Tags

, ,

Ons rijk Suriname. Schetsen voor Neêrlands volk, zijn Handel en Nijverheid. A.J. Riko. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1883

Over het leven van de schrijver A.J. Riko weten we weinig. Tussen 1870 en 1907 schreef hij verschillende artikelen en boeken over spiritualisme en magnetisme. In 1903 verscheen van zijn hand Het handboek ter beoefening van het magnetisme. Veel minder bekend is zijn boek over Suriname. Het doel dat Riko met dit boek voor ogen had was, zo schreef hij, om aan Suriname en haar bewoners meer bekendheid te geven in Nederland. Anno 1883 was er bij het gewone publiek in Nederland nauwelijks iets bekend over de kolonie Suriname.

Voor zijn beschrijving van het land en de bevolking put Riko uit het werk van Wolbers (Geschiedenis van Suriname, 1861), Halberstadt  (Kolonisatie van Europeanen te Suriname, 1870), Van Hoëvell (Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet, 1854), Palgrave (Dutch Guiana, 1876) en Moister (The West Indies, enslaved and free, 1883). Riko neemt ons mee op een (denkbeeldige) reis van Europa naar Suriname. Behalve een uitvoerige beschrijving van het land en de rivieren probeert Riko ons ook een beeld van de het dagelijks leven te schetsen. Vermakelijk is het misschien nog als hij schrijft dat het voor een salamander het misschien een ‘niet te verwerpen uitspanning’ is zich onder de gloeiende zonnestralen door Paramaribo’s straten te bewegen; ‘voor een Europeaan is het bijna onuitvoerbaar.’

Maar wat moeten we denken als Riko schrijft: “De negers van Paramaribo slapen den slaap der onschuld even als hun stamgenoten over den geheelen aardbol, als zij daartoe maar kans zien”? Hij merkt ook op dat vele personen in Suriname ‘buiten het huwelijk’ leven met huishoudsters. Riko: “Zulke huisvrouwen zijn niet van de netste en zuinigste, en houden er eene menigte ‘maatjes’, d.w.z. vriendinnen op na, met wie zij den tijd over allerlei stadsnieuwtjes zitten te verpraten. De kinderen in zulke huishoudens groeien doorgaans zoo te zeggen in ’t wild op en dooden den tijd met buiten rondlopen, visschen enz.”

Riko vertelt niet over zijn eigen ervaringen en waarnemingen in Suriname. Alles wat hij schrijft heeft hij uit tweede of derde hand. Wat dit boek echt bijzonder maakt is de beschrijving van de aanwezigheid van Surinamers op de Koloniale Wereldtentoonstelling in Amsterdam in het jaar 1883. Op deze tentoonstelling werden 28 inwoners van Suriname, ‘indianen’, ‘marrons’ en ‘stadscreolen’  in een soort van circustent tentoongesteld. Deze tentoonstelling vond plaats op het Museumplein, vlak achter het nog in aanbouw zijnde Rijksmuseum. Van dit hele gebeuren maakte Prins Roland Bonaparte een prachtig boek ‘Les Habitants de Suriname a Amsterdam’ (1884). Riko geeft ons een ooggetuigenverslag van deze vreemde expositie.

Johannes Kodjo op het Museumplein (op de achtergrond de bezoekers)

Over een Jacqueline Ricket, één van de deelneemsters aan de tentoonstelling, schrijft Riko: “Zij was geen kat om zonder handschoenen aan te vatten en oefende een soort gezag uit over de overige vrouwen en meisjes.” Jacqueline, een marktvrouw (Bonaparte omschrijft haar als een fruitverkoopster), heeft haar dochter Lina meegenomen.

Jacqueline Ricket, fruitverkoopster 24 jaar oud

Een brief die Jacqueline aan haar moeder in Paramaribo schrijft wordt in het boek integraal afgedrukt:

“Waarde moeder! Ik laat u hartelijk groeten en ik laat informeeren naar u gezondheid en ik laat u weten dat ik hebt zoo een mooi reis gehad ik hebt drie dagen in spoorwagen gezeten van St. Nazaire naar Paris van Paris Frankerijk van Frankerijk naar Amsterdam. Is zij wel Lina koop voor duizent gulden en alle menschen die komen vint dat kind zoo aardig waarde moeder wees zo goed en zend mijn witte roge voor mijn wand den heer wil ik mijn witte roge aan moeten doen. Waarde moeder wees zoo goed en zend een mooi roge voor mijn ik hebt een leven net als een visch in het water en ik was ziek geweest maar dat kind niet  Moeder groeten alle mensch voor mijn ik hebt een mooi kamer gekregen ik dragen japon wanneer ik uitgaan en hoed ook……”

De familienaam Ricket werd bij de afschaffing van de slavernij in 1863 gegeven aan slaven op de plantages Alkmaar, Leliëndaal en Paradise. Jacqueline was op het moment van de afschaffing van de slavernij zo’n vier jaar oud. Dit betekent dat zij toen dus slavin was. En van schrijvende (ex-) slaven/slavinnen zijn er in Suriname nauwelijks gevallen bekend.

Carl Haarnack