Tags

,

Neerlands hooft- en wortelsonde.  Jan Willem Kals. Leeuwarden: Pieter Koumans, 1756.

Slavernij was in het  18e eeuwse Suriname een alledaags verschijnsel. Maar wie goed zoekt zal ontdekken dat er al vanaf het begin van de invoering van de slavernij er ook critici waren. Eén van hen was  Johann Wilhelm Kals (1700-1781). Kals werd geboren in Düren in Duitsland, gelegen ten westen van de stad Keulen. Op 22 jarige leeftijd vertrok hij naar Amsterdam waar hij als koopman probeerde de kost te verdienen. Maar zijn hart lag bij de zending. Nadat hij in Utrecht theologie had gestudeerd vertrok hij in 1731, samen met zijn vrouw Anna Twisker, naar Suriname met het voornemen de heidense slaven te bekeren. Daar werd hij tot predikant benoemd in het veraf gelegen Cottica-Perica gebied. De planters en de koloniale elite in Paramaribo zaten niet te wachten op een predikant die hen de les kwam lezen. En nog erger, Kals riep de witte koloniale bovenlaag op om met hun zwarte broeders en zusters in vrede te leven.

Kerk van Betania

Kals stelt dat de planters de bekering van slaven en vrije zwarten stelselmatig trachten te belemmeren. Zo schrijft hij over de slavin Isabella die gedoopt was en later zelfs gemanumitteerd. Maar al snel bleef zij weg uit de kerk. Isabella zegt: “… de Blankken hebben my veragt en bespot, wanneer ik mede ter Kerke kwam en ten Avondmaal ging.” Ook dwongen ze haar om het hun in ontucht te leven en wanneer zij weigerde scholden zij haar uit voor een ‘swart Beest’.  Dankzij Kals horen we een Surinaamse vrije zwarte vrouw aan het woord. Daar zijn begin 18e eeuw maar weinig gevallen van bekend. Volgens Kals  mishandelen de kolonisten de slaven en geven ze zich over aan dronkenschap en aan de zonde van“hoerereije ende egtbreuk” met negerinnen en indiaanse vrouwen. Hij noemde de wijze waarop blanken mannen negermeisjes uitzoeken op de slavenmarkt, stuitend.

Creoolsche vrouw

Kals wordt binnen twee jaar Suriname uitgezet. In Amsterdam diende hij een klacht bij het kerkbestuur over de bedorven zeden van de kerkelijke voorgangers en koloniale bestuurders. In 1756 publiceert hij ‘Neerlands Hooft- en Wortel-sonde, het verzuym van de bekeringe der Heydenen’. Deze publicatie bestond uit een verzameling geschriften, preken, brieven en voordrachten waarin hij het Nederlandse publiek informeerde over de wantoestanden in Suriname. Kals sprak zich misschien niet expliciet uit tegen de slavernij  maar hij was bijzonder fel gekant tegen de manier waarop slaven werden behandeld.  En hij veroordeelde de veelwijverij, een alledaags onderdeel van die slavenmaatschappij, in zeer scherpe bewoordingen. Uiteindelijk vluchtte hij in 1749 naar Engeland toen een verhouding met een jonge vrouw, die in zijn huishouding werkte, aan het licht kwam.

bijbel

Het boek van Kals is uitermate zeldzaam. Er zijn slechts drie exemplaren bekend: één bij de Koninklijke Bibliotheek, één bij de universiteitsbibliotheek in Leiden en één in Amsterdam. Het anti-koloniale erfgoed is kwetsbaar.

Carl Haarnack

————————————
De foetoe-boi

Door Henny Molhuysen

‘s-Hertogenbosch is altijd al een stad geweest die kennis heeft gemaakt met vreemdelingen. Lombarden, huursoldaten en vluchtelingen; velen hebben een gastvrij onderdak gevonden in de Hertogstad. Al wil dat natuurlijk niet zeggen dat vreemdelingen niet opvielen. Neem bijvoorbeeld Duren, de zwarte voetbode (foetoe-boi) van dominee Kals.
Jan Willem Kals was in 1702 in Duren geboren. Oorspronkelijk was hij katholiek, later ging hij naar het protestantisme over. In 1730 vertrok hij naar Suriname. Hij had daar geen gemakkelijk leven, omdat hij zich keerde tegen het materialisme, de machtswellust en de verachting die er tegen kleurlingen bestond. Regelmatig had hij daarover sterke meningsverschillen met de koloniale autoriteiten en andere dominees. Zij waren het niet die hem de bijnaam de advocaat van indiaan en neger gaven. Tenslotte moest hij Suriname verlaten… Dominee Kals kwam met zijn vrouw in ‘s-Hertogenbosch.
Kals had een huisknecht bij zich, die hij Duren (naar zijn geboorteplaats) noemde. Duren was vroeger in Suriname een slaaf geweest en kennelijk door de dominee bevrijd of misschien zelfs vrijgekocht. Omdat Kals geen vast inkomen had, kon hij zijn ‘foetoe-boi’ niet meer onderhouden. Daarom ging Duren over in dienst van de Bossche gouverneur, de prins van Holstein.
Opmerkelijk was, dat toen pas bleek dat de advokaat van indiaan en neger zijn eigen huisgenoot Duren niet had gedoopt. Daar kwam verandering in. De gouverneur stuurde Duren naar katechisatie en kennelijk leerde hij vlug, want al binnen een jaar zou hij gedoopt worden.
Duren gaf zich bij de kerkeraad aan als iemand, afkomstig uit het Afrikaanse Angola! Hij wist zeer zeker dat hij geboren was in Suriname, maar hij had daar gehoord dat in Angola de jongeren veel eerbied hadden voor de ouden van dagen. Duren besefte kennelijk dat daar zijn roots lagen. Op 5 januari 1742 werd hij in de Sint-Jan – die toen in hervormde handen was – gedoopt. Duren kreeg toen ook een andere naam; voortaan Kristiaen Steinholt. Enkele dagen later werd hij tevens ingeschreven in het lidmatenregister.
In het doopboek van de Nederlands Hervormde gemeente kwam te staan: Gedoopt door de Prof. Clemens een swarte uit Angola, in dienst van zijn Hoogheid Antoni G. Prins van Holstein, gouverneur alhier, die als Gevader (= peetvader) over den doop heeft gestaan, gepresenteerd door den Heer Daniel Mobachius Quaat, M.D. en Prof. in de Illustere School, mitsgaders Oud-scheepen dezer stadt. Hij is genoemd door zijn Hoogheid Kristiaen Steinolt.
Drie dagen later wordt hij officieel lidmaat en in de notulen van de Kerkeraad lezen we daarover: die Moor (een veel voorkomende naam in de 18e eeuw voor Afrikanen en Surinamers) is door dominee Clemens gedoopt en is nu ingelijfd in deze christelijke gemeente.
Brabants Dagblad donderdag 15 november 1990
Bossche Encyclopedie | A.F.A.M. (Ton) Wetzer © 2003-2013 versie 9.0