Tags

, , ,

De heele wereld rond. Een Leesboek tot bevordering van Natuur-, Landen- en Volkenkennis. Ten dienste der Volksschool. J.J.A. Goeverneur. Groningen: Noordhoff & Smit, 1883. 

Jan Jacob Antonie Goeverneur (1809-1889) was een Nederlandse letterkundige. Hij was een veelschrijver  en schreef gedichten en boeken en vertaalde veel literatuur in het Nederlands, Frans, Zweeds, Duits en Italiaans. Voor kinderen maakte hij fabels en liedjes, schoolboeken en boeken over de natuur.

Paramaribo, illustratie uit De heele wereld rond (1883)

Dit boekje is voor ons belangrijk omdat er een stuk in staat met de titel In de Hoofdstad van onze West. Goeverneur is nooit in Paramaribo geweest maar laat een schrijver aan het woord die voor de Nederlandse schooljeugd een gedetailleerd beeld van Suriname schetst. Wie wil weten wat Nederlandse kinderen aan het eind van de 19e eeuw over Suriname leerden doen er goed aan het boekje van Goeverneur te lezen.

Over de afschaffing van de slavernij is Goeverneur kort en zakelijk. Opmerkelijk is dat hij stelt dat veel slaven zich na het tienjarige staatstoezicht na afschaffing van de slavernij zich bij de ‘boschnegers’ voegden. Het grote gebrek aan werkkrachten is volgens hem de reden dat Suriname niet meer voorspoed heeft: “De neger is juist geen groote vriend van het werk: een kleine hoek gronds, met eene heel eenvoudige woning er op, levert voor zijne geringe behoeften genoeg, en als hij zich dat kan verschaffen zonder in dienst van een’ Europeaan te gaan, blijft hij liever zijne volle vrijheid genieten.” De straten zijn slecht onderhouden en de meeste huizen zijn zeer verveloos. De huizen hebben aan de achterkant een ‘tuin’ waar men een aantal kleine woningen vindt die waarschijnlijk een overblijfsel zijn uit de slaventijd toen iedere burger een ‘aanzienlijk getal slaven moest huisvesten en onderhouden’. Die arme burgers toch, zou je bijna denken.

In 1874 werd ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Koning Willem III prijzen uitgeloofd aan ‘negerwerklieden’ die zouden uitmunten in het aanleggen van wegen en het graven van sloten in het westelijke uitbreidingsgebied van de stad. Dit gebied kreeg de naam het Plein van 12 Mei mee (Van Idsingastraat, ch). De bewoners waren vrije en welvarende lieden die er ‘hunne hutten en tuinen netjes onderhouden’.

Goeverneurs’ boekje verscheen twintig jaar na de afschaffing van de slavernij. In Nederland wist men nauwelijk iets over Suriname. De schrijver blijkbaar ook niet want hij durft te beweren dat wie midden op de brede Surinamerivier vaart zich op een Hollandsche rivier zou kunnen wanen. Dit boekje past in een lange traditie van schrijfsels en napraterij over Suriname die op basis van verhalen uit derde hand tot stand kwamen. Maar wel één waar generaties scholieren mee werden opgezadeld.

Carl Haarnack

illustratie uit De Ooievaars

De Ooievaars.  J.J.A. Goeverneur. Leiden: A.W.  Sijthoff, ca. 1890(?)

Goeverneur vertaalde veel sprookjes en kinderverhalen. Mogelijk is dit een vertaling/bewerking van werk van H.C. Andersen. In De Ooievaars vinden we een verhaal met de titel ‘De Neger’. Het verhaal gaat over de kleine Otto wiens oom uit ‘Amerika’ terugkeert en een kleine ‘Moorenjongen’ meeneemt. Otto is bang voor de zwarte jongen. Maar deze stelt hem gerust: “Ik heb een vader en een moeder gehad, evenals gij. […] “Wij hebben één Vader in den hemel, en dat is de goede God.” Na korte tijd hadden de beide jongens ‘elkander zoo lief dat zij als broeders met elkaar omgingen.’