Tags

, , , ,

Bijdragen tot de Kennis van de Kolonie Suriname. Tijdvak 1816 to 1822. Door Mr Adriaan François Lammens. Amsterdam: Vrije Universiteit,1982

Over de geschiedenis van Suriname is nog lang niet alles gezegd. Veel daarvan ligt nog verborgen in archieven, dagboeken, brieven en ongepubliceerde manuscripten. In het Surinaams Museum in Paramaribo worden in achttien banden de Memoires en onuitgegeven werken van Adriaan François Lammens bewaard. Mr Adriaan François Lammens (1767-1847) speelde een belangrijke rol in het koloniaal bestuur van Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Precies dertig jaar geleden (in 1982) werd een deel van het manuscript van Lammens door de Vrije Universiteit Amsterdam en het Koninklijk Institituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) gepubliceerd. Het werk van Lammens is een rijke bron van informatie over het leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Belangrijk hierbij is dat Lammens ook veel informatie geeft over het leven in de stad Paramaribo. Tot dan toe gingen de meeste verhandelingen meer over hetgeen zich op de plantages afspeelde.

Stadsplan Paramaribo ca. 1767 (Tirion)

Lammens was geen vluchtige bezoeker die, zoals veel van zijn voorgangers, een oppervlakkige beschrijving geeft van hetgeen hij om zich heen zag. Hij verbleef bijna twintig jaar (1816-1835) in Suriname en was er o.m. President van het Hof van Justitie en het Militaire Gerechtshof. Door tijdgenoten zoals Teenstra wordt Lammens omschreven als één der eerlijkste en verdienstelijkste ambtenaren van de kolonie. Hoewel hij natuurlijk deel uitmaakte van de elite die het systeem van de slavernij in stand hield was hij tegelijkertijd kritisch over de uitwassen er van. Hij veroordeelt de onbetamelijke en wrede wijze waarop sommige eigenaren hun slaven behandelen. Lammens wijst bijvoorbeeld op het doodschieten van een slavin door directeur Balfour van plantage Berlijn die daarvoor ‘aan het zwaard der gerechtigheid of aan de koord’ ontsnapte.

Plantage Berlijn

Het verval van de Kolonie komt door dat de gemaakte winsten naar Nederland worden doorgesluisd: “De Kolonie is als een melkkoe, welke men steeds melkt, en die men bijna niet te eten geeft.”  In zijn opvattingen over slaven onderscheidt hij zich niet van zijn tijdgenoten. De slaaf is traag en lui, zo stelt Lammens, maar zijn afkeer van werken heeft hij afgekeken van zijn meester. De negerslaaf “vormt het eenig werksaam deel der bevolking, in het belang van Nederland, zonder hen bestond de kolonie niet.”

In het eerste deel beschrijft Lammens de geografie van het land. Lammens heeft zelf ook deelgenomen aan tochten naar Nickerie, hij bevoer de Corantijn en de Marowijne. Interessant zijn ook de beschrijvingen van verschillende wandeltochten door en om Paramaribo. De weg naar de plantage Ma Retraite, met aan weerszijden Kombées of tuinen, is beplant met sinaasappelbomen, manjebomen, zuurzak en broodbomen. Van Ma Retraite loopt men naar de plantage Tourtonne waarvan men in een half uur weer in de Gravenstraat komt. Deze laan door een wild bos en is met hoge bomen beplant.

Nog interessanter wordt het als Lammens de bevolking van de kolonie onder de loep neemt. Zo beschrijft hij dat de blanke inwoners zich verre houden van de kleurlingen en met verachting op hen neerkijken. Zij stellen ‘den neger verre boven den mulat (kleurling, ch)’. De kleurling verenigt volgens de blanken de gebreken van blank en zwart. Dat is volgens Lammens niet alleen onstaatkundig maar ook dom (als de kleurlingen en de zwarte bevolking zouden samenspannen zouden de blanken geen schijn van kans hebben) en ongerijmt.

Blanke mannen wonen vrij samen met ‘vrouwen kleurlingen of negerinnen’. Vaak gebeurt dat onder het mom van ‘huishoudster’. In een land waar de middelen van bestaan beperkt zijn moet, zo stelt Lammens, ‘onderkruijping en afgunst’ een grote rol spelen. Dat Adriaan François Lammens zo’n fijngevoelig oog had voor de betrekkingen tussen blanken en kleurlingen is opmerkelijk. Ongetwijfeld heeft zijn huwelijk (na het overlijden van zijn eerste vrouw) met een kleurlinge daar een rol in gespeeld. Waarschijnlijk was zij een zuster van de bekendste 19e eeuwse Creoolse kunstenaar Gerrit Schouten.

Jeriman (uit: Benoit, Voyage a Surinam, 1839)

Op de de markten en ‘wooijwooijen’ (wojo, ch) worden groenten, vruchten, vis en vogels aangeboden. Maar er zijn ook vrouwen die langs de deuren hun waren uit venten. Het gaat hierbij om snuisterijen, droge provisie, gebak, zeeschilpad (calpé). De slavinnen zijn er zeer op gesteld om als uitvenster (Jeriman) te werken want dan kunnen ze langs de straten wandelen, elkaar bezoeken en praatjes maken.

De slaven zijn ‘vol bijgelovigheden’, zegt Lammens. Zij beschouwen het als een ongeluk wanneer bosganzen ’s nachts over het hoofd vliegen. Men mag als men op de rivier vaart niet naar de naam van de plantage vragen die men voorbij vaart. Daarvan krijgt men ‘kras water’. Ook hebben de slaven veelal een treeft. Het is hun dan verboden bepaalde zaken te eten of aan te raken. Voor sommigen is de schildpad treeft, voor anderen, vlees van een hert of de pingo.

Stadsslaaf (uit: Benoit, Voyage a Surinam, 1839)

Het zichtbare onderscheid tussen slaven en vrijen is dat slaven geen schoeisel mogen dragen. Veel slaven gaan naakt door het leven en bedekken alleen de schaamdelen met een kamies. Soms draagt ‘de neger’ een groflinnen genaamd ‘makka’ bestaande uit een kort rokje en een lange linnen broek. Maar meestal loopt hij zonder broek. Soms geeft men hem een ‘duffelsche rok zonder panden’ (regenrok).

De vrouwen dragen meestal zeer ruime lange rokken ‘welke zij boven de borst vastmaken, dat de gestalte misvormt en lelijk staat.’  Soms in combinatie met een los jak dat van voren open is. De borsten worden soms in een doek gevangen die achter op de rug is vastgeknoopt. Ook slaan ze wel eens een aantal doeken (paantjes) boven de heupen om het lijf. Om het hoofd hebben zij een doek gewonden. In plaats van braceletten dragen zij snoeren kralen om de armen. Aan de benen dragen zij die ook, net boven de enkel. Onder de knie draagt men een knieband.

In deze publicatie uit 1982 is slechts geput uit deel XIII, aangevuld met enkele passages uit de delen XII en XIV, van het werk van Lammens. Dat de overige delen ook waardevolle informatie bevatten over het politieke- en sociaal-culturele leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw laat zich raden. Nu,  bijna tweehonderd jaar na de aankomst van Adriaan François Lammens in Suriname, wordt het tijd om ook uit de overige delen te publiceren.

Carl Haarnack

 

verder lezen:

  • Adriaan François Lammens. Bedenkingen bij het lezen van het artikel: Koloniën, voorkomende in het 7de deel der bijdragen tot de huishouding van staat van G.K. Grave van Hogendorp. Amsterdam, G.S. Leeneman van der Kroe, 1824. Wrappers.
  • Dr. J. Voorhoeve, De Handschriften van Mr Andriaan François Lammens. Mededeling Surinaams Museum, no. 3. Overdruk uit Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 40, 1960. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff.
  • Jan Voorhoeve en Ursy M. Lichtveld, Suriname: Spiegel der vaderlandse kooplieden. Uitgeverij Martinus Nijhoff, Den Haag 1980 (2de herziene druk).
  • Marten Douwes Teenstra, De negerslaven in de kolonie Suriname. H. Lagerweij, Dordrecht 1842