Tags

, ,

Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand. Door eenen inwoner aldaar. E. Beyer. Amsterdam : C.G. Sulpke, 1823.

(frontispiece; Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand, 1823)

Over Beyer weten we helaas niet zo heel veel. Vast staat dat hij uit Duitsland kwam.  In 1823 verscheen Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand. Door eenen inwoner aldaar.  Amsterdam: C.G. Sulpke, 1823, zonder vermelding van de auteur. We weten dat dit Eduard Beyer was want in de originele Duitstalige uitvoering, verschenen in hetzelfde jaar, wordt de auteursnaam wel vermeld.

In 1816 woonde Eduard Beyer (Beijer)  in Amsterdam. In 1817 heeft hij blijkens Gouvernementsresolutie 6313 een admissie-paspoort gekregen om Suriname te betreden. Kort daarvoor had hij tezamen met de Nederlander Abraham Vinkeles de eerste Nederlandse steendrukkerij opgericht in 1816. Vinkeles was de zoon van de bekende graveur en tekenaar Reinier Vinkeles. Zij drukten muziek, prenten en handelsdrukwerk. In 1817 werd de zaak overgenomen door de boekhandelaar en uitgever C.G. Sulpke. Logisch dat Beyers boek ook bij Sulpke verscheen. Mogelijk verkeerde het bedrijf in financiële problemen en had Beyer schulden. Dit kan een motief zijn geweest de wijk te nemen naar Paramaribo. In de Surinaamse almanak van 1828 staat dat hij winkelier was te Paramaribo.

Eduard Beyer is een boekenvriend. Zijn boek begint hij met een uiteenzetting over welke boeken je zou moeten lezen als je iets over de geschiedenis van Suriname zou willen weten. Hij noemt Hartsinck, Fermin en Blom. Van Stedman heeft hij geen hoge pet op. Hij noemt Stedmans Reize naar Suirname (1796) niet meer dan ‘een hutspot zijner liefdesgeschiedenis, krijgsavonturen en twisten met zijn kolonel Fourgeoud.’ Het meeste daarvan is schromelijk overdreven en een deel onwaar, zo stelt Beyer.

Beyer schrijft zijn boek met name om degenen die overwegen naar Suriname te reizen een duidelijk beeld te schetsen van wat ze daar kunnen verwachten. Beyer heeft, zo schrijft hij, verscheidene jaren in Suriname geleefd. En om zijn verhaal geloofwaardiger te laten klinken claimt hij dat hij met bijna ‘alle klassen der inwoners aldaar in aanraking’ kwam. Dat zijn aanraking met juist de grootste groep mensen in de kolonie, de slaven, maar heel zijdelings was, laat zich raden. Uitgebreid gaat hij in op de geschiedenis van Suriname. Ook de eet- en leefgewoonten van de planters komen uitvoerig aanbod. De delen over de regering, de rechtspraak en handel zijn verplichte nummers maar interessant voor lezers die weinig over Suriname weten. Veel kleurlingen bekleden openbare ambten. Zij zijn schoolhouders, kantoorbedienden en “men vindt onder hen vele brave en beschaafde menschen.” Maar van vroeg 18e eeuwse ooggetuigen willen we natuurlijk vooral iets te weten komen over de unieke dagelijkse gebeurtenissen en de interactie tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Misschien dat de koele, afstandelijke Beyer ons toch een indirecte boodschap wil geven over hoe gastvrij een vreemdeling op de plantage wordt ontvangen. Want op welke geneugten zinspeelt Beyer hier nog meer dan alleen een wandeling langs koffiebomen en katoengewassen?: “En hoeveel heerlijke en ongestoorde genietingen bieden zich hem aan, wiens hart gevoelig is voor de schoonheid der Natuur, die steeds nieuwe rijkdommen ten toon spreidt!”

Pas aan het eind van het boek wordt duidelijk welk publiek Beyer voor ogen heeft. Hij richt zich specifiek op zijn landgenoten, de Duitsers. Hij waarschuwt dat velen misschien gehoord hebben dat je in Suriname snel rijk kunt worden. Maar die tijden zijn voorbij. Hij raadt het ‘de gewone man’ af, die in het vaderland of ergens in Europa zijn brood kan verdienen, om het geluk in Suriname, met al zijn gevaren en ontberingen, te gaan zoeken. Een koopman, arts of chirurgijn met enige middelen van bestaan, die zou het er kunnen redden. Daarnaast moet men ook beschikken over werkzaamheid, spaarzaamheid en volharding. Wie dit niet heeft: Blijf thuis! “Een bitter en vruchteloos naberouw zouden er anders de gevolgen van kunnen zijn!”

Beyer heeft in Suriname voor nakomelingen gezorgd.  In het wijkregister van 1846 vinden we twee Beyers : Aan de Oostzijde v/d Saramaccastraat nr. 12, wijk F, woonden de volgende (vrije) personen :

Carolina Beyer -22 jaar oud (Luthers) en Ebram Beyer 12 jaar oud. Beide Beyers staan als kleurling in het wijkregister.

Verder werd in 1841 een slavin met de naam Leentje gemanumitteerd als Helena Leentje Beer. Maar heel snel al volgde een naamsverandering in Helena Lena Beyer  “uithoofde van den naauwen bloedverwantschap waarin zij tot den heer E. Beyer, thans in Duitschland woonachtig, staat”.

Carl Haarnack

(titelblad)

(cover)

Beyträge zur Kenntniss der gegenwärtigen Zustandes der Colonie Surinam.         E. Beyer. Nürnberg : Johann Leonhard Schrag, 1823. 

Beyer schreef zijn boek in het Duits. In hetzelfde jaar dat het in Neurenberg werd uitgegeven verscheen de Nederlandse vertaling in Amsterdam. De Nederlandse editie is zeldzaam maar de oorspronkelijke Duitse uitgave is  mogelijk nog lastiger te vinden. Zoals gezegd schreef hij hoofdzakelijk voor het publiek in Europa, in het bijzonder in Duitsland. Op internet is de Duitse editie integraal te vinden als u de titel in de zoekbalk kopieert:    http://books.google.nl/books?

ch