Tags

, ,

Proeve eener handleiding om het Neger-Engelsch. Helmig van der Vegt. Amsterdam, 1844. Proeve eener handleiding om het Neger-Engelsch, zoo als hetzelve over het algemeen binnen de kolonie Suriname gesproken wordt, gedurende de reis derwaarts te leeren verstaan en spreken; onmisbaar voor elken Nederlander, die zich met der woon aldaar denkt te vestigen, en zamengesteld ten dienste van jonge zeevarenden, kolonisten en van het zendingshuis te Rotterdam. A. Helmig van der Vegt, Amsterdam, P.N. van Kampen, 1844.

Helmig vd Vegtuit: Voyage a Suriname. Benoit, 1839

Gelukkig is er de laatste jaren meer belangstelling ontstaan voor de geschiedenis van het alledaagse in Suriname. Hoe zag het leven van de gewone man (m/v) er uit? Helaas zijn de mogelijkheden om daar meer over te weten te komen beperkt omdat men toen, net als nu, alledaagse dingen niet interessant genoeg vond om ze op te schrijven. Boeken over taal kunnen ons soms interessante inzichten geven in het leven van toen. Vooral de dialogen die in dergelijke publicaties worden opgevoerd kunnen een belangrijke bron voor ons zijn.

Over het leven van Helmig van der Vegt zelf weten we weinig. Naar eigen zeggen had hij gedurende zestien jaar in het onderwijs gewerkt. In 1839 had hij een ander boekje gepubliceerd dat als titel meekreeg: Handleiding ter bevordering der welsprekendheid, ingerigt ten gebruike voor kunst- en letterlievende maatschappijen en instituten. Uit zijn inleiding van het boekje om ‘Neger-Engelsch’ te leren kunnen we in elk geval opmaken dat hij van deze taal in ieder geval geen hoge pet op had. Het is ‘een onbeschaafde taal zonder opgespoorde vaste grondregelen die hoofdzakelijk gesproken wordt door de geringste klasse van menschen, de slaven’. Maar hij voegt daar direct aan toe dat er in de kolonie geen creool te vinden is die geen sterke liefde heeft voor zijn moedertaal en deze met trots spreekt ‘als ware hij een Franschman’. Helmig van der Vegt heeft dit taalboekje in dertig lessen opgedeeld omdat de overtocht van Nederland naar Suriname toen gemiddeld dertig dagen beslag nam. Zo konden ‘jonge zeevarenden, kolonisten, landverhuizers en zendelingen’ door iedere dag een lesje te leren bij aankomst ‘met meer vrucht en vertrouwen onder de Negerbevolking begeven.’

Koffie

Uit de dialogen tussen een ‘heer en zijn knecht’ in les nummer 22 leren ons het één en ander over die relatie: “Gi mi wan krien hempie sondro vo takki so meni” (Geef mij een schoon hemd zonder zo veel praats te maken); “Go na koekroe aksi da oema, iffi koffi no boli Jette” (Ga naar de keuken en vraag aan de meid of de koffij nog niet gereed is). Maar wat moeten we denken als er onder het hoofdstukje theevisite er zulke zinsneden worden gebruikt: “Mi ben hangri vo si joe” (Ik was begeerig u te zien). Vooral als dit gevolgd wordt door: “Mi lobi vo de nanga joe vo troe” (Ik bemin uw gezelschap zeer); en “Meki wi go nanga mi kamra” (Laat ons nu naar mijne kamer gaan); Ga na fesi, mi sa wakka na joe bakka (Ga vooruit, ik zal u volgen). Over de thee wordt met geen enkel woord gerept.

Helmig van der Vegt achtte zichzelf capabel genoeg om een taalinstructie boekje voor het Sranan Tongo te maken. In de moderne wetenschappelijke literatuur wordt hij echter, overigens tezamen met Pieter van Dyk die we hier eerder besproken hebben, ‘linguistically naive’ genoemd en moeten we voorzichtig zijn met zijn gegevens (Substrata versus Universals in Creole Genesis. Papers from the Amsterdam Creole Workshop, April 1985.Edited by Pieter Muysken and Norval Smith. Creole Language Library, 1. 1986).  Maar wie de moeite neemt dit boekje te bestuderen zal zich zonder enige moeite in het 19e eeuws Suriname wanen.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2011/08/15/taal_werken/

 

 

helmig klein