Tags

, , , ,

Eduard en Tony, of de De Kleine speelgenooten: een onderhoudend leesboekje voor kinderen van beiderlei sekse. door Moritz Thieme. Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1830.

Kinderboeken zijn rijkelijk vertegenwoordigd in de Surinaamse bibliotheek. Vooral vanaf het begin van de 19e eeuw komt er een behoorlijke stroom kinderboeken opgang waarin vaak historische- en aardrijkskundige onderwerpen een belangrijke rol spelen. Door de verbeterde technische drukmogelijkheden konden boeken goedkoper gemaakt worden en van mooiere illustraties voorzien worden.

Dit kinderboekje van Moritz Thieme is één van best bewaarde geheimen uit de Surinaamse boekenkast. Dat kan er ook mee te maken hebben dat men hier tevergeefs zoekt naar de naam Suriname in de tekst. Toch is het niet moeilijk om tussen de regels door te lezen en te zien dat Thieme uit verhalen over Suriname heeft geput.

suikerriet tony en eduard

Illustratie uit Eduard en Tony: Suikerriet 

Moritz Thieme (1799-1849) werd geboren in Löbau, precies in de driehoek Bautzen, Herrnhut en Görlitz. Trouwe en oplettende lezers van deze rubriek zullen deze plaatsnamen bekend voor komen. In dit gebied zagen vele Suriname-publicaties het licht. Zo werd in 1856 in Löbau het Deutsch-Negerenglisches Wörterbuch van Wullschlägel gepubliceerd. In Bautzen zag de Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik van dezelfde auteur in 1854 het licht. En in Görlitz had de Duitse missionaris Christlieb Quandt, die tussen 1768 en 1780 in Suriname verbleef, zijn Nachricht von Suriname und seine Einwohnern in 1807 uitgegeven. En iedereen weet dat Herrnhut de bakermat is van de Evangelische Broedergemeente (EBG) die al vanaf 1735 actief is in Suriname. Thieme studeerde rechten in Berlijn en Leipzig maar werkte als boekhandelaar en auteur van kinderboeken. In 1818, hij was toen 19 jaar, debuteerde hij met Dramatische Spiele für die Jugend bei festlichen Gelegenheiten. Ein Weihnachtsgeschenk. Daarna volgde een lange lijst met kinderboeken, theaterstukken en ‘Bilderbücher’. In 1829 verscheen Edmund und Tony, die treuen Spielgefährten dat een jaar later in het Nederlands vertaald werd als Eduard en Tony, of de De Kleine speelgenooten.

aapje

Illustratie uit Eduard en Tony

In dit verhaal ontmoet de kleine Eduard, hij is twaalf jaar, Tony, de dochter de heer Brinken. Deze is onlangs teruggekeerd uit ‘Amerika’. Hij heeft daar een groot fortuin vergaard. Hij heeft ook zijn ‘zwarte knecht’ meegenomen, een aapje en een papagaai. Tony is een lief en klein meisje van tien jaar oud, schrijft Thieme, en zij is ‘een weinig bruin van gelaatskleur’. Misschien is ze niet alleen maar lief want als zij Eduard haar aapje wilt laten zien trekt zij aan het schelkoord om een bediende te roepen. Zij sprak ‘ernsthaftig’ tot de bediende, dat Jacques (de bejaarde ‘neger’) moet komen met het aapje Dupp, alsof zij tot één van haar slaven sprak in Amerika. Deze Jacques had ooit eens het leven gered van Tony toen ‘eenige weggeloopene en in het wild levende negers’ hun huis overvielen en ‘moorden en plunderen wilden’.

Dat waren de zg. ‘Maroni-negers’ wist Eduard (Maroni is de Franse benaming voor Marowijne). De heer Brinken vertelt aan Eduard en Tony dat de wreedheden waaraan de slaven worden blootgesteld niet de schuld is van de plantage-eigenaren want die zijn eigenlijk nooit aanwezig.[i] Het zijn de opzichters die zich hier aan schuldig maken. Tony’s vader vertelt de kinderen vervolgens vele verhalen over uiteenlopende plekken op de wereld. Het hele boekje heeft een duidelijke agenda om kinderen iets van de wereld bij te brengen. Over Suriname zelf leren we eigenlijk weinig. Maar het is natuurlijk interessant om te zien dat de schuldvraag over de slechte behandeling van slaven uitsluitend bij de opzichters wordt gelegd. En misschien is de grootste verdienste nog om te zien dat een tienjarig meisje met een ‘bruine gelaatskleur’ bedienden commandeert alsof ze haar slaven in West-Indië toespreekt. Is dat niet een beetje het mysterie van die bizarre geschiedenis van Suriname?

Carl Haarnack

 

20180215_001454

Titelpagina Eduard en Tony 

 

[i] “Niet de eigenaars der plantaadjen zijn gewoonlijk aan de wreedheid, welke daar gepleegd wordt, schuldig: deze zijn den meesten tij in ‘t geheel niet op hunne plantaadjen; en bovendien zijn dezelven zoo uitgebreid, dat zij onmogelijk met de slechte behandeling, waaraan hunne negers zijn blootgesteld, bekend kunnen worden: maar de opzigters zijn het, die zoo onbarmhartig met de slaven omgaan.”