Tags

, , , ,

Wie de geschiedenis van Suriname bestudeert komt al snel tot de ontdekking dat deze voornamelijk gebaseerd is op bronnen die afkomstig zijn van de Europese koloniale elite. Dat geldt voor de archieven maar ook voor de beschrijvingen van natuurvorsers, ontdekkingsreizigers en andere passanten. Met de boeken die geschreven zijn over Suriname door mensen die er zelf nooit zijn geweest kunnen we een hele bibliotheek vullen.

De laatste jaren wordt er vaak geklaagd over het gebrek aan boeken die voortgebracht zijn uit de eigen gewone Surinaamse bevolking. Over het leven van de Marrons bestaan sowieso weinig bronnen en deze zijn vrijwel allemaal van de hand van de koloniale elite en missionarissen. Maar één man vormt de uitzondering op deze regel.

Gedurende de periode 1864 en 1895 schreef Johannes King meer dan duizend pagina’s over de geschiedenis van de Marrons (toen nog bosnegers genoemd), zijn familiegeschiedenis en over zijn ervaringen als  zendeling van de  Evangelische Broedergemeente (EBG). Het ging hierbij om dagboeken, reisverslagen en verhalen over visioenen die King kreeg. Hij leerde zichzelf schrijven, met behulp van Bijbelvertalingen en Singi Buku, toen hij ongeveer 32 jaar oud was. In een visioen was hem door God opgedragen zich bij de missionarissen van de Evangelische Broedergemeente voor de doop aan te melden. Ook kreeg hij visioenen waarin hem werd opgedragen het christelijke geloof uit te dragen. Johannes King (1830-1898) behoorde tot de Matawai (Matoewari) en was de eerste belangrijke schrijver in het Sranan Tongo.

Johannes King (ca. 1870, collectie Buku)

De Matawai was één van de drie groepen Marrons, naast de Djuka en de Saramacca, die in de periode 1761-1762 vredesverdragen sloten met het koloniale bestuur. Door hun aanhoudende aanvallen op plantages vormden de weggelopen slaven en hun nazaten een grote bedreiging voor het voortbestaan van de kolonie. Het koloniaal bestuur zag zich gedwongen om de Marrons te pacificeren. De Marrons zijn de enige nazaten van slaven die hun emancipatie door strijd hebben afgedwongen. De Matawai leefden in het stroomgebied van de Saramacca. De Djuka (ook wel Aucaners genoemd) die leefden aan de Marowijne en de Tapanahony. De Saramacca bewoonden het gebied aan de bovenloop van de Suriname-rivier.

Marrons, Suriname (litho ca. 1865)

King werd geboren als Adiri. Hij was de zoon van Adensi, de dochter van de Matawai chief Josua Kalkoen (die ook wel Kojo of Bojo werd genoemd). Adensi was eerder getrouwd met Akama Jaw. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren. Toen Adensi ernstig ziek werd (door wisi van een familielid) verliet ze haar geboortedorp en trok naar Paramaribo. Daar werd zij genezen door een Europese arts. Zij besloot in de buurt van Paramaribo te blijven wonen en niet terug te keren naar de Matawai. Daar werd zij de vrouw van een Djuka genaamd Kwamina Atjodi. Uit dit tweede huwelijk werd ook drie kinderen geboren, onder wie Noah Adrai. Deze zou later een fervente volgeling worden van Johannes King en vervolgens één van zijn ergste vijanden. King werd geboren uit het derde huwelijk van Adensi. Nadat Kwamina Atjodi aan pokken was overleden  kreeg zij met een ander lid van de Djuka, genaamd Louis, nog acht kinderen. Johannes King groeide op in de buurt van de plantages Haarlem en Maho, niet ver van Paramaribo. Na de dood van Louis zwierf de familie onder leiding van Noah Adrai (die eigenlijk Adam heette) van plantage naar plantage. Uiteindelijk kwamen zij terecht op een verlaten houtgrond Maripaston, onderdeel van de plantage Sonette.

Gedoopte hoofdmannen met links Johannes King (foto: Surinaams Museum) 

In Tori vo Maripaston (verhaal van Maripaston) schrijft King voornamelijk over de strijd met zijn broer Adrai. Noah Adrai werd granman van de Matawai en King, die de zg. Gaan Tata-cultus fel bestreed, botste vaak met zijn halfbroer. In 1973 werd de volledige tekst in het Sranan Tongo (met een samenvatting  in het Engels) uitgegeven door Henny de Ziel als Life at Maripaston.  King probeerde in dit boek de achtergrond van zijn ruzie met zijn broer Noah Adrai uit de doeken te doen. Tegelijkertijd geeft hij ons een bijzonder inzicht in het leven van de Marrons in Suriname in de 19e eeuw. Hij maakte tenslotte verschillende zendingsreizen naar andere Marrongemeenschappen (Djuka en Aluku) maar ook naar de plantage Berlijn in het Paragebied.

Wie gelooft dat de leefwereld van de Marrons in de bossen van Suriname vol idylle en romantiek  was wordt door de geschriften van King hardhandig uit de droom geholpen. Het dorp Maripaston was voordat King zijn zendingswerk begon in de ban van de slangencultus. Hekserij speelde eveneens een grote rol. Vaak werden mensen vergiftigd. En mensen die door de dorpsvergadering van hekserij verdacht werden konden rekenen op een gewelddadige dood, vaak na langdurige folteringen. Ook het gebruik van bakroe en obia feti tierden welig.

Mama-sneki (uit: Voyage a Suriname. Benoit, 1839)

Skrekibuku  (1886) is het verslag van dromen en visioenen die King kreeg. De volledige tekst werd pas in 1995 integraal gepubliceerd door Chris de Beet. Zo leren we over twee broers François en Abena die leefden in het Matawaigebied. François was een slecht mens die vele mensen door middel van hekserij uit de weg had geruimd. Hij was een gifmenger en een tovenaar die veel kwaad op zijn geweten had. François werd door de granman ter dood veroordeeld en levend in het vuur geworpen. Zijn broer Abena hield zich ook bezig met tovenarij. Hij ging regelmatig met anderen op de vuist. Volgens King werd Abena uiteindelijk door God gestraft. Maar King beschreef ook het positieve gebruik van obia. Zo bestond er ook een medicijn tegen hekserij dat hij omschreef als een dresi foe tapoe wisi. Hij schreef in Dresibuku over de werking van medicijnen onder Marrons. Rond 1868 had hij al eerder een kleine verhandeling geschreven over de religie en gebruiken van de Marrons.

Dankzij het werk van Freytag, Voorhoeve, Henny de Ziel (Trefossa) en Chris de Beet is het werk van King voor een groter publiek toegankelijk gemaakt. Het merendeel van de geschriften van Johannes King wordt bewaard in de archieven van de Evangelische Broedergemeente in Zeist en Herrnhut (Duitsland).

Carl Haarnack

Verder lezen:

  • Chris de Beet, Inleiding en vertaling van Johannes King, Berichten uit het Bosland (1864-1870). Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie, 1981 [Bronnen voor de Studie van Bosneger Samenlevingen, deel 7].
  • Skrekiboekoe : boek der verschrikkingen : visionen en historische overleveringen van Johannes King. Bewerking Chris de Beet. Vakgroep Culturele Antropologie, Universiteit Utrecht, 1995.
  • J. Voorhoeve, “Johannes King 1830-1899: een mens met grote overtuiging.” In: Emancipatie 1863 – 1963: biografieën. Paramaribo: Historische Kring, 1964, pp. 53-66.
  • Hesdie S. Zamuel, Johannes King: profeet en apostel van het Surinaamse binnenland. Zoetermeer: Boekencentrum, 1994. (Diss.)
  • Johannes King, Bushland Prophet. Gottfried Freytag. Verlag der Missionsbuchhandlung, 1927.
  • Bibliographie du Négro-Anglais du Surinam van Jan Voorhoeve en Antoon Donicie (1963). Hierin vinden we een opsomming van de teksten van King en hun verblijfplaats.
  • In the Shadow of the Oracle. Religion as Politics in a Suriname Maroon Society. H.U.E. Thoden van Velzen en W. van Wetering. Waveland Press, 2004.