Niederländisch- Ost- Und Westindien. S. Friedman (1860)

Tags

Niederländisch- Ost- Und Westindien. Ihre neueste Gestaltung in geographischer, statistischer, und culturhistorischer Hinsicht, mit besonderer Darstellung der klimatischen und sanitätischen Verhältnisse. S. Friedmann. München: bei Georg Franz, 1860.

Dr. S. Friedmann werkte als praktiserend arts in München. Daarvoor had hij als arts bij de Nederlandse marine gewerkt. In die hoedanigheid verbleef hij in de Nederlandse koloniën, zowel in ‘Nederlands-Indië’ als in Suriname en Curaçao. Na zijn pensionering besloot hij dit boek over het leven in de Nederlandse koloniën te schrijven. Vooral omdat er bij de Duitse bevolking weinig kennis was over de landen die voorzien in de Europese behoeften van koloniale producten. Friedmann schrijft interessante verhalen over ‘Indië’ en Curaçao maar voor deze rubriek beperken we ons tot Suriname.

Geheel in de traditie van 18e eeuwse geleerde reisbeschrijvingen begint de auteur met een uitvoerige beschrijving van de ligging, de grenzen, de rivieren en de bodemgesteldheid van Suriname. Ook ontbreekt een klein college geschiedenis niet in zijn verhaal. Friedmann heeft de zich goed ingelezen in het onderwerp en citeert klassiekers als Baron von Sack, Van Sypenstein en Hartsinck (die hij abusievelijk Harzing noemt). Opvallend is dat hij uitvoerig uit het zeer zeldzame boekje Über die Emancipation der Neger (1855) van Friedrich Martin Duttenhofer (1810-1859) citeert. Onze arts uit München heeft een aantal opmerkelijke ideeën over de slavernij in Suriname. De behandeling van de slaven kan volgens hem over het algemeen mild genoemd worden (p.188). Slavernij bestaat, zo schrijft hij, in Suriname eigenlijk meer in naam dan in werkelijkheid. Zo beweert hij dat de slaven meer voedsel krijgen en minder arbeid van hen wordt verlangd dan het Reglement voorschrijft.

Titelpagina Niederländisch- Ost- Und Westindien (1860).

Friedmann wil ons wijsmaken dat in de meeste gevallen slaven die de wet overtreden er met een standje vanaf komen. Bij ernstiger vergrijpen kunnen er zweepslagen worden uitgedeeld. Het aantal zweepslagen voor mannen bedraagt ten hoogste 50 en voor vrouwen 30. Deze maximale straf werd in 1855 slechts zeven keren gegeven aan mannen en slechts één keer aan een vrouw.

Om zijn stelling dat de slaven slechts mild gestraft worden te onderbouwen citeert hij uit het rapport van de districtspolitie:

Donderdag de 11e  januari 1855. Er verschijnt B. van K. die zich beklaagd over de hem toebehorende slaaf Silvyn wegens grofheid en onwilligheid. (Silvyn krijgt een mondelinge vermaning en een waarschuwing).

Woensdag de 16e mei 1855: De slaaf Generaal, die eigendom is van de plantage Peperpot, wordt door de administrateur er van beschuldigd bananen te hebben gestolen. Generaal staat bij de politie reeds bekend als bananendief. De gestolen bananen verkoopt hij dan in de stad. Hij krijgt een ernstige reprimande en wordt gewaarschuwd zich niet opnieuw hieraan schuldig te maken.

Plattegrond plantage Peperpot en Mopentibo (ca. 1920 detail. collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Over de mogelijke vrijlating van de slaven is Friedmann duidelijk: de slaven in Suriname zijn er nog niet rijp voor. Hij gelooft dat, als de emancipatie van slaven direct zou plaatsvinden, iedereen naar het bos zou vluchten en daar als een wilde leven. De ijdelheid en de naäperij van de ‘Neger’ zijn de belangrijkste tegenstanders van de emancipatie. Want, zo gaat onze arts verder, er zijn zelfs vrije zwarten die Europese gerechten koken of voor de thee een ‘mesties’, een witte creool of zelfs een Europees gezelschap uitnodigingen, zo trots zijn ze er op. Ook zijn vrije zwarten die zondags in kostuum en met schoenen aan (want zo kunnen ze zich onderscheiden van de slaven) met de bijbel in de hand naar de kerk gaan.

Naar de kerk (Litho: Benoit, Voyage a Surinam, 1839. detail)

Friedman is, zeker naar de maatstaven van vandaag, een racist. We vinden meer van dergelijke ideeën in de Surinaamse bibliotheek maar het soort gif dat Friedman verspreid is doordrenkt van het herkenbare 19e eeuwse nationalistische en racistische gedachtengoed. Het is allemaal niet fraai maar als we dergelijke boeken uit onze bibliotheken zouden verbannen dan zouden we eigenlijk doen alsof dergelijk gedachtengoed nooit bestaan heeft.

Carl Haarnack

zie ook: https://bukubooks.wordpress.com/2011/08/21/dutenhofer/

De ronselaar, of De gestoorde reis naar Surinamen. G. Behacker (1818)

De ronselaar, of De gestoorde reis naar Surinamen: tooneelspel in 4 bedrijven : eene ware, den schrijver zelven overgekomene, gebeurtenis. Door G. Behacker ; naar het Hoogduitsch manuscript vrij bewerkt door A. Bruggemans. Dordrecht: H. Volkersz., 1818

De hoofdrolspeler in dit toneelstuk heet George, een jongeman die vanuit zijn geboorteland Duitsland naar Nederland is gekomen. Zijn oom, Van Keulen, heeft in Dordrecht een succesvol bedrijf in o.a. Eau de Cologne en wijnen. In Amsterdam heeft George ene Van Dijk leren kennen. Van Dijk geeft zich valselijk uit als Generaal-Adjudant van de Gouverneur van Suriname.

Dordrecht

Hij, zo zegt hij zelf, verkoopt mensen voor geld. Als ronselaar brengt hij mensen aan die als matroos of soldaat naar Suriname worden gebracht. Hiervoor ontvangt hij een premie. Maar hij vertelt George dat er in Suriname vacature is voor de post van secretaris van de gouverneur, een hoge functie die goed betaalt. Hij spelt hem op de mouw dat George uitstekende papieren heeft en dat hem een gouden toekomst wacht. De brieven die zg. van de gouverneur afkomstig zijn heeft Van Dijk natuurlijk zelf geschreven. Hij adviseert George om maar liefst 30 paar laarzen, 30 paar schoenen, 12 dozijn hemden, kousen, dassen,  zakdoeken en Eau de Cologne te kopen om voor zijn verblijf in Suriname. Ook adviseert hem om honderd zilveren horloges te kopen. In Suriname tenslotte zal hij in de hoogste kringen verkeren en zal hij af en toe een mooi horloge kunnen schenken en zelfs er met gemak een aantal voor geld kan verkopen. De functie van secretaris van de gouverneur betekent dat George in Suriname als een soort kroonprins zal worden gezien. Zijn geheim plan is om George alle goederen en geld afhandig te maken en hem aan een schip in Vlissingen te verkopen.

Eau de Cologne

De familie van George zijn verbaasd als hij ze het nieuws van zijn benoeming vertelt. De achterdocht van oom Van Keulen en zijn vriend Maas blijken gegrond. In de stad treffen zij ene Zwart, een koopman. Ze bespieden George en Van Dijk en luisteren af hoe sluw Van Dijk de goedgelovige George om de tuin leidt. Zwart kent Van Dijk al heel lang als een oplichter en weet dat hij in Brussel, Antwerpen, Koblenz en Riga hoteleigenaren heeft opgelicht, valse wissels heeft uitgeschreven onder de naam van Baron de Bonisaire en een arme weduwe fl. 700,– afhandig heeft gemaakt. Ook de boekhandelaar Verbeek die een boek komt afleven bij Van Keulen kent Van Dijk nog uit Bremen waar deze zich uitgaf als generaal adjudant van een Franse Maarschalk. Hij gaf daar een groot feest voor alle Fransen officieren maar liet de hotelier met een onbetaalde rekening zitten. Deze keer is Van Dijk er echter gloeiend bij. De politie commissaris wordt erbij gehaald en die arresteert hem. Van Dijk wordt veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en tweehonderd gulden boete.

Titelpagina De Ronselaar (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

De ronselaar is in vele opzichten bijzonder te noemen. De auteur schrijft in zijn voorwoord dat hij besloten heeft om iets dat hem een jaar eerder zelf overkomen was in een toneelstuk te gieten en om daarmee andere jonge mensen te behoeden voor gevaar. Zijn boodschap luidt: Wees voorzichtig en vertrouw niet te veel op mensen. Over de auteur, G. Behacker, weten we nagegoeg niets. Mogelijk is hij de advocaat G. Behacker die we rond 1823 in St. Petersburg vinden. De vertaler en bewerker van de tekst is Adrianus Bruggemans (1763-1841) die de kost verdiende als boekhouder bij een houthandel in Dordrecht. In zijn vrije tijd hield hij zich beter met de beoefening van letterkunde en de Duitse en Franse taal. Hij schreef tientallen boeken, bewerkingen en vertalingen. Er bestaat van De Ronselaar geen Duitse oerversie in druk. Bruggemans vertaalde een Duits manuscript en gaf er een Nederlandse draai aan.

In dit toneelstuk zult u tevergeefs zoeken naar het Surinaamse plantageleven, slaven die suiker produceren of plantagedirecteuren die zich over de Commewijnerivier laten roeien. Het toneelstuk speelt zich in zijn geheel af in Dordrecht. Het verschijnsel van de kwaadwillende ronselaars die jongemannen, onder valse voorwendsels, in Nederland en Duitsland lieten tekenen voor een dienstverband in Suriname, komen we in de geschiedenis veelvuldig tegen. Daarom alleen al verdient het een plek in de Surinaamse bibliotheek.

Dit boek is uiterst zeldzaam, er zijn slechts vier exemplaren bekend. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam, de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen én de Buku Bibliotheca Surinamica-collectie beschikken over een exemplaar (ex-libris collectie Henk Dijs).

Carl Haarnack

Europeesche Kolonisatie in Suriname. Pyttersen (1896)

Europeesche Kolonisatie in Suriname. Een geschiedkundige schets. Door H. Pijttersen Tz. ´s-Gravenhage: W.P. van Stockum & Zoon, 1896.

H. Pyttersen Tzn. (1845-1919)

Over de relatie tussen de Nederlandse provincie Friesland en Suriname zou best wel eens een flink boek geschreven kunnen worden. Vele Friezen zochten in de loop der eeuwen hun heil in Suriname. De Surinaamse bibliotheek kent tal van publicaties die het licht zagen in Friesland. Nog meer boeken kwamen uit de pen van Friese auteurs. Zo schreef de Friese domineeszoon Hendrik Pyttersen Tzn. in 1896 dit boek over de verschillende kolonisatiepogingen met Europeanen in Suriname. Pyttersen werd geboren op 24 mei 1845 in Nijehaske (nu onderdeel van Heerenveen) in Friesland. In 1891 kwam hij als vertegenwoordiger van het socialistische district Schoterland in de Tweede Kamer. Behalve boekhandelaar en uitgever was hij ook hoofdredacteur “Nieuwe Arnhemsche Courant.

In dit boek gaat de auteur o.a. in op de kolonisatie-proef met Paltzers, Zwitsers, Duitsers, Hollandsche boeren aan de Saramacca en nabij Paramaribo. In 1847 werden er voorbereidingen getroffen, zo schrijft Pyttersen, om acht families uit de Palts naar Suriname over te brengen. Gouverneur-Generaal Mauricius kreeg van enige planters de schriftelijke toezegging dat zij bereid waren een vestigingsplaats voor deze Duitse boeren gereed te maken. Deze Joodse planters bleven echter in gebreke en ook de toezegging enige slaven af te staan werden niet nagekomen. Wat nog meer aan de misére bijdroeg was dat deze Paltzers helemaal geen boeren waren. De families werden voorlopig over verschillende planatges verdeeld maar al snel kwamen er klachten over hun luiheid en ‘onbequaamheid’ voor het werken op het land. Eén van de zg. boeren bleek een ´kermisklant´ te zijn die behendig was in het maken van een poppenspel. Op 12 januari 1753 werd de vestigingsplaats van de Paltsers overvallen door marrons en werden alle ‘goed en have’ geroofd.

Gouverneur Mauricius schreef in 1748 dat de Zwitsers en boeren hem zoveel ‘occupatie en hoofdbrekens’ gaven als alle andere problemen. Toen op 19 oktober 1748 twee schepen met Zwitsers in Suriname arriveerden was er nog niets geregeld voor hun ontvangst. Mauricius zag zich gedwongen een oude kostgrond te Para, waar nog enige oude gebouwen stonden, voor hen aan te kopen. De Cabale, opstandige planters die het bestuur van Mauricius trachtten te ondermijnen, vuurden de Zwitsers aan hogere eisen te stellen aan hun verblijf. Op 15 november 1753 werd ook het dorp van de Zwitsers te Para door marrons overvallen en geplunderd.

In 1751 werd besloten tot de aanleg van een pad dat moest lopen van Rama aan de Surinamerivier tot aan de Saramaccarivier, ook wel bekend als Oranjepad. Het was de bedoeling om daar militaire posten op te zetten die de plantages aan de Boven-Suriname en het Paragebied moest beschermen. Een commando van 50 slaven en enige burgers aangevuld met 70 soldaten werden daartoe aangewezen. Deze onderneming was kostbaar en had weinig tot geen nut tegen de aanvallen van marrons.

Ansichtkaart Albina, ca. 1898

Pyttersen schrijft ook over de pogingen in de 19e eeuw om Duitse kolonisten te bewegen naar Suriname te komen. In 1846 had August Kappler zich aan de Marowijne, tussen de monding van deze rivier, en de oude militaire post Armina gevestigd. Deze plek gaf hij de naam Albina, ter ere van zijn vrouw. In 1853 keerde Kappler terug van een bezoek aan Europa met zijn vrouw en 15 Wurttembergers, een jaar later gevolgd door nog eens 20 Wurttembergers. Een derde transport volgde in 1855 waardoor het totale aantal Europeanen in Albina op 71 kwam. Kappler bleef tot 1879 Suriname. In dat jaar vertrok hij naar Stuttgart waar hij in 1894 overleed.

Gouvernementsplein Paramaribo (1905). Buku Bibliotheca Surinamica collectie.

Over het desastreuze project om Hollandse boeren naar Suriname te halen hebben we hier al vaker geschreven. Pyttersen gaat uitvoerig in op deze kolonisatiepoging. Zeer de moeite waard om te lezen. In zijn slotwoord trekt hij de conclusie dat alle kolonisatiepogingen mislukten door omstandigheden die los staan van de klimatologische omstandigheden en van de geschiktheid van de kolonisten voor het verrichten van veldarbeid. Volgens Pyttersen lag de oorzaak van de mislukking vooral in het feit dat de kolonist afhankelijk was van ´anderen´ waardoor hij zijn individuele zelfstandigheid en veerkracht verloor. De kolonisatie zou in zijn ogen niet van bovenaf door het Gouvernement geregeld moeten worden. Veel belangrijker vond hij het bevorderen van de individuele kolonisatie.

In de Nieuwe Surinaamsch Courant van 29 september 1895 wordt vol lof gesproken over Pyttersen: “Voor den zooveelsten maal heeft de heer Pyttersen T.z., lid van de Tweede Kamer, weder iets voor Suriname gedaan”. En even verderop: “Even als wij de werkkracht in deze van dit kamerlid bewonderen, zijn wij hem dankbaar voor zijn liefde en toewijding voor ons lief geboorteland”. Pyttersen wierp zich in de 2e Kamer op als de Suriname-specialist en nam deel aan de talloze debatten die in het parlement over de kolonie werden gehouden: “Er is bijna geen zitting, waarin hij zich niet laat hooren en voor uwe kolonie is hij een juweel”. (Nwe Sur Courant 6-8-1896). Pyttersen pleitte al in 1893 voor meer zelfbestuur van de kolonie Suriname, als voorbereiding op de toekomstige algehele autonomie.

Een andere publicaties die hij voor zijn rekening nam was Door een rooden draad verbonden : armverzorging, emigratie, Suriname (1892). De Nieuwe Surinaamsche Courant schreef in 1896 over Pyttersen: “Er is bijna geen zitting, waarin hij zich niet laat hooren en voor uwe kolonie is hij een juweel”. Hendrik Pyttersen overleed op  10 september 1919.

Carl Haarnack

De Slavernij in Suriname. J. Wolbers (1853)

Tags

, ,

De Slavernij in Suriname, dezelfde gruwelen der slavernij, die in de “Negerhut” geschetst zijn, bestaan ook in onze West-Indische koloniën. J. Wolbers (ten voordeele van de emancipatie der slaven). Amsterdam: H. de Hoogh, 1853.

In Engeland werd in 1787 The Society for the Abolition of the Slave Trade opgericht die zich beijverde voor de afschaffing van de slavernij. Een jaar later, in 1788, werd in Frankrijk de Société des amis des Noirs or Amis des Noirs gevormd die hetzelfde doel nastreefde. Pas vijftig jaar later, in 1842, werd de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering van de Afschaffing der Slavernij (NMBAS) opgericht. Dat was beslist geen brede maatschappelijk beweging. De strijd voor de afschaffing van de slavernij werd door een aantal belangrijke mannen, doorgaans uit Protestantse hoek, gevoerd. Eén van de belangrijke mannen in die strijd was Julien Wolbers (1819-1889). In 1861 zou hij het historische standaardwerk schrijven De Geschiedenis van Suriname. In 1853 schreef hij een pamflet van slechts 32 pagina’s waarin hij de geesten in Nederland rijp maakte om afscheid te nemen van het onmenselijke systeem dat al eeuwen in de West-Indische koloniën de gewoonste zaak van de wereld leek. Hij deed dat door één van de belangrijkste boeken uit de Amerikaanse literatuur, Uncle Tom’s Cabin van H. Beecher-Stowe, direct te verbinden met de slavernij in de Nederlandse kolonie Suriname. De negerhut van Oom Tom, zoals het boek in de eerste Nederlandse vertaling heette, was na verluidt,  na de bijbel, in de 19e eeuw het meest gedrukte boek ter wereld. Ook in Nederland was het direct na publicatie een groot succes. De Negerhut inspireerde Eduard Douwes toen hij de Max Havelaar (1859) schreef en ook W.R. van Hoëvell, auteur van Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet door (Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon, 1854).

De Negerhut. H.B. Stowe. 6e druk.

Wolbers hield zijn lezers een simpele boodschap voor: alle gruwelijkheden die in de Negerhut worden geschetst gebeuren ook in onze eigen kolonie Suriname. Het zijn, zo schrijft hij, dezelfde mannen die met de rechterhand hun broeder (de slaven) tot bloedens toe geselen en met de linkerhand het boek des levens geven (de bijbel) en daarmee een parodie op het Christendom. Aan de hand van brieven en verhalen van mensen die in Suriname hadden gewoond geeft Wolbers een aantal voorbeelden van de mishandeling van slaven. Een jonge slavin, waarschijnlijk een kind van haar eigenaar, werd tot ontucht aangezet door diezelfde eigenaar en zijn zoon. Vanwege haar weigering werd zij zwaar gegeseld.Een andere bron vertelt over een jongen die een zuurzak (Wolbers schijft zuurtak) had gestolen. Zijn eigenares liet hem voor straf aan een boom binden waar hij de nacht moest doorbrengen als prooi voor de muskieten.

Regelmatig werden er bospatrouilles uitgevoerd om van de plantage weggelopen slaven te vangen of te doden. Als een marron gedood was hakte men de rechterhand af als bewijs om later in Paramaribo de beloofde premie te kunnen innen. Om te voorkomen dat de afgehakte handen zouden bederven werden die ’s avonds op een vuur geroosterd (gebarbakot, schrijft Wolbers). Maar als weggelopen slaven levend in handen van een patrouille vielen dan werden ze aan de gruwelijkste martelingen blootgesteld. In 1852 werd een marron gevangen en gedwongen om een patrouille de weg naar het marrondorp te laten zien. Hij raakte verdwaald en kreeg onmiddellijk 50 stokslagen. De volgende dag werd hij vlak boven een vuur gehangen om hem te dwingen de verblijfplaats van de weggelopen slaven prijs te geven. Pas toen hij er half dood bij hing werd het koord losgesneden. Een paar dagen later werd hij met handen en voeten aan een boom gebonden en werden de 32 slaven, die als lastdragers deel uit maakten van de patrouille, gedwongen om hem ieder vijf of zes stokslagen te geven.

Een plantage-directeur met zijn foetoe-boi en slavin. Litho van Theodore Bray (1850)

Wolbers vertelt nog meer afschuwelijke verhalen over geselingen en martelingen waarbij het bloed vloeide. Die verhalen zal ik u verder besparen. Wie wil kan het nalezen over de website van de Digitale Bibliotheek Nederland (www.dbnl.nl).

Wolbers richt ook het woord direct tot de eigenaren van slaven die in Nederland wonen: “Gij zijt het vooral, die in dezen medewerken moet; vooral zoo in u een Christelijke zin en geest woont”. Christen zijn én eigenaar van slaven is voor Wolbers onbestaanbaar. Hij haalt op meerdere plekken een bijbeltekst aan, Mattheus 7:12 aan, die vrij vertaald zegt: Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden. Daarnaast roept hij iedereen op zich tot de Koning te wenden om zijn hulp in te roepen de slavernij te beëindigen. Wolbers roept de lezers op lid te worden van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij. Lid worden kost slechts fl. 2,50 per jaar of 5ct per week. Hij sluit zijn verhaal af met een vurig pleidooi aan de lezer om zich te wenden tot ‘den armen verdrukten broeder in Suriname’.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2013/12/06/wolbers/

https://bukubooks.wordpress.com/oom_tom/

Njoe-Jaari-Singi voe Cesaari. Utrecht: Braga (1843)

Tags

,

Proeve van Neger-Engelsche poezy. Njoe-Jaari-Singi voe Cesaari. In: Braga, dichterlijke mengelingen, uitgegeven door een dichtlievend gezelschap. Utrecht: Bij van Paddenburg en Comp., 1843.

‘Soema de jompo janna so?
Mi bribi na Cesaari;
Pooti, a no man voe go,
Moffina fa a haari!
Wan soro no hati toe soema, loekkoe fa a mangrie,
Daggoe habi foeloe masra a slibi nanga hangrie…..’

Zo begint het eerste gedicht dat in het Sranan in druk verscheen. Het gedicht bestaat uit tien strofen van zes regels waarbij telkens de laatste twee regels dubbel zo lang zijn als de eerste vier. In de jaren 1836 en 1837 werd het in losse bladen aan de man gebracht in Paramaribo. Mogelijk gebeurde dat door de hoofdfiguur in dit gedicht zelf, de doofstomme Cesar (Cesaari), maar daarover bestaat geen zekerheid. In 1843 werd het gedicht opnieuw afgedrukt maar nu in een Nederlands literair tijdschrift Braga. Dit tijdschrift, waarin alle teksten rijmden, werd in 1842 opgericht door Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1819-1889) en Anthony Winkler Prins (1817-1908). Er verschenen slechts twee jaargangen. Cesar is, zo lezen we in Braga, een ‘neger’ van ongeveer 30 jaar oud. Vanwege zijn doofstomheid kan hij niet praten en brengt hij ‘akelige’ geluiden uit om zijn blijdschap, verwondering of droefheid uit te drukken. Hij verstaat echter alles wat men hem zegt uitstekend. Hij trekt sterk met zijn rechterbeen en loopt op zijn tenen. Cesar  woont in een huisje aan de rivieroever. Vanaf die plek kan hij de seinen waarnemen die de schepen uitzenden. Zodra hij een schip de Surinamerivier ziet binnenkomen informeert hij de ingezetenen van de Paramaribo en ontvangt daarvoor een kleine vergoeding.  

In het Nieuwjaarslied vraagt deze bedelaar voorbijgangers in Paramaribo om een aalmoes. Hij belooft dat iedereen die iets geeft het dubbele terug zal ontvangen. Verder wenst Cesaari voor iedereen alle goeds:

‘Mi wensi geluk na ibrie wan
Na inni da jaari dissie
Alla oeman sa venni man
Den jonkman sa venni missie..’

Maar gedicht einidgt met een smeekbede:

‘Ma, mi teeki Gaddo beggi joe,
No forgitti Cesaari!
Awassi mi pooti, tokkoe na troe,
Mi habi mi libbi voe tjaari;
Mi no habi foeloe voe wensi, mi no habi foeloe vo fredde,
Mi no habi noffo foe libbie, ma mi habi toe moessie vo dedde.’

In 1958 analyseerden Ursy M. Lichtveld en Jan Voorhoeve in Suriname: Spiegel der Vaderlandse Kooplieden (Zwolle: Tjeenk Willink, 1958) dit bijzondere gedicht. Zij wijzen Jan Jakob Lodewijk ten Kate, uitgever van Braga, aan als vertaler van het gedicht in het Sranan. In de belangrijke anthologie van de Creoolse literatuur in Suriname, Creole Drum (New Haven and London: Yale University Press, 1975) brengen Lichtveld en Voorhoeve het gedicht opnieuw ter sprake. Voor het eerst wordt melding gemaakt van de mogelijkheid dat de Surinaamse jurist H.C. Focke (1802-1856) de auteur is van het gedicht. Focke publiceerde in 1855 het Neger-Engelsch Woordenboek, een belangrijke bron voor het Sranan en de Surinaamse odo’s. Juist deze odo’s vormen een belangrijk onderdeel van onze Njoe-Jaari-Singi. Zoals bijvoorbeeld deze odo: “Kondre draai, poes-poesi njam slaa”. Deze odo vinden we terug in het woordenboek van Wüllschlägel (1856) onder odo nr. 347 (‘het is de wereld op z’n kop’, ch).

In het exemplaar van het tijdschrift Braga dat zich in de Buku collectie bevindt vinden we een interessante aantekening in potlood: ”Ten Kate ontving dit lied (gedicht en met een schip versierd) ten geschenke van mr. J.I.D. Nepveu te Utrecht en leverde daarvan de hierbij gevoegde vertaling”. Dat maakt de zaak nóg interessanter. Jan Ignatius Daniël Nepveu (1810-1887) was griffier van het provinciaal gerechtshof in Utrecht en hij was actief op letterkundig gebied. Hij was de kleinzoon van Laurens Johannes Nepveu die in 1751 in Paramaribo geboren was. Deze laatste was weer de zoon van Jean Nepveu (1719-1779), gouverneur-generaal van Suriname.

Carl Haarnack

Het papieren erfgoed van Carl Haarnack

Door Kevin Headley  (De Ware Tijd, 21 maart 2020)

Publicist, curator en oprichter van Buku Bibliotheca Surinama, Carl Haarnack,  is van mening dat het belangrijk is om boeken, oude documenten en geschriften te verzamelen en goed te bewaren omdat die ons kunnen helpen onze geschiedenis beter te begrijpen. Dat is een reden waarom hij al op jonge leeftijd besloot werken over verleden van ons land op sporen en te verzamelen. Vandaag de dag heeft hij een collectie opgebouwd van, zoals hij het zelf zegt onschatbare historische waarde, die regelmatig wordt ingezet bij exposities en evenementen zoals de onlangs afgesloten Grote Surinametentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

 

Boekenplank

“Buku, boek in het Surinaams, is een naam die ik gaf aan mijn privécollectie van Surinamica, boeken, prenten, foto’s, brieven en ansichtkaarten, allemaal objecten die te maken hebben met de geschiedenis van Suriname. Buku leek mij toepasselijk omdat het ook een verwijzing is naar Fort Buku, de fortificatie die marrons in de 18e eeuw bouwden en waar John Gabriel Stedman over geschreven heeft. Het is een verzameling van boeken en prenten die in de afgelopen dertig jaar tot stand gekomen is. Er zijn natuurlijk veel meer verzamelaars, in Suriname, maar ook in Nederland en België. Een hele grote en gepassioneerde verzamelaar, die helaas in 2018 overleed, was Henk Dijs (1961-2018). Hij heeft een omvangrijke Surinamica collectie opgebouwd. Er zijn ook stille verzamelaars die misschien niet zo op de voorgrond treden. Al die particuliere verzamelaars hebben bij ellkaar een aanzienlijke collectie boeken en museale stukken die ons iets overde geschiedenis van Suriname vertellen.”

Haarnack heeft veelal wat hij wilde weten over de geschiedenis van Suriname moeten halen uit boeken. Hij vindt het daarom belangrijk dat mensen zich verdiepen in wat er geschreven is over het land. “Buku is geen commercieel project, het is een historisch project voor mijzelf en hopelijk dat anderen er ook iets aan hebben. Ik werk regelmatig samen met bijvoorbeeld de Koninlijke Bibliotheek in Den Haag of de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, The Black Archives en met andere verzamelaars. Mijn missie is vooral om de variëteit te laten zien van wat er allemaal geschreven is over Suriname, niet allen in het Nederlands maar ook in het Engels, Frans of Duits. We moeten discussiëren over de geschiedenis, we kunnen meningsverschillen erover hebben, maar het begint bij kennis van de bronnen. Door artikelen te schrijven in wetenschappelijke uitgaven, op mijn website, in Parbode hoop ik te laten zien wat er allemaal is en hóe we deze bronnen moeten lezen. Het is ook belangrijk om bepaalde mythes weg te nemen uit de geschiedschrijving van Suriname. Veel mensen denken dat toen de slavernij in 1863 werd afgeschaft alle eigenaren van slaven en plantages Suriname verlieten en naar Nederland gingen. We gaan er gemakkelijk aan voorbij dat veel Surinamers nakomelingen zijn van slaven én van slaveneigenaren.

52-11 (2)

 

Budget om te kopen

De door vrienden betitelde levende encyclopedie Haarnack was voor enkele weken in Suriname op vakantie. De kans om hem te spreken over zijn bijzondere boekenverzameling liet ik niet zomaar voorbijgaan. Onder het genot van een kopje koffie praten over hoe zijn interesse in het lezen en het bewaren van boeken met Suriname als onderwerp begon. Haarnack is in Suriname geboren en verhuisde als jongen van drie jaar naar Nederland. Toen hij een jaar of vijftien was verscheen de Encyclopedie van Suriname bij Uitgeverij Elsevier (1977). Hij kreeg die cadeau van zijn oma Wies Blom-Abercrombie (1908-2003) en dat cadeau markeerde het begin van zijn boekverzameling.

“Ik wil niet zeggen dat vanaf dat moment ik een verwoed verzamelaar werd. Het begon heel langzaam. Ik ging weleens naar de bibliotheek en zocht wel eens wat over Suriname en het interessante was dat bibliothecaris van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam mij als jongen vertelde dat boeken over Suriname niet bestonden. En nu bijkans veertig jaar later kan ik zeggen dat zij het fout gezien heeft. Boeken over Suriname bestaan wel degelijk maar ze zijn soms wel moeilijk te vinden. Als je goed zoekt en je hebt de middelen om ze te werven is er eigenlijk heel veel wat we te weten kunnen komen over de geschiedenis van Suriname. Verzamelen begint altijd met nieuwsgierigheid. Willen weten hoe het was vroeger. En ik vroeg wel dingen aan mijn moeder en overige familieden maar het blijkt ook dat mensen die lang gewoond hebben in Suriname niet altijd bekend zijn met de geschiedenis van het land.”

Haarnack begon tijdens zijn studietijd te snuffelen in antiquariaten in Amsterdam, waar oude boeken, kaarten en prenten worden verkocht. Voornamelijk om te kijken wat er beschikbaar was over Suriname. Natuurlijk kon hij al die boeken niet betalen omdat hij nog student was en van een kleine beurs leefde en de boeken toen ook al duur waren.

“Er was in die tijd een belangrijke joodse antiquariaar, Simon Emmering (1914-1999) die veel Surinaamse boeken in handen heeft gehad. Ook heeft hij veel zeldzame Suriname boeken weer opnieuw uitgeven. Emmering liet mij af en toe boeken zien die ik toen beslist niet kon betalen. Later, toen ik ging werken, kon ik ze misschien wel betalen, maar ze waren er helaas niet meer. Het is altijd een innerlijk gevecht, wat vind je belangrijk en hoeveel ben je bereid om neer te tellen voor een boek. Om een mooie verzameling aan te leggen moet je veel antiquariaten bezoeken en naar boekenbeurzen gaan. Het is ook belangrijk om naar veilingen te kijken, waar ook ter wereld. Boeken en objecten over koloniale geschiedenis en vooral over slavernij zijn gewild, niet alleen door Suriname-verzamelaars.

Links op deze foto het antiquariaat van Simon Emmering

Weinig boeken over de Surinaamse geschiedenis in Suriname gemaakt

Haarnack legt uit dat boeken die gaan over de Surinaamse geschiedenis, van de 17e en 18e eeuw, niet in Suriname zijn gemaakt. Die boeken gaan over Suriname, maar zijn veelal geschreven door Europeanen, Nederlanders, Fransen, Duitsers en Engelsen. Die boeken zijn daarom in Europa verschenen. Als je die boeken in Suriname vindt is het een klein wonder. Maar er is, ook in Suriname, een groeiende groep verzamelaars.

“In de 17e, 18e eeuw waren boeken duur, ze waren niet voor de gewone man. Een Nederlandse arbeider kon zich geen boek veroorloven. Sterker nog veel arbeiders uit de 18e eeuw konden niet lezen, onder de slavenbevolking was lezen en schrijven natuurlijk helemaal taboe. Mijn idee is dat alle boeken tezamen, of zij nou in mijn collectie bevinden, bij een universiteitsbibliotheek, bij een andere particuliere verzamelaar, ons gezamenlijk erfgoed vormen. Natuurlijk zou het mooi zijn als er een fonds was in Suriname om dergelijke mooie dingen te kopen, maar dat is gegeven de omstandigheden wishful thinking. Voor het moment is het belangrijk dat er mensen zijn die verzamelen, die vastleggen en documenteren wat ze in hun verzameling hebben. Mogelijk dat we op enig moment in de toekomst deze collecties ergens centraal kunnen bewaren. Voor nu zijn in Suriname particuliere verzamelaars de beste bewaarders van ons erfgoed.”

Haarnack geeft toe dat het niet altijd financieel mogelijk voor hem is om bepaalde boeken te kopen. “Ik had onlangs een gesprek met Jane Smith, de onvolprezen directeur van de bibliotheek van de Anton de Kom Universiteit. Zij weet als beste hoe moeilijk het is om een collectie bij elkaar te brengen, bij elkaar te houden, laat staan uit te breiden. Er zijn momenten dat je iets wil kopen, maar niet weet hoe je het precies moet financieren. Er zijn een aantal momenten in mijn leven geweest dat ik, met moeite, iets moois kon kopen maar al die keren was ik achteraf blij met mijn aankoop. En van al die keren dat ik het niet heb gedaan, heb ik nog steeds spijt.”

joanna

 

Collectie van onschatbare waarde

Haarnack heeft voor iedere periode uit de geschiedenis van Suriname een favoriet boek. Het belangrijkste boek uit de 18e eeuw vindt hij het boek van John Gabriël Stedman, die bijna vijf jaar hier heeft rondgelopen en heeft opgeschreven wat hij zag. Stedman was de eerste auteur die de wreedheden van de slavernij in beeld heeft laten zien.

“Het is een heel belangrijk boek over de geschiedenis van Suriname en volgens mij ook een dat de meeste mensen kennen. Een ander bijzonder boek in mijn collectie verscheen anoniem in Londen in 1826. Dat boek heet Outalissi A Tale of Dutch Guiana, geschreven door Christopher Edward Lefroy (1785-1856). Engeland dwong begin 19e eeuw Nederland om de Trans-Atlantische handel in slaven te verbieden. Toen de Engelsen Suriname teruggaven aan Nederland werd er een gerechtshof ingesteld dat toezicht moest houden op naleving van dat verbod op de slavenhandel. Het Gemengde Gerechtshof, bestaande uit een Engelse en Nederlandse rechter, begon in 1819 in Paramaribo. De Engelse rechter Lefroy was een zeer religieus man. In zijn rol als rechter zag hij dat Nederland het verbod op slavenhandel niet zo nauw nam. Hij heeft een roman gepubliceerd en aangeven dat iedere gelijkenis van figuren in zijn boek met levende personen geheel op toeval berust. Maar wie dit boek leest en de geschiedenis kent kan iedere persoon die hij beschrijft direct herleiden tot een bestaande persoon. Dit boek is de grootste 19e eeuwse aanklacht als het gaat om de behandeling, mishandeling van slaven.”

Volgens Haarnack is Lefroy vanwege het boek de kolonie Suriname uitgewerkt. Hij was een bijzonder felle tegenstander van de slavernij.

“Het duurde nog heel lang voor het gebeurde, maar hij was één van de grote anti-slavernij geesten die we in Suriname hebben gehad, maar weinig mensen kennen hem. Daarom vind ik het belangrijk dat dit boek genoemd wordt. Het is één van de belangrijkste boeken uit mijn collectie. Er zijn weinig originele exemplaren van bewaard gebleven en het bijzondere van mijn exemplaar is dat er handgeschreven aantekeningen in staan over de ontvangst van het boek en aantekening voor een 2e gecorrigeerde druk. Alleen in de British Library in Londen en in de collectie van West-Indië-verzamelaar Kenneth Boumann vinden we zo’n exemplaar.”

Op de vraag of Haarnack of hij de waarde van zijn collectie kan inschatten zegt hij dat het niet in geld uitgedrukt kan worden.

“Collega verzamelaar Kenneth Bouman zegt dat mensen de prijs van alles weten, maar de waarde van niets. Wat wij en andere verzamelaars bij elkaar brengen , het culturele erfgoed, dat heeft een grote historisch-culturele waarde. En volgens mij is dat niet in geld uit te drukken. Wij doen het niet alleen voor onszelf, maar ook voor degenen die na ons komen. Natuurlijk, ik geniet er ook van, ik heb er plezier aan, maar ik kan het niet meenemen als ik doodga. Het is belangrijk dat er veel mensen hiervan kennis nemen en van kunnen genieten. Via mijn website www.buku.nl schrijf ik ook over mijn boeken en dat is mijn kleine bijdrage om in ieder geval aan het publiek te laten zien wat er is. Als je geïnteresseerd bent, zoek het op en ga het lezen. Veel boeken, ook Outalissi, zijn inmiddels gedigitaliseerd (www.dbnl.nl). Het is vooral belangrijk de generatie die na ons komt te stimuleren om zuinig met ons erfgoed en geschiedenis om te gaan en het vooral goed te bewaren.”

Kevin Headley

 

Dit artikel verscheen eerder in De Ware Tijd (21 maart 2020)

 

Emma Lashley, apotheker te Paramaribo (1909-1993).

Tags

,

Gegevens, betreffende de Geschiedenis der Pharmacie in Suriname. Emma A.C. Lashley, apotheker te Paramaribo (1940).

De Surinaamse geschiedenis zit boordevol met interessante verhalen. Een groot deel van die verhalen blijven niet bewaard voor het nageslacht, simpelweg omdat ze nooit zijn opgeschreven. Vooral als het gaat om de rol van Surinaamse vrouwen in de geschiedenis is er sprake van een grote blinde vlek. Goed om eens één van die belangrijke maar onzichtbare Surinaamse vrouwen aan de vergetelheid te onttrekken.

EAC Groeliker- Lashley apotheker

Apotheker Emma Lashley (midden), tweede van rechts: Irene Nurmohamed gehuwd Slamat, de namen van de andere dames zijn mij helaas onbekend.

Emma Amy Clementina Lashley werd geboren op 12 september 1909 in het district Nickerie in Suriname, als dochter van Gerredina Johanna Cornelia Samuel (1876-1933) en Francis O’Neil Lashley (1872-1940). Zij was de achtste van in totaal elf kinderen. Haar vader werd kort na het afschaffen van de slavernij geboren en heeft  totdat hij volwassen was op de plantage Paradise gewoond. Deze was eigendom van Anthony Dessé. Hij heette Francis Leetz, maar heeft later de naam Lashley, de naam van zijn vader, aangenomen. Die kwam uit Barbados. Daarna is hij als Francis Oneil Lashley door het leven gegaan. Hij is in de balatahandel terechtgekomen en vergaarde daarmee zijn fortuin. Door onvoorziene omstandigheden raakte hij helaas het geld ook weer kwijt.

Emma Lashley heeft op de Emmaschool gezeten (lagere school) en heeft daarna de Hendrikschool doorlopen. Ze was een uitermate begaafde leerlinge, we zouden nu zeggen hoogbegaafd. Op de Hendrikschool bleek ze te goed voor de eerste klas en mocht ze het in de tweede proberen. Na het examen  heeft ze werk gevonden in een apotheek en is toen de apothekersassistenten opleiding gaan volgen. Daarna werd ze toegelaten tot de apothekersopleiding. Het begin van deze opleiding liep gelijk met de artsenopleiding. Hierdoor kende zij veel latere artsen goed. Ze waren tenslotte studiegenoten.

Emmaschool ca 1910 Lashley

Emmaschool Paramaribo, ca. 1915

Emma Lashley wilde graag toxicoloog worden en in het buitenland gaan studeren net zoals haar oudere broers en zus, maar tegen de tijd dat zij aan de beurt was, was er niet genoeg geld daarvoor. De jongere kinderen zijn gaan werken om de studie van de toen nog studerende oudere kinderen, te betalen.

Ze begon te werken bij Apotheek Drachten aan de Steenbakkerijstraat tegenover de Grote Kerk. Als apotheker-assistente  werkte ze bij Apotheek La Fuenta. Bij apotheek Samson in de Herenstraat liep ze stage. Ook werkte ze bij Apotheek Engelbrecht onder apotheker Essed in de Steenbakkerijstraat, tegenover Kersten. Ze heeft als provisor in een apotheek gewerkt, totdat de erven besloten die te verkopen. Dat werd de eerste apotheek van Emma Lashley, in de Noorderkerkstraat. De apotheek aan de Watermolenstraat is in  1940 geopend.

keizerstraat_aletrino

Behalve haar werk als apotheker heeft Lashley ook les gegeven op de Hendrikschool in de vakken Natuurkunde en Scheikunde, daarnaast gaf ze onderwijs aan apothekers-assistenten in opleiding. Ze was een wetenschapper met speciale belangstelling voor inheemse planten en kruiden (en natuurlijk hun medicinale werking). In haar vrije tijd was ze ook vaak in de tuin te vinden, een grote hobby van haar.

Haar bevlogenheid bleek ook in het maatschappelijk werk dat Lashley verrichtte. Zo was ze voorzitter van de Vereniging van Apothekers. Ook was ze een tijdje adviseur van de Staten van Suriname op het gebied van de farmacie. Met regelmaat stuurde ze ingezonden stukken naar kranten en tijdschriften in binnen- en buitenland om haar mening te ventileren. Ze zette zich ook in voor SOS Kinderdorpen en anderen die het op de één of andere manier minder hadden. Ze bezocht vaak ouderen op Lantigron en later in bejaardentehuizen. Dat Lashley zeer sociaal bewogen was wordt ook bevestigd door mijn eigen tante, Friede Blom (1941), die als vrijwilliger bij haar in de apotheek werkte: “Zij gaf me altijd 25 gulden. Als er iets niet goed ging dan schreef ze dat op een briefje. Ze had altijd iets liefs of iets leuks. En je kreeg altijd een glas stroop. Ze had ook een dochter, Sila.”

In 1975 sloeg het noodlot toe. Door een grote brand gingen Hotel Lashley, de daaronder gevestigde tandartsenpraktijk van tandarts Lashley én de apotheek Lashley in vlammen op. Emma Lashley was toen 65 jaar oud. Ze ging toen als apotheker werken in het St. Vincentiusziekenhuis. Ook nam zij zitting in het bestuur van het ziekenhuis.

Emma Lashley

Emma Lashley

Maar op deze plek proberen we Emma Lashley ook dankzij haar bijzonder interessante publicatie, over de geschiedenis van de farmacie in Suriname, een plekje in de geschiedschrijving te geven.

De eerste apothekers in Suriname, zo schrijft Lashley, kwamen in 1678 mee met Johannes Heinsius die tot gouverneur van Suriname was benoemd. Zij moeten werkzaam zijn geweest in het gasthuis van Paramaribo. Suriname was nog maar net onder Nederlands bestuur gekomen en bestond toen uit 27 of 28 huizen, vooral herbergen en ´smokkelaarskroegen´, afgezien dan van de twee of drie huizen van officieren. Er waren geen wettelijke bepalingen waaraan artsen en apothekers moest voldoen. Dat resulteerde in veel misstanden. Pas in 1767 bepaalde gouverneur Wigbold Crommelin in 1767 dat niemand als heelmeester in Suriname werkzaam mocht zijn zonder examen te hebben afgelegd.

In 1782 werd het Collegium Medicum opgericht onder het bewind van gouverneur Texier. Alle praktiserende artsen, chirurgijns, apothekers en vroedvrouwen moesten aan dit college hun diploma’s, getuigschriften of ‘leerbrieven’ overleggen en er ingeschreven worden. Dit Collegium Medicum bepaalde ook hoe de apotheken ingericht moesten worden. Samengestelde geneesmiddelen moesten steeds op voorraad gehouden worden. Recepten waarop vergif voorkwam mochten alleen door apothekers bereid worden en moesten in een afgesloten kast bewaard worden zodat de slaven er niet bij konden komen.

Niet alleen in de stad maar ook op de plantages waren apothekers gevestigd. Maar omdat veel medicijnen ondoelmatig werden bewaard en in papieren zakken verpakt, waren ze in veel gevallen binnen korte tijd onbruikbaar geworden. De behandeling en bereiding van medicijnen werd op de plantages meestal door ongekwalificeerde personen uitgevoerd dat er vaak vergiftigingen plaatsvonden.

Militaire Apotheek -

Lashley schrijft ook over Bernard Peters, afkomstig uit het Duitse Bremen. Hij werd in 1793 in Amsterdam als apotheker aangenomen en naar Suriname gestuurd. Peters kreeg vier dukaten als handgeld. Hij moest voor een dienstverband van zes jaar tekenen en kreeg iedere twee maanden 24 gulden. Dat Peters beslist niet de enige Duitse apotheker die in Suriname werkzaam was mag blijken uit de lijst van apothekers die in 1793 aan de Garnizoensapotheek verbonden waren: Schaubach, Liebetag, Krunitz, Baufe en Blomke.

Voor de zorg voor de armen in Paramaribo werd de stad in 1911 in vier afdelingen opgedeeld. Voor iedere afdeling werden particuliere apothekers aangewezen. Dienstdoende apothekers waren A.M. Jesserun, A.Ph. Samson, G.T. May, A.J. Bueno de Mesquita, C.A. van Spall, M.J. de la Parra, A.L. Wesenhagen, W.P. Hering en mevr. Juda-Stolting.

Dat het vak van apotheker vooral een mannen-aangelegenheid was moge duidelijk zijn. Toen Emma Lashley in het huwelijk trad kreeg ze van haar bank, de HBU, te horen dat voortaan haar man moest tekenen voor alle zakelijke opdrachten. Zij was toen 43 jaar oud en had altijd zelf de beslissingen genomen en de bank opdrachten verstrekt. Dit .liet ze niet op zich zitten en ze verhuisde haar bankrekeningen naar de Surinaamse Bank waar ze wel voor vol werd aangezien

De eerste Surinaamse vrouw die als apotheker in Suriname werd toegelaten was H.A. Gans (1883). De omstandigheden waarin Emma Lashley, gehuwd met Groeiliker, zich rond 1935 als apotheker vestigde zullen ook niet gemakkelijk zijn geweest. Lashley geeft in haar publicatie in het Pharmaceutisch Weekblad (no. 46 + 47, 1940) veel informatie die voor een bredere groep dan alleen apothekers interessant is.

Op 25 september 1993 overleed Emma Amy Clementina Groeiliker-Lashley op 84-jarige leeftijd in Paramaribo, apotheker én geschiedschrijver.

 

Carl Haarnack

 

Dit stuk had niet tot stand kunnen komen zonder de medewerking van Sila Groeiliker, dochter van Emma Lashley. Waarvoor hartelijk dank!

Julius Hille, arts op Fort Nieuw Amsterdam (1831-1839)

Tags

, ,

Medicinische Bemerkungen aus West-Indien. Julius Hille, militair arts op Fort Nieuw Amsterdam, Suriname. Berlin, 1839-1843.

Soms komt men op de meest onverwachte plekken een stukje Surinaamse geschiedenis tegen. Al bijna twintig jaar bevinden zich in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie een aantal exemplaren van het Wochenschrift für die gesammte Heilkunde. Dit medische tijdschrift werd in Berlijn uitgegeven in de jaren 1833 tot en met 1851. In de jaren 1839-1843 verschenen in deze uitgave artikelen van Julius Hille, militair-arts op Fort-Nieuw Amsterdam. Hille was geboren in Marburg en sinds 1831 in Nederlandse dienst in Suriname.

Wochenblatt Hille

In zijn verslagen worden getrakteerd op een lange lijst van aandoeningen zoals bijvoorbeeld navelbreuken, elephantiasis, tyfus, rode hond, koorts en lepra. Hille gelooft dat ‘der Neger’ minder vatbaar is voor ontstekingen. Zo schrijft hij over een patrouille die ondernomen werd op jacht naar van de plantages weggelopen slaven (marrons). Een marron werd op de vlucht in de rug geschoten. Een ‘Negersoldat’ van de Koloniale Guides die hem neergeschoten had hakte hem de rechterhand af om de beloning van fl. 15,– te kunnen innen en liet het lichaam voor dood achter. Dezelfde marron meldde zich vijf of zes weken later op een plantage, bereid zijn straf te ondergaan, als men hem maar van de ongelooflijke pijnen in zijn rug zou kunnen verlossen. Enkele kleine geweerkogels waren in zijn schouderblad doorgedrongen. Tot grote verbazing van Hille was de wond waar zijn hand was afgehakt keurig genezen zonder enig verband behalve groene bladeren. De kogels werden verwijderd en de man genas snel en goed. Om vervolgens, zo schrijft Hille niet zonder cynisme, nieuwe wonden te ontvangen op zijn achterste door de onbarmhartige zweepslagen.

Ook verhaalt Hille over een man (‘ein Neger’) die trompetblazer bij de Koloniale Guides was. In een staat van ‘melancholische waanzin’ had hij zich met een scheermes zijn hals doorgesneden. Hille verbond zijn verwonding en gaf hem een ‘Laxans’, Binnen een tijdsbestek van drie weken genas de man radicaal. Eén maand na de zelfverwonding blies hij weer als vanouds op zijn trompet.

Over de gebruiken bij de inheemsen schrijft Hille bijvoorbeeld dat wanneer er een tweeling geboren wordt, de vader van mening is dat één kind niet van hem kan zijn. Daarom gooit hij ze in het diepe water en de eerste die weer bovenkomt erkent hij als zijn kind, de andere laat hij verdrinken. Als inheemse vrouwen menstrueren dan moeten zij zich van de dorpsgemeenschap verwijderen en alleen in een afgelegen hut wonen, tot dat de maandelijkse reiniging voorbij is.

ziek bray

Litho: Theodore Bray, ziekenboeg op een plantage (1850)

Volgens onze Duitse arts bestaat er geen bijgeloviger volk als ´de Negers´. Het bereiden van vergif en het vergiftigen van mensen speelt daarbij een grote rol. De ´Wischis Wischis man´ (wisi-man) is een zeer gevreesde man omdat een meester is in de gifmengerij. Uit planten maakt hij een giftig mengsel maar eerst maakt hij gebruikt van het bijgeloof van het beoogde slachtoffer, aangezien niet iedereen gevoelig is voor dit gif. Daarom legt hij eieren, een kalebas, een mes, een fles of enig ander object op een plek die het slachtoffer passeren moet. Uit de veranderingen in het gedrag van het slachtoffer meent hij op te maken óf deze persoon gevoelig is voor het gif en hoe en op welk moment het moet worden toegediend.

Zonder de schrijfsels van dr. Julius Hille zou veel informatie voor ons verborgen blijven. We weten nu bijvoorbeeld dat op de suikerplantage Sinabo een slaaf werkte die zeer kundig was in zijn werk als metselaar. Hij was een albino van tussen de 40 en 50 jaar oud. Zijn haren waren kroes en hoogblond, zijn huid was als die van een witte Europeaan en zelfs zijn wangen hadden een rode blos. Zijn ogen zijn lichtbruin en zo gevoelig voor het licht dat hij zijn oogleden niet graag open slaat en niet ver voor zich uit kijkt. Het geeft, zo schrijft Hille, zijn gezicht een afschuwelijke maar een meelijwekkende aanblik. Door de andere ´negers´ wordt hij spottend ´masra ne(n)gre´ genoemd (´Mijnheer Neger´) maar hij wordt niet gehaat of gemeden maar ook niet hoger geacht dan de anderen.

nieuw_amsterdam3

Fort Nieuw-Amsterdam, Suriname. Woning van de districtscommissaris (bron: Wikipedia)

Zeer opmerkelijk is het verhaal dat Hille in 1843 schrijft om zijn overtuiging dat overbevruchting (´superfoetatio´) bestaat, kracht bij te zetten. Hij verhaalt ons over een ´Negerin´ die van een tweeling bevallen was. Eén van de tweeling, het meisje, was zwart (Hille spreekt van ´ein reiner Neger´), de ander, een jongen, was een mulat. De moeder verklaarde eerst in de nacht sexuele omgang met een zwarte man te hebben gehad en daarna met een witte man. Hill weet ook te melden dat het meisje veel groter en sterker was dan de mulattenjongen. Toen de moeder overleed wees sectie uit dat zij heel normaal was gebouwd en geen dubbele baarmoeder of vagina had. Beide kinderen werden zonder complicaties en snel achter elkaar geboren. De kinderen waren in januari 1842 beide nog gezond en in goeden doen. Ze waren toen ongeveer acht jaar oud. Het meisje was ca. 5 centimeter (´zwei Zoll´) groter dan de jongen en veel beter ontwikkeld.

Uit Hille´s vertellingen klinkt zo af en toe een empathisch geluid door. Hij neemt sowieso een unieke positie in vanwege het feit dat hij zijn medische behandelingen van de slavenbevolking van Suriname uitvoerig beschreven heeft. Toch moeten we concluderen dat Hille een zeer Eurocentrisch en racistisch wereldbeeld heeft. `Ik ben er van overtuigd’, schrijft hij, ´dat de ´Neger´ te nooit en te nimmer de cultuur van het Kaukasische mensenras bereiken kan.´ Volgens Hille blijkt uit de structuur van het lichaam van de zwarte mens, zijn vooruitstekende gezicht (die meer ruimte inneemt als de schedel) en bijvoorbeeld zijn sterk ontwikkelde tanden en kaken dat het dierlijke het geestelijke overheerst. Ook vraagt hij zich af dat als de zwarte mens in staat zou zijn een hogere geestelijke cultuur te bereiken waarom hij dat dan niet in Afrika gedaan heeft? Het geven van de vrijheid aan de ´Negers´ staat volgens hem gelijk aan morele moord. Ze weten niet met deze vrijheid om te gaan behalve dan om zich gelukkig te voelen in het nietsdoen en om zich door bedrog of geweld luxe artikelen te verwerven.

De artikelen van dr. Julius Hille zijn zeer lezenswaardig en geven ons, naast medische informatie, ook een interessant ooggetuigenverslag van het leven in Suriname rond 1840. Zijn neerbuigende kijk op inheemsen en mensen van Afrikaanse komaf in Suriname zijn sterke verbonden met het in de 19e eeuw opkomende racisme en eurocentrisme. Toch moeten we daar ´omheen´ proberen te lezen omdat Hille ons tegelijkertijd ook trakteert op interessante anekdotes zoals die over de melancholische waanzin van de trompetblazer van de Koloniale Guides of de ´Herr Masra´, de albino van plantage Sinabo. Daar zouden we anders nooit over gehoord hebben.

Het Wochenschrift für die gesammte Heilkunde toont maar weer eens aan dat Surinamica zich op de meest onverwachte plekken kan verbergen. Het tijdschrift bestaat uit kleine papieren boekjes zonder grote financiële waarde. De historische waarde echter is voor iedereen die iets meer wil proberen te begrijpen van de geschiedenis van Suriname onbetaalbaar.

Carl Haarnack

Friedrich Voltz (1828-1855) in Suriname

Tags

Een togt door de savanne van Suriname. Friedrich Voltz. In: Praktisch Volksboek. Museum voor Natuur, Kunst en Wetenschap. Een maandschrift. 2e serie, derde deel. Sneek: Van Druten & Bleeker, 1863.

In 1853 kwam dr. Friedrich Voltz in Suriname aan. Samen met prof. Duttenhofer, agrarische wetenschapper Schunk en ene Noack maakte Voltz deel uit van een commissie die de mogelijkheden moest onderzoeken voor de kolonisatie van Duitse immigranten in Suriname. Van de hand van Friedrich Voltz bevindt zich in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie een tekst die in 1863 in het Nederlands vertaald werd voor het tijdschrift Praktisch Volksboek. Museum voor Natuur, Kunst en Wetenschap. Hier in beschrijft hij een reis die hij maakt door de savanne van Suriname.

fort nieuw amsterdam (2)

De reis begint om zeven uur ´s morgens bij Rosevalley aan de Saramacca (de redacteur van het tijdschrift is vast onbekend met Suriname want telkens lezen we Samaracca). Op de reis wordt Voltz vergezeld door drie ´indianen´, drie ´negers´ en een Europeaan. Na een uur varen voeren zij de Topie-kreek op. Aan weerskanten van het water, zo schrijft Voltz, verheffen zich Purperhart, IJzerhart, Groenhart, Bolletrie, Wama en Peto (Mora Excelsa). In het water ziet hij cecropia peltata, de waterabilihoetoe, de fungohoet die ook wel trompetboom of boschpapaya genoemd wordt. Na vele uren varen ging de tocht verder over land. Eén voor één liepen zij achter elkaar door de dichtbegroeide jungle. De bodem bestond uit een blauwe dichte klei. Er volgde een ontmoeting met enige Carïbische vrouwen die de groep naar het dorp begeleiden. Dat dorp bestond uit vijftien huizen die op een witte zandvlakte gebouwd waren. De groep werd verwelkomd door Master Cami, de hoofdman, die bescheiden vroeg of zij misschien ook wat ‘snaps’ voor hem hadden meegebracht. Iedereen kreeg een glaasje sterke drank. De gidsen werden door de vrouwen van kallebassen met casiri voorzien. De ‘indianen’ dronken ‘comu’, een drank die op chocolade lijkt en uit de vruchten van de comu (of combu) palm (oenocarpus bacaba) bereid wordt, en cassave. De Europeanen kregen een beker water en cassavebrood. Na deze versnaperingen ging de reis verder richting een moeras, een zg. trompetten-swamp. Een uitgebreide vlakte was met koffiekleurig water bedekt. Duizende exemplaren van de giftige tonkin (dieffenbachia seguina), kleine steekpalmen en vele moerasplanten groeiden tussen de hoge bomen.

indianen

De groep vond een beek die uitliep in de Wisiwirimbokreek. Zij moesten door het water waden om de kreek te bereiken. Opnieuw werd een dorp bereikt, dit keer Poika. De mannen schenen zich, aldus Voltz, in hun hangmat te vervelen en sloegen geen acht op de bezoekers. De vrouwen echter brachten water, cassavebrood en gerookte haimara. Voltz kon ‘deze goede menschen’ helaas niets aanbieden want de brandewijn was reeds in de eerder bezochte dorpen opgegaan. Hij beleefde hier een kleine cultuurschok omdat hij verbaasd is dat dat de inheemsen helemaal niets uitmaakt: “hun gedrag onderging niet de geringste verandering”, schrijft hij. Sterker nog, zij kregen waterkruiken en schotels als geschenk.

Onder de bewoners van het dorp bevonden zich een familie van ‘Karboeger-indianen’ (‘karboeker’, sic), afstammelingen van inheemsen en nazaten van Afrikanen. Voltz noemde dit ‘ras’ de mooiste soort mensen die hij ooit had gezien: zij waren donkerder van kleur dan de Caraïben maar hun lichaam was evenrediger gebouwd. Het hoofdhaar is kort en kroes maar niet zo sterk als bij ‘de negers’. De ogen zijn donker en vol vuur, schrijft Voltz. De prijs der schoonheid zou voor hem zeker naar een ‘karboeger-indiaans’ meisje gaan.

Voltz is misschien wel de beroemdste geoloog in de Surinaamse geschiedenis. De Voltzberg is naar hem genoemd. Op 6 augustus 1855 overleed dr Friedrich Voltz in Suriname aan gele koorts.

Carl Haarnack

 

 

 

 

 

Charles Douglas (1853-1943)

Tags

, , , ,

Eenige eigenaardigheden en typische merkwaardigheden, uit de geschiedenis van de planterij in Suriname, gedurende de vorige eeuwen tot heden. Charles Douglas (1853-1943). Paramaribo : ‘De Tijd” O.C. Marcus, 1936.

Mijn favoriete verhalen uit de Surinaamse geschiedenis zijn die verhalen die verteld worden door mensen die simplificatie van zwart versus wit overstijgen. In deze rubriek schreven we eerder over Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), een Surinaamse planter die niet ‘wit’ was maar juist, naar eigen zeggen, ‘zwart bloed’ door de aderen had stromen. De dominante gedachte is dat alle planters witte Europeanen waren. Maar in de 19e eeuw was de groep ‘kleurlingen’ aanzienlijk groter dan die van de witte Europeanen. Wie ook maar een klein beetje graaft in de archieven, literatuur en genealogieën zal ontdekken dat er veel gekleurde planters én gekleurde eigenaars van slaven waren.

Opnamedatum: 2017-09-11

Charles Douglas (1853-1943). Collectie Rijksmuseum.

Charles (Chas voor vrienden) Douglas was een veelzijdig man. Hij was planter, handelaar en handelsagent voor American Exploitation Company, een bedrijf dat zich bezighield met de exploitatie van balata en andere producten uit het binnenland van Suriname. In 1896 kreeg hij een concessie toegewezen van 5000 hectare in Nickerie om balata te winnen. Ook hield hij zich bezig met het de stoomvaartdienst die tussen Paramaribo en het binnenland van Suriname werd onderhouden. Op 17 september 1889 plaatste hij een advertentie dat de dienst voor 18 september niet zou plaatsvinden. Ook trad hij op als curator zoals bij het overlijden van Henry Ironside, gehuwd met zijn zus Mary, die op 24 augustus 1893 in Paramaribo was overleden.

Charles werd in 1853 in slavernij geboren op de aan de Surinamerivier gelegen suikerplantage De Goede Vrede. De vader én tevens eigenaar van Charles, zijn zusje en zijn moeder was James Douglas (1825-1874), eigenaar van plantage Nieuw Acconoribo (Matappica). In 1855 werd Charles samen met zijn moeder Dasiana (een huisslavin) en zus Margaret Ann (slavennaam Marguerite) gemanimutteerd. Zij kregen alle drie de familienaam Donglas die moest verwijzen naar de verwantschap met Charles Douglas. Bij manumissies was het niet toegestaan namen die al in de kolonie bestond te vergeven. In 1867 kregen Charles en zijn zus alsnog de familienaam Douglas mee. Hiervoor diende hun moeder een verzoek in. Zij bleef zelf Donglas heten. In 1880 trouwde Charles Douglas met Henriette Jacoba Arlaud (1860-1902) in Nickerie. Charles was vooral op latere leeftijd maatschappelijk actief. Hij fotografeerde stadsgezichten, schreef historische artikelen (o.a. voor de West-Indische Gids) en publiceerde over de plantage-economie. Hij schreef de Encyclopaedie der Guyana’s van 1492-1933. Deze verscheen echter nooit in druk.

Balata detail

Balata winning in Surinam (foto: Bromet, Paramaribo, ca. 1898)

In 1924 publiceerde hij Multum in Parvo (‘Alles in het kort’) waarin hij uitvoerig schreef over Paramaribo, het bestuur van de kolonie maar ook over de straten en de wijken in de stad. Ook voegde hij achterin een adreslijst toe (handig voor genealogisch onderzoek). In 1928 verscheen bij Oliviera in Paramaribo Aanteekeningen over allerlei in verband met de bevolking en den landbouw in het verleden en het heden van Suriname. Belangrijk was ook zijn bijdrage over de Hygienisch en Sanitaire toestanden van Paramaribo.

In 1936 schreef Douglas een alleraardigst boekje over de geschiedenis van de ‘planterij’. Geen lijvig wetenschappelijk werk met notenapparaat en literatuurverwijzingen. In het voorwoord schrijft hij zelf geen enkele aanspraak te maken op literaire of wetenschappelijke waarde. Alles wat hij vertelt komt voor uit wat hij uit zijn nog heldere herinnering kan putten. Hij belooft dat, als het Surinaams publiek genoeg exemplaren van dit boekje koopt, er nog een publicatie zal volgen omtrent de plantagedirecteuren en blank-officiers. Helaas is dat laatste is er nooit van gekomen. Op 19 februari 1943 overleed Chas Douglas in Paramaribo.

Douglas begint met de geschiedenis van Suriname vanaf het moment dat de Europeanen er vaste voet aan wal proberen te krijgen. Douglas heeft Wolbers en Stedman goed gelezen. Hij vertelt over het eerste ‘weglopersdorp’ aan de Bannisterkreek (Parakreek). Rond 1656 werd dit kamp door een ´Cormantijnse neger´ genaamd Jermes aangelegd. Vanuit deze plek werden ´rooftochten´ en aanvallen op de plantages uitgevoerd. Voor wie niet goed bekend is met de geschiedenis van Suriname biedt Douglas in een paar bladzijden een aardig historisch overzicht. Douglas verwijst naar Stedman´s Narrative (1796) en het feit dat de meesteressen in Suriname hun echtgenoten beschuldigen van onzedelijk gedrag. Tegelijkertijd stellen zij hun slavinnen in staat om de heren te bezoeken. De meesteressen waren volgens Douglas bijzonder ijdel en hielden van uitbundig vertoon. Vaak leefden zij met andere meesteressen in onmin. Zij vertelden dan aan hun vertrouwelingen onder hun slavinnen zaken waarmee deze liedjes maakten. De slavinnen werden vervolgens in mooie kleren gestoken en met gouden sieraden omhangen de straat opgestuurd. Zij moesten dan langs de huizen lopen om, al zingend, hatelijkheden over de meesteressen waarmee een conflict bestond te zingen.

Benoit slavinnen

Slavinnen in Suriname (detail uit litho van Benoit, 1839)

Hoe je het ook wendt of keert, Charles Douglas was een nazaat van een slaveneigenaar én van een slavin. Sterker nog, hij was zelf als slaaf geboren. Veel Surinamers stammen af van Europeanen en uit Afrika afkomstige slaven. Wat Douglas echt bijzonder maakt is dat hij de Surinaamse geschiedenis beoefende en zijn kennis aan het papier toevertrouwde. Daar mogen we best een beetje trots op zijn. In het Rijksmuseum in Amsterdam bevindt zich een foto die rond 1898 wordt gedateerd. Vermoedelijk is dit een cabinetfoto van onze Charles Douglas, die van slaaf tot planter werd.

Carl Haarnack

Boekje Douglas