Tags

, ,

De Slavernij in Suriname, dezelfde gruwelen der slavernij, die in de “Negerhut” geschetst zijn, bestaan ook in onze West-Indische koloniën. J. Wolbers (ten voordeele van de emancipatie der slaven). Amsterdam: H. de Hoogh, 1853.

In Engeland werd in 1787 The Society for the Abolition of the Slave Trade opgericht die zich beijverde voor de afschaffing van de slavernij. Een jaar later, in 1788, werd in Frankrijk de Société des amis des Noirs or Amis des Noirs gevormd die hetzelfde doel nastreefde. Pas vijftig jaar later, in 1842, werd de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering van de Afschaffing der Slavernij (NMBAS) opgericht. Dat was beslist geen brede maatschappelijk beweging. De strijd voor de afschaffing van de slavernij werd door een aantal belangrijke mannen, doorgaans uit Protestantse hoek, gevoerd. Eén van de belangrijke mannen in die strijd was Julien Wolbers (1819-1889). In 1861 zou hij het historische standaardwerk schrijven De Geschiedenis van Suriname. In 1853 schreef hij een pamflet van slechts 32 pagina’s waarin hij de geesten in Nederland rijp maakte om afscheid te nemen van het onmenselijke systeem dat al eeuwen in de West-Indische koloniën de gewoonste zaak van de wereld leek. Hij deed dat door één van de belangrijkste boeken uit de Amerikaanse literatuur, Uncle Tom’s Cabin van H. Beecher-Stowe, direct te verbinden met de slavernij in de Nederlandse kolonie Suriname. De negerhut van Oom Tom, zoals het boek in de eerste Nederlandse vertaling heette, was na verluidt,  na de bijbel, in de 19e eeuw het meest gedrukte boek ter wereld. Ook in Nederland was het direct na publicatie een groot succes. De Negerhut inspireerde Eduard Douwes toen hij de Max Havelaar (1859) schreef en ook W.R. van Hoëvell, auteur van Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet door (Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon, 1854).

De Negerhut. H.B. Stowe. 6e druk.

Wolbers hield zijn lezers een simpele boodschap voor: alle gruwelijkheden die in de Negerhut worden geschetst gebeuren ook in onze eigen kolonie Suriname. Het zijn, zo schrijft hij, dezelfde mannen die met de rechterhand hun broeder (de slaven) tot bloedens toe geselen en met de linkerhand het boek des levens geven (de bijbel) en daarmee een parodie op het Christendom. Aan de hand van brieven en verhalen van mensen die in Suriname hadden gewoond geeft Wolbers een aantal voorbeelden van de mishandeling van slaven. Een jonge slavin, waarschijnlijk een kind van de haar eigenaar, werd tot ontucht aangezet door diezelfde eigenaar en zijn zoon. Vanwege haar weigering werd zij zwaar gegeseld.Een andere bron vertelt over een jongen die een zuurzak (Wolbers schijft zuurtak) had gestolen. Zijn eigenares liet hem voor straf aan een boom binden waar hij de nacht moest doorbrengen als prooi voor de muskieten.

Regelmatig werden er bospatrouilles uitgevoerd om van de plantage weggelopen slaven te vangen of te doden. Als een marrons gedood was hakte men de rechterhand af als bewijs om later in Paramaribo de beloofde premie te kunnen innen. Om te voorkomen dat de afgehakte handen zouden bederven werden die ’s avonds op een vuur geroosterd (gebarbakot, schrijft Wolbers). Maar als weggelopen slaven levend in handen van een patrouille vielen dan werden ze aan de gruwelijkste martelingen blootgesteld. In 1852 werd een marron gevangen en gedwongen om een patrouille de weg naar het marrondorp te laten zien. Hij raakte verdwaald en kreeg onmiddellijk 50 stokslagen. De volgende dag werd hij vlak boven een vuur gehangen om hem te dwingen de verblijfplaats van de weggelopen slaven prijs te geven. Pas toen hij er half dood bij hing werd het koord losgesneden. Een paar dagen later werd hij met handen en voeten aan een boom gebonden en werden de 32 slaven, die als lastdragers deel uit maakten van de patrouille, gedwongen om hem ieder vijf of zes stokslagen te geven.

Een plantage-directeur met zijn foetoe-boi en slavin. Litho van Theodore Bray (1850)

Wolbers vertelt nog meer afschuwelijke verhalen over geselingen en martelingen waarbij het bloed vloeide. Die verhalen zal ik u verder besparen. Wie wil kan het nalezen over de website van de Digitale Bibliotheek Nederland (www.dbnl.nl).

Wolbers richt ook het woord direct tot de eigenaren van slaven die in Nederland wonen: “Gij zijt het vooral, die in dezen medewerken moet; vooral zoo in u een Christelijke zin en geest woont”. Christen zijn én eigenaar van slaven is voor Wolbers onbestaanbaar. Hij haalt op meerdere plekken een bijbeltekst aan, Mattheus 7:12 aan, die vrij vertaald zegt: Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden. Daarnaast roept hij iedereen op zich tot de Koning te wenden om zijn hulp in te roepen de slavernij te beëindigen. Wolbers roept de lezers op lid te worden van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij. Lid worden kost slechts fl. 2,50 per jaar of 5ct per week. Hij sluit zijn verhaal af met een vurig pleidooi aan de lezer om zich te wenden tot ‘den armen verdrukten broeder in Suriname’.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2013/12/06/wolbers/

https://bukubooks.wordpress.com/oom_tom/