Tags

,

Tomas en Maria, of De jonge zwervers : een geschenk voor de jeugd. J. de Breet. Amsterdam: Gebroeders van Arum, 1824.

Kan een boek waarvan de hoofdpersonen nooit voet aan wal zetten in Suriname toch deel uitmaken van de Surinaamse bibliotheek? Tomas en Maria is een boek waarvoor de ene Surinamica-verzamelaar een moord zou doen, terwijl de ander er nog niet eens naar zou omkijken.

Afbeelding uit Tomas & Maria (1824)

 

Over de schrijver J. de Breet weten we eigenlijk weinig meer dan dat hij vertaler en huisonderwijzer in Arnhem was. Hij schrijft in zijn inleiding dat hij hoopt dat zijn boekje bijdraagt aan de gehoorzaamheid en liefde van kinderen ten opzichte van hun ouders of opvoeders. Het aankweken van deugd en ‘godsvrucht’ in de harten der jongeren is een edele taak die de auteur graag op zich neemt. In dit opzicht is De Breet een representant van het beschavingsoffensief dat zo kenmerkend was voor de 19e eeuw.

Afbeelding uit Tomas en Maria (1824)

Het verhaal gaat over Thomas en zijn zus Maria die resp. acht en zes jaar oud zijn als hun vader overlijdt. In zijn testament heeft hij een voogd aangewezen die op het wel en wee van de kinderen moet toezien én die het familiekapitaal moet beheren tot dat de kinderen volwassen zijn. Maar helaas behoorde deze voogd tot de slechtste soort mensen en muntte deze uit in ‘schraapzucht’. Hij eigende zich het vermogen van de kinderen grotendeels toe en toen zij wat ouder werden stuurde hij hen naar Suriname. Dit gebeurde onder het voorwendsel dat zij zo hun kennis van de wereld konden opdoen. De gouverneur van Suriname was een familielid van de voogd. Het schip komt echter nooit in Suriname aan. Het leidt schipbreuk en door een geluk worden de kinderen gered door een oude man, genaamd Senex, die ook op het schip zat. De drie weten de Afrikaanse kust te bereiken en worden gastvrij ontvangen door indianen(!). Gedrieëlijk reizen ze door Arabische landen waar ze vele avonturen beleven. Vreemd genoeg komen ze ergens bij de Rode Zee terecht en reizen via Egypte en Algiers weer naar Nederland. Senex blijkt zijn fortuin in Suriname vergaard te hebben maar is alles weer kwijtgeraakt door een onbetrouwbare compagnon. De voogd van Tomas en Maria blijkt op sterven te liggen, hij biecht zijn slechte plannen op en vraagt om vergiffenis. Uiteindelijk krijgen Tomas en Maria als erfgenamen van hun voogd nog meer dan waar ze recht op hadden.

De rode draad in het boek is de voorzienigheid en de hand van god die uiteindelijk altijd de eerlijken en de braven beloont. Suriname komt enkele malen in het boek naar voren. Interessant is natuurlijk vooral het levensverhaal van de oude Senex die zijn geluk beproefde in Suriname. Klaarblijkelijk werd Suriname zo aan het begin van de 19e eeuw nog gezien als een land waar je betrekkelijke eenvoudig en in korte tijd een fortuin kon vergaren.

Carl Haarnack

Titelblad Tomas & Maria (1824)