Tags

, , , ,

Outalissi, a Tale of Dutch Guiana. Christopher Edward Lefroy. Hatchard & Son. Londen, 1826 .

Hoe zou het toch komen dat boeken die een kritisch geluid laten horen over de rol van de overheid in de koloniale tijd vaak zo zeldzaam en moeilijk vindbaar zijn? Het dominante geluid in de geschiedschrijving is doorgaans dat van de bovenliggende partij. Dit is een bijzonder zeldzaam boekje dat ik in de afgelopen dertig jaar niet één keer voorbij heb zien komen op een veiling of bij een antiquariaat. Het boek Outalissi kan zonder enige twijfel een abolitionistische roman genoemd worden. Het verhaal is weliswaar in een literair jasje gegoten maar alles, inclusief de voetnoten en de epiloog, zijn er op gericht de lezer er van te overtuigen dat de slavernij een verwerpelijk instituut is en dat het in strijd is met het ware Christendom. Een dergelijk kritisch geluid was anno 1826 in Suriname ongehoord. Het boek verscheen dan ook zonder vermelding van de auteursnaam.

Paramaribo postkantoor

De auteur schrijft in het voorwoord dat hij een manuscript in handen heeft gekregen na de dood van één van zijn kameraden. Deze veel gebruikte 18e en 19e eeuwse truc was er natuurlijk vooral op gericht om iedere verantwoordelijkheid voor de tekst direct af te wijzen. Maar al snel werd duidelijk dat het geschreven was door een rechter van het Gemengd Gerechtshof, Christopher Edward Lefroy (1785-1856)‎. Lefroy werd in 1819 benoemd bij aan dit hof dat erop moest toezien dat de slavenhandel werd bestreden. In 1808 hadden de Engelsen een verbod op de slavenhandel uitgevaardigd. Toen Suriname na het Engelse Tussenbestuur (1804-1816) weer in Nederlandse handen overging werd het verbod op slavenhandel gehandhaafd. Maar tientallen jaren na de invoering van het verbod vond nog steeds op grote schaal smokkel van slaven plaats.

justitia pietas fides

In het boek wordt het verhaald verteld van Outalissi, van koninklijke bloede. Outalissi heeft in zijn geboorteland in Afrika het leven van een Europese schipbreukeling gered. Maar deze zelfde man (volgens Outalissi een ‘Christian traitor’ en ‘ungrateful monster’) keert na enige tijd terug en neemt Outalissi en zijn hele dorp gevangen en voert hen mee in een smokkel-slavenschip naar Suriname. Edward Bentinck, een jonge officier in Nederlandse dienst, speelt in het verhaal een centrale rol. Edward is met zijn detachement gestationeerd in het verafgelegen oostelijke deel van de kolonie Suriname, niet ver van de monding van de Marowijne.  Regelmatig bezoekt hij de plantage Anna’s Grove van ene heer Cotton. Deze plantagehouder heeft een dochter Matilda op wie Edward erg gesteld is. Matilda denk anders over de slavernij dan haar vader. Zij laat de Herrnhutter missionaris Schwartz haar slaven onderrichten over het christendom. Deze quasi verlichte denkbeelden hielden overigens slechts in dat de slaven in een volgende wereld als gelijke van de Europeanen zouden worden beschouwd. Natuurlijk moesten zij dan wel in dit leven goed en eerlijk gedragen. Maar haar vader blijkt illegaal gesmokkelde slaven te kopen van een Franse kapitein genaamd Légere.

slavenmarkt

Bentinck neemt, ondanks zijn vriendschapsband met Matilda en haar vader, zijn verantwoordelijkheid en schrijft aan het gezag in Paramaribo over de praktijken van de Franse slavensmokkelaar. Dit heeft tot gevolg dat de vader van Matilda door de autoriteiten gevangen wordt genomen. Door toedoen van de wrede plantage-directeur van Anna’s Grove, genaamd Hogshead, worden Outalissi (die daar als slaaf te werk is gesteld) en de Herrnhutter missionaris Schwartz gevangen genomen. Outalissi heeft voorkomen dat Hogshead zich vergrijpt aan de jonge slavin Charlotte van Anna’s Grove. Daarom wordt hij nu valselijk beschuldigd door Hogshead en naar Paramaribo afgevoerd. Schwartz wordt ervan beschuldigd de opstandigheid onder de slaven aan te wakkeren. Schwartz wordt gemarteld en ter dood gebracht. Outalissi wordt veroordeeld tot de Spaanse bok. Bij deze zeer wrede straf werd een slaaf vastgebonden aan de polsen. Door een stok te steken achter de boven de armen opgetrokken knieën kon de veroordeelde geen kant meer uit. Vervolgens werd de gestrafte met een bos tamarinde taken zodanig afgeranseld dat er geen vel meer op zijn rug zat.  De wonden werden dan ook nog ingewreven met het bijtende sap van citroenen en kruit (wat tot ondraagbare pijnen moet leiden). Maar Outalissi wacht deze straf niet af maar ontsnapt uit Fort Zeelandia. Uiteindelijk zal hij uit wraak, voor alles wat de ‘christenen’ de slaven aan doen, brand stichten in Paramaribo. In feite werd Outalissi hier als stichter van de grote brand van 1821, waarbij meer dan 400 huizen in de as gelegd werden,  geportretteerd.  Wel redt hij en passant het leven van Matilda. Als dank voor zijn heldendaad wordt hij niet zoals Schwartz gemarteld maar krijgt hij een genadeschot van het vuurpeloton.

Brand 1821 RijksmuseumBrand van 1821 (collectie Rijksmuseum)

Hoewel de auteur in het voorwoord aangeeft dat hij niet één naam in het manuscript heeft gevonden die correspondeert met een in de kolonie levende figuur lijkt de auteur toch zijn best te hebben gedaan om dichtbij de werkelijkheid te blijven. Met een beetje fantasie zou de plantage Anna’s Zorg, gelegen aan de Warrappakreek, model hebben kunnen staan voor Anna’s Grove. Zo maken Edward en Mathilda een wandeling van de plantage naar het nabijgelegen strand. Ook de naam Bentinck lijkt ontleend te zijn aan graaf Charles Bentinck die in 1809 door de Engelsen tot gouverneur van Suriname werd benoemd. De romanfiguur Edward heeft een verleden dat overeenkomsten vertoond met de gouverneur Bentinck. De kapitein van het schip dat in de roman Afrikanen naar Suriname smokkelde heet Légere. Zijn naam werd ontleend aan het schip La Légère, dat in werkelijkheid in 1823 voor de kust van Suriname werd onderschept met aan boord gevangen genomen Afrikanen die als smokkelwaar voor Suriname bestemd waren.

De koloniale autoriteiten waren uiteraard ‘not amused’ na het verschijnen van Outalissi. Tenslotte gaf Lefroy onomwonden blijk van zijn sympathie met de slaven en de strijd van de abolitionisten. In 1829 wordt rechter Lefroy van zijn functie ontheven en teruggeroepen naar Engeland. Het koloniale gezag in Suriname deed verder weinig tegen de smokkel van slaven en werkte hier soms zelfs aan mee. In beslag genomen ‘slaven’ werden soms vrij verklaard en direct te werk gesteld in gouvernementsinrichtingen zoals de houtgronden aan de Coppenamerivier. Geschat wordt dat er rond 1830 zo’n 700 à 800 Afrikanen door het gouvernement in slavernij gehouden werden.

Carl Haarnack