Europeesche Kolonisatie in Suriname. Een geschiedkundige schets. Door H. Pijttersen Tz. ´s-Gravenhage: W.P. van Stockum & Zoon, 1896.

H. Pyttersen Tzn. (1845-1919)

Over de relatie tussen de Nederlandse provincie Friesland en Suriname zou best wel eens een flink boek geschreven kunnen worden. Vele Friezen zochten in de loop der eeuwen hun heil in Suriname. De Surinaamse bibliotheek kent tal van publicaties die het licht zagen in Friesland. Nog meer boeken kwamen uit de pen van Friese auteurs. Zo schreef de Friese domineeszoon Hendrik Pyttersen Tzn. in 1896 dit boek over de verschillende kolonisatiepogingen met Europeanen in Suriname. Pyttersen werd geboren op 24 mei 1845 in Nijehaske (nu onderdeel van Heerenveen) in Friesland. In 1891 kwam hij als vertegenwoordiger van het socialistische district Schoterland in de Tweede Kamer. Behalve boekhandelaar en uitgever was hij ook hoofdredacteur “Nieuwe Arnhemsche Courant.

In dit boek gaat de auteur o.a. in op de kolonisatie-proef met Paltzers, Zwitsers, Duitsers, Hollandsche boeren aan de Saramacca en nabij Paramaribo. In 1847 werden er voorbereidingen getroffen, zo schrijft Pyttersen, om acht families uit de Palts naar Suriname over te brengen. Gouverneur-Generaal Mauricius kreeg van enige planters de schriftelijke toezegging dat zij bereid waren een vestigingsplaats voor deze Duitse boeren gereed te maken. Deze Joodse planters bleven echter in gebreke en ook de toezegging enige slaven af te staan werden niet nagekomen. Wat nog meer aan de misére bijdroeg was dat deze Paltzers helemaal geen boeren waren. De families werden voorlopig over verschillende planatges verdeeld maar al snel kwamen er klachten over hun luiheid en ‘onbequaamheid’ voor het werken op het land. Eén van de zg. boeren bleek een ´kermisklant´ te zijn die behendig was in het maken van een poppenspel. Op 12 januari 1753 werd de vestigingsplaats van de Paltsers overvallen door marrons en werden alle ‘goed en have’ geroofd.

Gouverneur Mauricius schreef in 1748 dat de Zwitsers en boeren hem zoveel ‘occupatie en hoofdbrekens’ gaven als alle andere problemen. Toen op 19 oktober 1748 twee schepen met Zwitsers in Suriname arriveerden was er nog niets geregeld voor hun ontvangst. Mauricius zag zich gedwongen een oude kostgrond te Para, waar nog enige oude gebouwen stonden, voor hen aan te kopen. De Cabale, opstandige planters die het bestuur van Mauricius trachtten te ondermijnen, vuurden de Zwitsers aan hogere eisen te stellen aan hun verblijf. Op 15 november 1753 werd ook het dorp van de Zwitsers te Para door marrons overvallen en geplunderd.

In 1751 werd besloten tot de aanleg van een pad dat moest lopen van Rama aan de Surinamerivier tot aan de Saramaccarivier, ook wel bekend als Oranjepad. Het was de bedoeling om daar militaire posten op te zetten die de plantages aan de Boven-Suriname en het Paragebied moest beschermen. Een commando van 50 slaven en enige burgers aangevuld met 70 soldaten werden daartoe aangewezen. Deze onderneming was kostbaar en had weinig tot geen nut tegen de aanvallen van marrons.

Ansichtkaart Albina, ca. 1898

Pyttersen schrijft ook over de pogingen in de 19e eeuw om Duitse kolonisten te bewegen naar Suriname te komen. In 1846 had August Kappler zich aan de Marowijne, tussen de monding van deze rivier, en de oude militaire post Armina gevestigd. Deze plek gaf hij de naam Albina, ter ere van zijn vrouw. In 1853 keerde Kappler terug van een bezoek aan Europa met zijn vrouw en 15 Wurttembergers, een jaar later gevolgd door nog eens 20 Wurttembergers. Een derde transport volgde in 1855 waardoor het totale aantal Europeanen in Albina op 71 kwam. Kappler bleef tot 1879 Suriname. In dat jaar vertrok hij naar Stuttgart waar hij in 1894 overleed.

Gouvernementsplein Paramaribo (1905). Buku Bibliotheca Surinamica collectie.

Over het desastreuze project om Hollandse boeren naar Suriname te halen hebben we hier al vaker geschreven. Pyttersen gaat uitvoerig in op deze kolonisatiepoging. Zeer de moeite waard om te lezen. In zijn slotwoord trekt hij de conclusie dat alle kolonisatiepogingen mislukten door omstandigheden die los staan van de klimatologische omstandigheden en van de geschiktheid van de kolonisten voor het verrichten van veldarbeid. Volgens Pyttersen lag de oorzaak van de mislukking vooral in het feit dat de kolonist afhankelijk was van ´anderen´ waardoor hij zijn individuele zelfstandigheid en veerkracht verloor. De kolonisatie zou in zijn ogen niet van bovenaf door het Gouvernement geregeld moeten worden. Veel belangrijker vond hij het bevorderen van de individuele kolonisatie.

In de Nieuwe Surinaamsch Courant van 29 september 1895 wordt vol lof gesproken over Pyttersen: “Voor den zooveelsten maal heeft de heer Pyttersen T.z., lid van de Tweede Kamer, weder iets voor Suriname gedaan”. En even verderop: “Even als wij de werkkracht in deze van dit kamerlid bewonderen, zijn wij hem dankbaar voor zijn liefde en toewijding voor ons lief geboorteland”. Pyttersen wierp zich in de 2e Kamer op als de Suriname-specialist en nam deel aan de talloze debatten die in het parlement over de kolonie werden gehouden: “Er is bijna geen zitting, waarin hij zich niet laat hooren en voor uwe kolonie is hij een juweel”. (Nwe Sur Courant 6-8-1896). Pyttersen pleitte al in 1893 voor meer zelfbestuur van de kolonie Suriname, als voorbereiding op de toekomstige algehele autonomie.

Een andere publicaties die hij voor zijn rekening nam was Door een rooden draad verbonden : armverzorging, emigratie, Suriname (1892). De Nieuwe Surinaamsche Courant schreef in 1896 over Pyttersen: “Er is bijna geen zitting, waarin hij zich niet laat hooren en voor uwe kolonie is hij een juweel”. Hendrik Pyttersen overleed op  10 september 1919.

Carl Haarnack