Slaven aan het woord

Slaven en ex-slaven aan het woord; een ander geluid

Teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw over slavernij en het leven in de koloniën zijn over het algemeen geschreven door blanke Europeanen. Het merendeel van deze ‘koloniale literatuur’ volstaat ermee ‘de Ander’ of de slaaf weer te geven in racistische stereotypen. Ondanks deze blanke overheersing in de letteren zijn er wel degelijk voorbeelden van geschriften waarin slaven of ex-slaven aan het woord komen. Enkele voormalige slaven uit de Engelse koloniën die de pen ter hand hebben genomen zijn zelfs beroemd geworden, zoals Olaudah Equiano, Phillis Wheatley en Frederick Douglass.

Phyllis Wheatley

Recentelijk is in het slavernij-onderzoek meer belangstelling ontstaan voor het perspectief van de ‘ander’, mensen die slavernij aan den lijve ondervonden hebben. Want, zoals de naar Canada gevluchte Amerikaanse slaaf John Little zei:

‘Tisn’t he who has stood and looked on, that can tell you what slavery is – ’tis he who has endured.’[1]

De dagelijkse praktijk van de slavernij kan het beste worden beschreven door degene die haar aan den lijve heeft ervaren. In de Verenigde Staten zijn de afgelopen decennia honderden ‘slave narratives’ gepubliceerd. The Library of Congress is in 1936 begonnen met het vastleggen van interviews met voormalige slaven. In dit ‘Federal Writers’ Project’ werden binnen twee jaar meer dan 2300 verslagen vastgelegd van mensen die de slavernij in de Verenigde Staten nog hadden meegemaakt. De ‘oral history’ van een verdwijnende generatie werd op de valreep geregistreerd.

Equiano (2)

 

Noord-Amerika: de eerste zwarte stemmen

Het oudst bekende gedicht van Afro-Amerikaanse origine is van Lucy Terry Prince (ca. 1730-1821) en dateert van 1746. Lucy Terry werd als kind gestolen in Afrika en verkocht aan een plantagehouder in Massachusetts. Later werd ze vrijgekocht door een vrije zwarte man die met haar trouwde. In haar jeugd werd het dorp in Massachusets waar ze woonde overvallen door Indianen, wat aan verscheidene inwoners het leven kostte. Ze schreef over die gebeurtenis het gedicht ‘Bars Fight’, dat mondeling werd overgeleverd en pas in 1855 in druk zou verschijnen.

Jupiter Hammon (1711-1806) wordt beschouwd als de eerste zwarte schrijver in de Verenigde Staten. In 1761 werd zijn gedicht ‘An Evening Thought: Salvation by Christ with Penitential Cries’ gepubliceerd – het eerste werk van een zwarte auteur dat in Noord-Amerika werd gedrukt. Naderhand verschenen van zijn hand meer christelijke gedichten en preken. Hammon was voorstander van een geleidelijke afschaffing van de slavernij. Hij was de overtuiging toegedaan dat zwarte slaven aanspraak konden maken op een plaats in de hemel, omdat ze op aarde al zo veel hadden geleden.

Bekender dan Terry en Hammon is de dichteres Phillis Wheatley (1753-1784), die in 1773 de bundel Poems on Various Subjects publiceerde. Wheatley was geboren in Senegal, gevangen genomen en op zevenjarige leeftijd als slavin verkocht aan een rijke koopman in Boston. Zij was de eerste Afro-Amerikaanse vrouw die een boek publiceerde en daarmee bekendheid verwierf in binnen- en buitenland. In 1775 schreef ze het gedicht ‘To His Excellency, George Washington’, opgedragen aan de zojuist benoemde bevelhebber van de Amerikaanse opstandelingen, die in 1789 de eerste president van de Verenigde Staten zou worden. Phillis Wheatley werd in 1776 door Washington bij hem thuis uitgenodigd als dank voor het gedicht.

Omdat blanke kolonisten betwijfelden of een Afrikaanse slavin zulke goede poëzie kon schrijven, moest ze zich in 1772 voor een rechtbank verdedigen. Het literaire tribunaal achtte bewezen dat zij inderdaad de auteur was van de gedichten die op haar naam stonden. In 1773 vergezelde zij de zoon van haar meester John Wheatley naar Londen, waar ze werd gefêteerd in het gezelschapsleven en waar haar dichtbundel werd gepubliceerd. In 1778, na de dood van haar meester, verkreeg Phillis Wheatley haar manumissie en was voortaan een vrije vrouw. Drie maanden later trouwde ze met een eveneens vrije zwarte man, die een winkel dreef. Het echtpaar verloor twee kinderen en raakte tot overmaat van ramp in financiële moeilijkheden. Phillis Wheatley overleed in 1784 op 31-jarige leeftijd in armoedige omstandigheden.

Engeland: ‘Black Britons’

De meest fameuze schrijvende (ex-)slaaf is Olaudah Equiano, die rond 1745 werd geboren in het huidige Nigeria.[2] Op elfjarige leeftijd werd hij gevangen genomen en aan Europese slavenhandelaren verkocht. Via Barbados kwam hij terecht in de toenmalige Britse kolonie Virginia in Noord-Amerika. In 1754 werd hij verkocht aan een kapitein bij de Britse marine, die hem voorzag van de fantasienaam ‘Gustavus Vassa’, naar de gelijknamige Zweedse koning uit de zestiende eeuw. Equiano bekeerde zich op aandringen van zijn meester tot het christendom en leerde lezen en schrijven. Uiteindelijk werd hij verkocht aan Robert King, een koopman uit Philadelphia die tot de Quakers behoorde. King bood Equiano in 1765 de mogelijkheid om voor £ 40 zijn vrijheid te kopen. Equiano vertrok rond 1770 als vrij man naar Londen en raakte daar bevriend met leden van de beginnende abolitionistische beweging.

Equiano (2)

In het begin van de jaren tachtig voorzag hij abolitionisten zoals Granville Sharp van informatie over de slavenhandel. De drijvende krachten van de beweging tegen slavernij en slavenhandel moedigden hem aan zijn levensverhaal op papier te zetten. Met financiële steun van rijke abolitionisten verscheen in 1789 The Interesting Narrative of the Life of Olaudah Equiano, or Gustavus Vassa, the African. Er volgde verschillende drukken en vertalingen. Reeds in 1790 verscheen een Nederlandse editie bij uitgever P. Holsteyn in Amsterdam: Merkwaardige levensgevallen van Olaudah Equiano of Gustavus Vassa, den Afrikaan. Door hem zelven beschreeven.

Equiano’s levensverhaal is één van de invloedrijkste ‘slave narratives’. Zijn levendige beschrijvingen van de wreedheid jegens slaven in het Caribisch gebied en Virginia leidden tot verontwaardiging en protesten tegen de slavernij. Hij gaf lezingen in Engeland, Schotland en Ierland. Naar verluidt was Equiano’s relaas ook van invloed op de totstandkoming van de ‘Act for the Abolition of the Slave Trade’ (1807), die de slavenhandel verbood.

sancho

Ignatius Sancho (± 1729-1780) maakte in Engeland deel uit van de culturele elite van zijn tijd. Hij was niet alleen schrijver, maar ook componist en acteur. Hij was onder meer bevriend met Laurence Sterne, die in een ander artikel in deze Boekenwereld aan de orde komt. Mede dankzij zijn briefwisseling met de beroemde auteur van Tristram Shandy stond Sancho in literaire kringen te boek als de ‘African man of Letters’. Evenals Equiano was hij betrokken bij de abolitionistische beweging in Engeland.

Sancho was geboren aan boord van een slavenschip. Na de dood van zijn moeder en de zelfmoord van zijn vader werd hij op tweejarige leeftijd naar Engeland gebracht. Hij kwam later als bediende terecht in de huishouding van de hertog van Montagu en deze bevoorrechte omgeving stelde hem in staat onderwijs te volgen. Toen de hertogin in 1751 overleed, ontving Sancho een erfenis van £ 70 en een jaarlijkse toelage van £ 30. In 1774 begon hij een kruidenierswinkel in Mayfair in Londen, die een trefpunt werd voor zijn literaire, kunstzinnige en abolitionistische vrienden.

Hij publiceerde een Theory of Music en twee toneelstukken, correspondeerde met de kopstukken van zijn tijd en schreef ingezonden stukken in de kranten. Voor zover bekend is hij de eerste zwarte Engelsman die in parlementsverkiezingen zijn stem uitbracht. In 1782, twee jaar na zijn dood, verscheen een bundeling van 160 van zijn brieven onder de titel The Letters of the Late Ignatius Sancho, an African.

Life-of-James-Albert-Ukawsaw-Gronniosaw

Een andere schrijvende zwarte Engelsman bezocht Nederland halverwege de achttiende eeuw. Ukawsaw Gronniosaw, ook bekend als James Albert, was rond 1705 geboren in het noordoosten van het huidige Nigeria. Naar eigen zeggen was hij de kleinzoon van de koning van Zaara. Op vijftienjarige leeftijd werd hij verkocht aan een Nederlandse scheepskapitein, die hem doorverkocht aan een Amerikaan in Barbados. Deze verkocht hem op zijn beurt aan een dominee in New York. Na diens overlijden raakte Gronniosaw op drift als kok op een kaperschip en soldaat in het Engelse leger. Hij diende op verschillende plaatsen in het Caribisch gebied, maar kreeg genoeg van het soldatenleven en besloot naar Engeland te vertrekken.

Daar publiceerde hij in 1772 zijn Narrative of the Most remarkable Particulars in the Life of James Albert Ukawsaw Gronniosaw, an African Prince. Uit de avontuurlijke autobiografie blijkt dat Gronniosaw rond 1750 enige tijd in Amsterdam heeft gewoond. Hij werkte daar als butler bij een rijke koopman, die hem meer als een vriend dan als een bediende behandelde. De familie probeerde Gronniosaw over te halen langer in Amsterdam te blijven, maar het verlangen naar zijn geliefde in Londen was te sterk.

Suriname: brieven van (ex-)slaven

Ook voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis geldt dat de meeste schriftelijke bronnen afkomstig zijn van de blanke koloniale elite. Wel vinden we in verslagen van de Evangelische Broedergemeente regelmatig beschrijvingen van individuele slaven of bosnegers.[3] Er zijn echter weinig verhalen bekend van slaven of voormalige slaven die zelf de pen ter hand hebben genomen. De eerste echte aanklacht tegen slavernij door een Afro-Surinamer is Wij Slaven van Surinamevan Anton de Kom (1898-1945). Dit boek werd in 1934 in Nederland uitgegeven, meer dan zeventig jaar na de afschaffing van de slavernij. De Kom was weliswaar een nazaat van slaven, maar had de slavernij niet meer aan den lijve ervaren.

cover_wij_slaven_van_suriname_1edruk

Pas de afgelopen jaren komen dankzij wetenschappelijk onderzoek bronnen aan het licht die zijn geschreven door (ex-)slaven. Een van hen is Boston Band, die rond 1750 vanuit Jamaica naar Suriname kwam en daar in 1766 overleed.[4]Waarschijnlijk kwam hij mee met David Dandiran, die directeur werd van de houtplantage Beerenburg. De slaaf Boston Band moet een geprivilegieerde positie hebben ingenomen in het bedrijf van Dandiran, want hij kon lezen en schrijven. Toch ontvluchte hij in 1757 de plantage en ontwikkelde zich tot een van de aanvoerders van de rebellerende slaven in de grote Tempati-opstand in Oost-Suriname.

Direct na zijn vlucht schreef Boston Band verscheidene Engelstalige brieven aan het gouvernement in Paramaribo. Helaas zijn de originele brieven – minstens achttien stuks – niet bewaard gebleven, maar van elf zijn Nederlandse vertalingen teruggevonden. Bands brieven waren erop gericht om vrede te bewerkstelligen tussen de Marrons en de troepen van het koloniale gezag die jacht op hen maakten.

Hij was niet de enige Marron die via brieven van zich deed horen. Een andere Marronleider die zijn visie op de slavernij aan het papier toevertrouwde was Quakoe van Sara de la Para (zijn achternaam geeft aan dat hij een slaaf was van de joodse Sara de la Para). Quakoe had een goede reden om naar de ‘Boschnegers’ te vluchten – zijn meesteres Sara was van plan hem de neus en oren af te snijden.[5]

Quassie in Eugene Sue

Niet alle schrijvende (ex-)slaven in Suriname streefden naar afschaffing van de slavernij of een betere behandeling van slaven. Sommige briefschrijvers kozen (ook) de kant van het koloniale gezag, zoals Quassie van Nieuw Timotibo (met het voorbehoud dat hij wellicht zijn brieven dicteerde omdat hijzelf niet kon schrijven). Quassie werd geboren rond 1692 in West-Afrika,  en als slaaf naar Suriname gebracht. Hij nam deel aan de strijd tegen de weggevluchte slaven en werd als beloning daarvoor in 1755 vrijgemaakt. In 1776 ging hij op audiëntie bij stadhouder Willem V. Het bezoek aan de Republiek leverde de gezagsgetrouwe ex-slaaf vele eerbewijzen op: een rotting met zilveren knop, een ringkraag met het wapen van de Sociëteit, een gepluimde hoed, een degen en een zware vergulde plaat met de toepasselijke inscriptie: ‘Quasje getrouw voor de blanken’.[6]

Er waren ook slaven die zich om religieuze redenen wilden onttrekken aan de slavernij. Kwakoe – niet dezelfde als de eerder genoemde Quakoe – was een slaaf die zich tot het christendom had bekeerd en als kok voor het gouvernement werkte. Dankzij zijn bekering had hij de gelegenheid gehad te leren lezen en schrijven. In 1740 schreef hij drie brieven naar de ‘Edele Grootachtbare heren van de Sociëteit van Suriname’. Hij verzocht daarin om zijn vrijlating, omdat hij het als christen niet verdroeg nog langer tussen de heidense slaven te verkeren. Een jaar later verkreeg hij inderdaad zijn vrijheid en vanaf dat moment ging hij door het leven als Cornelis van Maarssen.

DSC00855

Onlangs kwam een bijzondere brief aan het licht. Op 14 maart 1795 schreef Wilhelmina van Kelderman uit Paramaribo een brief aan Engelbertus Kelderman in Amsterdam. De bejaarde Wilhelmina was vermoedelijk een (voormalige) slavin van Kelderman. Zij schrijft: ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan, verhoort teevens ook mijn smeeken, verwerpt mij niet […].’ Ze ontvangt een toelage van haar meester en heeft de beschikking over een slavinnetje dat haar moet verzorgen. Kelderman zelf woont in Amsterdam en laat zijn zaken in Suriname beheren door een zekere Wijne.

Wilhelmina heeft het verzoek gekregen de zorg op zich te nemen voor de zuigeling van een nicht van Kelderman, die in het kraambed is gestorven. Zij heeft daarin toegestemd en is ingetrokken bij de weduwnaar, die na verloop van tijd hertrouwt. Dan blijkt Wijne opeens van mening dat zijn zorgplicht voor Wilhelmina is afgelopen: zij heeft zolang bij haar nieuwe meester verkeerd, dat deze maar voor haar moet zorgen. Hij weigert Wilhelmina onderdak te verschaffen en stuurt haar slavinnetje terug naar de plantage. Wilhelmina heeft geen inkomsten meer en staat op straat. In haar brief verzoekt ze Kelderman ervoor te zorgen dat ze haar huisje en toelage terugkrijgt. Haar jammerklacht heeft Amsterdam nooit bereikt, want hij is onlangs gevonden in de Britse National Archives in Kew bij Londen. Hier liggen ca. 38.000 Nederlandse brieven en documenten die in de zeventiende en achttiende eeuw door de Engelsen werden buitgemaakt bij het kapen van Nederlandse schepen.[7]

 Gelaagdheid

Het zoeken naar uitingen van zwarte of halfbloed (ex-)slaven wordt bemoeilijkt doordat – in tegenstelling tot de gangbare opvatting – huidskleur niet in alle opzichten bepalend was voor de koloniale samenleving. Al in de achttiende eeuw kende Suriname vele ‘vrije zwarten en kleurlingen’, die in het onderzoek vaak worden verwaarloosd. In 1811 overstijgen ze de blanke Europese kolonisten in aantal. Van beroep zijn ze kantoorklerk, ambtenaar, koopman, onderwijzer of vervullen ze administratieve functies op de plantages en in het koloniaal bestuur. Van veel mensen die documenten hebben nagelaten in de archieven weten we eenvoudig niet welke huidskleur ze hadden.

Soms kunnen we dat door genealogisch onderzoek vaststellen. Zo is Albertus Craamer een mulat, want zijn moeder wordt omschreven als de ‘christene neegerin’ Albertina Maria.[8] Albertus is een slaaf van de Sociëtiet van Suriname en werkzaam bij de ‘guarnisoenschrijverij’. In 1783 verkrijgt hij zijn vrijheid. Daartoe leent de raad-fiscaal Cornelis Karsseboom hem het geld om twee slaven te kopen, die hij in ruil voor zijn eigen vrijheid aan de Sociëteit overhandigt. Craamer, die in dienst treedt bij Karsseboom, schrijft in een brief aan de directeuren van de Sociëteit dat het een schande is voor het ‘gansch christelijke geslachte’ dat slaven als beesten verkocht worden. Zijn pogingen om zijn eveneens gedoopte broers in 1784 vrij te krijgen mislukken.

RP-T-1959-120

Om een juist beeld te krijgen van de slavensamenleving en het slavenleven zijn zulke verhalen van (voormalige) slaven onontbeerlijk. En wat te denken van zwarte of gekleurde plantagedirecteuren? Die waren er in de negentiende eeuw namelijk volop. Een van hen was Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), die bovendien schreef. In 1914, op tachtigjarige leeftijd, publiceerde hij Hoe de tijden veranderen: herinneringen van een ouden planter.[9] Bartelink had de periode vóór de afschaffing van de slavernij meegemaakt. Interessant voor ons is natuurlijk dat hij het leven op de plantage en de slavernij van nabij kende. Hij was, zoals hij zelf zegt, een ‘afstammeling van het zwarte ras’.

Tot voor kort was er weinig belangstelling voor het zwarte perspectief op de slavernij. Lezen en schrijven was lange tijd aan slaven verboden. De angst voor de kracht van de pen en de macht van het geschreven woord speelden bij het koloniale gezag een grote rol. De slaven konden beter dom worden gehouden, geletterdheid en slavernij gingen niet samen. Nu blijkt uit recent onderzoek dat schrijvende (ex-)slaven vaker voorkwamen dan we tot nu toe aannamen. Het maakt nieuwsgierig naar meer. Voor wie de complexiteit en de gelaagdheid van de slavernij wilt begrijpen zijn deze ooggetuigen, die de slavernij aan den lijve ondervonden, van onschatbare waarde.

Carl Haarnack

 

(Dit artikel verscheen eerder onder de titel Schrijvende (ex-) slaven in het Themanummer Slavernij Verbeeld van De Boekenwereld, jaargang 29,  nr 4, 2013)

 

Noten

[1] Library of Congress, Federal Writers´ Project 1936-1938.

[2] Equiano’s geboorteplaats is onderwerp van discussie. Vincent Carretta heeft gesuggereerd dat hij in Carolina geboren is en niet in Afrika. Dan zou het eerste deel van zijn autobiografie gebaseerd zijn op verhalen die hij heeft gehoord of op boeken die hij heeft gelezen. Vanaf 1754 zijn de gebeurtenissen verifieerbaar en kunnen we aannemen dat zijn levensverhaal waar en accuraat is. Mogelijk dat hij zijn strijd voor afschaffing van de slavernij kracht wilde bijzetten door Nigeria te kiezen als geboorteland. Het doet m.i. ook weinig af aan de overtuigende wijze waarop hij de ontberingen en de onmenselijkheid van de slavernij blootlegt. Brycchan Carey gaat in op de discussie rond de geboorteplaats van Equiano: http://www.brycchancarey.com/equiano/nativity.htm.

[3] Johannes King (1830-1898) schreef tussen 1864 en 1895 ruim duizend pagina’s over de geschiedenis van de Marrons, zijn familie en zijn ervaringen als zendeling van de Evangelische Broedergemeente: dagboeken, reisverslagen en verhalen over visioenen die hij kreeg. Hij leerde zichzelf schrijven met behulp van bijbelvertalingen en liedboeken, toen hij ongeveer 32 jaar oud was. King behoorde tot de Matawai (Matoewari) en was de eerste belangrijke schrijver in het Sranan Tongo. Zie: https://bukubooks.wordpress.com/2012/05/27/king.

[4] Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede. De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 (Amsterdam/Den Haag 2010).

[5] Jan Jacob Hartsinck, Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust… (Amsterdam 1770), p. 795.

[6] Frank Dragtenstein, ‘Trouw aan de blanken’ Quassie van Nieuw Timotibo, twist en strijd in de 18de eeuw in Suriname (Amsterdam 2004).

[7] Dirk Tang vond deze brief. Zie idem en Jean Jacques Vrij, ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan….’, in: Geschiedenis Magazine 44/5, juli-augustus 2009. Een transcriptie is te lezen op www.sailingletters.nl.

[8] Jean Jacques Vrij, ‘Suriname. Archiefervaring 9’. In: De Bovenkamer, magazine van het Algemeen Rijksarchief (1998), nr. 2.

[9] Zie https://bukubooks.wordpress.com/2012/01/09/bartelink.