Tags

, ,

Schetsen en typen uit Suriname. Jacq. Samuels. St. Rafael Boekhandel, Paramaribo z.j. [ca. 1944].

Jacques Salomon Samuels (1859-1939) was onderwijzer van beroep. Zo was hij schoolhoofd op Berlijn in het district Para. Maar hij werkte later ook als boekhouder en goudhandelaar in Paramaribo. Dit boekje bestaat uit een bundeling van artikelen die hij in 1904 schreef voor het dagblad De Surinamer aangevuld met stukken die hij rond 1924 schreef voor het blad De Periskoop. Het verscheen vijf jaar na zijn dood.

Jacques Salomon Samuels, zittend naast zijn vrouw Rozette Pinto. Staand van links naar rechts: dochter Estelle, dochter Betsy, zijn zuster Betsy Samuels( dus ook van Solomon Juda), en rechts de jongste dochter Mientje (Wilhelmina). De enige die ontbreekt op deze foto, die omstreeks 1912 is genomen, is Jules Samuels (1888- 1975). Hij zat op dat moment als officier van gezondheid bij het K.N.I.L. in Atjeh (collectie: mevr. Sonja Vetter-Samuels)

Samuels vertelt op een onderhoudende wijze over het alledaagse leven in Suriname in het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20e eeuw. Zo vertelt hij in ‘Mijn eerste begrafenis’ over het heengaan van de moeder van zijn nêné:

“In het huisje lag op twee schragen de kist, waarin nêné’s moeder, en daarom heen stonden de zoons en andere bloedverwanten van de overledene, met op de borst gekruiste armen, gebogen hoofd en neergeslagen oogen, als in diep gepeins verloren.”

Dragers tillen vervolgens de kist het huis uit. Voor de kist loopt de lijkbezorger in gala. De dragers , in getal zijn allen in het wit gekleed en hebben hoge zwarte hoeden op, zg ‘brouwers’. Achter de kist lopen de bloedverwanten van het mannelijke geslacht, de oudste voor op, twee aan twee. Allen dragen een ‘bradihatti’ (brede hoed) waardoor de gezichten bijna niet te zien zijn. Dan volgen vrienden, buren en de vrouwen die allemaal in het wit gekleed gaan. De vrouwelijke bloeverwanten dragen als teken van rouw op hun hoofddoek een klein in vieren gevouwen servetje gespeld en houden hun handen in een witte omslagdoek verborgen.

Dan beschrijft Samuels de ‘markeer den pas’: “… bij elke brug of bij elken omzwaai, is eene gelijkmatige verwisseling der voeten als bij het loopen, zonder dat de voorwaartsche beweging volgt, of zooals Boer Teunis het zou uitleggen: ‘met kleine stappen loopen zonder dat je loopt’.

“Bij lieden uit de volksklasse wordt de lijkkist veelal op een baar gedragen, door een zestal mannen in het wit, (rouwkleur) met een zwarten hoogen of ronden hoed op. Een bedienaar der begrafenissen in rok gaat vooraf. De statie wordt gevolgd door eveneens in het wit gekleede vrouwen. Bij het omgaan van een hoek loopen de dragers in sleependen tred en schuiven met de voeten over den grond; volgens oeroude opvatting zou hierdoor de kwade geest worden verjaagd. Intusschen bleef het gebruik in zwang.” (Onze West in Beeld en Woord. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1929)

Na acht dagen wordt er een dede oso gehouden. Er zijn veel gezichten te zien die niet op de begrafenis waren; ‘dédéhosotata’s’, piraten die elk sterfhuis bezoeken. Samuels noemt als voorbeeld ene Sjoeber, Pa Bréatora, Ba Sjaki en  Ba Priorie. De gasten worden rijkelijk voorzien van ‘gebakken koorn met pinda’, koek, chocola, koffie, brandewijn, jenever en likeur. Tussendoor worden anansitories verteld. Pas om vijf uur in de morgen wordt door de gasten afscheid genomen.

Jacq Samuels stamt uit een joodse familie en behoort tot de lichtgekleurde bovenlaag. Hij noemt zichzelf graag ‘bakra’. Een zeker elitarisme kan hem niet ontzegd worden, zeker als hij zaken beschrijft die niet behoren tot zijn ‘klasse’. Toch is hij voor ons een belangrijke chroniqueur van het gewone leven rond 1900.

Carl Haarnack