Tags

, , ,

Herinneringen mijner Reizen naar onderscheidene Werelddeelen. G. van Lennep Coster. Amsterdam: J.F. Schleijer, 1836.

In de jaren 1819-1821 bezocht Van Lennep Coster, kapitein ter zee, de Nederlandse bezittingen in Afrika en het Caraïbisch gebied. In 1836 publiceerde hij het verslag van deze reis in Herinneringen mijner Reizen naar onderscheidene Werelddeelen. Hoewel Van Lennep Coster uitvoerig verhaalt over zijn avonturen in Afrika, de Nederlandse Antillen, de Noordzee en het Middellandse Zeegebied, zijn wij hier natuurlijk vooral geïnteresseerd wat hij over Suriname te vertellen heeft. Vooral de persoonlijke avonturen en observaties (zaken die we in de archieven niet terugvinden) hebben onze aandacht. Zo schrijft hij over een reisje in december 1819 met een groot gezelschap van dames en heren naar de plantage Geertruidenberg. Plantagedirecteur was ene heer Valkenaar en de administrateur was ene Veeckens. Hoewel de tentboot door zes ‘Negers’ werd geroeid, schrijft de auteur dat het gezelschap door het varen hongerig was geworden. Over het eten hoefde men niet te klagen. ’s Ochtends begon men met een kop thee om zes uur ’s morgens. Dan werd er gewandeld, gereden of gevaren om tegen 12 uur een déjeuner à la fourchette (brunch, ch) te genieten. Daarna werd er een pijp gerookt en gerust om zo de hitte voorbij te laten gaan. Om vier uur volgde dan een theetafel waarbij iedereen gekleed moest aanschuiven. Tenslotte volgde om acht uur het diner al dan niet gevolgd door dans.

geertruidenberg-van-lennep

Ansichtkaart plantage Geertruidenberg (ca. 1903)

Op oudejaarsdag kreeg de slavenbevolking bakkeljauw, pijpen, tabak en ‘eenige snuisterijen’, zodat ook zij nieuwjaar konden vieren, zo schrijft Van Lennep. Op nieuwjaarsdag verschenen de slaven en slavinnen, goed gekleed, en begonnen muziek te maken en te zingen en te dansen. Muziek werd gemaakt op holle boomstronken waarover een vel was gespannen, anderen sloegen met stokjes op een blok terwijl de vrouwen met kleine kalebassen schudden. De dames dronken punch gemaakt door het uitpersen van zure oranjes in een tobbe waarbij jonge rum of dram en water werden toegevoegd. De mannen dronken alleen dram. De huishoudster van de directeur trakteerde de ‘negerinnen’, zo schrijft Van Lennep, op een glas wijn en gaven zij elkaar geschenken. Hij kon de muziek en het gezang maar matig waarderen omdat hij het typeert als een ‘verschrikkelijk geraas’ dat men wel even kan aanhoren maar men er op den duur doof van kan worden.

muziek-focke

Op een volgend bootreisje naar het Commewijnegebied, de Cottica en Perica, werden verschillende plantages bezocht: o.a. Aconoribo, Onvergenoegd, Lugtenburg, Halle in Saxen, de Eendragt en plantage Kokswoud. Op deze laatste plantage heerste grote reinheid die geheel voor rekening kwam van de directeur Confalie (Comvalius?). Deze had, hoewel hij ‘mulat’ was (zo schrijft Van Lennep), grote orde op de plantage geschapen die met smaak was aangelegd. Op plantage Kweekhoven was een ‘ouderwetse’ Duitser genaamd Stabach directeur. Deze liet hem de boom zien waar enige dagen eerder een ‘Neger’ zich opgehangen had. De oorzaak was , zo veronderstelde men, verliefdheid of jaloezie.

Opvallend is dat de auteur schrijft dat er een ‘brik’ dat onder Hollandse vlag voer in Paramaribo aankwam. Het schip vervoerde maar liefst 478 slaven die afkomstig waren van St. Thomas. Officieel was de slavenhandel sinds 1818 al verboden. Er was in Paramaribo een Gemengd Gerechtshof ingesteld dat moet toezien op naleving van dit verbod. Maar de verkoop van slaven gewoon openlijk plaats. De slaven werden naar een loods gebracht waar zij gereinigd werden. Daarna kwamen particulieren en administrateurs de ‘koopwaar’ bezichtigen. De prijzen varieerden van fl. 800,- tot fl. 1000,- per slaaf. Maar klaarblijkelijk was er grote schaarste aan slaven want er werd geloot wie er mocht kopen. Degene die won gaf de slaven hun namen en zond ze naar zijn plantage.

slaven gaan aan het werk.jpg

Van Lennep Coster besteedt veel aandacht aan de rechtvaardiging van de slavernij. Deze typisch eind 18e/ begin 19e eeuwse begint met de bewering dat de slaven in Suriname het eigenlijk beter hebben dan in Afrika (misschien zijn  ze wel aan de dood ontsnapt) en eindigt met de stelling dat het nog vele jaren zal duren alvorens de Afrikanen een niveau van beschaving bereikt hebben om hun broeders als mensen te beschouwen. Maar ik zal u de rest besparen.

Wel in interessant dat de auteur vlak na de grote brand van 1821 in Paramaribo was. De brand van uitgebroken in het huis van ‘de ontvanger’ Thomas dat op het Gouvernementsplein stond. Meer dan 390 huizen gingen in vlammen op. Ook de Gereformeerde kerk en de Katholieke kerk, het Hof van Politie, de Weeskamer en de Waag bleven niet gespaard. De schade werd berekend op fl. 7 a fl. 8 miljoen guldens. Velen waren geruïneerd en er was een groot gebrek aan woonruimte. De vader van de auteur, die in Paramaribo woonde en wiens huis ook verloren was gegaan, had het geluk een kamer te vinden. Deze was, zo schrijft Van Lennep Coster, door een ‘kleurling’ afgestaan. Dit werd in deze tijden van schaarste beschouwd als een teken van goedheid en vriendschap.

Carl Haarnack

Van Lennep Coster.jpg

Fort Zealandia (gravure uit het boek van Van Lennep)

zie ook: Vier maanden in Suriname (1915)