Vóór Honderd Jaren in Suriname. Tafereelen uit het Plantersleven. Joseph Witlox. Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1890.

Joseph Witlox (1867-1941) was een katholiek geestelijke en schrijver/vertaler. Het verhaal speelt zich af in de tweede helft van de 18e eeuw. Hoofdfiguur is Van der Straten die afkomstig was uit Amsterdam. Hij bezit een plantage aan de Corantijn waar koffie en tabak werden verbouwd. De opzichter op de plantage, Nicolaas, wordt door de slaven zeer gevreesd. Nicolaas waarschuwt Van der Straten dat de weggelopen ‘negerslaven’ die zich in de bergen schuilhouden spoedig de plantage zullen overvallen. Deze stelt dat de missionarissen die de slavenhutten bezoeken om het evangelie te verkondigen de oorzaak zijn van de opstandigheid van slaven. In de tussentijd is zijn neefje Heinrich in Suriname gearriveerd. Heinrich is de zoon van zijn zuster die met een Duitser was getrouwd. De jonge neef merkt dat Nicolaas de slaaf Hercules ten onrechte met de zweep afranselt. Hij komt tussen beide en sluit vriendschap met Hercules. Samen gaan ze op jacht maar Heinrich wordt door de jaguar aangevallen. Natuurlijk redt Hercules zijn leven. Als ze vervolgens door een groep ‘weggeloopen negers’ met de dood worden bedreigd brengt de talisman die ze van Ginga, een oude slavin, kregen uitkomst. Als de hoofdman, Barno,  ziet dat Heinrich onder bescherming van Ginga staat schenkt hij hem de vrijheid. Hercules en Heinrich ontdekken dat Nicolaas een samenzwering organiseert met weggelopen slaven tegen Van der Straten. De plantage wordt aangevallen en er wordt brandgesticht. De slaven van de plantage, die zich heimelijk tot het christendom hadden bekeerd, helpen nu het woonhuis te verdedigen. Als ze goed meevechten wacht hen als beloning de vrijheid om ‘naar den priester’ te lusiteren. Ook zullen ze geen slaag meer krijgen. Maar de strijd lijkt verloren. Tot dat de leider der rebellen, Baruc, bemerkt dat  hij met Heinrich, de vriend van de ‘zwarten’ van doen heeft. Wederom redt hij hem het leven en alle gestolen bezittingen worden teruggeven. De plantage wordt verkocht en Van der Straten vertrekt met zijn neef én Hercules naar Duitsland. Heinrich leefde in zijn vaderland gelukkig bij zijn zwarte vriend.

Dit verhaal heeft slechts tot doel ons een christelijke boodschap mee te geven. Daar waar het licht van het heilige evangelie verschijnt verdwijnt het heidendom dat ‘alles in de dikste duisternissen der afgoderij hulde.’ Het lijkt niet waarschijnlijk dat de auteur zelf in Suriname geweest is. Want waar in de bergen zouden de marrons zich moeten ophouden? Het plantagehuis dat ‘in zijn geheel in steen is opgetrokken’ komt ook merkwaardig over. Ook laat hij de slaven een soort krom en gebrekkig Nederlands praten dat niet onder doet voor het taalgebruik in Kuifje in Afrika.

Carl Haarnack

surinamica@gmail.com