Tags

, , ,

West-Indische Fragmenten of losse uittrekzels uit een drietal brieven, geschreeven uit de Coloniën Suriname, Demeraeij en de Berbice. Amurath-effendi Hekim-Bachi (Pieter van Woensel). De Lantaarn voor 1796.

plantageSoms duiken op de meest onverwachte plekken en op onverwachte momenten verhalen uit Suriname op. Onlangs kreeg ik een vriendelijk mailtje van Bouwe Lunstra, eigenaar van Antiquariaat Parnassos. Hij bood mij een exemplaar aan van De Lantaarn voor 1796, een tijdschrift dat tussen 1792 en 1801 verscheen. Een klein, eigenlijk onooglijk, boekje van 9 x 12 cm met een beetje een smoezelige papieren band. Niet een boekje waar het bibliofiele hart direct sneller van gaat kloppen. De maker van dit tijdschrift was Pieter van Woensel (1747-1808), schrijver, medicus, denker en wereldreiziger. Van Woensel schreef in dit tijdschrift onder het Oosterse pseudoniem ‘Mijnheer Amurath, hoofdgeneesheer’. Van Woensel had een kritische blik en probeerde door over allerlei uiteenlopende onderwerpen commentaar te leveren de Nederlandse lezers iets van de wereld bij te brengen.

Lantaarn titelblad

Voor ons wordt het pas interessant als we weten dat Van Woensel in 1794 de Nederlandse kolonies in Zuid-Amerika, waaronder Suriname, bezocht. In de editie van 1796 vinden we onder het kopje <Suriname>: “West-Indische Fragmenten of losse uittrekzels uit een drietal brieven, geschreven uit de Coloniën Suriname, Demarij en de Berbice”. De klachten over de ondragelijke hitte, de heftige regenbuien en de muskieten nemen we maar even voor kennisgeving aan.

Interessant wordt het als we iets over het dagelijks leven leren van een ooggetuige in Suriname. Van Woensel schrijft dat de meeste plantagedirecteuren ex-soldaten zijn die hun dienstverband uitgezeten hebben. Dit zijn volgens hem mensen van ‘geringe afkomst, van gebrekkige, verwaarloosde opvoeding en van weinig kunde.’ De echte spil in de kolonie is de administrateur die in de stad woont en soms wel twintig of dertig plantages onder zijn beheer heeft. Van Woensel schrijft over de Groot-Zondag; de dag waarop, éénmaal per jaar, op alle plantages de slaven een kledingstuk, wat stof en een hoed ontvangen. Hij noemt dit de plantage-kermis; er wordt niet gewerkt, maar gedronken en gedanst. Sommigen kunnen doormiddel van een dans anderen betoveren: relata refero. Maar deze dans is ten strengste verboden.

lantaarn1

De verhandelingen van Van Woensel over Suriname, Demerara en Berbice zijn zeer lezenswaardig en geven ons nieuwe informatie over het plantageleven. Uiteraard is de auteur een kind van zijn tijd en zit hij tjokvol met vooroordelen. Hij heeft geen hoge pet op van de slaven en mulatten. Maar hij geeft ons wel zijn eigen beeld, hoe verwrongen dat dan ook mag zijn. En aangezien we zo weinig 18e eeuwse ooggetuigenverslagen uit Suriname hebben is dit er ook één om te koesteren.

Carl Haarnack