een in een prachtige koto gestoken dame. Vermoedelijk een van de eerste koto-missies die in een kinderboek met illustratie wordt opgevoerd.

Tot Slot

Het kopen en verzamelen van boeken is een aardige hobby. Je kunt er ontzettend veel tijd en vooral geld kwijt. Mijn bibliotheek is weliswaar mijn bibliotheek maar deze maakt deel uit van wat ik zou willen noemen ‘ons gemeenschappelijke culturele erfgoed.’ Suriname en Nederland delen een gemeenschappelijk verleden en dus ook gemeenschappelijk cultureel erfgoed. Het aanleggen van een verzameling is één ding; wat je er mee doet een andere. Door mijn verzameling regelmatig ter beschikking te stellen van onderzoekers, wetenschappers, journalisten, documentaire-makers en musea probeer ik, op bescheiden wijze, bij te dragen aan verspreiding van de bekendheid van dat erfgoed. Via mijn website probeer ik ook, hoewel de tijd mij daarvoor vaak ontbreekt, verhalen en beeldmateriaal uit de verzameling voor een breed publiek toegankelijk te maken. Uiteindelijk is dat de taak van verzamelaars: erfgoed bijeenbrengen en laten zien. Vroeg of laat komen deze vaak moeizaam bijeengebrachte verzamelingen terecht in musea of bibliotheken.

Ik zou u hier nog een paar uur bezig kunnen houden met verhalen over de Surinaamse bibliotheek. Maar de tijd die ik hier mocht volpraten is ruimschoots verstreken. Laat ik afsluiten met het noemen van drie functies die de Bibliotheca Surinamica voor mij in elk geval heeft:

1. De Bibliotheca Surinamica vervult allereerst een rol als spiegel van de geschiedenis van Suriname. Hopelijk laten de boeken die ik de afgelopen twintig jaar heb verzameld een zekere samenhang laten zien die niet beperkt blijft tot Nederland en Suriname. De Surinaamse geschiedenis als onderdeel van de Europese geschiedenis, maar ook als onderdeel van de Afrikaanse diaspora maar ook de Joodse-, Chinese, Indiase-.

2. Slaven werd verboden te leren lezen en schrijven. Geletterdheid en slavernij gaan niet samen. De BS heeft ook een rol als het gaat om de strijd tegen de vergetelheid. Dit kan geschieden door het organiseren van tentoonstellingen en lezingen, het opnieuw uitgeven van bijna verloren gegane teksten en boeken, het laten zien van zeldzame foto’s en ansichtkaarten via de website http://www.buku.nl

3. Mocht u door mijn verhaal geïnteresseerd zijn geraakt in de Surinaamse bibliotheek en in boeken in het algemeen dan raad ik u aan het boek van Alberto Manguel te lezen, Bibliotheek bij Nacht (2008). Aan de conclusie van zijn boek wil ik graag de derde functie van de BS ontlenen:

“Daarom ben ik niet op zoek naar een openbaring van welke soort dan ook, aangezien alles wat tegen mij gezegd wordt, automatisch wordt beperkt door wat ik kan horen en begrijpen. Niet naar meer kennis dan ik op een of andere geheimzinnige wijze al bezit. Niet naar verlichting, waarnaar ik redelijkerwijs niet kan verlangen. Niet naar ervaring, aangezien ik me alleen maar bewust kan worden van wat ik al in mij heb. Waarnaar ben ik dan op zoek, aan het einde van het verhaal over mijn bibliotheek?

Naar troost, misschien. Misschien troost,”
(De bibliotheek bij Nacht. Alberto Manguel. Ambo/Anthos uitgevers, 2007)

Hartelijk dank voor uw aandacht!

Carl Haarnack