Tags

, ,

Overzicht der Geschiedenis van Suriname. Door J.R. Thomson. Den Haag: 1902.

Regelmatig ontvangen wij bij Buku Bibliotheca Surinamica verzoeken om informatie over geschiedenis boeken die niet door Nederlanders maar door Surinamers zijn geschreven. Bij het bestuderen van de Surinaamse geschiedenis kan het belangrijk zijn naar het perspectief te kijken van waaruit historische bronnen zijn gemaakt of beschreven. Het aantal historici van Surinaamse komaf dat zich met de Surinaamse geschiedenis bezighoudt is klein. Aan het eind van de 19e eeuw moeten deze historici met een vergrootglas gezocht worden. Maar ze waren er wel.

Kaart Suriname Thomson

Kaart van Suriname (1789)

J.R. Thomson was zo’n Surinaamse historicus. In 1894 was hij leraar op de Openbare School voor U.L.O. Volgens de Surinaamsche Almanak van 1906 was hij in dat jaar hoofd van de Emmaschool waar maar liefst 200 meisjes les kregen. Tien jaar later was hij hoofd van de openbare Willemschool. Aan het eind van zijn loopbaan werd hij benoemd tot voorzitter van de Koloniale Staten (1920-22).

Thomson werd geboren op 28 september 1853 in Paramaribo. Zijn ouders waren Zijn ouders waren Robert Thomson en Johanna Theresia Wilhelmina Eichel (*). Hij overleed op bijna 80 jarige leeftijd in mei 1933 in Nederland. Bij zijn overlijden schreef De banier van waarheid en recht : Surinaamsch nieuws- en advertentieblad van 6 mei 1933 dat John Robert Thomson echt een kind was van en uit het Surinaamse volk en een goede Surinamer.

Thomson

Cover van Thomson’s Overzicht der Geschiedenis van Suriname (1902)

Thomson publiceerde een behoorlijk aantal artikelen, pamfletten en lezingen. Eén daarvan was een Open brief aan Ds. A.E. Boers (1911). In 1909 verscheen Gouverneur Johan Jacob Mauricius op zijn lijdensweg. In 1906 hield hij een lezing met de titel Is ‘t in Suriname steeds een armoedige boel geweest? (1906).

In 1901 verscheen bij Martinus Nijhoff zijn Overzicht der geschiedenis van Suriname. In het voorwoord schrijft Thomson dat hij hoopt dat dit boek niet alleen voor schoolgebruik geschikt zal zijn maar dat ook de meer ontwikkelde lezer er aandacht voor zal hebben. Het boek is ingedeeld in vier tijdvakken: I) Van de ontdekkingen van Amerika tot den vrede van Breda  –  1492-1667; II) Van de vrede van Breda tot den Vrede van Amiens – 1667-1802; III) Vrede van Amiens tot de vrijverklaring der slaven – 1802-1863; IV) Van de vrijverklaring der slaven tot heden  – 1863 – heden.

Het boek zit vol met interessante historische feiten die de Surinaamse scholier vertrouwd moeten maken met het eigen verleden. Sommige wetenswaardigheden kwamen we niet eerder tegen in schoolboeken. In 1730, zo schrijft Thomson, bedroeg het aantal plantages ruim 400. De eerste koffiebomen werden in 1720 geplant daar een Duitser genaamd Hansbach. Volgens Thomson ontving hij ze van Gouverneur Coutier. De boompjes waren aangekweekt door de Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen. Dat werpt weer eens een ander licht op de zaak. Slechts vier jaar later arriveerde de eerste Surinaamse koffie in Amsterdam.

Koffie

Koffie wordt geserveerd (Paramaribo, 1899)

Maar als we een antwoord willen op de vraag óf het perspectief van Thomson nu daadwerkelijk anders was dan het dominante Nederlandse perspectief dan leent de Cojo Branti van 1832 zich daar misschien goed voor. In dat jaar brak in Paramaribo een grote brand uit. Alle gebouwen tussen de Waterkant, de Jodenbreestraat, de Maagdenstraat en de Steenbakkerijstraat, gingen in vlammen op. We kennen verschillende andere publicaties waarin de daders van deze brand, o.a. Codjo, Mentor en Present, er van werden beschuldigd chaos te creëren om zo de macht in de kolonie te grijpen. Thomson omschrijft de drie daders als ‘uit vrees voor hunnen meester ontvluchte slaven’. Daar klinkt toch iets van een verzachtende omstandigheid, zo lijkt het. Codjo, Mentor en Present hadden volgens Thomson met opzet een huis aan de Heiligenweg in brand gestoken, om zo de gelegenheid te krijgen, voedsel, ‘waaraan zij behoefte hadden’, te verkrijgen. Hij sprak ook van een ‘barbaarsch vonnis’ waarin de jeugdige brandstichters veroordeeld werden levend verbrand te worden.

Codjo M P  NZD

Present, Cojo, and Mentor, twee dagen voor hun executie voor de brandstichting in 1833. Gerrit Schouten, Present, Cojo, Mentor (1833), inkt  op papier (Surinaams
Museum Bibliotheek)

Tussen de regels door heeft Thomson begrip voor de brandstichters die in andere publicaties (vaak door Nederlanders geschreven) worden weggezet als oproerkraaiers die de kolonie in gevaar wilden brengen. Daarmee kiest hij een ander perspectief dan het tot dan toe gangbare. Thomson kwam voort uit de Surinaamse samenleving en was er natuurlijk door gevormd. Hij was gehuwd met een vrije gekleurde vrouw, te weten Caroline Julie Samson. De moeder van Caroline werd in 1826 gemanumitteerd en kreeg de naam Floortje Mercurina van ‘t Velde (van West). Dat zal ook een rol gespeeld hebben bij zijn visie op de geschiedenis van Suriname (*).

John Robert Thomson verdient een grotere plek in de Surinaamse geschiedschrijving. Het levend houden van zijn werk door het lezen van zijn teksten, is een goed begin.

Carl Haarnack

 

(*) met dank aan Denie Kasan