Joachim Nettelbeck. Bürger zu Colberg. Eine Lebensbeschreibung, von ihm selbst aufgezeichnet. Herausgegeben vom Verfasser der Grauen Mappe [Johann Christian Ludwig Haken]. Halle, 1821.

Joachim Christian Nettelbeck (1738 – 1824)  voer als elfjarige jongen op het schip van zijn oom van de Duitse stad Colberg (deze stad ligt nu in Polen en heet nu Kołobrzeg) naar Amsterdam. Daar maakten de enorme schepen die uit  Oost- en West-Indië aankwamen grote indruk op hem. Hij besloot om zich als verstekeling aan één van de schepen te verstoppen. Dit bleek een slavenschip te zijn dat naar de Afrikaanse westkust voer om slaven te kopen. Beladen met 420 slaven reisde Nettelbeck vervolgens naar Suriname. Hier werden de slaven verkocht en werd koffie en suiker geladen voor de reis naar Amsterdam. Gemiddeld verbleef de bemanning zo’n drie maanden in Paramaribo. Want de ‘waren’ uit Europa en Afrika moesten ook naar de afzonderlijke plantages vervoerd worden. Vanzelfsprekend gingen de  producten van de plantages weer mee naar het schip. Zulke reizen langs de plantages namen gauw twee weken per keer in beslag. Nettelbeck maakte gedurende zijn leven enkele reizen naar Suriname.


De mensen die Nettelbeck ontmoet kunnen we moeiteloos in de archieven terug vinden. Zo schrijft hij bijvoorbeeld over twee broers genaamd Knöffel afkomstig uit het Belgard in Pommeren (Duitsland). Zij kwamen als eenvoudige soldaten naar de kolonie maar waren nu rijke bezitters van ondermeer de plantages Frederiksdorp en Belgard. Hij is ook getuige van het uitzwaaien van de eigenaar van de plantage Maasstroom genaamd Polak, die weer naar Europa terugkeert. Vierhonderd slaven huilende slaven hadden zich verzameld om de zeer zachtaaridge slavenhouder uit te zwaaien.

In het boek komt ook de slavenhandel uitvoerig aan bod. Zo zijn we ooggetuige van hoe slaven aan de Afrikaanse westkust worden gekocht en hoe het leven tijdens de overtocht naar Suriname verloopt. Vaak werden zes tot acht jonge slavinnen ‘von hübscher Figur’ (met een mooi figuur) uitgenodigd in de kajuit de nacht door te brengen. Nettelbeck stelt dat hij de achtergrond hiervan niet nader kan aangeven maar deze laat zich raden. Deze vrouwen krijgen geschenken, katoenen kleding, koraal en snuisterijen.

Ook beschrijft hij dat de schipper  bij aankomst in Paramaribo alle plantage-bezitters uitnodigde om aan boord van het schip de slaven te komen bekijken. De onverkoopbare slaven werden later op de markt in de stad te koop aangeboden. En hoewel hij op een slavenschip werkt is duidelijk dat Nettelbeck toch een zekere empathie met de slaven heeft.

Nettelbeck heeft met zijn boek geen duidelijke literaire, politieke of religieuze bedoelingen.  Deze zeer leesbare biografie is voor ons bijzonder waardevol omdat het een min of meer waarheidsgetrouw beeld schetst van de transatlantische slavenhandel en het leven in het 18e eeuwse Suriname.

Carl Haarnack

Nettelbeck op latere leeftijd