Joden in Suriname

Het is hier al vaker gezegd: de geschiedenis van Suriname is Europese geschiedenis en zij kan niet los gezien worden van de grote wereldgeschiedenis. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Afrikaanse, Chinese en Indiase diaspora. Zij hebben Suriname ingrijpend veranderd. Nog vóór dat Suriname blijvend een kolonie van Nederland werd (Vrede van Breda, 1667) had de joodse diaspora ook Suriname bereikt. Toen de Nederlanders in 1654 uit Pernambuco, Brazilië, verdreven werden vluchtten veel Portugese joden (Sefarden) naar Amsterdam. Een grote groep joden vestigde zich onder leiding van David Cohen Nassy (Lissabon 1612 – Paramaribo 1685) in 1664 in Cayenne. Zij mochten daar echter geen ‚joodse volksplanting’ oprichten. Daarom vertrokken zij naar Suriname. Op de Jodensavanne ontstond een grote joodse nederzetting. Hier werd de eerste synagoge van de ‚Nieuwe Wereld’ gebouwd. Van dit houten gebouw is niets overgebleven. De Portugese joden namen hun kennis en expertise mee naar Suriname en zetten suikerplantages op. Van de Engelse authoriteiten, ontvingen zij privileges; zo werden zij vrij gelaten in hun religieuze riten en gebruiken en hadden ze hun eigen rechtspraak. Die privileges werden later door de Nederlanders bekrachtigd. De eerste stenen synagoge in Suriname, Beracha Ve Salom (Zegen & Vrede), kwam in 1685 tot stand. De fundamenten van deze synagoge kunt nog zien als u de Jodensavanne bezoekt.

          Gesigt van de Jooden Savane, in de Colonie van Surinamen –                                          coll.  Edwin van Drecht – Amsterdam

Pas in de loop van de 18e eeuw volgden de Hoogduitse joden. Deze Askenazische joodse emigranten kwamen uit Europa, vooral uit Duitsland. Deze groep bestond uit relatief arme joden. Zij vestigden zich, in tegenstelling tot de Sefardische joden, in Paramaribo. Zij hadden niet de agrarische kennis en -ervaring om suiker en andere gewassen te verbouwen. Veel meer hielden deze nieuwkomers zich bezig met de handel. Lang bleven beide joodse bevolkingsgroepen gescheiden. Er werd zelfs niet onderling gehuwd. Daarom hadden de twee joodse gemeen-schappen ook hun eigen synagoge. De Portugees Israëlitische synagoge in Paramaribo, “Sedek Ve Salom” (Rechtvaardigheid en Vrede), werd gebouwd aan de Heerenstraat in 1736. In de Keizerstraat vinden we de Hoogduitse synagoge. Deze werd in 1723 de eerste Hoogduitse synagoge tot stand gebracht. In 1833 werd een nieuwe, de huidige synagoge, gebouwd. Het ontwerp is van de architect J.F. Halfhide. De inwijding van de synagoge, ‘Ne Ve Salom’ (Huis des Vredes) vond plaats op 5 mei 1837.

Ipenburg

Joden in Suriname. Ben Ipenburg (2015)

Eind 17e eeuw telt Suriname meer dan 90 Portugees-joodse families en zo’n 40 à 50 Hoogduitse joden (door huwelijken verwant). De totale joodse bevolking wordt geschat op ongeveer 600 zielen. Zij hebben dan meer dan 40 plantages in eigendom en zo’n 9000 slaven. Een eeuw later (1788) telt de stad Paramaribo 1119 huizen waarvan er 213 eigendom zijn van joden. De totale ‚witte’ bevolking van de stad bestaat uit zo’n tweeduizend personen waarvan er meer dan de helft joods is. Daarbij opgeteld de vrije ‚negers’ en ‚mulatten’ (650) en zo’n 6000 tot 8000 slaven komt de totale stadse bevolking in de buurt van de 10.000 zielen. Kijken we naar de gehele bevolking, inclusief de plantages, dan telt de kolonie zo’n 50.000 personen, waarvan er slechts zo’n 3.500 ‚wit’ zijn. Hiervan is meer dan een derde Joods. Interessant is dat Nassy in zijn ‚Geschiedenis der kolonie van Suriname’ (1788) ook melding maakt van een groep van 100 vrije Joodse mulatten. Uit historische documenten blijkt dat op de plek die nu Sivaplein heet, er een broederschap was van ‚gekleurde joden’ genaamd Darhe Jesarim. Zij hadden daar hun eigen gebedshuis. Helaas is daar niets van bewaard gebleven.

Deze foto is rond 1900 gemaakt door Eugen Klein (1869-1927). Het bijschrift bij deze foto luidt: Hoogduitsche Israëlitsche Synagoge, Paramaribo. Deze foto vind ik zo bijzonder omdat dit een belangrijk punt in de geschiedenis van Suriname symboliseert. We zien een creools meisje, in koto-misi, voor de synagoge. Terwijl de andere kinderen spelen staart zij de kijker aan. Misschien dat iemand van de lezers weet wie zij is. Veel Surinamers hebben ‚Afrikaans’ bloed en hebben voorouders die slaven zijn geweest. Tegelijkertijd zijn er veel Surinamers die ‚joods’ bloed hebben en afstammen van slavenhouders. Veel Surinamers identificeren zich met slaven en beschouwen zich slachtoffer van slavernij. Misschien is het moeilijker om je te identificeren met slavenhouders. Maar dat is nu juist wat de geschiedenis van Suriname interessant maakt. De versmelting van de joodse- en afrikaanse diaspora is dé ruggegraat van de Surinaamse multiculturele samenleving.

Carl Haarnack

Verder lezen:

  • Joden in Suriname. 400 jaar Surinaams Jodendom aankomst, glorietijd, neergang. Ben Ipenburg. Uitgeverij Ipenburg, 2015.
  • David Nassy, Essai historique sur la colonie de Surinam (1788). Vertaling :Geschiedenis der kolonie van Suriname. Amsterdam: Emmering, 1974.
  • Creole Jews: Negotiating Community in Colonial Suriname. Wieke Vink. Leiden: Koninklijk Instituut Voor Taal-, Land- en Volkenkunde, 2010.
  • Jews in Another Environment: Surinam in the Second Half of the Eighteenth Century (Brill’s Series in Jewish Studies). R. Cohen. Leiden, Brill, 1991.
  • The Jewish nation in Surinam: historical essays. Robert Cohen (ed.). Amsterdam: Emmering, 1982.
  • Jonathan Schorsch, Jews and Blacks in the Early Modern World. Cambridge University Press, 2004.
  • Ellen Ombre. Negerjood in moederland. Amsterdam. Amsterdam: De Arbeiderspers. 2004.

De Joden in Suriname onder Nederlandsch Bestuur

Zoo was dan Suriname eene Nederlandsche bezitting geworden. Maar met hoeveel moeilijkheden zou de nieuwe eigenaar te worstelen hebben! Eene ongezonde luchtstreek, een moerassige grond, eene sterk verminderde bevolking, terwijl er zooveel nijvere handen tot oorbaarmaking van den grond vereischt waren; veelzins ontevredene ingezetenen, die den Engelschen Gouverneur heimelijk terugwenschten; en eindelijk, een overgroot aantal Joden, aan wie onder Engelsch bestuur zoovele voorrechten waren toegestaan, als naauwelijks met de inzichten der republiek bestaanbaar waren; waarbij later nog de ergste plaag van allen, de onophoudelijke belaging der naar de binnenlanden teruggedrongen Indianen zou komen. Doch zoo ergens, dan heeft hier de ervaring geleerd, dat >>een onvermoeide arbeid alles te boven komt; “en in dien arbeid hebben de nijvere en geduldige Joden een niet gering aandeel gehad? Met zeldzame volharding toch bleven zij bezig houden met het bruikbaar maken van den grond, en legden zich ijverig toe op den landbouw, tot dat allengs ook meerder Hollanders en Zeeuwen zich in de Kolonie kwamen nederzetten , en den grond hielpen leggen tot den klateren bloei derzelve. Zij bewoonden er sedert eene afzonderlijke streek, de Savannah geheeten (1).

De eerste bewindhebber van Suriname was de Kapitein JULIUS LIGHTENBERG, die aldaar aankwam ten jare 1669, en in naam der Staten van Zeeland bezit nam van de Kolonie. Weldra wendden zich de notabelen onder de Surinaamsche Joden tot den Nederlandschen Bewindhebber, met verzoek om bevestiging der vroeger door hen verkregene privilegiën: die hun, dan ook goedgunstig werd verleend. Men leest onder dit verzoekschrift de in Nederland meestal welbekende namen van DAVID NASSY, ISAAC PEREIRA, ISAAC ARIAS, HENRIQUES DE CASERES , RAPHAËL ABOAB, SAMUËL NASSY, ISAAC R. DE PRADO, AARON DE SYLVA, ALAUS DE FONSECA, ISAAC MEZA , DANIËL MESIAH, JACOB NUNEZ, ISAAC GABAY CID, ISAAC DA COSTA, ISAAC DRAGO, BENT0 DA COSTA (2).

In het jaar 1675 stelde Prins WILLEM III, in zijne waardigheid als Stadhouder van Holland en Zeeland, zijnen gewezen Secretaris PIERRE DU MOULIN tot Bewindhebber aan van Suriname. Zeeland was zeer tegen die benoeming, maar bewilligde er in op het aanhouden van den Vorst

___

(1) Zie over de Savannah der Joden, nabij de zandpunt in Suriname,

niet ver van Paramaribo, JANIÇON, Etat présent de la République

des Provinces Unies, (la Haye, 1739.) Tom. I, p. 411, 427; en Essai

historique sur la Colonie de Surinam , Tom. II, p. 49-57.

(2) Essai Historique, T. II, p. 134.

Synagoge Paramaribo

Een jaar later werd die plaats ontledigd door het afsterven van DU MOULIN. Men had bij gelegenheid zijner benoeming, voorgeslagen >>om de geheele Kolonie Zijne Hoogheid aan te bieden, ten einde daarover met de provincie in onderhandeling te treden; “waardoor de Prins dan van zelf het oppergezag er over zou hebben in handen gekregen. Doch dit voorstel was afgeslagen; vooral daar de volkplanting door de plaats gehad hebbende landverhuizing zeer verarmd was, en dien ten gevolge thans op vermindering van belasting aandrong (1). Zij bleef dus nog vooreerst aan de Staten van Zeeland, die in 1678 onder goedkeuring der Staten-Generaal JOHAN HEINSIUS tot Gouverneur aanstelden. Onder het bewind van dezen begonnen de teruggedrongen Indianen, die eenen tijd lang niets tegen de Europeërs hadden durven ondernemen, de Kolonie zoodanig te bestoken, dat men zich gedrongen vond, om krachtigen bijstand bij de Staten van Zeeland aan te houden.

Dan de gezondene hulp van honderd vijftig man werd zoo ontoereikend bevonden, dat de ingezetenen, vooral ook de Joodsche bevolking, zich gedwongen zag, om zich in kleine legertroepen tegen de wilde aanvallers moedig te verdedigen.

De verplichtingen die de volkplanting in onderscheidene opzichten aan hare Joodsche bevolking had, vermeerderden natuurlijk den invloed der laatstgenoemde aanmerkelijk, en deed haar steeds hooger aanspraken op bevoorrechting en gezag in de Kolonie maken.

__________

(1) Bijvoegsels en Nalezingen op Wagenaar, Dl. XV, bl. 30-32

In het jaar 1680 werd door de notabelste Surinaamsche Joden een ontwerp van nieuwe instellingen naar het moederland opgezonden, in ‘t welk hun geheel gelijke rechten met de Christenen zouden toegekend worden. De Staten-Generaal verstonden hier niet in te kunnen treden; maar de behoefte aan eene nieuwe ordening van zaken werd niettemin al meer en meer gevoeld; en in Herfstmaand 1682 werd ten gevolge daarvan door een Octrooi der algemeene Staten, de Kolonie opgedragen aan de Westindische Maatschappij: waarvoor deze aan de Staten van Zeeland de som van twee-honderd-zestig-duizend gulden voldeed. Bij diezelfde gelegenheid werd ook het bestuur der volkplanting geregeld (1). Men ging op den verkeerden weg voort, met de Kolonie aan eene bijzondere maatschappij over te laten, die reeds grootendeels de schuld van het verlies van Brazilië droeg, wegens den bekrompen en baatzuchtigen koopmansgeest die haar steeds bezield en bestuurd had; in plaats van het mocht kosten wat het ook wilde, den eigendom der aangebouwde streken voor den Staat te behouden, op de keuze van Gouverneurs en bevelhebbers der troepen steeds naauwkeuriger toe te zien, de beveiliging en verdediging der volkplanting met onbekrompen en welbestuurde middelen te bevorderen, een verlichten en ervaren Raad van Koloniën ter bestiering van al deze aangelegenheden te benoemen men, en alzoo aan de bezittingen van de Republiek buiten Europa eene gelijke zorg als aan het moederland zelve te wijden.

_________

(1) Men vindt het Plakaat, waarbij deze regeling plaats had, bij Cau en Scheltus, Groot Plakaatboek , Dl. III, bl. 1424. De Westindische Maatschappij, hier bedoeld, was de tweede van dien naam, opgericht in 1675, nadat de eerste in het vorige jaar was ontbonden geworden.

Zoo alleen hadden de overzeesche bezittingen voor het Gemeenebest. eene bron van welvaart en overvloed kunnen worden, die den Staat over wangunstige nabuurvolken duurzaam overwicht had kunnen verschaffen.

Reeds in het volgende jaar was de Westindische Maatschappij niet bij machte, zich in het bezit der Kolonie te handhaven, maar moest twee derden derzelve openbaar te verkoopen. Toen werd de stad Amsterdam eigenares van het eene voornoemde gedeelte, de Heer AERSSENS VAN SOMMELSDYK van het andere: eene verandering, die hoe ongeregeld ook in den grond, in den gegeven stand der zaken nog de beste mogelijke was, en tot de gelukkige opkomst van Suriname aanleiding heeft gegeven. In handen der Westindische Maatschappij alleen, zou de Kolonie al zeer spoedig het lot van Brazilië ondergaan hebben.

De Heer AERSSENS, zoon van dien AERSSENS, die zich in den aanslag

Op Amsterdam ten jare 1650 als vriend en medestander des Prinsen van Oranje had doen kennen, werd voor een’ der rijkste ingezetenen van Holland gehouden, vooral nadat zijn oudere broeder François overleden was, en hem tot erfgenaam van zijne goederen had nagelaten. Hij behoorde tot een geslacht, in hetwelk veel godsvrucht werd gevonden. Twee zijner zusters, vriendinnen der edele MARIA SCHUURMAN, lieten zich door haren ijver voor een naauwgezetten wandel en eene van de groote wereld afgescheidene levenswijze verleiden om tot de volgelingen van De Labadie over te gaan(1) . Ook

haar broeder onderscheidde zich door godvruchtige gevoelens, maar had tevens eene zekere eigenzinnigheid van aard, die hem somtijds ongelegenheden berokkende. WILLEM III schijnt de moeielijkheden voorzien te hebben, waarin hij zich wikkelen ging, en raadde hem af zich naar de Kolonie te begeven. AERSSENS volgde dien raad niet, maar vertrok in 1683 naar Suriname met drie honderd man troepen, en verving aldaar den vorigen Bewindhebber C. VERBOOM. Hij nam krachtdadige en in vele opzichten zeer, heilzame maatregelen om de Kolonie op te beuren, vooral door het benoemen van een’ Raad van

Politie en Justitie, en door het ontwerpen van welgeordende wetten voor de volkplanting. Door twee dingen, echter wekte hij misnoegen: eerst, onder de Israëlitische bevolking, door eene strenge handhaving

der bepalingen, die in het moederland zelve golden ter heiliging van den christelijke rustdag (2); en voorts door eene nog strengere tucht onder de krijgslieden, die vroeger aan eene groote losbandigheid gewoon waren geweest.

_________

(1) Het is niet onwaarschijnlijk, dat de zucht om aan de vervolgde Labadisten eene goede wijkplaats te verschaffen, heeft bijgedragen om hem een aanzienlijk gedeelte der Kolonie te doen aankopen. Zij vestigden zich daar althans binnen kort op geregelden voet. Zie JANIÇON, t.a. pl. , p. 411.

(2) Essai Historique, T . I , p. 39. De bepalingen op het vieren van den Zondag waren reeds vroeger (in 1634) ook voor de volkplantingen in de nieuwe wereld verbindend verklaard door de Ordre en Reglement van de Hoog Mogende Heeren Staten-generaal der Vereenigde Nederlanden, gearresteerd advies en deliberatie der Bewindhebberen van de Westindische Compagnie, over het bewonen en cultiveren der landen en plaatsen in Brezil geconquesteerd, Art. 34. Zie Groot Plakaatboek, Dl. I , bl. 621 , 622.

Jodensavanne

Wat het eerste punt betreft, de Joden vielen daarover klachtig bij de Geoctroyeerde Societeit van Suriname (de gezamentlijke eigenaars); waarvan het gevolg was, dat de Directeuren den Heer VAN SOMMELSDYK aanschreven, om zich stipelijk te houden aan de vrijheden, door de Israëlieten verkregen onder het bestuur der Engelschen (1). De Heer AERSSENS hield zich aan dien last voortaan zoo stipt, dat de Joden zich niet weder over hem beklaagd hebben. Noodlottiger was hem zijne gestrengheid jegens de krijgslieden, die hem een’ oproer dezer losbandige horden op den hals haalde, in hetwelk hij gruwzaam vermoord werd. Zijn bestuur was over het algemeen zeer weldadig geweest voor de Kolonie. Een Nederlandsch Geschiedschrijver, die hierin zeker onpartijdig is, zegt van hem: “Hij mag de schepper der Kolonie Suriname heeten, die vóór hem niets dan een moeras, bijna zonder inwoners, althans zonder orde en regelmaat bij dezelve, geweest was. Hij werd, gelijk alle hervormers van verouderde misbruiken, gelasterd en vervolgd; het staat aan de nakomelingenschap om hem recht te doen (2).

__________

(1) Men vindt deze aanschrijving in het Essai historique, Tom II, p. 137

(2) VAN KAMPEN, Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, DL. II, blz. 289. Allergunstigst is ook het getuigenis dat T. Pistorius achter zijne Beschrijving van Suriname van Aerssens geeft; hetwelk ook gedeeltelijk wordt medegedeeld foor KOK, Vaderlandsch Woordenboek, DL. I, bl 100, 101.

De Kolonie door de wilden bestookt, en aangevallen door de Franschen. Dappere krijgsbedrijven door de Joden.

Men zegt, dat AERSSENS met de Indianen alleen op die voorwaarde een duurzamen vrede had kunnen treffen, dat hij de dochter van hun Stamhoofd door een soort van huwelijk met zich verbond (1). Wat daarvan zij, het is zeker, dat zij, gedurende zijn leven in ontzag gehouden, straks na zijnen dood wederom een aanval op de volkplanting, die zij reeds vroeger bestookt hadden, durfden wagen; doch zij werden, vooral door de Joden, aan wier hoofd zich als Kapitein Samuël Nassy bevond, teruggedreven.

Deze Nassy verkreeg van tijd tot tijd veel invloed onder zijne geloofsgenooten, en trachtte eenige hervormingen bij hen tot stand te brengen, in zonderheid met opzicht tot hunne zoo menigvuldige feestdagen; doch hij vond daarin niet weinig, tegenwerking, ofschoon hij door brieven der Amsterdamsche Rabbijnen werd ondersteund. Zijn gezag verminderde zeer, toen de Kolonie op nieuw een Bewindhebber verkreeg in den Heer VAN SCHERPENHUIZEN, die AERSSENS in het bestuur opvolgde.

De Joden van Suriname bewezen de Kolonie wederom groote diensten, toen zij in den jare 1689 eenen aanval te verduren had van het Fransche Eskader, onder bevel van den vlootvoogd CASSARD; in welke verdediging de Heer VAN CHATILLON, zoon van den vorigen Bewindhebber, zich bijzonder onderscheidde.

__________

(1) Essai historique, T. I, p. 42.

Ongelukkig ontstond er een scherpe naijver tusschen den nieuwen Gouverneur en SAMUËL NASSY, die vóór zijne komst bijkans alle gezag in zich vereenigd had, en wellicht had gehoopt den Heer VAN SOMMELSDYK in het bestuur te zullen opvolgen; tengevolge waarvan hij goedvond de nieuwe wereld te verlaten, en zich onder zijne broederen te Amsterdam te gaan nederzetten. Ook na zijn vertrek bleef de spanning tussen de hoofden der Israëlietische bevolking en de Heer van SCHERPENHUIZEN voortduren, zoodat de eersten zich bij den Baron DE BELMONTE en SAMUËL NASSY te Amsterdam over hem beklaagden, hun bijstand verzochten, en de terugroeping van den Bewindhebber op die wijs wisten te bewerken. Hij werd in 1996 vervangen door PAULUS VAN DER VEEN, en deze op zijne beurt in 1706 door Willem de GOOYER.

De Kolonie was van jaar tot jaar in bloei en welstand toegenomen, sedert de heilzame hervormingen van AERSSENS hare talrijke vruchten begonnen af te werpen. Geen wonder, dat die opkomende welvaart de Franschen, die op dat pas met de republiek in oorlog waren, geweldig in de oogen stak. In Junij des jaars 1712 waagden zij een vrij hevigen aanval, die echter manmoedig werd afgeslagen. In october verscheen de Fransche vlootvoogd CASSARD opnieuw voor de kust, en trachtte de rivier Commawine binnen te zeilen. De ingezetenen, in zonderheid de Joden onder hun Kapitein ISAAC PINTO, boden een hardnekkigen wederstand, doch konden niet beletten de vijand het land afliep, de stad Paramaribo bombardeerde, en de volkplanting op een gruwzame wijs brandschattede (1). Kort daarop werd de Vrede van Utrecht gesloten, waardoor de Kolonie van dezen vijand gelukkig voor het vervolg verlost werd.

Naauwelijke was het gevaar van de zijde van Frankrijk geweken, of dat, hetwelk sints lang van den kant der Boschnegers dreigde, nam met schrikbarende hevigheid toe. Reeds in het jaar 1690 waren de slaven op de plantagie van eenen rijken Israëliet, MACHADO genaamd, opgestaan, en hadden hun meester vermoord. Van toen af waren de Negers, die kans zagen om zich van hunne heeren te ontslaan, begonen naar de binnenlanden te vluchten, alwaar zij zich in de bossen nestelden. De Gouverneur VAN SCHERPENHUIZEN vond niet goed, den Joden bij dergelijke gelegenheden eenigen bijstand te verleenen, maar beval hun, om op hunne eigene verdediging bedacht te zijn. Dit was een groote misslag; want, eensdeels leerde hij daardoor de Israëlietische bevolking zich onderling tot hare eigene handhaving te verbinden, hetgeen lichtelijk voor de Christenen bij eenige botsing gevaarlijk had kunnen worden; anderdeels liet hij daardoor langzamerhand eene macht opkomen, die, gelijk de ervaring geleerd heeft, niet slechts voor de rust en veiligheid, maar voor het bestaan der volkplanting zelve hoogstgevaarlijk moest worden. De Joden verdedigden zich meer dan eenmaal met goed gevolg; maar de stoutmoedigheid der Boschnegers bleef niettemin onder de hand bestendig toenemen.

____________

(1) Van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, Dl. II, bl. 416-420.

In de jaren 1726 en 1728 zag men daarvan geduchte proeven, waartegen niet aanstonds afdoende maatregelen konden worden in het werk gesteld, van wege de bijkans onoverkomelijke zwarigheden, die de bergachtige grond en ondoordringbare wouden, gevoegd bij de ondragelijke hitte van het klimaat, den Europeanen in den weg legden. Evenwel deed men in 1730 eene krachtvolle poging, bij welke zich eene Joodsche compagnie, onder aanvoering van een Onderofficier met veertien blanken en zes-en-dertig Negers, onderscheidde door het bezetten en bewaken van een belangrijken post, na het verwoesten van de gehuchten der Boschnegers.

In het volgende jaar had er wederom een krijgstocht tegen denzelfden vijand plaats, onder aanvoering van den Burgerofficier BOEYÉ en den Jood David Nassy. Deze laatste, een man van dapperheid en kracht, had de Negers zijner plantagie, met welke hij zich zeer gemeenzaam wist te onderhouden, sints langen tijd afgericht op dergelijke ondernemingen; vooral sedert de Raad van Politie ten jare 1717 vrijheid had gegeven aan elk die zich daartoe in staat gevoelde, om de Boschnegers aanvallender- of verdedigender wijze te bestrijden, en zoveel mogelijk afbreuk te doen. Reeds in 1718 had hij , onder bevel van den Joodschen Kapiteijn Jacob D’Avilar, aan een welgelukten aanslag van dien aard deel genomen: ten gevolge van welken hij van Onderofficier tot eersten Luitenant, straks tot Kapitein der Joodsche burger-compagnie, benoemd was. Thans was hij niet minder voorspoedig ; en ofschoon door BOEYÉ verlaten, trof hij den vijand in zijne woningen aan; versloeg er velen, en nam een aantal anderen gevangen.

BOEYÉ die den Israëlitischen Hoofdman wegens gebrek aan ondergeschiktheid had aangeklaagd, werd zelf gestraft, en NASSY oogstte van dezen tocht zoo groot eenen naam in, dat hij door den Spaansch-Joodschen dichter Ben Venida Del Monte in sierlijke lofdichten werd bezongen en gevierd.

In 1738 stonden de Negers der plantagie van den Joodschen eigenaar Manuël PEREIRA op, en vermoordden hunnen meester. Hierop zond ISAAC ARIAS, voormalig Officier der Joodsche compagnie, die zijne bezittingen in nabuurschap had , eenige vrijwilligers van zijne natie onder aanvoering van DAVID NASSY en Abraham de Brito, tegen de Boschnegers uit. Zes weken lang bleef deze bende op vijandelijken grond, zoodat niemand wist wat van haar geworden was (1); doch bij hunne terugkomst bleek het, dat zij een allervoorspoedigsten aanval hadden gedaan, terwijl zij de afgehouwene handen van zes gesneuvelde Negers, en zeven-en-veertig krijgsgevangenen medevoerden. Ieder Officier ontving daarop van den Raad voor dezen tocht f75; ieder burger f36; elk gewapende Neger f20, en iedere zwarte die met levensmiddelen belast geweest was, f5 ter belooning.

Vijf jaren later deed dezelfde onvermoeide Israeliët (DAVID NASSY), die wel dertig tochten tegen de Boschnegers heeft ondernomen, ofschoon reeds bejaard, nog enen aanval op het dorp der Kreoolsche Negers, die door hunne meerdere beschaving en hun omgang met de Europeërs de gevaariijkste van alle waren.

Deze strooptocht had plaats op den grooten Verzoendag der Joden. Zonder dat zij zich door de heiligheid van het feest terug lieten houden trokken deze, de Suriname rivier langs, het binnenland in, vervolgden den vijand, staken zijne hutten in vlam, roeiden de veldvruchten uit den grond, brachten een aantal Negers om, en voerden veertien krijgsgevangenen met zich. Doch NASSY werd het slachtoffer van een list des vijands. Men maakte hem diets, dat de waterbronnen des Negers vergiftigd waren; en hij door gebrek aan de noodige verversching gedwongen, neemt op zich om terug te keeren, zonder den last of de orders van den Raad af te wachten. Zijne benijders en tegenstanders wisten hem deswege bij den Raad in een kwaad gerucht te brengen; zijne verdediging werd naauwelijks aangehoord; zijn proces opgemaakt. Dit krenkte den wakkeren man zoo geweldig, dat hij door eene koorts werd aangetast, die hem in den ouderdom van zeventig jaren ten grave sleepte. Na zijnen dood werd zijn geloofsgenoot, Isaac Carvalho, in zijne plaats tot Kapitein der Joodsche burger-compagnie benoemd.

Eenige jaren daarna werd een verdrag van vrede met de meer en meer gevaarlijk wordende westelijke Marrons gesloten. Doch nu vertoonde zich een nieuw gevaar van den kant der oostelijke of Tempati-negers, die in het jaar 1749 eene plantagie plonderden, en de Negerslaven die zich aldaar bevonden, met zich voerden. Deze plantagie behoorde eenen Joodschen eigenaar, en heette AUKA; van daar bleef aan deze opstandelingen de naam van AUKA-negers.

Tegen dien vijand was het, dat in 1757 een tocht werd ondernomen, gedeeltelijk onder den Christenoverste RIJSDORP, gedeeltelijk onder den Joodschen Kapitein NASSY, die reeds vroeger zestien malen tegen denzelfden vijand opgetrokken was. De uitslag ook van deze onderneming was allergunstigst. NAäR verbrandde een groot Negendorp, maakte een aantal gevangenen , waaronder zich een zekere CORYDON , de belhamel der opstandelingen, bevond, en werd voor zijn manmoedig bedrijf door den Raad met een aanzienlijk geschenk begiftigd.

Zoodanige belooning, de eerzucht ook van den nog jeugdigen ISAAC NASSY prikkelende, berokkkende dezen moedigen jongeling zijn ondergang. Naijverig op de onderscheiding , door zijnen geloofsgenoot verworven, en wanende, dat de Boschnegers tegen een’ geregelden aanval geen moed noch kracht wisten over te stellen, verzamelt hij in haast een twaalftal zijner vrienden, wapent hunne beste slaven en de, zijnen, voorziet zich met een onbeduidendenden voorraad van krijgsbehoeften en levenmiddelen voor tien of twaalf dagen, en vervolgt alzoo den op de vlucht gedreven’ vijand. Doch hij stuitte op ‘een veel grooter aantal dan hij berekend had. Eenen tijd lang hielden

de blanken zich nog staande. NASSY leide groote dapperheid aan den dag, en ofschoon hij een geweerschot in het rechterbeen bekomen had, deed hij nog groote moeite om zijne lieden te hereenigen en hun zinkenden moed weder aan te wakkeren. Doch te vergeefs. Hij werd levend door de Negers gevat, en wreedaardig vermoord. Wellicht zouden zij hem nog het leven gespaard hebben, ten einde de voldoening te smaken van zich door een’ blanke te laten dienen; maar de wraakzucht, die al te hevig in hun woesten boezem blaakte, liet hun zelfs deze wreede barmhartigheid niet toe. Zij verloren echter bij deze gelegenheid een tweetal hunner opperhoofden, en nog wel twintig gemeenen (1).

Het is een opmerkelijk schouwspel, aldus in een derde werelddeel den Aziatischen balling met den deerniswaardigen zoon van Afrika te zien worstelen. Hier toch had de gemeenschap van vernedering en onheil, die anders zoo vaak een’ band tusschen rampspoedigen knoopt, de harten niet tot elkander gebracht. De afkeer des verdrukten Negers was veel grooter voor den Israëlitischen meester dan voor den Christenplanter; en de Jood was harder tegen den armen slaaf, dan zijn landgenoot van verschillend geloof. Was het dan niet genoeg, dat beide door onmenschelijke wreedheden, steeds in naam der heiligste godsdienst gepleegd, eeuwenlang de speelbal van willekeur en geweld geweest waren; en moest een onderlinge wrok, welks verborgen drijfveer ons oog ontgaat, hun lot, reeds zoo beklagenswaardig, nog verergeren? Haasten wij ons intusschen, tegenover deze treurige bedenkingen de aangenamer opmerking te maken dat de volksplanting wegens hare verdediging niet minder verplichtingen aan hare Joodse dagen gehad heeft, dan vroeger wegens de oorbaarmaking harer woeste gronden, of als het moederland door de herlevendiging van deszelfs handel; en dat dus de Jood in de koloniën door het beoefenen van den landbouw en het waarnemen der landsbeveiliging, die verdiensten verworven heeft, die hem in het Gemenebest zelve nog schenen te ontbreken.

__________

(1) Essai historique, T. I, p.98, 99.

Na lange en zuur verkregene ervaring werd eindelijk de noodzakelijkheid ingezien, om ook met de laatst vermelde Marrons (of gevluchte Negers) tot een verdrag te komen. Den 23sten Mei 1761 werd er een vrede met hen gesloten, die thans een einde maakte aan de gewapende tochten, welke men gedurende meer dan een halve eeuw telkens genoodzaakt was geweest tegen hen te ondernemen.

Doch deze vrede was niet zeer bestendig. In het jaar 1772 vond de

Raad van bestuur zich wederom gedrongen, om tegen de steeds meer beschaafd en vermogend geworden Boschnegers den bijstand des moederlands in te roepen (1).

De Staten-generaal zonden een korps van vijfhonderd man, onder bevel van den overste FORGEOUD, die zich reeds in de Berbice had onderscheiden door het onderwerpen van een aantal tot opstand overgeslagene slaven. Twee jaar later werd er een militair kordon getrokken van de Savannah der Joden af tot op de hoogte re rivier de Commowine, en van daar tot aan zee. Van afstand tot afstand werden

kleine door palissaden versterkte forten aangelegd, en ter bewaring toevertrouwd aan soldaten, wier aantal geregeld was naar gelang van de vereischten der plantagiën, achter welke die versterkingen waren opgericht

__________

(1) Essai historique, T.I , p.130.

Van dien tijd af schijnt de Kolonie minder overlast van de invallen der Boschnegers te hebben gehad (1).

Verval van de Kolonie. Pogingen tot herstel, ook van den kant der Joden aangewend. De Omwenteling.

Een vreeselijke kanker knaagde sinds ettelijke jaren aan den welstand der Kolonie, en dreigde allengs ook de nog gezonde deelen te zullen aantasten. Een gebrekkig geldelijk beheer, ongerelde uitgaven, de kostbare maatregelen tot waarborging der dikwijls aangerande veiligheid, vooral eene steeds toenemende weelde, hadden in de volksplanting geldgebrek veroorzaakt. In het moederland, waar op dat pas overvloed van gereede penningen voorhanden was, stond men bereid om de verlangde sommen voor te schieten; en de plantagiën werden op die wijs aan de vermogende ingezetenen van de Republiek ten onderpand verbonden. Voor vijftig miljoenen gulden rekent men dat de plantagiën aan rijke Nederlanders verpand waren (2). Deze staat van zaken was zeer nadeelig voor de planters, verminderde aanmerkelijk de waarde der bezittingen, en deed vele bewonders, met het verlies hunner eigene woningen, in handen vallen van de Agenten der overzeesche kantoren, terwijl hunne schulden daardoor nogtans geenzins volkomen werden uitgedelgd, wegens den verminderden stand der eigendommen.

__________

(1) Essai historique, T.I., p.135

(2) Van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, Dl. III, bl. 274

De Joden, die in de tegenspoeden deelden, hadden daarenboven nog eene andere oorzaak van verachtering te dulden, die hen sterk benadeelde: te weten, dat zij meer dan de Christenplanters het ongeluk hadden, van door vlucht of opstand, geheel of gedeeltelijk hunne slavenmachten te verliezen. Van harde behandeling en wreedheid jegens dezen kan men velen van hen geenzins vrijspreken. Er schijnt niet slechts een wederzijdsche afkeur te hebben bestaan (wij deden dit reeds opmerken) tusschen den balling uit Aziës door de Natuur meest bevoorrechte luchtstreek en den aan zijn Vaderland ontweldigden bewoner van Afika’s brandende kust; ook de Europeaan, naijverig op het bijna gelijke recht, in deze volkplanting den op Europa’s vasteland meestal gedrukten Israëliet toegekend, zag wel eens met een wangunstig dat de zaken van den te veel bevoorrechten landgenoot nederwaarts afhelden (1). Evenwel had deze zich geenzins over de Bewindhebbers der Kolonie te beklagen, vooral sedert het vertrek van den Gouverneur Nepveu in 1778. Deszelfs beide opvolgers, de Heeren TEXIER en WICHERS waren hun zelfs bij uitnemendheid gunstig; en zoo was het, dat zij door nijverheid en zorg hunne vervallene zaken weder aanmerkelijk verbeterden. Tevens trachteden de hoofden der synagoge, onder bescherming vooral van WICHERS, die de 23sten Dec. 1784 het bestuur aanvaardde, zich opnieuw tot meedere zelfstandigheid te verheffen door het invoeren van een nieuw reglement voor hunne kerkelijke instellingen, bekend onder de benaming van Ascamoth, hoedanig een wij gezien hebben, dat omstreeks dienzelfden tijd ook in het moederland in eenige vroeger min geregeld geordende gemeenten werd ingevoerd (1).

(1) Zie over het verval van de zaken der meeste Joden omstreeks het jaar 1770, het Essai historique, T.I , p. 155.

De verschillen in het Gemeenbest tusschen den Stadhouder en de stad Amsterdam gerezen waren voor de volkplanting zeer ongunstig. De Prins van Oranje achtte met reden her voordurend verblijf van eene niet onbeduidende Krijgsmacht in Suriname tegen de aanvallen der nog steeds loerende Boschnegers dringend noodzakelijk. Hollands Hoofdstad zag die behoefte niet in, en verklaarde, geenen penning in de kosten daartoe te zullen dragen. De troepen bleven echter, op dringend aanzoek der Kolonisten, en roeiden de laatste sporen van oproerigheid uit, die zich wederom in de laatste tijden was begonnen te vertoonen. Een-en-twintig dorpen of gehuchten der Negers werden verbrand, twee-honderd bebouwde velden, van welke zij hunnen voorraad erlangden, vernield, en hun meeste vermogen geknakt.

(1) De Schrijvers van het Essai historique T.I, p. 182, 183, oordeelden wel zeer ongunstig over deze hervormingen; doch het is blijkbaar dat zij, even als sommige Joden in het moederland dat zij, even als sommige Joden in het moederland, tot de vrijzinnige partij behoorden, en hun vertoog op verlangen van den Staatsminister DOHM schrijvende, uit den aard der zaak tegen de Rabbinale Joden gekant moesten zijn.

De Stadhouder had nog genoeg gezags om de geschillen, onder de ingezetenen gerezen, bij te leggen, en veroorloofde, om den handel te steunen, de vrije vaart (1). De verdiensten van het Stadhouderlijk Bestuur jegens de Koloniën van den Staat zijn, door de opgevolgde hatelijkheden, niet genoeg gewaardeerd geworden.

In de welvaart van het moederland scheen de volkplanting na den laatsten tocht tegen de Marrons wederom te zullen deelen: zij deelde, helaas! Weldra in de heillooze gevolgen van dezelfs burgertwisten. Zoowel de Christen- als de Jodenbevolking was in deze streken zeer gehecht aan het bestuur des Prinsen van Oranje, die zich als Opperbewindhebber der Oost-en Westindische Compagniën de belangen der koloniën met ijver aantrok, en een heilzaam tegenwicht uitmaakte tegen den dikwijls bekrompen koopmansgeest der Directeuren, vooral der Westindische Maatschappij. Als hoofd van de Land- en Zeemacht der Republiek, was hij de eenige persoon, die in tijd van gevaar krachtdadigen bijstand beschikken kon, en daartoe, bij onwilligheid van anderen, wel eens zijne eigene middelen bezigde. De Joodsche natie in zonderheid had groote verplichtingen aan den Stadhouder, die hare belangen zoo hier als in het moederland welwillend behartigde. Van daar, dat, toen de omwenteling van 1795 in Nederland uitbrak, men in de Kolonie geenzins geneigd was het opgeworpen Bestuur te erkennen; en dat, toen de Engelschen den uitgeweken Stadhouder wisten te belezen, om de Bevelhebbers der Nederlandsche koloniën aan te schrijven, zich onder bescherming van Engeland te stellen, deze oproeping ook in Suriname niet weinig bijval vond.

__________

(1) Van Kampen, Dl. III, bl. 335-337

Er heerschte een algemeene afkeer van de Fransche en voorkeur voor

de Engelsche heerschappij; en dit behoeft niet te bevreemden, daar de Kolonie haar eersten bloei aan den Engelschen Bewindhebber Lord WILLOUGHBY had te danken gehad, en zij gedurende den Spaanschen

Successie-oorlog niet dan moord en brandschatting van de Fransche vlootelingen had ondervonden. Van daar dat Demerary en Essequibo (alwaar zich ook, vooral sedert het jaar 1776, vele Portugesche Joden hadden gevestigd (1)), zich gaaf aan de Engelschen overleverden, op voorwaarde van, in geval van afstand bij een’ vrede, in dezelfde voorrechten te zullen blijven deelen, die aan het Engelsche volkplantingen in die streken verzekerd waren; en dat de omwentelingsgezinde MIDDERICH in de Nationale vergadering het voorstel deed, om een onderzoek te doen plaatshebben naar de Westindische koloniën en haar tegenwoordig Bestuur, terwijl hij daarbij te kennen gaf, dat men op geene goede gezindheid jegens de nieuwe Regering, in die gewesten rekenen mocht.

Het was de Vice-Admiraal VAN BRAAK met een smaldeel derwaarts henen gezonden om de ambtenaren der Republiek te ontslaan van den eed aan het Staats-stadhouderlijk Bewind gezoren, en den nieuwen te doen afleggen; maar dit had weinig invloed op de den geest der ingezetenen gehad. Intusschen was toch Suriname de schuilplaats der uitgewekenen gedurende het schrikbewind, en bleef, onder de nieuwe ambtenaren, die den eed aan het Bataafsche Gemeenebest gedaan hadden, aan het moederland, ook onder een nieuw Bestuur, getrouw(1).

__________

(1) VAN KAMPEN, Geschiedenis der Nederlander buiten Europa, Dl. 111, bl. 373, 374.

Uit: Geschiedenis der Joden in Nederland. H.J. Koenen. Utrecht, Van der Post Jr , 1843. XVIII, 520 pp. 22cm.

——————————————————————————–

Bibliografie

Jews in Another Environment: Surinam in the Second Half of the Eighteenth Century (Brill’s Series in Jewish Studies). R. Cohen. Leiden, Brill, 1991. 350 pp. Hardcover met stofomslag. ISBN: 9004093737. Nog steeds de meest toonaangevende studie naar de geschiedenis van de joden in Suriname. De vestiging van Joden in Suriname begint op het moment dat de kolonie nog in Engelse handen is. David Cohen Nassy (1612-1685) werd geboren in 1612 in Lissabon. Als gevolg van de Inquisitie vlucht hij naar Amsterdam. In 1664 vestigt hij zich met een grote groep Joden in Cayenne. Aangezien zij daar geen volksplantingen mogen opzetten vertrekken ze naar het naburige Suriname waar de grootste Joodse Volksplanting onstaat (Jodensavanne / Torarica). Nassy is auteur van Essai Historique de Colonie Suriname (‘History of the Colony of Suriname. Compiled by a company of learned Jewish men there, 1788).

Cohen beschrijft gedetailleerd de vroegste geschiedenis van Joden in Suriname. Veel van oorsprong Joodse familienamen die nu nog in Suriname voorkomen zijn in dit boek te vinden.

Geschiedenis der Joden in Nederland. H.J. Koenen. Utrecht, Van der Post Jr , 1843. XVIII, 520 pp. 22cm. Gepubliceerd door het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Uitvoerige studie over de Joden in Nederland van de middeleeuwen tot 1840. Bevat een interessant hoofdstuk over de Joden in Suriname. Waardevolle bron van informatie

The Jewish nation in Surinam: historical essays. Robert Cohen (ed.). Amsterdam: Emmering, 1982. 103pp. Voorwoord van prof. R.A.J. van Lier. Met literatuur opgave en illustraties. 20 x 25 cm. ISBN: 90-6033-521-X. Interessante bundel met bijdragen van verschillende wetenschappers. Softcover met illustratie.

Essai historique sur la colonie de Surinam, sa fondation, ses révolutions, ses progrès, depuis son origine jusqu’à nos jours, … avec l’histoire de la nation juive portugaise et allemande y établie, leurs privilèges immunités et franchises: … / le tout red. sur des pieces authentiques y ointes, et mis en ordre par les Régens & Réprésentans de ladite Nation Juive Portugaise [Mos. Pa. de Leon … et al.]. Mos. Pa. de Leon. Amsterdam : Emmering, 1968. Ongewijzigde herdruk van de 1e druk : Paramaribo, 1788. 192pp. & 197pp. 2 delen in 1 band. 23 cm.

De kolonisatie van de Portugeesch Joodsche natie in Suriname en de geschiedenis van de Joden Savanne. Fred. Oudschans Dentz [met voorwoord van H.D. Benjamins]. Amsterdam : M. Hertzberger, 1927. Frederik Oudschans Dentz 1876-1961. Herman Daniël Benjamins 1850-1933. Bibliografische referenties. 63pp. illustraties. 24cm. Zeldzame 1e druk (bij Emmering herdrukt in 1975).

De kolonisatie van de Portugeesch Joodsche natie in Suriname en de geschiedenis van de Joden Savanne. Fred. Oudschans Dentz. Amsterdam: Emmering, 1975. Facsimile uitgave van de 1e druk uit 1927. Softcover. 24cm.

Brief aan mijn moeder. Ischa Meijer (1943-1995). Den Haag: Bakker, 1974. 95pp. 22 cm. ISBN: 90-6019-324-5. Ischa Meijer, journalist en schrijver, was de zoon van Jaap Meijer (1912-1993). In het begin van de jaren vijftig vertok het gezin Meijer vanuit Amsterdam naar Suriname. In Brief aan mijn moeder beschrijft Ischa o.a. het vertrek en verblijf in Suriname. Jaap Meijer heeft verschillende publicties over het jodendom in Suriname op zijn naam staan w.o. M.J. Lewenstein’s Opperrabbinaat te Paramaribo (1857/8-1864).

M.J. Lewenstein’s Opperrabbinaat te Paramaribo(1857/8-1864). Analyse van het Surinaamse Jodendom in zijn crisisperiode. Jaap Meijer. Amsterdam: Uitgeverij De driehoek, 1957. Jacob (Jaap) Meijer (1912-1993) publiceerde onder het pseudoniem Saul van Messel poëzie. Hij was de vader van Ischa Meijer. Jaap Meijer studeerde aan het Nederlandsch Israelisch Seminarium te Amsterdam geschiedenis. Hij overleefde tijdens de Tweede Wereldoorlog het concentratiekamp Bergen-Belsen. Begin jaren vijftig vertrok hij naar Suriname waar hij zich als leraar vestigde.

Spanish And Portuguese Jews In The Caribbean And The Guianas: A Bibliography. MORDECHAI ARBELL (samengesteld door). The John Carter Brown Library, Providence / Interamericas, New York: 1992. Hardcover met stofomslag (foto Synagoge Paramaribo). Deze bibliografie is het resultaat van een 30 jarige studie naar literatuur op het gebied van de Joden in het Caraibisch gebied en de Guianas inclusief publicaties over de Joodse gemeenschap in Suriname. Onmisbaar voor onderzoek en voor elke verzamelaar. Index.

PORTUGUESE JEWS OF JAMAICA. Mordechai Arbell. University of the West Indies Press, 2001. Paperback. 229 x 152mm 104pp. A comprehensive account of the Jewish population of Jamaica and its role in the economic and cultural life of the country. Beginning in the 16th century, the author chronicles the Jews” fight for civil rights and freedoms and the ways in which they played a key role in international commerce.

The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast [3 Volumes]. GOSLINGA, CORNELIS CH. Assen. Van Gorcum & Comp. 1971. – Org. black cloth hardback, gilt lettering spine, gilt ornament front-cover, dustjacket, 1971 – 1990, 8vo.·

Vol. 1: The Dutch in the Caribbean and on the wild coast 1580-1680; xvi, 648pp. 15 illustrations, 12 maps, appendices, notes, bibliography, index.

Vol. 2: The Dutch in the Caribbean and in the Guianas 1680-1791.

Vol. 3: The Dutch in the Caribbean and in Surinam 1791/5 – 1942.

Imposante trilogie over de geschiedenis van de Nederlanders in het Caraibisch gebied en Suriname. Ook informatie over de Joodse diaspora. Goslinga schreef het meest omvangrijke historische werk over deze geschiedenis. Een must voor historici en Suriname verzamelaars. Zelden voor een complete set aangeboden. Deel 1 is praktisch onvindbaar.

Samenleving in een Grensgebied. Een sociaal-historische studie van de Maatschappij in Suriname Rudolf Jacob VAN LIER, Rudolf Asueer ‘S-Gravenhage Martinus Nijhoff, 1949 gr. in-8vo, 5 ll. + 425 p. + 1 brochure. original wrappers, Inhoud: 1) Inleiding. Hoofdstuk I. De ‘Volkplanting Suriname’. Hoofdstuk II. De Blanke Meesters. Hoofdstuk III. De Volksplanting als Slavenkolonie. Hoofdstuk IV. De Joodsche Bevolking. Hoofdstuk V. De Vrije Kleurlingen en Negers en de Positie der Gemanumitteerden. Hoofdstuk VI. De Slaven. Hoofdstuk VII. De Emancipatie en de Tijd van het Staatstoezicht. Hoofdstuk VIII. Het Regeeringsbeleid en het karakter van de periode na 1863. Hoofdstuk IX. De Economische en Sociale Veranderingen

Schetsen en typen uit Suriname. Jacq. Samuels. Paramaribo: St. Rafael Boekhandel. 1944. 94pp. 23cm. Frontispiece: portret J. Samuels. Jacques Samuels schreef begin 20e eeuw artikelen in De Surinamer en De Periscoop. In deze bundel werden verschillende volksverhalen gebundeld.

The difficult flowering of Surinam: ethnicity and politics in a plural society. Edward Dew. The Hague: Martinus Nijhoff, 1978. 234pp. 24cm. Met Bibliografie.

Frontier society: a social analysis of the history of Surinam. R.A.J. van Lier. Deventer : Van Loghum Slaterus, 1971. The Hague: Martinus Nijhoff, 1971. One chapter deals with the Jewish people of Suriname. Translation of Samenleving in een grensgebied (1949). 441pp. 25cm. Bibliografie. With index.

Geschiedenis van Suriname. J. Wolbers. Amsterdam: Emmering, 1970. 850pp, VII + I p 24cm. Bibliografie. Met register.

Negerjood in moederland. Amsterdam. ELLEN OMBRE. Amsterdam: De Arbeiderspers. 2004. Gebonden met stofomslag. 13X20,5 cm. 192pp. In 2004 verscheen de eerste roman van Ellen Ombre: Negerjood in moederland. Hoofdpersoon is Hanna Dankerlui. Haar vader is een zwarte Surinamer, haar moeder stamt af van negerjoden met een vooroudergeschiedenis op Joden Savanne, een nederzetting van Sefarden, gevlucht voor de Spaanse inquisitie. Hannah is “met familiegeschiedenis opgezadeld”. Ze zou een punt achter het verleden willen zetten en “licht door het leven reizen”, maar ze is bang dat ze zonder herinneringen uit elkaar zal vallen. De roman begint in 2000, als Hannah, een nieuwe toekomst tegemoet, haar huis in de Amsterdamse binnenstad verlaat. We blikken terug op de persoonlijke geschiedenis van Hannah en die van haar ouders. Persoonlijke geschiedenis die verweven is met de grote geschiedenis: Negerjood in moederland is het verhaal van een individu vervlochten met de geschiedenis van Suriname.

In the Shadow of the Tower; The works of Josef Nassy. Joseph Nassy. Irvine, California: MONICA C. ROTHSCHILD-BOROS, 1990’s. 36pp. Nassy (Paramaribo 1904 – 1976) was een van de vele zwarte mensen die in concentratie-kampen waren geinterneerd gedurende WOII. Gedurende vier jaar in gevangenschap (Laufen en Tittmoning) tekende en schilderde hij het leven in de kampen. Ook gaf hij les aan andere gevangen. Zijn complete verzameling werken (“IN THE SHADOWS OF THE TOWER”) is onderdeel van de permanente expositie in het National Holocaust Museum. Nassy is een van de weinige zwarte gevangen van wie zo’n enorm oevre bewaard is gebleven. Nassy, van joodse komaf, kreeg in 1929 een Amerikaans paspoort en woonde tijdens het begin van WOII in België. Zijn Amerikaanse paspoort redde hem waarschijnlijk het leven. In 1945 werd hij bevrijd. In 1976 overleed hij.

NEDERLANDERS IN BRAZILIE (1624-1654) DE INVLOED VAN DE HOLLANDSE BEZETTING OP HET LEVEN EN DE CULTUUR IN NOORD-BRAZILIE. J.A. GONSA DE MELLO. Zutphen, De Walburg Pers, 2001. De invloed van de Hollandse bezetting op het leven en de cultuur in Noord-Brazilie. Uit het Portugees vertaald door G.N. Visser. Opnieuw bewerkt door B.N. Teensma. 

De Nederlanders in Brazilie 1624-1654. C.R. Boxer. Alphen a.d. Rijn, 1977. Hardcover met stofomslag. 325pp.

Geschiedenis van de Kolonien Essequibo, Demerary en Berbice. P. M. Netsher, The Hague (1888), 14 Jan Jacob Hartsink, Beschryving van Guiana, Amsterdam: 1770.