Tags

, , , , ,

Proeve over de oorzaken van verval en de middelen tot herstel der Surinaamsche plantaadjen. W.H. Lans. ’s-Gravenhage – Amsterdam: Gebroeders Van Cleef, 1829

In deze publicatie gaat Lans in op de vraag wat de oorzaak is van het verval van de kolonie Suriname die sinds het eind van de 18e eeuw in gang is gezet.

Allereerst stelt Lans dat Suriname, hoewel niet zo bloeiend als vijftig jaar geleden, nog steeds ‘eene der belangrijkste van onze overzeesche bezittingen’ is. Over de oorzaken van het verval van de plantages heeft Lans een uitgesproken mening. Eén daarvan is dat er bij de aanleg niet goed gelet werd op de deugdzaamheid van het terrein. In plaats van te kiezen voor het neerzetten van goedkope gebouwen gaf men er de voorkeur aan om woonhuizen en koffieloodsen van het duurste hout te bouwen, groter en sierlijker dan nodig was. De beschikbaarheid van krediet dat planters konden krijgen, hun ijdelheid én het belang dat de fondsen in Amsterdam hadden, die de financiering voor hun rekening namen, om hen in de schulden te steken waren daarbij de voornaamste oorzaken. Sommige planters waren niet in staat om genoeg slaven te kopen omdat ze te veel geld aan de gebouwen besteed hadden.

surinam1800map

Lans is als, inner van belastingen, er de man niet naar om het verval van Suriname niet met harde cijfers aan te tonen. Waar er in 1775 nog 18.000.000 pond koffie naar Europa werd verscheept, was daar in 1825 nog maar 4.196.575 pond van over. De productie van cacao, in 1775 nog 200.000 pond, was vijftig jaar later gehalveerd. Toch nam de productie van katoen (van 80.000 naar 2.329.607 pond) én suiker (van 15.200.000 naar 23.815.707 pond) behoorlijk toe.

Voor wat betreft de oplossingen zoekt Lans in een betere bewerking van het land, de werktuigen maar vooral de ‘werklieden’. In Suriname zijn er, zo doceert Lans, geen andere werklieden dan slaven. De indianen zijn met geen enkel middel aan het werk te krijgen (als slaven bedoelt hij natuurlijk). De ‘boschnegers’ hebben door de houthandel meer weelde dan zij aankunnen, stelt Lans. De vrije lieden zouden zich vernederd voelen door het verrichten van veldwerk en aan ‘blanke arbeiders is in het geheel niet te denken’. De conclusie is dat het voortbestaan van de kolonie volledig afhankelijk is van de slavenpopulatie. En omdat, door het verbod op de slavenhandel, er geen ‘verse’ aanvoer van ‘Afrikaansche negers’ is, gaat die populatie hard achteruit.

tropenmuseum_royal_tropical_institute_objectnumber_3581-33m_boschnegers

Marron met een pagaai (peddel), er achter staat een man in een korjaal. Ingekleurde litho naar een tekening van Th. Bray (Collectie Tropenmuseum Amsterdam, no. 21/25)

Lans is zeer stellig in zijn bewering dat het een leugen is dat de ‘negerslaaf’ overwerkt of mishandeld wordt. Hij gaat verder en stelt dat 3/5e  van de inwoners van Europa minder gelukkig is dan de slaven in de kolonie Suriname. De echte oorzaak van de achteruitgang van de slavenpopulatie is volgens Lans de ongelijke aantallen tussen mannen en vrouwen (29.162 mannen tegen 26.922 vrouwen) en die zijn ongelijk verdeeld over 500 plantages. Soms zo erg dat de verhouding op sommige plantages soms één op drie is.

Dan zijn er nog de administrateurs, soms ‘winzuchtig’ en gewetenloos, die hun eigen, korte termijn, belangen (zij krijgen 10% van de opbrengst van de plantage) boven de lange termijn belangen van de plantage stellen. Lans adviseert de eigenaren van de plantages, die zich vooral in Nederland bevinden, om zelf naar Suriname te komen en met eigen ogen te zien wat er allemaal gebeurt. Zijn devies is: hoor alles aan, spreek weinig en let op de drijfveren die mensen hebben, oordeel zelf en vertrouw niemand te veel!

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft een exemplaar, net als vier UB’s. De Buku collectie heeft helaas geen exemplaar van dit zeldzame boekje.

Carl Haarnack

zie ook: Bijdrage tot de kennis der Kolonie Suriname. W.H. Lans (1842)