Tentoonstelling Slavernij Verbeeld; zaal 1

Tussen 15 juni en 22 september 2013 werd bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam de tentoonstelling Slavernij Verbeeld gehouden. Aan deze tentoonstelling mocht ik een kleine bijdrage leveren als bruikleengever en gastconservator. Regelmatig heb ik groepen bezoekers rondgeleid langs boeken, prenten, schilderijen en objecten die alle een verhaal vertellen over de geschiedenis van het Nederlands slavernijverleden. In onderstaand stuk een bewerkte weergave van het verhaal dat ik tijdens deze rondleidingen in zaal 1 heb gehouden.

zaal 1foto: Tony Jonges en Ron Leenheer

Op 1 juli 1863 werd in de Nederlandse koloniën de slavernij afgeschaft. Exact 34.443 slaven verkregen hun vrijheid. Daarvan werkten er 26.825 slaven op 232 plantages. De overige 6.086 slaven waren eigendom van 986 particuliere eigenaren. Deze privé-slaven werkten voornamelijk in de hoofdstad Paramaribo. De eigenaren kregen voor iedere slaaf die zijn of haar vrijheid kreeg maar liefst fl. 300,–.  In totaal betaalde de Nederlandse overheid alleen al in Suriname ca. fl. 10 miljoen aan schadeloosstellingen aan de eigenaren uit. Omgerekend zou dat nu een bedrag van ettelijke miljarden euro’s zijn. De slaven zelf kregen niets. Ze waren verplicht tot tien jaar na de afschaffing van de slavernij voor hun oude eigenaren te blijven werken.

schuifdeuren Stedmanfoto: Tony Jonges en Ron Leenheer

Op de dag van de afschaffing van de slavernij werden slaven dus burgers. Ze dienden zich als goede burgers te gedragen en mochten niet ten laste van de overheid vallen. Slaven hadden alleen een voornaam maar als burgers moesten zij een familienaam krijgen. De geschiedenis van mijn eigen voorvaderen begint, voor zover ik heb na kunnen gaan, in 1817. Op de plantage Sarah in Coronie wordt in 1817 mijn voorvader Coffy geboren. Op deze plantage, die later werd samengevoegd met Leasowes, werkten in 1863 320 slaven. De eigenaar was Anthony Dessé. We weten dat Coffy er als veldarbeider op de katoenvelden werkte. In 1840 werd zijn zoon Robertson Timotheus geboren. En in 1843 volgde nog een zoon die de naam Heintje mee kreeg. Op 1 juli 1863 kregen Coffy en zijn zonen de familienaam BLOM mee. De voornaam van Coffy werd veranderd in Andreas Samuel.

hospitaal Sarah

hospitaal plantage Sarah (collectie: Tropenmuseum)

Coronie werd pas aan het begin van de 19e eeuw door Engelse plantagehouders gecultiveerd. Suriname viel tussen 1804 en 1816 onder Engels bestuur. In die periode kwamen er veel plantagehouders van de Engelse eilanden (bijv. Trinidad, Barbados) naar Suriname. De Engelsen hadden begin 19e eeuw de slavenhandel al verboden. In Suriname was de geest van het abolitionisme nog niet ontwaakt. Door die Engelse aanwezigheid dragen veel plantages in Coronie Engelse namen. Ik denk bijvoorbeeld aan Sarah-Leasowes, Inverness, Hamilton, Perseverance, Maryshope, Totness, Friendship, Clyde en Burnside. Andere familienamen die op de plantage Sarah Leasowes ontstonden zijn Anijs, Boldewijn, Bloemgaard, Blom, Blos, Blijd, Bobson, Bron, Chards, Cichards, Creton, Daniels, Diek, Doorson, Dors, Elzas, Esajas, Fay, Felter, Filemon, Gram, Hards, Hasselbaink, Jacobussen, Jonassen, Kartets, Kasson, Kolf, Kramp, Kulas, Limon, Lunet, Machards, Mettendaf, Nomiss, Paal, Piket, Ravelijn, Redan, Redout, Riards, Riedewald, Rozenblad, Suran, Tevreden, Tolud, Tulp, Willig, Wilsterman, Wijers en Zunder.

Het was verboden familienamen aan de geëmancipeerden te geven die al in de kolonie bestonden. Veel plantage-eigenaren lieten in de keuze van de namen hun frustraties over de emancipatie doorschemeren. Ook waren er slaveneigenaren die gemakzuchtig of wraakzuchtig te werk gingen. Ook misplaatste woordgrappen en ridiculiserende naamgevingen waren niet van de lucht. Zo waren er vijf slaven met de voornaam Napoleon. De familienamen die zij meekregen waren Wildeman, De Baas, Bonpart, Bonapart en Murat (Joachim Murat; 1767-1815 was maarschalk in het leger van Napoleon). Een slaaf met de voornaam Interest kreeg als familienaam Kapitaal. De slaaf Present van Groot Chatillion kreeg de familienaam Cadeau. Present van plantage Schoonoord kreeg de naam Kado. Op plantage L’Esperance leefde een slaaf   die Romulus heette kreeg de familienaam Remus mee (Romulus & Remus worden in de Romeinse mythologie genoemd als oprichters van de stad Rome). De slaaf Soldaat van plantage Ornamibo ging verder door het leven met de achternaam Luitenant. Bonheur werd Goedhart. De slaaf Oranje kreeg de achternaam Bal. En de slaaf Calais van de plantage Paradise kreeg de familienaam Dover mee. *)

titepagina: Neerlands hooft- en wortelsonde. Jan Willem Kals. Leeuwarden: Pieter Koumans, 1756.

In de beleving van onze koloniale geschiedenis zitten er een groot aantal hardnekkige mythes. Zo is het een misvatting te denken dat gedurende de afgelopen eeuwen alle wittte Europeanen vóór de slavernij waren en alle zwarte Afrikanen tégen. Zo waren er ook al in de 17e en 18e eeuw veel critici van de slavernij. Eén van hen was  Johann Wilhelm Kals (1700-1781). Nadat hij in Utrecht theologie had gestudeerd vertrok hij in 1731, samen met zijn vrouw Anna Twisker, naar Suriname met het voornemen de heidense slaven te bekeren. Daar werd hij tot predikant benoemd in het veraf gelegen Cottica-Perica gebied. De planters en de koloniale elite in Paramaribo zaten niet te wachten op een predikant die hen de les kwam lezen. En nog erger, Kals riep de witte koloniale bovenlaag op om met hun zwarte broeders en zusters in vrede te leven. Volgens Kals  mishandelen de kolonisten de slaven en geven ze zich over aan dronkenschap en aan de zonde van “hoerereije ende egtbreuk” met negerinnen en indiaanse vrouwen. Hij noemde de wijze waarop blanken mannen negermeisjes uitzoeken op de slavenmarkt, stuitend. Kals wordt binnen twee jaar Suriname uitgezet. In 1756 publiceert hij ‘Neerlands Hooft- en Wortel-sonde, het verzuym van de bekeringe der Heydenen’. Deze publicatie bestond uit een verzameling geschriften, preken, brieven en voordrachten waarin hij het Nederlandse publiek informeerde over de wantoestanden in Suriname. Kals sprak zich misschien niet expliciet uit tegen de slavernij  maar hij was bijzonder fel gekant tegen de manier waarop slaven werden behandeld.  En hij veroordeelde de veelwijverij, een alledaags onderdeel van die slavenmaatschappij, in zeer scherpe bewoordingen.

Capitein

Jacobus Elisa Johannes Capitein (1717-1747) werd als achtjarige weggeroofd bij zijn ouders en als slaaf verkocht aan Arnold Steenhart, een Zeeuwse kapitein. Deze gaf de jonge Jacobus aan Jacob van Goch, een kapitein van de West-Indische Compagnie (WIC). Van Goch behandelde hem als een pleegzoon en zorgde voor goed onderwijs. Zo bezocht Capitein de Latijnsche School. In 1735 werd hij gedoopt en ging hij theologie studeren in Leiden. In 1742 verscheen zijn dissertatie De servitude libertati christianae non contraria. Slavernij is, zo betoogde Capitein, niet strijdig met de chistelijke leer. Slavernij van Afrikanen is te rechtvaardigen omdat zij geen christenen zijn. Maar slaven die bekeerd waren tot het christendom hoefden niet te worden vrijgelaten. Capiteins proefschrift had de sympathie van de bewindvoerders van de WIC. Hij werd als predikant uitgestuurd naar Elmina. Als compagnie-predikant moest hij slavenhandelaren geestelijk verzorgen maar die wilden helemaal niets van hem weten. Behalve vanwege zijn huidskleur was ook zijn strijd tegen buitenechtelijke relaties hen een doorn in het oog. De Afrikanen in en om Elmina vonden hem juist weer té wit, té Europees. Capitein probeerde zijn werkterrein te verleggen naar de Afrikaanse heidenen. Een huwelijk met een Afrikaans meisje moest de contacten met de inheemsen aanhalen. De kerkelijke bestuurders in Amsterdam echter achtten het ongepast als een gereformeerde predikant met een heidens meisje zou trouwen. Daarom stuurden zij Capitein een Nederlandse vrouw, Andrea Ginderdros. In 1745 werd het huwelijk gesloten. Capitein richtte een schooltje en een weeshuis op. Maar vanwege een conflict met de classis van Amsterdam ging het snel bergafwaarts. De schulden overstegen snel de bezittingen. Capitein zelf ging zelf in zaken. Succesvol is dit waarschijnlijk niet geweest. In 1747, slechts vijf jaar na het verschijnen  van zijn dissertatie, overleed Capitein onder mysterieuze omstandigheden. Over zijn leven zijn vele boeken geschreven.

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt is het slavernij verleden goed gedocumenteerd. Nederlanders waren uitermate secuur als het ging om het administreren van bezittingen, opbrengsten van de verbouw van koffie, suiker en katoen, en de winsten. Zo blijkt uit de inventaris van plantage Oostwaard (collectie Boumann) dat nauwkeurig werd bij gehouden hoe groot de  ‘slavenmacht’ was: mannen en vrouwen, meisjes en jongens. Maar ook ieder stuk gereedschap, iedere koe of paard werd minutieus geregistreerd. Halverwege de 18e eeuw telde Suriname meer dan 500 plantages waar ca. 60.000 slaven werkten.

Vriesenburg

 plantage Vriesenburg-Nova en Dwingelo (collectie Boumann)

Op de afbeelding van de plantage Vriesenburg-Nova en Dwingelo (collectie Boumann) zien we dat de plantage veel weg heeft van een Nederlands polder landschap. Alle plantages bevonden zich vanwege het transport van producten naar de stad aan een rivier of kreek. Door de aanleg van trenzen en kanalen kon de plantage goed worden geïrrigeerd. Deze plantage was in 1829 eigendom van de erven Reiziger (ja, de voormalige Ajax-voetballer Reiziger moet een afstammeling zijn) en gelegen aan de Cabbeskreek. De plantage was 500 akkers groot en er werd voornamelijk koffie en katoen verbouwd.

Een onpartydige Beschrijvinge van Surinam, gelegen op het vaste Landt van Guiana in Africa. George Warren. Amsterdam: 1669.

Ook in de 17e eeuw waren er reeds critici van de slavernij. George Warren, een Engelsman, bezocht Suriname toen de kolonie nog in handen van de Engelsen was. In het jaar waarin de Vrede van Breda werd gesloten, 1667, en Suriname geruild werd tegen New York verscheen zijn boek. Dit boek was oorspronkelijk in het Engels geschreven door George Warren (An impartial description of Surinam)  en verscheen in 1667. Warren geeft ons, als ooggetuige, een beschrijving van de onmenselijke omstandigheden waaronder de slaven moeten leven. Een zekere empathie kan hem niet ontzegd worden. Warren schrijft:  De slaven worden als honden verkocht. Ze moeten de hele week werken tot zaterdagmiddag. Dan mogen ze op hun kostgrondjes werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Eén of twee keer per jaar krijgen ze wat geroosterd vlees als een koe of paard is doodgegaan. Of misschien een stuk verrotte vis. Zo’n miserabel leven drijft sommige slaven er toe te ontsnappen om hun vrijheid te zoeken. En als ze gevaar lopen te worden gevonden slaan zij soms de hand aan zichzelf. Want als ze weer in de macht van hun meesters  komen worden ze aan verschrikkelijke martelingen blootgesteld als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen. Warrens boek is belangrijk omdat het een vroeg beeld geeft van de situatie in de kolonie Suriname. En Warren heeft een flink aantal schrijvers na hem geïnspireerd, om het zacht uit te drukken. Velen hebben het werk van Warren geplagieerd.

Carl Haarnack

*) Uit:  Hove, O. ten & H.E. Helstone & W. Hoogbergen Surinaamse emancipatie 1863, familienamen en plantages. Amsterdam: Rozenberg Publishers