Tags

, , ,

“Uit mijn verleden” : bijdrage tot de kennis van Suriname. Willem Boekhoudt.  Winschoten: J.D. van der Veen, 1874.

De Surinaamse geschiedenis is op vele manieren verbonden met de Nederlandse provincie Groningen. Er zijn nogal wat Groningers in de loop der eeuwen naar Suriname vertrokken. Willem Boekhoudt (Groningen 1822- Winschoten 1894) is misschien één van de minder bekende Groningers die Suriname hebben bezocht. Tussen 1845 en 1849 woonde en werkte hij in Suriname in een ‘privaat-betrekking’ bij een aanzienlijke Nederlandse familie, zoals hij zelf schreef. Hij mocht herhaaldelijk als Evangelie-dienaar optreden in de Hervormde Kerk.

IMG_2969

Frontispies uit ‘Uit mijn Verleden’ (1874)

Omdat Boekhoudt, 25 jaar na zijn terugkeer in Nederland, over zijn ‘Surinaamse jaren’ een boekje publiceerde heeft hij zich een plek verworven in de Surinaamse geschiedenis en in de Surinaamse bibliotheek. Dank zij hem kunnen we nu door de ogen van een 22 jarige Groninger kijken naar het Suriname in de nadagen van de slaventijd. We moeten om zijn verhaal te kunnen lezen wel zijn aanvankelijke xenofobie verstouwen (‘De eerste aanblik van den neger boezemde mij afkeer in. Dat domme dierlijke wat het gelaat van den Afrikaan kenmerkt, is waarlijk niet in staat den Europeeër voor hem in te nemen’).

Boekhoudt vertelt ons over de schoonheid van de plantages en de verrukkelijke aanblik van de ‘schoone stad’ waarvan de straten zijn bedekt met schelpzand en die aan weerszijden zijn beplant met ‘citroen- of oranjebomen’. Maar hij is er ook getuige van hoe twee bastiaans op een plantage aan ‘eene jeugdige negerin, opgehangen aan een boom’ zweepslagen toedienen. Boekhoudt dankte de Hemel toen hij weer in de stad was waar zijn oog voor dergelijke ‘schriktooneelen’ gespaard bleef. Het was niet beslist de bedoeling van Boekhoudt om over alle mistanden, waar hij getuige van was, te schrijven. Dat zou in zijn ogen niet eerlijk zijn ten opzichte van de families die hun slaven ‘zachtzinnig’ bejegenen. Maar hij noemt het voorval van de slavin, die op afschuwelijke wijze zweepslagen krijgt, hier toch. Hij bekritiseert direct Wolter Robert baron van Hoëvell die in 1854 in zijn belangrijke boek Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet felle kritiek levert op de behandeling van slaven.

tentboot

Van Boekhoudt leren we dingen die we in archiefstukken doorgaans niet tegenkomen. Zo schrijft hij dat elke voorname familie over tenminste zeven ‘negers’ in de bediening moet beschikken. Enkele families hebben er meer dan twintig in hun huishouden. Het gezin waar hij werkzaam is (helaas weten we nog steeds niet welke familie dit was) had als bedienden twee ‘foetoe-bois’, een ‘naaimeid’, een ‘waschmeid’, een ‘botteleriemeid’, een kokkin, twee ‘palefreniers’ oftewel ‘grasnegers’ (die elke dag met een kano de rivier af gingen om op een andere plantage gras voor de paarden te halen) en een ‘blanken koetsier’.

Boekhoudt is onder de indruk van de ‘onvermoeidheid’ en kracht van de slaven. Hij geeft als voorbeeld dat één van de slaven van plantage Jagtlust van ’s morgens zes uur tot ’s avonds zes uur op het veld werkt. Na zijn werkdag loopt hij, ondanks het verbod van zijn ‘meester’, vier uur om naar een ander plantage te lopen waar zijn meisje woont. Hij moest daarbij door het bos en vaak door het water dat tot aan de knieën rijkt. Omdat hij de volgende ochtend weer vóór zes uur ’s morgens op Jagtlust moest zijn kon hij slechts een paar uurtjes met zijn geliefde doorbrengen. Dergelijke anekdotes maken het boekje van Boekhoudt onderhoudend en interessant.

 

kaartplantagecornelisvriendschap

Gezicht op de plantage Cornelis Vriendschap in Suriname  (collectie Rijksmuseum)

Ook worden er verschillende tochten naar het binnenland ondernomen. Zo gaat Boekhoudt met zijn beschermheer L., commissaris der Inlandsche bevolking, op reis naar de Boven-Cottica om de Aucaners ernstig te onderhouden over hun strooptochten en het feit dat het verboden is om in grote getale naar de stad te komen. De heer Slengarde, assistent van de commissaris, fungeerde als tolk. De tocht bracht hem langs vele plantages en er waren vele interessante ontmoetingen. Voorbij de Barbacoeba-kreek en de Becoe-kreek ontmoetten zij de Posthouder van de ‘Aucaner-Boschnegers’, een Belg die al twintig jaar tussen deze marrons woonde.

Het lijkt alsof hij zijn xenofobie van het moment, toen hij voor het eerst met Afrikaanse slaven werd geconfronteerd, langzaam van zich heeft afgeworpen. In zijn boek neemt hij een lange lijst met odo’s op (‘van welke eenige door mij-zelven uit de mond des negers zijn opgeteekend’) omdat deze het duidelijkst de scherpzinnigheid (‘vernuft’) van ‘den Neger’ verraden. (“Kondre drai, poes-poesi njam sra” (sic) -De wereld draait, de kat eet sla: ’t is de verkeerde wereld). Aan het eind van het boek krijgen we zelfs de preek die Boekhoudt in ‘de Neger-Engelsche taal’ houdt voor de Hervormde gemeente in Paramaribo (op 8 november 1846).

Ik verzamel al meer dan dertig jaar boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Toch ben ik dit boek van Willem Boekhoudt in die hele periode slechts één keer tegen gekomen. We vinden het boek bij een klein aantal universiteitsbibliotheken en bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag maar daar houdt het dan ook direct mee op. De Buku Bibliotheca Surinamica beschikt gelukkig over een fraai exemplaar. Verzamelaars moeten veel geduld en vooral veel geluk hebben om een exemplaar te vinden. Dat is jammer want het is eigenlijk één van de leukste 19e eeuwse reisverslagen die we kennen. Voor degenen die belangstelling hebben om de tekst te lezen is er gelukkig een digitale versie op het net te vinden (www.dbnl.nl).

Carl Haarnack

 

IMG_2968