Swart in Nederland

‘Swart’ in Nederland – Afrikanen en Creolen in de Noordelijke Nederlanden vanaf de middeleeuwen tot de twintigste eeuw

Carl Haarnack en Dienke Hondius

Door de eeuwen heen hebben veel zwarte mensen de Nederlanden bezocht. Ze verbleven  er voor korte of langere tijd. Vaak kwamen zij mee uit de Nederlandse koloniën in ‘de West’ of uit Afrika, als slaven of bedienden met hun meesters. Daarnaast waren er velen die als ‘vrije zwarten’ Nederland bezochten of er zich blijvend vestigden. Van een aantal personen zijn indertijd de levensverhalen opgetekend, of zijn portretten door kunstenaars gemaakt. In geschiedenisboeken of in musea zijn deze mensen nauwelijks te zien. Nederlandse archieven zijn vrijwel niet op dit thema ontsloten, maar recente zoektochten leverden telkens bijzonder materiaal op. Voor het schetsen van een vollediger beeld is het echter nog veel te vroeg.

Portretstudie van een zwarte bediende of muzikant – Cornelis Troost (1747)

De grootste groep bestond uit slaven en bedienden. Daartegenover staat een – voorlopig nog – heel klein groepje van Afrikaanse gezanten die hier op diplomatieke missie kwamen. Verrassender is wellicht dat er ook een heel aantal vrije zwarten is geweest dat zich hier vestigde en een leven heeft opgebouwd. Vaak zijn zij bekend doordat ze met de rechterlijke macht van doen kregen. Dat was soms goedschiks, bijvoorbeeld bij manumissie (invrijheidstelling van slaven) of bij het vaststellen van testamenten. Soms was het ook kwaadschiks, omdat ze iets op hun kerfstok hadden. Wie echter niet in aanraking kwam met justitie, is voor ons moeilijker terug te vinden en dat levert natuurlijk een vertekend beeld op. Soms weten we ook van hun bestaan doordat we ze uit religieuze (christelijke of joodse) archieven kennen. Zo waren sommige zwarten waarschijnlijk joods toen ze in Nederland kwamen. Een heel aantal anderen werd toegelaten tot kerkgenootschappen, toen ze zich in Nederland lieten dopen. Uit de achttiende eeuw zijn de eerste aanzienlijke kleurlingen bekend die zelf voor een beperkte periode naar Nederland reisden,  en/of er hun kinderen lieten studeren. Uit het artikel hofleven van Esther Schreuder blijkt dat Afrikanen aan hoven vaak show- en theatrale functies hadden. Maar ook in het burgerlijke leven hadden ze die, zoals nog zal blijken.

De eerste Afrikanen in de Nederlanden

In de vroege renaissance hadden Portugezen, Spanjaarden en Italianen als eerste Europeanen contacten met Afrikanen. De vroegste documentatie over Afrikanen die naar Portugal kwamen dateert uit 1435.(1) Afrikaanse ambassadeurs, meestal afkomstig uit koninklijke Afrikaanse families waarmee Europeanen handel dreven, waren al vroeg in Europa. (2) Toen de Portugezen handelswaar kwamen kopen in Vlaanderen, om die in Afrika te kunnen verkopen, namen ook de contacten tussen Noord- en Zuid-Europa toe. In de zestiende eeuw was eerst nog Brugge maar al snel Antwerpen het centrum van handel en diplomatiek verkeer. Italiaanse, Portugese en Spaanse handelaren en diplomaten brachten hun families en ook hun gekleurde slaven en dienaren mee. Uit notariële gegevens blijkt dat dat niet altijd zonder problemen ging.(3)  Zo kwam het voor dat slaven hun meester ontvluchtten. Een Antwerps stadsgebod uit 1516 luidde dat een premie werd uitgeloofd voor degene die ‘twee Mooren nog niet kersten wesende’ terug zou bezorgen bij hun eigenaar George de Sulco Lobo uit Portugal. Die toevoeging over hun ongedoopt zijn, was niet zonder belang. Christenen konden officieel namelijk niet tot slaaf worden gemaakt. Maar christelijke, vrije zwarten leefden niet zonder gevaar. Een Antwerpse koopman beweerde voor de notaris dat ene Balthasar de Moor  een gevluchte slaaf was. Balthasar ontkende dat en zond een request aan de stad waarin hij verklaarde geboren te zyn uyt de Indien van Portugael van Cristen ouders’. Interessant is dat deze man blijkbaar zijn weg had weten te vinden naar de notaris en het juridische apparaat. Of het hem heeft gered, weten we niet.

Vrij was ook Antoon Rodrigues, een ‘negro oft moriaen’. In 1566 krijgt hij een getuigschrift van goed gedrag waarin staat dat hij 24 jaar in de stad heeft gewoond en gewerkt heeft als verwer (huisschilder).(4)

Justitie ging niet altijd even consequent om met slavernij, aldus J.A. Goris.(5) Een slaaf met het brandmerk P en M op zijn kaken was in maart 1532 zijn eigenaar, de Portugese handelsvertegenwoordiger in Antwerpen, ontvlucht. Die verzocht de overheid de slaaf te laten arresteren en terugbezorgen, maar de overheid oordeelde anders. Omdat slavernij in de Lage Landen niet bekend was, achtte ze het verzoek niet ontvankelijk. Het was soms weer wel mogelijk om slaven te hebben en te verkopen. Op 24 mei 1540 verkocht de Portugese koopman in Antwerpen Diego Alvares de achttienjarige slaaf Duarte aan de Genuees Jeroom Massa, hoewel de jongen sinds enkele dagen onvindbaar was. De twee kooplieden regelden voor de notaris hoe het eigendomsrecht zou vallen als hij werd teruggevonden. Het is duidelijk dat justitie niet wist hoe met zwarte slavernij op eigen bodem om te springen. Dat geeft aan dat het gegeven nieuw was en waarschijnlijk nog niet veel voorkwam. Ook is wel duidelijk wie Afrikanen in Antwerpen introduceerden: de kooplieden uit Italië en van het Iberisch schiereiland.

Katherina (1521)

Het vroegste portret van een zwart persoon uit Antwerpen komt ook juist uit dit milieu: Katherina, de twintig jaar jonge zwarte bediende van João Brandão, handelsvertegenwoordiger van de koning van Portugal te Antwerpen. Albrecht Dürer tekende haar in 1521 toen hij bij de familie logeerde en noteerde de gebeurtenis in zijn dagboek.(6)

Op het huidige Nederlandse grondgebied vinden we de eerste berichten van Afrikanen in Zeeland. In november 1596 kwam een groep van 130 ‘Mooren’ onverwacht aan in de haven van Middelburg. Deze Afrikanen waren van een Portugees schip gekaapt door een Zeeuwse kapitein en meegenomen naar Zeeland. De Staten van Zeeland besloten dat ze daar niet als slaven mochten blijven: deze ‘veele Mooren, zoo Mans als Vrouwen ende Kinderen’ waren ‘alle gedoopte Christenen’, en daarom moesten ze ‘in heure vrye liberteyt’ worden gesteld.(7) Er kwam een kijkdag, en wie beloofde hem of haar christelijk op te voeden, mocht een Afrikaan meenemen.Zover kwam het voor de meesten echter niet, want binnen twee weken kreeg de kapitein, die bij de Staten-Generaal protesteerde tegen dit besluit, voor elkaar dat hij ze alsnog naar ‘West-Indien’ mocht vervoeren, hoogstwaarschijnlijk om ze daar te verkopen.(8) In deze tijd werden meer Zeeuwen, waaronder ook Statenleden, actief in de slavenhandel. Er blijken meer ‘moren’ in Middelburg te zijn geweest. Zo was er op 28 mei 1591 ‘eenen moor diemen niet can verstaen’ in het Gasthuis, waar armen en zieken worden opgevangen. Bijna twee jaar is hij daar gebleven. Twee jaar later kwam er ook ‘een mooriaen genaemt ioors’ en een ‘moorinne met kind’ in het gasthuis. Volgens het ‘register van de doode lichamen derghenen die op de kerckhoven begraven syn’ waren er in Middelburg van 4 januari tot 3 maart 1597 niet minder dan negen ‘mooren wt Indie’ ter aarde besteld.(9) Hoe deze mensen in Middelburg kwamen en wat ze daar deden is onbekend. Wellicht waren er uit Antwerpen gevluchte slaven bij, of kwamen ze van het eerder genoemde schip.

In Vlissingen kwam in of vlak voor 1629 ook een groepje Afrikanen aan dankzij de kaapvaart. Zij waren onderweg vanuit Pernambuco in Brazilië naar Viana do Castelo in Portugal toen hun schip werd gekaapt door een zekere kapitein Jacob, die hen naar Vlissingen bracht. Deze vijf Afrikaanse mannen en drie vrouwen woonden ten minste drie maanden samen met hun Portugese eigenaar in Amsterdam.(10)

Slaven en bedienden in de joodse gemeenschap van de 17de eeuw

Door de handel nam de rijkdom in de steden van Holland en Zeeland in de loop van de zeventiende eeuw sterk toe. De VOC (vanaf 1602) en de WIC (vanaf 1621) gingen nu directe banden aan met volken in de Afrikaanse kuststreken. Ook in Brazilië, Guyana’s en het Caribische gebied ontstonden handelscontacten. Na enige discussie kwam in de loop van de zeventiende eeuw de Hollandse slavenhandel op gang die zou aanhouden tot in de negentiende eeuw. Door deze ontwikkelingen zou er, volgens de huidige gegevens tenminste, langzaamaan een verschuiving plaatsvinden in de herkomst van zwarten in de Nederlanden. Zeker tijdens de eerste helft van de zeventiende eeuw kwamen de meesten naar de Republiek met de Portugese handelsfamilies. (11) In de achttiende eeuw kwamen de Afrikanen veel vaker uit Suriname en de Antillen. Voor zover we weten kwam toen nog slechts een enkeling rechtstreeks uit Afrika. In het begin van de zeventiende eeuw woonden er tientallen Afrikaanse mannen en vrouwen in Amsterdam die in dienst waren van Portugese en Spaanse kooplieden, een trend die te volgen is tot aan het begin van de achttiende eeuw.(12) Soms waren dat slaven, soms vrije bedienden. Er waren ook gemengd gehuwden.(13) Ook uit Amsterdam zijn er weer aanvaringen met justitie bekend waardoor deze zwarten überhaupt in de archieven geboekstaafd zijn. Hun huidskleur wordt dan expliciet vermeld. In 1612 had de Portugese Abraham Catton samen met een zwarte man of mulat papier – toen veel kostbaarder dan nu – gestolen uit een pakhuis. In datzelfde jaar had Domingos, de zwarte slaaf van Francisco Lopez Henriques, zich laten aanzetten zijn meester te bestelen door ene Liesbeth die in een kelder aan de Breestraat woonde.(14)

Ook een geval van geweldpleging bereikte de archieven. Op vrijdagavond 5 juni 1620 viel een zwarte man, Abraham genaamd, bij de synagoge in Amsterdam mensen aan, in het bijzonder Isaac Spinosa. Hij sloeg hem in het gezicht terwijl hij riep: ‘Ghij sult het ontgelden!’(15) Maar er waren ook vertrouwensrelaties. Dat sommige bedienden bijzonder geliefd waren, blijkt uit de door archivaris Lydia Hagoort gevonden grafsteen van de ‘bom servo’ (goede bediende/slaaf) Eliezer, die in 1629 overleed en een graf met steen kreeg tussen de prominente oprichters van de Portugeesjoodse gemeente, wat heel bijzonder was.(16) Iets eerder, in 1622, machtigde de zwarte 27-jarige Marguerita Fonço twee Portugese joden om haar loon te innen over een periode van zes jaar uit de nalatenschap van Felipe de Saa waar ze al die tijd had gediend, maar blijkbaar niet was betaald. Marguerita was dus evident geen slavin, maar een vrije zwarte vrouw in (slecht betaalde) loondienst. Er zijn wel meer vrije zwarte vrouwen gedocumenteerd.

In 1657 manumitteerde David Nassy een zwarte vrouwelijke slaaf die vervolgens Nassy’s dochter naar Cayenne moest begeleiden.(17) Wellicht werd de vrouw daarvoor betaald of werd anderszins in haar levenonderhoud voorzien. Het lijkt er in ieder geval op dat het vrijkopen hier een middel was om trouw te genereren. Hoeveel zwarte slaven en bedienden woonden in de zeventiende eeuw in Nederland? Daarover zijn nog maar weinig kwantitatieve gegevens. Uit het baanbrekende onderzoek van Hagoort blijkt dat tussen circa 1620 en 1710 tientallen zwarten en mulatten begraven werden op het joodse kerkhof Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel.(18) Voorlopig lijkt de grootste groep zwarte slaven en bedienden dus gerelateerd aan de joodse gemeenschap. Daarbuiten zijn slechts enkele sporen te vinden. Aan het Haagse hof werkte halverwege de jaren zestig een  ‘Jan Dam de Moor’ als lakei.(19)

Portret van Thomas Hees (1634-1692) met zijn bediende Thomas

Bijzonder is Thomas, een van de weinige zwarte slaven in de Nederlanden van wie we de naam kennen en een portret hebben, al weten we bijna niets van zijn leven. Hij is vereeuwigd als slaaf door Michiel van Musscher op een portret van zijn eigenaar Thomas Hees, naar wie hij genoemd was, met diens twee neven uit 1687. Achterop het doek staan zijn naam en leeftijd, zeventien jaar, geschreven. Waar schijnlijk kwam hij uit Noord-Afrika, waar Thomas Hees tussen 1675 en 1685 namens de Staten-Generaal driemaal onderhandeld heeft over vredes- en handelscontracten en over de verlossing van christenslaven.(20) De slaaf Thomas draagt een tulband en livrei van een grijze stof. Om zijn hals heeft hij een ‘slavenband’ die meer een – afschuwelijk – modeattribuut dan een functioneel strafmiddel was en die zijn slavenstatus aangeeft. Of slaven en bedienden werkelijk gekleed gingen zoals Thomas is niet helemaal zeker, maar wel waarschijnlijk. De livrei werd in deze tijd althans gedragen door bedienden in de allerduurste kringen. Eerder in de zeventiende eeuw droegen ze minder luxueuze, meer westerse kleding.(21 )

Slaven en bedienden uit de West in de 18de eeuw

De tot dusver bekende gegevens uit de achttiende eeuw betreffen meestal Suriname, dat vanaf 1667 in Nederlandse handen was. In de achttiende eeuw kwam een relatief druk verkeer van personen tussen Nederland en Suriname op gang. Dankzij nieuw onderzoek van de historicus Dirk Tang weten we hoeveel zwarte mensen vanuit Suriname naar Nederland kwamen tussen 1729 en 1775.(22) Hij heeft becijferd dat in die tijd ten minste 456 donkere mannen, vrouwen en kinderen enige tijd in Nederland verbleven. Het waren 216 mannen, 161 vrouwen, 65 ‘negerjongens’, negen ‘vrije mulatten-meisjes’, en vijf ‘kinderen’ (waarschijnlijk nog heel jong, bij hun moeder). Dat waren dus niet allemaal slaven. Ook waren er enkele indianen (minder dan tien) en ‘mulatten en mulattinnen’ (minder dan tien) bij. Opmerkelijk is dat alleen ‘vrije mulatten-meisjes’ genoemd werden als passagiers op de schepen van de Sociëteit van Suriname: andere meisjes niet.

Over een periode van 46 jaar reisden er dus gemiddeld zo’n tien donkere personen per jaar tussen Suriname en Nederland: het blijft een beperkt aantal.(23) Hoe lang zij in Nederland verbleven en waar, weten we nog niet. De Sociëteit van Suriname was in Amsterdam gevestigd en daar gingen deze schepen ook allemaal heen. Dat betekent nog niet dat de meeste zwarte mannen en vrouwen dan ook permanent in Amsterdam bleven.

De schrijver Herlein vertelt in zijn Beschryvinge van de Volksplanting Zuriname (1718) dat een zwarte slavin door haar meester was meegenomen naar Amsterdam en daar zeven jaar woonde. Hoewel ze daar ook de gereformeerde belijdenis had gedaan, koos ze ervoor om terug te keren naar Suriname.(24) Slavenhouder P.J. Kulenkamp vertrok in 1743 uit Suriname met de slaven Monkje en Anthonie naar Amsterdam. De slaven keerden binnen vijf maanden alleen in Paramaribo terug.(25) Plantage-eigenaar J. van Sandick vertrok eveneens in 1743 met vier slaven vanuit Paramaribo naar Amsterdam. Twee van hen, Nanette en Samson, keerden na zestien maanden met hun meester terug naar Suriname. Een derde, Crispijn, kwam na twee jaar alleen terug, en van de vierde, Angelika, vinden we niets terug. Misschien is zij in Amsterdam overleden of bij terugkeer slechts als ‘slavin’ vermeld.(26)

Jan van Ransdorp, een ‘Afrikaansche Moor’, werd op 16 april 1758 gedoopt in het dorp Ransdorp boven Amsterdam. Hij was als lijfeigene uit Suriname  meegenomen door dominee Lambertus Doesburg, die predikant in Paramaribo was geweest. Jan van Ransdorp is naar Suriname teruggekeerd, heeft er kinderen gekregen en is er overleden.(27)

Uit Curaçao kwamen ook regelmatig slaven naar Nederland. Maria Kock en Cornelis Star Lichtenvoort bijvoorbeeld, de eigenaren van het landgoed Welgelegen bij Kleinemeer, brachten in 1764 twee slaven van hun Curaçaose plantage Rozetak mee naar Nederland.(28)

Soms kwamen bedienden vanuit andere Europese landen. Ukawsaw Gronniosaw (ca. 1705 –1775) reisde met aanbevelingsbrieven van zijn voormalige, Engelse, meester van Londen naar Amsterdam, waar hij bij een zeer rijke koopman ging werken als butler. Die koopman behandelde hem meer als vriend dan als bediende. Na twaalf maanden in Amsterdam kreeg hij heimwee naar zijn liefje in Londen. Een aanbod om te trouwen met een dienstmeid van zijn werkgever kon hem niet op andere gedachten brengen.(29)

Ook in de achttiende eeuw kwamen sommige zwarten in aanraking met justitie. In Leeuwarden woonde in 1679 Louis de Moor, ‘jonge van de captein Hamerstein’. Vanwege ‘grote moetwille ende goddelose actien’ werd hij tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld.(30)

De ‘swartin’ Christina werd op 14 september 1768 veroordeeld tot twee jaar opsluiting in het Spinhuis. Dit gebeurde op verzoek van haar meester Adrianus van der Geugten en zijn echtgenote Christina Hendriks van Suchtele. Volgens hen liep Christina telkens van huis weg en hield ze er een ‘seer slechte en onbetaamelijke leevenswijze’ op na.(31) De onduidelijkheid over de juridische status van deze mensen – waren ze slaaf? Kwamen ze in Nederland vrij? Onder welke voorwaarden? – bleef bestaan. Enkelen wisten de wegen in de bureaucratie te vinden waarlangs ze in vrijheid konden komen.

Slaaf Coridon had bijvoorbeeld de zoon van zijn meester Duplessis in 1742 naar Amsterdam begeleid. Daar aangekomen meende hij geheel vrij te zijn en trad in dienst bij de Pruisische gezant in Amsterdam.(32) Van ruim honderd jaar later dateert een vergelijkbaar geval. In 1847 reisde mevrouw Rengers, dochter van gouverneur Van Raders van Curaçao, naar Nederland met haar slavin Virginie. Bij terugkeer in de West claimde deze Virginie haar vrijheid omdat zij in Nederland was geweest. Zij verkreeg die vrijheid inderdaad, en wel, schrijft S.E. Preedy, op basis van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek: ‘Al die zich op het grondgebied van den staat bevinden zijn vrij en bevoegd tot het genot der burgerlike regten.’(33)

Sommige slaaf-bedienden wisten op te klimmen en slaagden erin een zelfstandig leven op te bouwen. In het Friese dorp Dongjum werd in 1770 een uit Berbice (nu in Guyana) afkomstige ‘neger’ gedoopt. Hij was als beloning van de Compagnie voor zijn ‘trouw en dapperheid’ uit slavernij ontslagen, een vrij man geworden en in Friesland terechtgekomen. Zijn nieuwe doopnaam werd Matthys Carel Willems.(34)

En Quaco (ca. 1760-na 1791) was de lijfknecht van Schots-Nederlandse avonturier John Gabriel Stedman, de belangrijkste chroniqueur van het achttiende- eeuwse Suriname. In 1777 ging hij mee met Stedman toen die terugkeerde naar Nederland. Quaco vond er werk als butler van de gravin van Roosendaal.(35)

Cupido,  door Isaac Lodewijk la Fargue van Nieuwland (1770 – Rijksmuseum)

Nog beter verging het Cupido, die halverwege de jaren zestig aan het hof van Willem V terechtkwam. Omstreeks 1802 bleek hij in Duitsland te wonen, getrouwd te zijn en een dochter te hebben. Nadat hij en zijn vrouw overleden waren, keerde zijn dochter naar Den Haag terug en werkte waarschijnlijk bij modehandelaar Santor (zie ook artikel hofcultuur Schreuder).(36) Huwelijk en handel waren voor wel meer zwarte (voormalige) slaven of bedienden weggelegd.

Adriaan Bredehoff en Tabo Jansz

In Hoorn woonde Tabo Jansz, een zwarte jonge bediende van de Hoornse  regent Adriaan van Bredehoff 1672 –1733. Van Bredehoff liet in zijn testament zijn ‘swarte jongen’ 12.000 florijnen na. Tabo trouwde met een Nederlands meisje, Wolmetje Bakkers, opende een tabakswinkeltje in Oosthuizen en veranderde zijn naam in Adriaan de Bruijn.37 Christiaan Congo Loango was in 1769 geboren in Centraal Afrika, werd tot slaaf gemaakt en naar Suriname vervoerd. Kapitein Joan van Woensel 1740 –1816 nam Congo Loango in 1782 in dienst en nam hem later als lijfknecht mee naar Nederland. Daar woonde hij in Den Haag op de Veerkade, werd vermoedelijk gemanumitteerd, trouwde met een Nederlandse vrouw en werkte als ‘oppasser’. In 1829 ontving hij van het stadsbestuur, op verzoek van zijn toen 46-jarige echtgenote, ‘onderstand’ (steun) omdat hij blind en ziek was geworden. Zij beschreef hem als ‘een zeer braaf man, zijnde een neger uit Congo […], hij is tot nu toe oppasser geweest doch thans is hij blind, in de 60 jaren oud, en van zijn 16e jaar af in dit land geweest; ook is hij met rhumatieke pijnen gekweld.’(38)

Wie een nog hogere leeftijd bereikte was Susanna Dumion 1713 –1818. Dat was een zwarte vrouw die in Haarlem leefde. Ze was ongehuwd, woonde op de Kleine Houtstraat en werd maar liefst 105 jaar. Ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag werd haar portret getekend. Had zij deze hoge leeftijd niet bereikt, dan hadden we waarschijnlijk nooit van haar gehoord.(39)

Uit de levens van Susanna Dumion, Christiaan Congo Loango, Cupido, Quaco, Tabo Jansz en de anonieme ‘neger’ uit het Friese Dongjum blijkt wel dat niet alle zwarten in Amsterdam aankwamen of bleven. Toch lijkt het erop dat die stad wel de grootste populatie huisvestte. Aan het eind van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw woonden in Amsterdam veel mensen met een donkere huidskleur. Veelzeggend is Fokke Simonsz beschrijving van een operavoorstelling van Paul en Virginie (naar een roman van Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre uit 1787), gehouden in het lokaal Den Ooijevaar in Amsterdam op de Sint Antoniebreestraat in 1801. Weliswaar werd de rol van de zwarte slaaf gespeeld door een blanke, maar de ruimte was behalve met de gebruikelijke (blanke) toeschouwers ‘met een groot aantal Zwarten en Mooren voorzien, zoo dat het scheen dat alle de Zwarte dienstboden uit geheel Amsterdam aldaar voor dien avond hun beurs hielden.’(40)

Vrije zwarten: een Afrikaans  gezantschap in de jaren veertig van de zeventiende eeuw

Behalve zwarten die als slaaf/bediende naar de Nederlanden kwamen en daar soms hun vrijheid verkregen, waren er ook zwarten die hier in alle vrijheid en uit eigen wil aankwamen. Zo arriveerde via Brazilië een gezantschap van de heerser van Sonho in Congo (en gedeeltelijk in het tegenwoordige Angola) in 1643 –1644 in de Republiek. Ze bezochten hier stadhouder Frederik Hendrik en vertegenwoordigers van de WIC, met wie over de slavenhandel werd onderhandeld.

Dom Miguel de Castro

Een anonieme schilder portretteerde halverwege de jaren veertig een van hen, waarschijnlijk Dom Miguel de Castro, met twee van zijn bedienden. Olfert Dapper beschreef later hoe de Congolezen bij een van de ontvangsten in Amsterdam dans, gevecht en ’s konings majesteit demonstreerden:‘Zy wisten wonderlyke danzen en sprongen te doen, met degens yzelyke schermutselingen aen te rechten: zy vertoonden, om d’ onzen daer zy by ter maeltyt waeren, te vermaecken, op wat wijze hun Koning op zynen throon zit, en zijn Majesteit met lang zwijgen doet blyken. Desgelyx hoe d’ inwoonders hunnen Koning nae de wijze der heidenen aenbidden, en eerbiedigheit doen bewijzen.’ Dom Miguel de Castro woonde ook nog een katholieke mis bij in een ‘Kapucijnenkerk’ waar hij enkele hosties meekreeg voor gebruik in Congo, waarvan  de heersers onder invloed van de Portugezen in de zestiende eeuw tot het katholicisme waren overgegaan. (41) Dat dit het enige Afrikaanse gezantschap is dat in de vroegmoderne tijd de Nederlanden bereikte, lijkt niet erg waarschijnlijk. Er waren immers ook contacten met Noord-Afrika. Structureel onderzoek naar Afrikaanse diplomatieke missies en de Nederlanden is echter nog niet gedaan.

Vrije zwarten in de zeventiende en achttiende eeuw

Over de status van gezanten bestond natuurlijk geen twijfel. Het waren diplomaten, gasten van de Republiek of haar lichamen en ze zullen vermoedelijk goed zijn verzorgd. Problematischer was dat met de ‘gewone’ man/vrouw, dat bleek al in Antwerpen in de zestiende eeuw. Op het grondgebied van de Republiek der Nederlanden bestond officieel geen slavernij, en dat roept steeds opnieuw de vraag op wat de status is van slaven die met hun meester uit Suriname, de Antillen of West-Afrika kwamen. In 1776 werd bij wet vastgelegd dat slaven na een verblijf van zes maanden in Nederland vrijgelaten moesten worden. Of hierin consequent werd gehandeld is onderwerp voor verder onderzoek. Zeker is dat al vrij vroeg in de zeventiende eeuw vrije zwarten zijn gedocumenteerd. Een bijzondere groep vormen zeven vrije zwarten, vijf vrouwen en twee mannen die in 1632 samen met hun kinderen een kelder of souterrain aan de Jodenbreestraat bewoonden. We hadden waarschijnlijk nooit van hen gehoord als ze niet betrokken waren geraakt bij een vechtpartij waarover een Portugese koopman zich beklaagde en een aantal ooggetuigen verklaringen liet geven. Daaruit bleek dat deze groep Swartinnen ende Swarten’ onafhankelijk was: ze waren bij niemand in dienst, ze waren niemands eigendom. Een van de vrouwen, de dochter van Francisca, had eerder in Hamburg gewoond, waar ze wegens diefstal van eigendom van haar Portugese baas – toen nog als slavin – was veroordeeld tot ophanging, maar op het laatste moment door diezelfde baas vrijgekocht. Daarna was ze naar Amsterdam gekomen. De getuigen bij de notaris verklaarden dat de groep veel overlast veroorzaakte en zich bezighield met diefstal, bedriegerij en prostitutie. (42) Deze stukken maken ook duidelijk dat toen al een onafhankelijk leven voor zwarte mannen en vrouwen in Amsterdam mogelijk was.

Twee jonge afrikanen (1661)
Rembrandt (1606–1669)

Rembrandt woonde en werkte juist in deze tijd in de Jodenbreestraat, en het is waarschijnlijk dat hij deze zwarte buren vlakbij, op straat, gezien en gekend heeft.(43)  De zeventiende-eeuwse gegevens over vrije zwarten zijn uiterst schaars. Over de achttiende en negentiende eeuw weten we meer. De meeste vrijen komen dan uit Suriname waar ze zijn gemanumitteerd.

Uit onderzoek van Jean Jacques Vrij blijkt dat het aantal manumissies niet gering was. Voor de periode 1760 –1826 schat hij het aantal gemanumitteerden in Suriname op 4000. Dat komt neer op zo’n zestig per jaar en dat was aanzienlijk op een vrije bevolking van 5 à 7000 zielen.(44) Het is niet altijd duidelijk wat deze vrijen naar Nederland voerde. Johannes West was een ‘vrije neger’, die in april 1759 met het schip Vrouw Magdalena uit Suriname naar Amsterdam reisde.(45) In een enkel geval liet een vrije gekleurde zich door een slavin vergezellen naar Nederland, zoals Ester van Paracabo in 1779 door haar slavin Saraatje.(46)

Engelse Kerk, Begijnhof Amsterdam (Amsterdam Museum)

Van Lea Parijs weten we alleen dat ze een vrijgelaten slavin was van Anthony Meertens en Johanna Hendrina Catharina Mengarde. Ze liet zich op 2 mei 1802, 42 jaar oud, dopen in de Engelse Kerk op het Begijnhof in Amsterdam.(47) Van de voormalige slaaf Coffy weten we wel wat hij kwam doen: de Sociëteit van Suriname bedanken voor zijn vrijlating en inkopen doen voor zijn vroegere meester Raije. Die had hem in 1736 in Suriname vrijgelaten omdat Coffy gouverneur De  Cheusses tijdens diens ziekbed zo goed verzorgd had. In Amsterdam werd Coffy lid van een kerkgenootschap en  ging in het vervolg als Jan van Breukelerwaard door het leven, genoemd naar het landgoed in Utrecht van Raije, die nu de nieuwe gouverneur van Suriname was geworden.(48)

Quassie (Stedman, 1796) 

Ook Quassie van Nieuw Timotibo kwam hier om  koloniale zaken te regelen. Quassie is de beroemdste ‘kruidendokter’ en ‘lukuman’ (waarzegger) uit de Surinaamse geschiedenis. Hij werd geboren rond 1692 in West-Afrika, tot slaaf gemaakt en naar Suriname gebracht. De gouverneur en plantagehouders consulteerden hem regelmatig over de gewapende strijd tegen de weggevluchte slaven (marrons) en over zwarte magie. Als beloning voor deze hulp werd Quassie in 1755 vrijgemaakt. Op 28 februari 1776 vertrok hij met een vrouw en een knecht naar Amsterdam. Bij een bezoek aan de directeuren van de Sociëteit van Suriname, in het Stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam, beklaagde hij zich over de geringe beloning die hij voor zijn diensten had ontvangen. Op 21 mei 1776 ging Quassie op audiëntie bij stadhouder Willem V van Oranje. Hij ontving een rotting met zilveren knop, een ringkraag met het wapen van de Sociëteit, een gepluimde hoed, een stijve rok, een degen en een zwaar vergulde plaat met daarop de inscriptie: ‘Quasje getrouw voor de blanken’. Met die kleding werd hij in Suriname geportretteerd door Stedman.(49)

Jacobus Capitein was een ex-slaaf, die de slavernij verdedigde. Zijn studie theologie rondde hij in 1742 af met een thesis waaruit volgens hem bleek dat de slavernij niet in strijd was met de christelijke leer. 

Van een aantal vrijen weten we dat ze in Nederland gingen studeren; sommigen kwamen daar uitdrukkelijk voor, anderen kwamen toevallig en kregen er, eenmaal hier, de gelegenheid voor. Dat laatste overkwam Jacobus Eliza Johannes Capitein 1717 –1747. Handelaar Jacobus van Gogh nam bij zijn terugkeer in 1728 naar Nederland Jacobus, elf jaar oud, mee uit West-Afrika en liet hem in Den Haag naar school gaan. Capitein leerde onder meer schilderen en Latijn. Zijn talent voor studeren viel op en hij werd in staat gesteld in Leiden theologie te studeren. Capitein rondde die studie in 1742 af met een werkstuk waarin hij verdedigde dat de slavernij niet in strijd was met de christelijke leer. De Westindische Compagnie hoorde dit graag, en gaf hem toestemming om als eerste zwarte protestantse dominee in dienst van de WIC naar het fort Elmina (in het huidige Ghana) te gaan. Hij begon daar een schooltje en ontmoette er een Afrikaanse vrouw waarmee hij wilde trouwen. De WIC wilde daar niet van weten en stuurde hem een Hollandse vrouw uit Den Haag, Antonia Ginderdros. Kort daarop overleed Capitein, dertig jaar oud.(50)

Een opleiding kreeg ook mejuffrouw Balk, dochter van de vrije negerin Kaatje, op een kostschool in Amsterdam. Zij is hoogstwaarschijnlijk uitgetekend door Christiaan Andriessen 1775 –1846 die van 1 januari 1805 tot eind 1808 een getekend dagboek bijhield.

Christiaan Andriessen (“Timor mortis conturbat me”)

Bij Andriessen, in het huis van zijn familie aan de Amstel, woonde als kostganger ook ‘een donkere jongeman’: Louis Zamore van Wicky. Die stierf plotseling op 20 juli 1805 na twee dagen hevige koorts.(51) Dat er vrije kinderen naar Nederland werden gestuurd voor studie vertelt ook E.J. Bartelink 1834 –1919, die als mulat een positie als opzichter had op de Surinaamse plantage Zeezigt. In zijn memoires schreef hij over een ‘waschvrouw’ die ‘bij een der vorige directeurs van de plantage een zoon had gekregen. De vader had het kind van de plantage gekocht, het vrijdom geschonken en het later voor studie naar Holland gezonden, waar de jongen goed slaagde.’

Diorama van Schouten met een voorstelling van plantage Zeezigt, detail  (collectie Rijksmuseum)

Een andere plantagedirecteur ‘was mij zeer toegenegen, hetgeen ik toeschreef aan het feit dat hij kleurling-kinderen, twee jongens, had, van wien hij zeer veel hield. Hij heeft ze een goede opvoeding laten geven en zij hebben in de Oost zoowel als in Holland later aanzienlijke plaatsen ingenomen.’ Bartelink zond zelf ook zijn oudste zoon voor studie naar Nederland.(52)

Een bijzonder geval was Jan Elias van Onna 1766 –1822. Hij werd als slaaf geboren. In 1773 werd hij vrijgelaten en in 1779 kreeg hij een baantje bij een belangrijke administrateur, van waaruit hij zijn rijkdom eigenhandig wist op te bouwen. In 1787 vertrok hij vanuit Suriname naar de Republiek waar hij zich bekwaamde in de notariële en rechtskundige praktijk. In 1790 keerde hij terug naar Suriname en ontwikkelde zich tot administrateur van in totaal 32 plantages. Dit was een buitengewoon lucratieve functie die hem tot tien procent van de opbrengsten van de plantages opleverde. Wij zouden hem nu een ‘self-made man’ noemen. Zelf bezat hij de suikerplantage Kroonenburg en de houtgronden Duisburg, Onverwacht en Flora. Hij had toen meer dan honderd slaven.(53)

Aquasi Boachi met zijn kinderen op Java. Links Aquasi junior en rechts Quamina Aquasina (1900)

Wie ook in Nederland studeerden en er een deel van hun opvoeding kregen, waren de Ashantiprinsjes Kwasi Boachi en Kwame Poku. Zij kwamen op tienjarige leeftijd, in 1837, naar Nederland en belandden in hoge kringen. Boachi werd lid van een exclusieve studentenvereniging, studeerde mijnbouwkunde in Delft en Duitsland en ging in 1850 als ingenieur naar Nederlands-Indië. Daar werd hij planter. Hij stierf te Buitenzorg bij Batavia (nu Jakarta) in 1904. Kwame Poku ging al eerder terug naar West-Afrika waar hij soldaat werd, maar in 1850 jong stierf.(54)

Met een hooggeplaatst lid van de Surinaamse gemeenschap verliep het wat minder soepel. In 1767 werd in Suriname Jeboa, zoon van het Aucaanse stamhoofd (granman) Jakje, door de Kerkeraad van Paramaribo voor zijn opvoeding naar Amsterdam gestuurd. Hij woonde in drie verschillende particuliere kosthuizen, maar raakte overal in de problemen.Hij was niet tevreden over het voedsel, eiste meer vrijheden, meer zakgeld en betere kleding. Tenslotte kreeg hij een vriend die hem op het verkeerde pad bracht, ‘[…] Hem bedriegelijke Handelinge heeft ingeboesemt, als op diverse plaatsen te gaan koopen, hier een paar Vrouwenmuylen, daar zijde Zakdoeken, alsmede een silver Sakhorlogie dat verkwanselt is, behalve nog meer andere bekent en onbekent, daarenboven alle zijn beste Kleeren in de Lombert is gaan versetten om overvloed van penningen te verkrijgen en die te verdoen.’ Zijn onderhoud kostte 650 gulden per jaar. Tenslotte besloot de Kerkeraad Jeboa terug te sturen.(55)

Rijke kleurlingen

Uit vrije wil naar Nederland reizen en daar enige tijd verblijven kostte geld. Het waren dus alleen de allerrijkste vrije zwarten die zich zoiets konden permitteren. Opvallend is, dat in die kleine groep veel kleurlingen voorkomen. Elisabeth Samson (Paramaribo 1715 –1771) is zonder twijfel de meest bekende vrije zwarte vrouw uit Suriname. Haar moeder Nanoe was de concubine van een plantagedirecteur. Na zijn dood werd Nanoe door haar eigen kinderen, die al eerder gemanumitteerd waren, vrijgekocht. Elisabeth was het zevende kind en werd in vrijheid geboren. Van 1737 tot en met 1739 verbleef zij in Nederland waar zij een veroordeling wegens laster met succesaanvocht. Elisabeth woonde van 1751 tot 1762 in Paramaribo samen met een Duitse legerkapitein, Carl Otto Creutz. Na zijn dood wilde ze trouwen met de koster van de Gereformeerde Kerk, Christoph Braband. In februari 1764 deed ze aangifte van het voorgenomen huwelijk. Hoewel blanke plantagedirecteuren ongestraft kinderen verwekten bij slavinnen, was raciale vermenging officieel niet toegestaan. Het huwelijk werd verboden door de Raden van Politie, het hoogste bestuursorgaan. Elisabeth besloot zich opnieuw te wenden tot de Staten-Generaal in Nederland, dit keer om het verbod op het huwelijk met Braband aan te vechten. De Staten-Generaal besloten na drie jaar dat er geen wettelijke gronden zijn om een gemengd huwelijk te verbieden. Helaas was Braband toen al overleden. In 1767 trad zij in het huwelijk met Hermanus Daniel Zobre. Elisabeth had verschillende koffieplantages, slaven en enkele huizen. De waarde van haar bezittingen werd geschat op ruim een miljoen gulden. In april 1771 stierf Elisabeth Samson in Paramaribo, 55 jaar oud.(56)

Geparenteerd aan Samson was Susanna Hanssen, een vrije en zeer welgestelde kleurlinge die werd geboren in 1750 in Suriname. Zij woonde samen met haar broer Philip Samuel Hanssen in Nederland ‘voor goede opvoeding’. Ze leerde er haar vreemde talen spreken en pianospelen. Susanna’s grootvader was een broer van Elisabeth Samson.(57) Susanna zelf was de moeder van de beroemde kunstenaar Gerrit Schouten 1779 –1839.

Een bijzonder voorbeeld van een gekleurde familie die groot aanzien genoot en schatrijk werd, ook door de slavenhandel, is de familie Rühle. Jacob Rühle werd op 20 april 1761 samen met zijn broer Jan gedoopt in de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam. Zijn vader was Antoni Rühle, een Duitser in dienst van de WIC; zijn moeder, Jaba Botri, was Afrikaans. Jacob werd magazijnmeester bij de WIC en had de leiding over personeel en voorraden (inclusief slaven). Hij maakte privéfortuin in de slavenhandel en was rond 1790 de belangrijkste financier van het Nederlandse bestuur in Afrika. De familie had ook grote bezittingen en handelsbelangen in Suriname.(58)

Jan Wicherides, zoon van goeverneur Jan Wichers van Suriname en Adjuba van Hesterslust

In 1783 reisde Jan Wicherides op zevenjarige leeftijd met zijn vader naar Nederland. In 1798 huwde hij Hendrika Maria van Lutsenburg en ging in Mijdrecht wonen. Het echtpaar kreeg twee zonen en een dochter.(59) Jan was ook een mulat. Hij was zoon (de toevoeging ‘ides’ duidt in het Grieks ‘zoon van’ aan) van Jan Gerhard Wichers 1745 –1808, die in 1771 als raad-fiscaal (openbaar aanklager) naar Suriname was gekomen. Van 1784 tot 1790 was hij gouverneur van de kolonie Suriname. Ongehuwd verwekte hij Jan bij de vrije zwarte vrouw Adjuba van Hesterslust in 1775.

Een andere vrouw die zich in Nederland vestigde en ook trouwde was Johanna Emicke. Zij werd in 1787 in Suriname geboren als kind van een Duitse plantagedirecteur Hans Emicke en een slavin met de naam Carolina, behorende aan Emickes plantage Kortevreugd. Nadat Johanna in 1796 samen met haar drie zusters gemanumitteerd was, woonde ze eerst samen met Jan Geyer 1785 –1814, zoon van de eigenaar van de koffieplantage Geyersvlijt. Uit deze relatie werden vier kinderen geboren. Met haar dochter Carolina, genoemd naar haar moeder, vertrok Johanna naar Nederland. Op 9 december 1829 trouwde ze in Rotterdam met Evert Reijns, commissionair (agent of bemiddelaar in bijvoorbeeld koffie of effecten). Johanna bleek rijk te zijn: ze beschikte over goederen en kapitaal ter waarde van twintigduizend gulden. Haar dochter Carolina voerde na haar huwelijk de naam Reyeg Emicke. Reyeg is een omkering van Geyer. Het echtpaar woonde in Amsterdam op het Rokin nummer 160. Later woonde Carolina als weduwe op de Warmoesgracht en de Kloveniersburgwal. (60)

Optreden en bekeken worden: theater en tentoonstellingen in de 19de eeuw

Een heel nieuwe categorie vrije zwarten die vooral vanaf de eerste decennia van de negentiende eeuw naar de Nederlanden kwam, bestond uit verschillende kleine zwarte artiestengezelschappen en muzikanten. Nu was het fenomeen niet nieuw. Al tussen 1648 en 1651 zijn er ‘Moriaenen’ gedocumenteerd die figureerden in toneelstukken. Volgens theaterhistoricus Ben Albach, die onderzoek deed naar de rekeningen van toneelgenootschappen, ging het hierbij zeker om ‘negerfiguranten’. Mogelijk konden zij paardrijden en traden zij op tijdens adelijke feesten.(61)

Maar pas in de negentiende eeuw werden zwarte mensen op het toneel wat meer gebruikelijk. Ze kwamen niet uit Suriname, maar vooral uit de Verenigde Staten en waren dan op tournee door Europa, waarbij ook Nederland werd aangedaan. In 1839 werd aan de Nes in Amsterdam de Salon des Variétés geopend, waar verschillende ‘zwarte’ muzikanten en acteurs optraden.(62) In 1847 was er een ‘Zuid-Amerikaansch Neger- en Mulatten gezelschap’, en later de Creole Female Singers en de Ethiopean Serenaders.(63)

Ira Aldridge as Mungo in The Padlock

In 1855 speelde de destijds gevierde zwarte Amerikaanse acteur Ira Aldridge 1807 –1867 in Nederland stukken van Shakespeare. Witgeschminkt trad hij op als Shylock, Hamlet en Macbeth. Als Shakespears Othello, de Moorse veldheer, oogste hij internationaal grote lof.(64)

Jubilee Singers (ca. 1875)

Tot driemaal toe bezochten de Fisk Jubilee Singers, een groep zwarte Amerikaanse zangers, Nederland gedurende langere tijd. Voor het eerst was dat in 1877. Drie jaar toerden zij door Europa om geld op te halen voor een van de eerste zwarte universiteiten, de Fisk University in Nashville. In Nederland traden ze met hun ‘spirituals’ op in verschillende steden. Ze werden door koning Willem III op Paleis het Loo ontvangen.(65)

Zwarte mannen, vrouwen en kinderen werden aan het einde van de negentiende eeuw ook zelf tentoonstellingsobjecten. Op de Koloniale Tentoonstelling in 1883 in Amsterdam werden op het Museumplein 28 inwoners van Suriname tentoongesteld. De bedoeling was om de Nederlandse bevolking bekend te maken met de kolonie Suriname. De Surinamers werden in drie groepen verdeeld: ‘les Indiens’, ‘les Nègres de Bois’ en ‘les Nègres Sédentaires’. Voor het eerst zag het publiek foto’s van gewone bewoners van Suriname.(66)

Dankzij het majestueuzeantropologische werk van Prince Roland Bonaparte 1858 –1924 Les Habitants de Suriname weten we veel over deze tentoongestelde Surinamers, onder andere hun namen en karaktereigenschappen. Zo was Jacqueline Ricket in 1883 24 jaar oud. Bonaparte omschrijft haar als een mooi type zwarte vrouw, stevig gebouwd. Ze had vroeger gewerkt op een plantage in de Commewijne.

Jacqueline Ricket (1883)

In 1883 was zij fruitverkoopster in Paramaribo. Haar karakter werd als zeer onafhankelijk omschreven. Ze sprak Nederlands dat ze had geleerd op een school van de Moravische Broeders (Herrnhutters). Ze kon dan ook lezen en schrijven.

Kojo-A-Slen-Gri (1883)

Een andere bewoner van de Surinaamse tent was Kojo-A-Slen-Gri. Hij was 45  jaar en woonde op Mon Prousou, ook bekend als Compay. Kojo-A-Slen-Gri wil zoveel zeggen als: de man die ‘swingend’ loopt. Hij was afkomstig van de stam der Aucaners en werd omschreven als stevig gebouwd en erg vrolijk. Hij was op traditionele wijze getatoeëerd, dat wil zeggen door middel van inkepingen. Hij had twee vrouwen, wat een zeer bescheiden aantal was voor een man zoals hij. Zij bleven achter in de kolonie waar ze gewassen verbouwen en zijn kostgronden onderhielden. In 1876 verleende hij grote diensten aan ingenieur Loth die naar een nieuwe route zocht tussen de Surinamerivier en de Marowijne.(67)

Er zijn meerdere gevallen in Europa bekend van zwarte mensen die als kijkobject op tentoonstellingen en zelfs in dierentuinen terechtkwamen. Beroemd werd Jefke van de Zoölogie in Antwerpen. Hij werd als ‘negerjongen’ van ongeveer tien jaar oud in 1845 door een kapitein Louis Meyer, aangeboden aan de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde in Antwerpen. Hij kreeg de naam Jozef Muller, mocht er vrij rondlopen (!) en was jarenlang een publiekstrekker voor de Zoo. In 1860 trouwde Jefke met Katrientje uit Boom. Bij zijn overlijden op 72-jarige leeftijd schreef Het Antwerps Handelsblad dat ‘een geliefde ingezetene’ is heengegaan.(68)

Conclusie

In de twintigste eeuw zijn er zoveel meer zwarte mannen en vrouwen in Nederland dat een compleet overzicht van individuen niet meer mogelijk is. Gert Oostindie, Emy Maduro, S.E. Preedy, Rudie Kagie en Allison Blakely hebben van deze tijd boeiende eerste inventarisaties gemaakt, en deelstudies zoals die van Annemarie Cottaar over de Surinaamse verpleegsters in de jaren vijftig bieden nieuwe aanknopingspunten.(69) Ons onderzoek naar zwarte personen en kleurlingen in vooral de Noordelijke Nederlanden van ongeveer 1450 tot eind negentiende eeuw heeft laten zien dat er veel variatie is in de individuele geschiedenissen van al deze mensen, maar dat er wel enkele patronen te ontdekken zijn. Aanvankelijk kwamen Afrikanen hoofdzakelijk hier in het kielzog van Portugese kooplieden die vanuit hun moederland al zwarte huisslavernij kenden en dat meenamen naar Noordwest-Europa. Later, in de achttiende eeuw, verschoof de herkomst naar Suriname en de Antillen. In hoeverre dat samenhangt met de beschikbare bronnen moet nog blijken. Verreweg de meeste zwarte mensen zijn gedocumenteerd als slaaf/bediende. Sommigen wisten de vrijheid te bereiken. Ze vluchtten, werden gemanumitteerd, al dan niet via de juridische mogelijkheden die daarvoor bestonden. Eenmaal vrij slaagde een aantal erin een eigen en zelfstandig leven op te bouwen, te huwen en kinderen te krijgen. Ze verkeerden dan zelden in de allerhoogste sociale klassen, maar konden alleszins respectabel leven. Een aantal ging ook de andere kant op en kwam in aanraking met justitie. Werkelijke rijkdom was alleen weggelegd voor enkele kleurlingen die in de achttiende eeuw hun kansen in Suriname wisten te grijpen en vanuit die positie naar Nederland kwamen of hun kinderen er voor studie naartoe stuurden. Slechts weinigen kwamen hierheen voor diplomatieke missies. Het gezantschap dat wel kwam, liet grote indruk achter. De wortels van het tijdens het interbellum zo populaire Bal Nègre (zie artikel Mooi zwart Schreuder) blijken zich tot diep in de negentiende eeuw te hebben uitgestrekt. Ook in Nederland traden toen al zwarte artiesten in de theaters op.

De juridische status van zwarten, slaven en vrijen was eeuwenlang ambivalent. Een christen kon geen slaaf zijn, maar bekering of doop was in de praktijk geen garantie voor invrijheidstelling. Terwijl de algemene richtlijn was dat slavernij op Nederlands grondgebied verboden was, werd het wel gedoogd. Zeker in de zestiende en waarschijnlijk ook in de zeventiende eeuw was er altijd kans dat een vrije zwarte (terug) in slavernij zou geraken. In de achttiende eeuw lukte het echter een aantal zwarten die onduidelijkheid juist tot eigen voordeel aan te wenden. Het onderzoek naar de status van slaven en slavernij staat nog in de kinderschoenen, net als onze kennis over hoe zwarten en kleurlingen zich hier wisten te handhaven. Uit dit overzicht is hopelijk wel gebleken hoe vruchtbaar een dergelijk onderzoek kan uitpakken voor onze kennis van de historische en hedendaagse samenleving.

Carl Haarnack en Dienke Hondius

(medewerking van Elmer Kolfin)