Tags

,

Verhaal van een togtje in Suriname (1823) geschreven is door vrouw. Dat is bijzonder omdat we bijna alleen maar oude (non-fictie) teksten over Suriname kennen die door mannen zijn geschreven. Of de dame in kwestie (helaas kennen we haar naam niet) door een andere bril naar het koloniale leven in Suriname keek, moet iedereen maar zelf beoordelen.

jodensavanne

Jodensavanne,Suriname. Litho J.E. van Heemskerck van Beest naar G.W.C. Voorduin (1860)

De reis vindt plaats in het gezelschap van een hoge ambtenaar waardoor de ontvangst overal zeer goed is. Het reisgezelschap vertrekt om elf uur ‘s morgens vanaf de platte brug in Paramaribo. Behalve de schrijfster en haar ‘beide lieve jongens’ maken ook hun trouwe Victoria, haar Flora en ‘den voete-boy Charles’ deel uit van het gezelschap. Deze drie vormen ongetwijfeld slaven die het leven van de reizigers moesten veraangenamen. Maar er moeten meer mensen aanwezig zijn. Want na een ‘kwartieruurs’ geroeid te hebben komen ze bij de plantages Beekhuizen en Livorno. We kunnen er gerust van uit gaan dat het zware roeiwerk gebeurde door mensen die niet in het verhaal genoemd worden. Vanaf dat punt heeft men mooi uitzicht op de nieuwe huizen van de stad Paramaribo die sinds de brand van 1821 opnieuw gebouwd zijn. Om drie uur ’s middag komt het gezelschap aan op de plaats van bestemming, een plantage waar een Malthezer, ‘een beschaafd en geschikt mensch’, directeur is. Daar wordt men verkwikt met een glas wijn dat onder de schaduw van enige tamarinde- en ‘mamiabomen’ wordt genuttigd.

Boot roeiers Togtje

Boottocht in Suriname. Ets (19e eeuw)

De plantage aan de overkant van de rivier gelegen is heeft een stenen plantagehuis, dat doet denken aan een klooster of ‘regthuis’. Dat is voor Suriname zeer ongebruikelijk. Er worden wandelingen gemaakt in het bos. Daarbij gaan ‘een paar Negers’ met houwers voorop om een weg te banen door de dichtbegroeide struiken. Tijdens een ander uitstapje wordt een plantage bezocht die, volgens de schrijfster, veel overeenkomsten vertoonde met een Gelderse buitenplaats. De directeur, die hevig stottert, wordt niet bij naam genoemd maar is een zoon van een vaderlandse treurspeldichter.

Ook staat een trip naar Jodensavanne gepland. Deze is volgens de schrijfster ‘aller schilderachtigst’ gelegen, gedeeltelijk op de helling van een berg. Wij kennen de Jodensavanne alleen als een plek waar grafstenen en ruïnes stille getuigen zijn van een bewogen verleden. Maar toen woonden er nog zo’n acht gezinnen op Jodensavanne. Het gezelschap wordt ontvangen in het huis van den heer P. Daar worden zij door de man des huizes en enige andere ‘Israëlitische heren’ deftig ontvangen terwijl zijn vrouw, ‘in eene zeer vreemde kleeding’ met twee aardige kleine meisjes op de sofa wachtte. Het geheel werd omringd door een grote hoeveelheid slaven en slavinnen die, ‘op het fraaiste uitgedost en blinkende van gouden sieraden’, thee, gebak en confituren serveerden. De synagoge (Beracha Ve Salom / Zegen & Vrede, ch) die net als de huizen in 1832 door brand verwoest zou worden, werd nog gebruikt. Deze was, volgens onze ooggetuige, groot en herinnerde aan de welvaart van de stichters van deze plek. Het gezelschap luisterde naar het avondgebed dat in het Portugees werd uitgesproken. Het gedeelte van de ‘kerk’ dat voor vrouwen bestemd was werd als school gebruikt. Naast de synagoge was een ‘regtkamer’ waar vroeger recht gesproken werd. Nu kwamen de regenten van de Joodse gemeente er nog vier maal per jaar samen om over geldzaken te beslissen. Het kerkhof, waar enige grote en mooie marmeren grafzerken te bewonderen waren, was door een eenvoudig hekwerk omsloten.

Indianendans Benoit (1830)

Indianendans Benoit (1830)

Een bezoek aan een indianendorp viel in het water omdat de indianen (hier ‘Bokken’ genoemd) weer verder getrokken waren. Er werden voortdurend wandelingen gemaakt waar bloemen, planten en dieren de revue passeren. Aan het eind van de plantage-reis, die acht dagen duurde, werd met eb weer naar Paramaribo geroeid.

Wat dit reisverslag bijzonder maakt is dat de auteur hier niet noodzakelijkerwijs de grote geschiedenis van Suriname wil duiden of natuurkundige kennis over ons wil uitstorten. Het doel van de reis is te genieten van het mooist dat de natuur te bieden heeft. Er komen slaven in het verhaal voor (alsof het de gewoonste zaak van de wereld was en dat was het anno 1823 natuurlijk ook) maar het gaat niet over slavernij. Morele oordelen daarover ontbreken volledig. Juist de alledaagse dingen worden opgemerkt en beschreven. Ik ken bijvoorbeeld geen verslagen van mensen die de oude synagoge bezocht hebben.

Zou het niet fantastisch zijn wanneer we ergens een verslag uit een dagboek van de foetoe-boi Charles, of de slavinnen Victoria en Flora zouden vinden? Die zouden aan het verhaal toch iets  wezenlijks hebben kunnen toevoegen?

Carl Haarnack

Verhaal van een togtje in Suriname (in: Vaderlandsche Letteroefeningen. Amsterdam: G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, 1823)