Tags

, , ,

Dutch Guiana. William Gifford Palgrave. London: Macmillan and co., (1876)

Enige tijd geleden was ik in de ‘City of Londen’, het oude financiële hart van Europa. Gelukkig heeft Londen niet alleen op politiek gebied of als financieel centrum maar ook op het gebied van boeken een rijke geschiedenis. De lijst van Suriname-boeken die in Londen het licht zagen is lang. Zo begon in 1843 op 57 Aldersgate Street het uitgevershuis Macmillan. Hier werden o.a. de boeken van Lewis Carroll, Alfred Lord Tennyson, Thomas Hardy en Rudyard Kipling uitgegeven.

William_Gifford_Palgrave_by_Julia_Margaret_Cameron

William Palgrave by Julia Cameron

In 1876 verscheen Dutch Guiana van William Gifford Palgrave (1826–1888). Palgrave was door familiebanden nauw gelieerd aan Macmillan (de uitgever heet tegenwoordig Palgrave Macmillan). Hij ging na zijn opleiding naar India en diende in het 8e Regiment of Foot, Bombay Native Infantry. Daarna bekeerde hij zich tot het Rooms Katholicisme, werd hij tot priester gewijd en trad hij toe tot de orde van Jezuïten. Hij werkte in India, Italië en Syrië.

Palgrave’s  reislust bracht hem ook naar het Caraïbisch gebied. In 1875 bezocht hij, op verzoek van zijn vriend A. Cohen, ondersteund door een uitnodiging van gouverneur C.A. van Sypesteyn, Suriname. Interessant is dat Palgraves vader Sir Francis Palgrave (1788-1861) bij zijn geboorte Francis Ephraim Cohen heette. Het verblijf van William Palgrave in Suriname duurde niet langer dan twee weken. Toch is hij lyrisch over de Nederlandse kolonie. Hij vergelijkt in zijn voorwoord Suriname met het Bijbelse paradijs (‘a very pleasant place’) en noemt het  ‘the Creole paradise’.

Vanuit Georgetown in Guiana reist hij over zee naar Paramaribo. Het klimaat is gezond, schrijft hij. De stad Paramaribo, met zijn hoge huizen, wijde straten, tuinen en pleinen wordt gekenmerkt door levenshouding die Palgrave noemt: ‘Take it easy’. Maar, zo waarschuwt hij, laat u zich niet voor de gek houden. Een stad van slechts 22.000 inwoners die zoveel exporteert kan niet alleen bestaan uit dromers. Suriname is voor hem ‘Holland under another sky’ en Paramaribo is Amsterdam  aan andere wateren. Zijn ontzag voor wat de Nederlanders allemaal voor elkaar hebben gekregen is groot. De brandende vraag is dan hoe het zit met de creoolse bevolking in Suriname. Ondanks de ‘evils and degradation inseparable from slavery’ zijn de voormalige slaven er in geslaagd vliegensvlug in harmonie te emanciperen. In geen enkele West-Indische kolonie is er een parallel te vinden, volgens Palgrave.

1876_map_of_suriname

Kaart van Suriname uit het boek van Palgrave

Ook wordt er een reis gemaakt naar de Commewijne. Palgrave schrijft over plantage Voorburg. Naast 200 ‘creoles’ werken er 90 Hindostanen (‘coolies’) en 181 Chinezen. De eerder genoemde Cohen (‘her Majesty’s Consul’) coördineert de arbeid en betaling van de immigranten uit India. Zij krijgen hetzelfde betaald als hun ‘collega’s’ in Demerara. Ze krijgen goede medische zorg en zijn hier in Suriname volgens Palgrave beter beschermd dan in welke Engelse kolonie dan ook. De Chinezen wonen in een aparte sectie. Hun huizen zijn identiek aan die van de Hindostanen. Ze planten vooral kruiden en groeten. Ze zijn dol op varkens. De Creolen daarentegen verbouwen vooral aardvruchten, mango, bananen en bonen.

tropenmuseum_royal_tropical_institute_objectnumber_60006282_directeurswoning_op_plantage_voorburg

Directeurswoning op plantage Voorburg. Foto: Augusta Curiël (collectie Tropenmuseum)

Het is indrukwekkend wat Palgrave allemaal over Suriname weet te vertellen. Hij heeft er beslist niet stilgezeten. Om de lezer te informeren heeft hij de geschiedenisboeken goed bestudeerd. Ook trekt hij steeds vergelijkingen met de Engelse koloniën. Aan de marrons (‘bush negroes’) wijdt hij een heel hoofdstuk waarbij hij veel historische details vermeldt. Suriname verdient volgens de auteur een mooie toekomst. Onverschilligheid en onbekendheid met het land in Europa zijn grote obstakels. Hij eindigt zijn boek met hetzelfde enthousiasme waarmee hij begon:

Palgrave: ‘Ik heb nooit een aangenamer volk ontmoet dan ik daar aantrof, nergens heb ik mijn uren op een prettigere manier dan daar doorgebracht’.

Carl Haarnack