Tags

,

door Pim van der Meiden

Regelmatig duikt het verhaal op over de Indiaanse vrouw die in Suriname met Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck samenleefde. Hierbij wordt vaak verteld dat deze vrouw een Indiaanse prinses geweest zou zijn die gehuwd was met de gouverneur om een einde te maken aan de oorlogen tussen de Indianen en de kolonisten. In 1854 schreef de preutse Van Sijpesteijn: ‘Deze bewering is onjuist, daar zijne echtgenote Maragaretha de Puy de St.André Montbrun eerst in het jaar 1693, dus vijf jaren na zijnen dood overleed’ (Van Sijpesteijn: 234). Onmiskenbaar had Van Sijpesteijn gelijk wat betreft het overlijden van de in de Republiek achtergebleven Mevrouw Van Sommelsdijck, maar zijn naïviteit is vermakelijk.

Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijck (1637 – 1688)

Van Sijpesteijn was als luitenant van de artillerie in 1854 in Suriname gelegerd en hij was tevens één van de adjudanten van de gouverneur. Iedereen die enigszins bekend is met de vroege geschiedenis van Suriname weet dat buitenvrouwen geen onbekend verschijnsel waren. Acht jaar na het boek van Van Sijpesteijn verscheen het boek van Julien Wolbers, dat behalve veel materiaal aan Van Sijpesteijn had ontleend, ook gebaseerd was op grondig archiefonderzoek. Wolbers bleek minder naïef dan Van Sijpesteijn en had zich in de geschiedenis van Van Sommelsdijck nog wat meer verdiept. Bij hem lezen we dat het gedrag van de gouverneur niet erg paste bij diens godsdienstige zin: ‘Maar men vindt zoo gedurig inconsequentiën in het gedrag, zelfs van personen die als beroemd en vroom bekend zijn, en het blijkt zoo gedurig, dat ook zij zondaars waren’.

Een bladzijde eerder had Wolbers het Essai Historique (1) geciteerd waar vermeld wordt dat de desbetreffende dame als tachtigjarige nog op bezoek kwam in de stad en logeerde bij Mw. Duvoisin (de bekende Charlotte van der Lith) die eerder de weduwe van geweest van gouverneur Carel de Cheusses (1728-1733), in de vrouwelijke lijn een kleinzoon van Van Sommelsdijck. De Indiaanse sprak daarom Mw. Duvoisin aan met ‘dochter’. (Wolbers: 64 en 65). Een volgende vermelding is een ruime mensenleeftijd later, in 1938. Evenals Van Sijpesteijn en Wolbers was ook Frederik Oudschans Dentz geen professioneel historicus, ook hij was een bevlogen man in zijn bewondering voor Van Sommelsdijck. Die was er één van bijna kritiekloze heldenverering. Maar hij was ook de gelukkige bezitter van een exemplaar van het manuscript ‘Annotatie op de Beschryvinge van de Volk-plantinge Zuriname’ van de hand van Jan Nepveu uit 1769, aantekeningen die een aanvulling waren op het bekende boek van Herlein uit 1718, bedoeld om tezamen daarmee uitgegeven te worden.

Jan Nepveu

Jan Nepveu of Jean Nepveu (1719 – 1779)

Nepveu (1779-1779) was in 1739 in de kolonie aangekomen en zou opklimmen tot gouverneur. Hij meldt in zijn ‘Annotatiën’ dat Van Sommelsdijck bij de vrede met de Indianen een dochter van één van de voornaamste opperhoofden ‘op haare wijze’ tot vrouw had moeten nemen en dat zij 25 jaar eerder (Nepveus manuscript was van 1769) nog wel logeerde bij Mevrouw van der Lith, de weduwe van Ds. Duvoisin en dat zij deze ‘dochter’ noemde en hij, Nepveu, haar daar gezien had. In zijn biografie zegt Oudschans Dentz (84-85) met nadruk dat aan duidelijkheid niets te wensen overgelaten is. Nepveu en het Essai Historique zijn in hun feiten redelijk betrouwbaar en serieuze redenen om aan het bestaan van de Indiaanse te twijfelen, zijn er niet. De vraag blijft bestaan in welke mate we moeten geloven dat Van Sommelsdijck dit huwelijk om politieke redenen zou zijn aangegaan. Niet uit het oog mag verloren worden dat Indiaanse vrouwen geziene concubines waren en dat de wettige Mevrouw Van Sommelsdijck in de Republiek was achtergebleven. De opvolger van Van Sommelsdijck, Jan van Scharphuizen, was vrijgezel en leefde openlijk met een Indiaanse vrouw.

Caribe vrouw uit SurinameCaribe vrouw uit Suriname

De aantrekkelijkheid van de Indiaanse dames vinden we al vermeld in de eerste beschrijving van Guyana door de Engelsman George Warren uit 1667. Hij vertelt dat de Indiaanse vrouwen wellustig en mooi waren, naakt liepen en dat men wel over de kuisheid van Jozef moest beschikken om aan haar verleidingen weerstand te bieden. Ze waren echter nog onwetend en kenden het genot van kussen niet. Maar dat zouden ze mettertijd vast wel leren (George Warren: 23-24). Het verhaal van Warren (2) dateert nog uit de Engelse tijd, was gedrukt in 1667 en is dus uit een tijd dat de kolonie nog maar heel kort bestond. We mogen aannemen dat de door Warren uitgesproken te verwachten ontwikkeling bij de Indiaanse dames zich inmiddels wel had voltrokken. Ook is duidelijk dat het voor een man bepaald niet gezien moest worden als een straf of ongemak om te leven met een Indiaanse vrouw.

Van Sommelsdijck was bovendien bepaald niet een man bij wie losheid van zeden vreemd was. Dat blijkt uit een opmerking van de Franse protestant Jean Rou, die van 1680-1682 in Den Haag gouverneur van de kinderen van Sommelsdijck was geweest. Hij had gevraagd zijn vrouw uit Frankrijk te mogen laten overkomen en daarvoor de bemiddeling ingeroepen van twee dames in Den Haag. Van Sommelsdijck had er geen bezwaar tegen dat Rou zijn echtgenote liet overkomen, maar begreep van dat verlangen niets en zei dat ook ronduit. ‘Monsieur, had één van de dames gezegd: ieder heeft zijn behoeften’. Van Sommelsdijck meende dat men vrouwen kon vinden waar men wilde. De straten waren er vol van. (Rou: Feuille supplémentaire: 1-2) (3).  Rou is ook de man die wist te melden dat Van Sommelsdijck meer als gebaar aan zijn echtgenote had voorgesteld hem te vergezellen naar Suriname, dan dat hij daar serieus op aangedrongen had. In ieder geval ging Van Sommelsdijck alleen. In zijn correspondentie met de directeuren van de Societeit heeft hij nog eens woedend meegedeeld dat er een lasterverhaal de ronde had gedaan dat hij op weg naar Suriname een kortstondige relatie had gehad met een lakenkopersvrouw en dit verhaal afgedaan als laster (3 augustus 1685 aan Directeuren, Sociëteit Suriname 213, Nationaal Archief). Zijn woede geeft te denken. Over een buitenechtelijke relatie van de gouverneur in Paramaribo vinden we geen verhalen uit de tijd zelf. Dat zou ook niet waarschijnlijk zijn, want de enige bewaarde berichten waren de officiële die door de gouverneur zelf geschreven waren. Naar de grote hoeveelheid onofficiële kunnen we slechts gissen.

Uit de correspondentie van de gouverneur met de Sociëteit vinden we over de vrede met de Indianen heel weinig en al helemaal niets over een eventuele consequentie dat hij gedwongen zou zijn een Indiaanse dame als bijzit te nemen. Uit zijn toon lijkt wel af te leiden dat hij harder tegen de Indianen ten strijde trok dan de meeste ingezetenen lief was. We vinden ook nog een melding waarin hij vraagt om een lading Amsterdamse bijlen en kapmessen als geschenk voor de gepacificeerde Indianen (22 april 1686 aan Directeuren, Sociëteit Suriname 215, Nationaal Archief). Dat zou gezien worden als een goede zet tegenover de vijandige Indianen. Verder weten we eigenlijk niets over deze vrede van Van Sommelsdijck met de Indianen.

In de geschiedschrijving is er enige ophef over gemaakt, maar dat heeft dan vooral te maken met het verhaal over de Indiaanse ‘prinses’. Van Sommelsdijck zelf heeft melding gemaakt van het grote succes van zijn vrede (29 augustus 1686 aan Directeuren, Sociëteit van Suriname 215 en 2 augustus 1686, Sociëteit van Suriname 216. Hierna komen er weer meldingen van hevige oorlogen met andere Indianen, maar er wordt niet vermeld welke Indiaanse stammen dat betreft. Het is niet duidelijk wanneer de oorlogen met de Indianen volledig voor bij waren en het alleen nog maar de weggelopen zwarte slaven waren die een bedreiging vormden voor de kolonie. Dat is waarschijnlijk te dateren in het eerste decennium van de achttiende eeuw. Enkele jaren na 1686, om precies te zijn op 28 mei 1688, schreef Van Sommelsdijck nog heldhaftig aan de Staten-Generaal dat meer dan honderd Indiaanse vrouwen en kinderen tot slaaf waren gemaakt en de mannen doodgeslagen (Droste II 459). Van een echt grote, definitieve vrede was dus in 1686 (nog) geen sprake. Het eerste gegeven van dit huwelijk met een Indiaanse vrouw met Van Sommelsdijck dateert derhalve uit een handschrift van 1769 en het wordt wederom vermeld door het Essai Historique uit 1788, ruim tachtig en honderd jaar na dato.

Joodse_mannen2

Geschiedenis der kolonie Suriname. Geheel op nieuw samengesteld door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen aldaar. Amsterdam – Harlingen: Allart Van der Plaats, 1791 (Vertaling van Essai Historique)

 

Er lijkt geen reden om te twijfelen aan de waarheid van het gegeven dat Nepveu de Indiaanse dame bij Mw. Duvoisin gezien heeft. Ook in het Essai Historique zeggen de schrijvers dat zij nog ten tijde van het gouverneurschap van Mauricius, 1742-1751, bij Mw. Duvoisin kwam en dat zij toen ouder dan 80 was. Haar leeftijd in 1686, het meest waarschijnlijke jaar van het huwelijk en het vredesverdrag, laat zich slechts gissen. Wat Nepveu bedoelt met de mededeling dat het huwelijk gesloten was ‘op haare wijze’ laat zich slechts raden. In het licht van de latere legende lijkt het er op dat hij bedoelt dat er een politieke achtergrond was. Wanneer we de tekst onbevangen beschouwen, is dat zo zeker niet. Het is alleen duidelijk dat het hier gaat om een niet door de staatskerk gesanctioneerd huwelijk.

De vermelding bij het Essai Historique is iets explicieter. Er is een hele bladzijde gewijd aan de vrede en het huwelijk (Essai Historique 41-42). We lezen daar dat Van Sommelsdijck, een energiek man, door Samuel Nassy, één van de meest vooraanstaande Joden, geholpen was bij het sluiten van vrede met de Indianen. Nassy kende de Indianen nog uit de Engelse tijd, van voor 1667. Toen waren de betrekkingen tussen Indianen en blanke kolonisten beter en Nassy had Van Sommelsdijck geholpen bij het sluiten van de vrede, waarbij een Indiaans meisje, of een prinses, ter bekrachtiging van de vrede de concubine werd van Van Sommelsdijck. Het is kenmerkend voor het Essai Historique om de rol van de familie Nassy te benadrukken. Met deze gegevens moeten we volstaan.

Samenvattend kunnen we constateren dat er geen serieuze redenen zijn om te twijfelen aan de relatie. Indiaanse dames waren wel vaker concubines van blanke mannen. Er was in de blanke samenleving een fors overschot aan mannen en de Indiaanse dames waren allerminst preuts. Op de vraag of er een politieke reden zou zijn is bij gebrek aan gegevens moeilijker een antwoord te geven. Uit wat we van Van Sommelsdijck weten is niet aan te nemen dat hij zich zo ver weg nog erg gebonden achtte aan huwelijkstrouw. Een tijdlang is hij in de geschiedschrijving kritiekloos vereerd, en paste dit als een excuus voor zijn gedrag, maar inmiddels weten we beter. Het Essai Historique is een buitengewoon interessant werk, maar het is ook boordevol bijbedoelingen en moet met de nodige omzichtigheid gehanteerd worden. Onwaarschijnlijk is het natuurlijk geenszins dat er politieke motieven aan het huwelijk ten grondslag gelegen hebben. Het verhaal dat de hoogbejaarde weduwe nog in de veertiger jaren van de achttiende eeuw in Paramaribo bij de kleindochter van haar overleden echtgenoot ging logeren en deze ‘dochter’ noemde, wijst er op dat aan de verbintenis een emotionele kant heeft gezeten. Het verhaal van het gouverneurschap van Van Sommelsdijck was een tijdlang in de geschiedenisboekjes zo glorierijk en ridderlijk. In grote lijnen heeft kritisch bronnenonderzoek dat ruw ontluisterd. Het mag best opgevrolijkt worden door het romantische aspect van een interraciale liefde.

Pim van der Meiden

 

NOTEN

[1] Ik citeer de oorspronkelijke Franse tekst Essai Historique sur la colonie de Surinam: Paramaribo: 1788, première partie p. 42. Wolbers gebruikte de Nederlandse vertaling.

2 Het verhaal van Warren werd in het Nederlands vertaald in 1669, waarbij Suriname overigens in Afrika werd geplaatst. Die vertaling werd overgenomen in De Hollandse Mercurius van mei 1670. Suriname kwam nu wel in Amerika te liggen, maar werd omschreven als een eiland.

3 Uit overwegingen van preutsheid werd deze scabreuze tekst afgedrukt op een apart achter in het boek geplakt vel.

 

LITERATUUR                                                                                                             

Droste, C. 1879 Overblyfsels van Geheucgchenis (2 dln.) Leiden: Brill.

Oudschans Dentz, F. 1938 Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck. Amsterdam: Van Kampen.

Rou, Jean, 1857 Mémoires inédites et opuscules de Jean Rou (1638-1711) ed. F.Waddington: Paris/La Haye: Agence de la Société de l’histoire du protestantisme François /Nyhoff. 1857. 2 vols.

Sijpesteijn C.A. van 1854 Suriname. ’s-Gravenhage: Van Cleef.

Wolbers, J. 1862 Geschiedenis van Suriname. Amsterdam: De Hoogh.

 

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2013/12/06/wolbers/