Brand in Paramaribo

Brand in Paramaribo: Cojo, Mentor & Present

Paramaribo is in de afgelopen eeuwen verschillende malen door grote branden geteisterd. Perioden van langdurige droogte, gebrekkige brandblusmiddelen maar vooral de brandbaarheid van de houten huizen vormden een voortdurend gevaar. In 1763, toen enige huizen in vlammen opgingen, werd bepaald dat daken niet langer met pinabladeren bedekt mochten worden. Maar tot 1832 werden de meeste daken met houten dakpannen bedekt. De grootste brand in de geschiedenis van de ‘houten stad’ Paramaribo vond plaats op 21 januari 1821. Op de hoek van het Gouvernementsplein en de Waterkant brak een grote brand uit die ongeveer 400 huizen in het mooiste deel van de stad tot op de grond toe afbrandde.

Toch heeft de brand van 1832 een grotere rol opgeëist in de geschiedenis. De brand van 1821 was per ongeluk ontstaan maar in 1832 was er sprake van brandstichting door een aantal weggelopen slaven. De angst voor brand werd hier in combinatie met de angst voor weggelopen slaven tot een climax gedreven.

Halverwege het jaar 1832 vluchten een aantal slaven uit angst voor straffen van hun meesters de bossen rond Paramaribo in. Niet alle slaven die van hun meesters wegliepen deden dat om zich bij de marrons in de binnenlanden aan te sluiten. Vaak liepen slaven weg om redenen waar zij zelf geen schuld aan hadden. Er zijn gevallen bekend van slaven die bijvoorbeeld voor hun meesters in de stad koekjes moesten verkopen en op weg naar huis beroofd werden. De wrede straffen zie hen bij terugkeer naar hun meesters zouden treffen maakte dat sommigen voor het onzekere bestaan van wegloper kozen. De slaven die in 1832, om wat voor reden dan ook vluchten, houden zich op in het Picornobos even buiten Paramaribo. Om aan eten te komen keren ze regelmatig ‘s nachts terug in de stad. Ze plegen inbraken op zoek naar voedsel. Uit verslagen blijkt dat ze eens een ossetong stelen, dan weer eens een gezouten makreel of bakkeljauw.

Onder deze groep bevinden zich de ‘kwaadwillende negerslaven’, zoals ze in de processtukken worden genoemd, Cojo, Mentor en Present. Cojo, ook wel genaamd Andries, behoort toe aan ene D.M. Sanches en woonde toen hij wegliep bij missie Peggie. Mentor was eigendom van J.H. Wagner en had als bijnaam Geluk. Present behoorde toe aan de weduwe van Salomon Abendanon, Gracia Abenatar en woonde bij de weduwe van G.P. Heilbron. Slaven werden soms door hun eigenaars verhuurd aan derden.

In de nacht van 3 op 4 september 1832 verlaten Cojo, Mentor, Present en de slaaf Winst, eigendom van de plantage Jalousie hun schuilplek om op zoek te gaan naar voedsel in de stad. In de Keizerstraat proberen ze in te breken in het huis van een zekere Halfhide. De ‘negerpoort’, de ingang voor de slaven, blijkt open te staan. Maar als Cojo naar binnengaat komt er een blaffende hond op hem af. Het viertal besluit door te lopen, langs de Keizersstraat, naar de Heiligenweg. Daar besluiten ze in te breken in het huis van Mozes Nunes Monsanto. Winst posteert zich op de Knuffelsgracht schuin tegenover het huis van Monsanto. Cojo klimt over de ‘negerpoort’ opent deze voor Mentor en Present. Ze houden zich eerst een tijdje schuil bij de ezelsstal waar ze tabak roken. Vervolgens nemen ze in de keuken etenswaren weg waaronder bakkeljauw, makreel, zoutvlees en een hoeveelheid bananen. Deze leggen ze tezamen met een hoeveelheid wasgoed die op het erf te drogen hing klaar bij de poort om later mee te nemen naar het Picornobos. Vervolgens zijn de het woonhuis binnengegaan, de trap op. Daar lag in een slaapkamer het zevenjarig zoontje van Monsanto, Abraham te slapen. Op de grond sliep een slavin. Cojo heeft vervolgens met een ‘zwavelstok’ de gordijnen van het ledikant in brand gestoken en deze op het ledikant gegooid. De drie zijn daarna de trap af gegaan, hebben in de winkel van Monsanto ingebroken en enige goederen ontvreemd. Tenslotte zijn ze met hun buit teruggekeerd naar hun schuilplaats in het Picornobos.

De houten huizen van de stad staan binnen de kortste keren in brand: in totaal branden bijna 50 huizen af. Aan de Waterkant gaat de winkel van de gebroeders Stuger in vlammen op evenals de achtergebouwen van de familie De la Parra. Aan de Jodenbreestraat gaan verloren de huizen en winkels van Levij, De Mesquita, Del Prado, Jacobs en De Friderici. Aan de Maagdenstraat gaan verloren het slavenhospitaal, de huizen van Antje Brandon en de panden van de familie Negreb. Aan de Steenbakkerijstraat gaan vele huizen geheel of gedeeltelijk verloren. Ook het stenen gebouw van de Lutherse Kerk wordt geheel verwoest.

Een maand later worden Cojo, Mentor en Present opgepakt. Zij bekennen dat er sprake was van een complot: ze waren eigenlijk van plan geweest een zodanige chaos te creëren dat zij zich van ‘genoegzame wapenen’ konden voorzien, om daarmee de blanken te ‘attacqueren’ en zich ‘van het land’ meester te maken. Het Hof achtte bewezen dat de drie van plan waren ‚de blanken en de vrije bevolking uit te roeien’ en veroordeeld ze tot de brandstapel. Winst wordt met een aantal andere veroordeelden op het galgenveld aan het Pad van Wanica opgehangen. Op 26 januari 1833 worden Cojo, Mentor en Present aan de Heiligeweg, vastgebonden aan ‘zwaar geteerde palen’ op een rooster van houtsnippers die in teer en terpentijnolie waren gedompeld, net als hun kleren en levend verbrand.

De brand van 1832 is de geschiedenis ingegaan als de ‘Cojo branti’.

Carl Haarnack

literatuur:

Cojo, Mentor en Present: brandstichters of verzetsstrijders? Jessica Melker, doctoraal-scriptie Universiteit van Amsterdam, 2001

Codjo, de brandstichter. H.F. Rikken. Paramaribo, 1904.

Bijzonderheden betrekkelijk den brand te Paramaribo, in den nacht van den 3den op den 4den september 1832. Marten Douwes Teenstra. J.J. Engelbrecht, Paramaribo 1833

De Negerslaven in de Kolonie Suriname en de uitbreiding van het Christendom onder de Heidensche Bevolking. Marten Douwes Teenstra. Dordrecht: H. Lagerweij, 1842.