Gegevens over land en volk van Suriname. C. van Coll (1903)

Tags

, ,

Gegevens over land en volk van Suriname. Door C. van Coll, Missionaris in West-Indië. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. KITLV. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1903

De auteur van dit boekje bracht zo’n vijftig jaar van zijn leven in Suriname door. Cornelius van Coll werd in 1842 in het Noord-Brabantse Nuenen geboren. Hij volgde een opleiding aan het Seminarie in Den Bosch. In 1869 trad hij toe tot Congregatie des Allerheiligsten Verlossers (Redemptoristen) te St. Truiden (België). In 1871 werd hij als missionaris naar Paramaribo uitgezonden. Daar werd hij in december 1871 tot priester gewijd. Van Coll was de auteur van Beknopte Geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname die in 1884 verscheen. Dat deed hij op basis van niet gepubliceerde aantekeningen van Adrianus Bossers. Twee jaar later schreef hij Zeden en Gewoonten der Indianen in onze Nederlandsche Kolonie Suriname (1886). Ook verschenen er in kranten en tijdschriften artikelen van zijn hand.

Katholieke Missie

Kaart met katholieke kerken in Suriname. Uit: Beknopte Geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname. Gulpen, 1884.

Van Coll werkte jarenlang onder de Inheemsen en de Marrons in de binnenlanden van Suriname. Dit in 1903 verschenen boek bestaat uit drie delen: ‘Suriname’s oorspronkelijke bewoners, De Boschnegers en Guiana en omwonende Bevolking. De auteur onderscheidt zich al direct van andere auteurs door de term ‘Indianen’ af te wijzen. De inheemsen beschouwen zichzelf helemaal niet als wilden en noemen zichzelf in het Caraïbisch eenvoudig Kalienja of in het Arrowaks Loekoenoe wat zoveel betekent als ‘mensen’. De Europeanen heeten paranokili wat zoveel betekent als ‘mannen van over het water.’

We leren van Van Coll dingen die we in andere publicaties over de oorspronkelijke bewoners van Suriname nauwelijks tegenkomen. Zo schrijft hij dat er onder de ´Indiaansche mannen´ er maar weinigen zijn die het ´Negerengelsch´ niet beheersen. Zij hebben die taal nodig om met de andere bevolkingsgroepen te communiceren maar ook om zich met de ´Indianen´ van andere stammen te onderhouden. De ´indiaanse´ talen verschillen onderling soms zoveel als het Nederlands van het Hebreeuws, stelt de auteur. We lezen verder interessante wederwaardigheden over de dorpen, huizen, huisraad, voeding, kleding en jacht. Er is ook aandacht voor de rol van de ´indiaanse´ vrouw.

Indiaansche kamp in de boven Para

Indiaansche kamp in de Boven Para. Ansichtkaart ca. 1902

Van Coll ondersteunt zijn beweringen door telkens te verwijzen naar literatuur. Auteurs zoals Kappler, Focke, Creveaux en zelfs Bonaparte worden aangehaald. Maar we zijn natuurlijk vooral geïnteresseerd in de daadwerkelijke interactie tussen onze missionaris en de bevolking van Suriname. De auteur verhaalt over een bezoek aan een Arrowakkendorp. Hoe doodeenvoudig deze goede mensen leven. Een 70 jaar oude vrouw zingt dan voor wat door een koor herhaald wordt. Het is 12 oktober 1892, herdenkingsjaar van de ontdekking van Amerika door Columbus. De meeste ‘indianen’ zijn bekeerd tot het Christendom. Zij brachten God dank voor die ontdekking! Hoe zeer wij Van Coll ook dankbaar moeten zijn voor alle informatie die hij voor ons heeft opgetekend, de dankbaarheid van de ‘indiaan’ door de Europeanen ontdekt te zijn is toch een gotspe van de buitencategorie?

Marrons voor 1900 (1)

Marrons in Suriname (ca. 1895)

Over de nazaten van de marrons leren we ook veel informatie uit eerste hand en uit de door Van Coll aangehaalde literatuur. Als het bijvoorbeeld gaat over het bijgeloof dan schroomt hij er niet voor terug om bijna vier pagina’s integraal over te nemen in het Engels uit ‘Sketches of African and Indian Life in Britisch Guiana (1885) van Ignatius Scoles (1834-1896), een Engelse priester die lange tijd in Suriname’s buurland doorbracht. Wij leren bij Van Coll veel over de geschiedenis en het leven van de marrons. Zo beschrijft hij het ‘negerdorp’, het Kamp van Broos. Dit dorp werd gesticht door Tata Koekoedabi, een slaaf van de plantage Rac-a-Rac. Maar wie heeft ooit van hem gehoord? Of van zijn geliefde, Alathia, die van plantage Chatillon gevlucht was en zaairijst meenam? Van Coll verwijst naar de publicatie van Maria Louisa Elisabeth Vlier (1828-1908), die het eerste schoolboek in Suriname schreef (Beknopte geschiedenis der kolonie Suriname, voor de meer gevorderde jeugd. Amsterdam, 1863). Maar dat boek kent bijna niemand meer.

katholieke-kerk-klein

Katholieke kerk in Paramaribo (Benoit, 1830)

Van Coll overleed in 1922 in Paramaribo. De uitvaart vond plaats in de Kathedraal in de Gravenstraat en hij werd op de R.K. begraafplaats begraven. Gegevens over Land en Volk van Suriname is een bijzonder aardig boek. Uiteraard is Van Coll gevormd door zijn katholieke achtergrond maar het is toch opvallend dat hij met respect over de oorspronkelijke bewoners van Suriname en de marrons praat. Voor een 19e eeuwse missionaris heeft hij toch een moderne blik op de mensen die vaak door zijn tijdgenoten als ‘minderwaardig’ en ‘achterlijk’ werden beschreven. Daar komt bij dat hij zich goed had ingelezen en bronnen had geraadpleegd die wij vandaag de dag eigenlijk niet nauwelijks nog kennen. Ook had hij zich het Sranan en de taal van de Karaïben eigen gemaakt. In 1887 liet hij een catechismus in die taal in Nederland drukken. Ook schreef hij artikelen over Suriname in Anthropos, een ethnologisch tijdschrift dat in Wenen werd uitgegeven, in het Frans en Duits. Van Coll schreef in zijn teksten steeds over ‘bij ons in Suriname’. De kranten schreven bij zijn heengaan dat pater Van Coll een ‘waar en oprecht vriend van Suriname’ was en een belangeloos werker ten bate van dit land (De Surinamer : nieuws- en advertentieblad, 20-04-1922).

Carl Haarnack

 

zie ook:

Katholieke missie in Suriname

Rooms-Catholieke missie in Suriname

 

 

 

 

An Impartial Description of Surinam. George Warren (1667)

Tags

, , , ,

An Impartial Description of Surinam Upon the Continent of Guiana America. George Warren. London: Printed by William Godbid for Nathaniel Brooke, 1667.

Er zijn in de Surinaamse boekenkast toch niet veel boeken te vinden die dateren uit de 17e eeuw. An Impartial Description of Surinam van George Warren verscheen in 1667, het jaar van de Vrede van Breda dat het einde van de Tweede Engels-Nederlandse oorlog markeerde. Bij die vrede werd afgesproken dat Nieuw-Amsterdam, het huidige New York, aan de Engelsen werd overgedragen en dat Suriname in Nederlandse handen bleef. Warren was een Engelsman die Suriname bezocht toen het nog in Engelse handen was.


1713 OttensDe auteur een belangrijke ooggetuige uit de beginjaren van Suriname. Hij verbleef naar eigen zeggen drie jaar in de kolonie en vertrouwt zijn ervaringen, niet zonder gevaar voor zijn eigen leven, aan het papier toe. In zijn voorwoord schrijft hij dat de geneugten van warme landen hand in hand gaan met vele gevaren. Suriname is een dapper land met een zeer vruchtbare grond en aardige vrouwen.

Het boek omvat slechts 28 pagina’s en in verdeeld in tien hoofdstukken: over de rivieren; het klimaat en het land in het algemeen; de flora; het fruit; de handelswaar; de plantages; de vogels; de slaven; giftige en gevaarlijke dieren; en over de ‘indianen’. Warren steekt zijn verbazing niet onder stoelen of banken en verhaalt over vreemde dieren en planten. Zo beschrijft hij de ‘camel-fly’ die nadat deze een tijdje heeft geleefd op de grond terecht komt, wortel schiet en in een plant verandert.

Warren titelpagina

titelpagina van 1e druk George Warren´s An Impartial Description of Surinam (1667)

Over de oorspronkelijke inwoners krijgen we een uitgebreide beschrijving voorgeschoteld. Misschien het meest opmerkelijk is de bereiding van een drank genaamd Perrinoe, die Warren omschrijft als , ‘truly good’. Deze ontstaat door cassavebrood zeer zwart te bakken. De oudste vrouwen en jonge kinderen (‘snotty nose Children’) kauwen dit en spugen het vervolgens uit in een kan. Dat laten ze even staan en zeven het brood er uit. Tenslotte worden gekauwde aardappelen toegevoegd en kan het na een aantal dagen gedronken worden.

Warren laat een bijzonder kritisch geluid horen over de behandeling van slaven. Van een goedkeurende of verzachtende toon als het gaat om slavernij, die we aan het eind van de 18e eeuw vaker tegenkomen, is hier geen sprake. Eerder getuigt zijn woordkeuze van cynisme (de slaven krijgen ‘as a great favour’ een beetje verrotte vis). Juist dit hoofdstuk over de slavernij in Suriname, speelt een belangrijke rol in de slechte reputatie die Suriname geniet als het om de behandeling van slaven gaat:

Of the Slaves: “Who are most brought out of Guinea in Africa to those parts, where they are sold like dogs, and no better esteem’d but for their work-sake, which they perform all the week, with the severest usages for the slightest fault, till Saturday afternoon, when they are allowed to dress their own gardens or plantations, having nothing but what they can produce from thence to live upon; unless perhaps once or twice a year, their masters vouchsafe them, as a great favour, a little rotten salt-fish: or if a cow or horse die of itself, they get roastmeat: their lodging is a hard board, and their black skins their covering.”

slave market.jpeg

Warren’s boek is door een groot aantal auteurs geplagieerd. Aphra Behn (Oroonoko, 1688), Adriaan van Berkel (Amerikaansche voyagien, 1695) en vele anderen maakten dankbaar gebruik van zijn beschrijvingen van het land en de oorspronkelijke inwoners. Alleen al daarom verdient hij een bijzonder plekje in de Surinaamse bibliotheek. Helaas weten we over George Warren behalve zijn naam verder eigenlijk niks. Het boek is zeer zeldzaam (net als de Nederlandse vertaling uit 1669; alleen de Duitse vertaling uit 1673 is nóg zeldzamer). Af en toe wordt er een exemplaar geveild maar voor minder dan €1500,-mag u nergens op hopen.

Carl Haarnack

Door Suriname. Reisherinneringen uit ons missiegebied. J. Kronenburg (1897)

Tags

 Door Suriname. Reisherinneringen uit ons missiegebied door J. Kronenburg. Redemptorist. Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897.

Joannes Antonius Franciscus Kronenburg (Zutphen 1853 – Nijmegen 1940) was een redemptorist. Dat betekent dat hij behoorde tot de katholieke internationale Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris – C.Ss.R.) opgericht in Napels in 1732. Het doel van deze congregatie was de evangelisatie onder de armste en meest hulpbehoevende in de wereld. Kronenburg was niet alleen kloosterling en priester maar ook een schrijver en zelfs lid van Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In 1896 bracht hij een bezoek aan Suriname waarvan dit boekje het verslag vormt.

majelaa

Gerardus Majella Stichting in Paramaribo (ca. 1910)

Na aankomst in Paramaribo werd het verblijf van de leprapatiënten (‘melaatschen’) van de Gerardus Majella Stichting bezocht. Kronenburg noteert: “Een klein meisje van 10 of 11 jaren komt uit haar kamertje, en lacht ons tegen en troont ons mede naar haar tuintje, waar zij haar groeten geplant heeft, en schatert het uit van vreugde, en klapt in de handen, nu wij de fijne bloesems bewonderen. Arm kind, zoo vroeg reeds tot een levenslang lijden veroordeeld; door allen, die haar moesten beminnen, verlaten, maar door christelijke liefde opgenomen, door de christelijke edelmoedigheid voor geheel haar leven verzorgd!”

Daarna vertrok Kronenburg per stoombootje samen met drie andere paters en frater Antonius naar Nickerie. Onderweg werd de lepra-opvang Batavia bezocht. In een brede nis gevormd door zeven palmen, zo schrijft Kronenburg. Daar liggen drie missionarissen die op Batavia gewerkt hebben begraven. Petrus Donders, die gedurende 25 jaren ´melaatschen´ heeft verpleegd, ligt daar begraven. Net als pater J. Bakker. Deze priester kreeg zelf lepra nadat hij zeven jaar op Batavia had doorgebracht. Maar wij worden als moderne lezer natuurlijk echt geprikkeld als onze chroniqueur schrijft dat daar ook een zekere geestelijke begraven ligt die Heininck heet, ´die hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van den haat eens Negers door vergif gevallen is (1850).´ Van de achtergrond van dat verhaal zouden we natuurlijk meer willen weten. *)

nickerie-1835

De reis naar Nickerie wordt voortgezet onder begeleiding van pater Houben en pater Nicasius. Om te gaan preken en de H.H. Sacramenten toe te dienen worden twee indianenkampen bezocht. Via de Coppename kwam de stoombarkas op de Wayombo. Aan weerszijden van de rivier de ´maagdelijke wouden met reuzenbomen van 30 of 40 meter hoog. Onze auteur is duidelijk onder de indruk van de natuurpracht en beschrijft dat haast op poëtische wijze. Het kamp van de Arrowakken is verlaten maar in de verte klinkt muziek. Pater Houben zocht de ‘indianen’ verderop in het bos op en sprak: “Mannen, het gaat niet aan te dansen en te drinken, nu zulk groot een groot gezelschap in het kamp in aangekomen”. Volgens Kronenburg hield de harmonica onmiddellijk op en werd de schaal met sterken drank opgeborgen en ging iedereen in stilte naar zijn hut. Jammer dat we geen beschrijving hebben van hoe onze Arrowakken dit ingrijpen van in zwart habijt geklede mannen beleefd hebben. Het zelfde geldt voor Napoleon, een ‘struische Indiaan van een jaar of dertig’. Napoleon is twee jaar eerder gedoopt maar heeft nog steeds zijn heilige Communie niet gedaan. De pater spoort de kapitein van de ‘indianen’ Cornelis aan om ervoor te zorgen dat Napoleon zijn catechismus leert. Behalve Nickerie werd ook Coronie bezocht en een tochtje gemaakt naar Marianella in het Paragebied.

kronenburg band

Dit mooie boekje van 92 pagina’s is niet bijzonder zeldzaam. Onlangs werd er op een internetveiling een exemplaar voor €65,– geveild. Maar het is een heel aardig ooggetuigenverslag van een Nederlandse katholieke geestelijke die even werd ondergedompeld in Suriname en die, voor hem, vreemde nieuwe wereld.

Carl Haarnack

 

*) Over Batavia schrijft August Kappler: ‘Het is niet alleen het gevaar van zijne gezondheid te verliezen en een offer der melaatschheid te worden, maar vooral het slechte karakter der negers zelve, dat hem het meest bedreigt. In October 1851 werd de priester van het gesticht Batavia, een man die op deze zoo afgezonderde plaats hen onvermoeid en ijverig in hun ligchaams- en zielelijden bijstond, door een dezer ellendigen uit wraak vermoord, omdat hij hem, ten einde dronkenschap voor te komen, eene kruik met dram afgenomen had.’ A. Kappler, Zes jaren in Suriname. Schetsen en tafereelen uit het maatschappelijke en militaire leven in deze kolonie (Utrecht 1854) 60.

 

zie ook:

Wilhelmus Dortants (1855-1906)

Katholieke Missie in Suriname

Een katholieke begrafenis in Suriname

 

 

 

 

 

 

 

De Bibliotheek van Henk Dijs

De Bibliotheek van Henk Dijs, een groot Surinamist.   

In deze rubriek schrijven we doorgaans over oude boeken die met Suriname te maken hebben. Deze keer wil ik graag stilstaan bij een belangrijke Suriname-bibliotheek en één van de meest gepassioneerde Surinamica-verzamelaars: Henk George Dijs (Paramaribo, 13 april 1961 – Amsterdam, 11 december 2018). Henk werkte als informaticus maar zijn echte passie was zijn enorme bibliotheek. Gedurende een periode van meer dan dertig jaar werkte hij aan het bijeenbrengen van een omvangrijke Surinamica-verzameling die bestond uit boeken, prenten, manuscripten, brieven, foto’s en efemera. Zijn huis was een waar pakhuis vol met boeken. Alles zorgvuldig geconserveerd en gedocumenteerd, met bijna militaire precisie.

Henk Dijs ssg

Henk in zijn element, als boekverkoper op de Konmakandra van de St. voor Surinaamse Genealogie (2015)

Al in de jaren ’90 kwamen we elkaar vaak tegen in het centrum van Amsterdam. We zochten beide naar nieuwe aanwinsten voor onze boekcollecties en legden min of meer een vast parcours af: het Antiquariaat van Wout Vuyk op de Singel, even verderop Antiquariaat Brinkman, de boekwinkels in de Spuistraat, de antiquariaten in de Rosmarijnsteeg zoals de Friedesche Molen, om de hoek op de Nieuwezijds de chique winkel van Simon Emmering (niet echt om te kopen, want dat konden we ons niet veroorloven, maar wel om ons te verlekkeren aan al het moois), bij de tweedehands boekhandel De Slegte in de Kalverstraat konden we vaak goede zaken doen, dan (op vrijdag) naar de boekenmarkt op het Spui. Iedere boekhandelaar daar kende Henk. De speurtocht ging verder in de Oudemanhuispoort waar je nog wel eens iets voor weinig kon vinden. De winkel van Putman op Rusland puilde altijd zo uit dat zoeken onbegonnen werk leek maar soms had je geluk en kwam er vanonder een stapel knipsels een 19e eeuws Surinaams drukwerkje tevoorschijn. Een vaste stop was altijd het boekenpaleis van De Kloof op de Kloveniersburgwal, om de hoek was daar Antiquariaat Kok. Vervolgens kon je via de boekwinkels in de Staalstraat doorsteken naar het Waterlooplein. Henk liep deze route vaak talloze malen af.

 

Brinkman

Antiquariaat Brinkman, Singel Amsterdam (foto: Mirjam Schiethart) http://www.photobiblio.nl 

Boekhandelaren hadden het internet toen nog niet ontdekt. Als je wat wilde vinden had je geen keus en moest je wel alle antiquariaten aflopen en de grote boekenmarkten bezoeken. Henk kon met een fonkeling in zijn ogen en een grote glimlach op zijn gezicht je zijn mooie aanwinsten laten zien. Zonder overdrijving kan ik zeggen dat de nieuw verworven trofeeën hem écht gelukkig maakten. Hij wist te vertellen wat er op het gebied van Surinamica bij de boekhandelaren in Amsterdam te vinden was maar ook wat er in  Haarlem, Utrecht, Leiden en Den Haag te krijgen was, ontsnapte niet aan zijn aandacht.

Henk was een actief lid van de Evangelische Broedergemeente in de Amsterdamse Bijlmermeer (‘Wi Eegi Kerki’). Hij was daar ook bijzonder trots op. In de collectie Dijs vond je dan ook bijzondere pareltjes die met de geschiedenis van de Herrnhutters samenhangen zoals een EBG bijbel ‘Dem Tori vo Ouroe Testament so leki wi finni den na ini da Santa Bijbel-boekoe’ (Suriname, 1886). Ook religieuze boeken uit andere geloofsrichtingen werden liefdevol gekoesterd zoals bijvoorbeeld ‘Passie foe Hemel, wan begi boekoe foe den Roomsoe Katholiki Soema’ (Gulpen, 1901). Belangrijke literaire en historische werken uit de Surinaamse bibliotheek ontbraken niet in zijn verzameling. Ik noem bijvoorbeeld Surinaamsche Mengelpoezij van Paul F. Roos (Amsterdam, 1804), Schaduwbeelden uit Suriname door Anna (Amsterdam, 1858), Wolbers’ Geschiedenis van Suriname (Amsterdam, 1861) of Elise, Uit Verre Landen en van Nabij, verhalen voor de jeugd (met daarin het verhaal De Jonge Boschneger. Amsterdam, 1858).

Sranan Bijbel

De collectie Dijs was vooral belangrijk vanwege de kleine kwetsbare papieren werkjes, waarvan de economische waarde misschien niet eens in geld viel uit te drukken, de zeldzaamheid echter des te meer. Bijna alle kasten in zijn huis stond vol met blauwe dozen van zuurvrij karton. Hier in zaten, in zuurvrije omslagen gewikkeld, manuscripten, prenten en drukwerk. Zo bezat hij een gedrukt verslag van een vergadering van de Bond van Surinamers in Nederland (voorloper van de Vereniging Ons Suriname) gehouden in het hotel Americain in Amsterdam in 1923. Maar ook een in de drukkerij van Ebenhäzer gedrukt dubbel vel met de EBG-tekst van Leune Tranga van ene Paul Pastnar. Je kunt geen Surinaams tijdschrift of krant verzinnen, hoe klein de oplage misschien ook was,  Henk bezat ze bijna allemaal: de Godsdienstvriend, Soela, Moetete, Teroenga en nog vele anderen. Kranten uit de tijd van voor de afschaffing van de slavernij behoren tot de topstukken. Van Surinaamse dichters en dichteressen zijn er meer dan tweehonderd bundels te vinden. Een aantal met opdracht en gesigneerd door de auteur (bijv. Edgar Cairo).  Van groot historisch belang is de verzameling 18e eeuwse drukwerken en handschriften; zoals die over plantage Laarwijk en die over plantage St. Eustatius. Daaronder ook een kloek drukwerk uit 1778 over plantage Tout-Lui-Faut en ene Edzart van Burmania van Bakkeveen. Er zijn ook vele bijzondere extracten te vinden uit de Staten Generaal, zoals het verzoek van ‘den vrije Neger Blondin, livrei bediende van Willem van Oldenbarnevelt gen. Tullingh, om met zijn wijf Sabina en hun zoon Cicero niet als slaven geconsidereert te zijn’ (1777). Er waren dozen vol met prenten variërend van Stedman tot Benoit, uit het 19e Leeskabinet en uit Franse tijdschriften. Topstukken uit zijn prentenverzameling zijn de litho’s gemaakt door Theodore Bray (1818-1887), eigenaar van de cacaoplantage Spieringshoek, van het Surinaamse plantageleven.

Deductie Tout lui Faut

Ik ken weinig mensen die zó gedreven waren in het verzamelen van Surinamica als Henk. Hij kende het historisch belang van zijn boeken en prenten als geen ander. Ook door zijn inzet voor de Stichting Surinaamse Genealogie (in het bijzonder het blad Wi Rutu) en Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS) en het tijdschrift Oso, en alle artikelen die hij geschreven heeft,  is hij van grote waarde geweest voor de Surinaamse geschiedkunde. Met zijn kennis en passie voor het verzamelen inspireerde en stimuleerde hij velen. Henk Dijs overleed op 11 december jl. op slechts 57 jarige leeftijd. Een groot Surinamist is niet meer, maar hij leeft voort in zijn boeken.

Carl Haarnack

Tru tru brudu

 

 

 

 

 

 

 

NEDERDUITSCHE ZAMENSPRAKEN (1864)

Tags

,

Nederduitsche Zamenspraken voor de Zendings-scholen in Suriname. Paramaribo, 1864.

Een jaar na afschaffing van de slavernij in 1863 verscheen dit taalboekje: Nederduitsche Zamenspraken voor de Zending-scholen in Suriname. Het werd in Paramaribo gedrukt en is alleen daarom al, vanwege de kleine oplage en de slechte klimatologische omstandigheden, zeldzaam. Er is geen auteursnaam bekend maar, zoals de titel al aangeeft, gemaakt voor het onderwijs op de zendingsscholen van de Evangelische Broedergemeente (Herrnhutters). Het exemplaar uit 1864 was de eerste druk van dit werk. Het bestaat uit slechts 53 pagina’s in klein octavo formaat.

cropped-paramaribo-postkantoor.jpg

In 1889, 1899, 1907 en 1918 verschenen er herdrukken die qua inhoud nauwelijks werden aangepast. De editie van 1899 kreeg een ietwat gewijzigde titel: Neger-Engelsch – Hollandsche samenspraken voor Suriname. In 1891 noemde Hermann Gustav Schneider (1842-1914) in zijn boek Ein Besuch in Paramaribo (uitgeverij R. Roth, Stuttgart 1891) de Nederduitsche Zamenspraken. Ook in de onvolprezen, en voor iedere Surinamica-verzamelaar onmisbare, Bibliographie du Négro-Anglais du Surinam van Jan Voorhoeve en Antoon Donicie (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde/ ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1963) wordt het boek besproken. Veelzeggend is dat de auteurs aangeven dat zij de 1899 editie niet konden vergelijken met eerdere edities. Dit was waarschijnlijk omdat ze toen geen enkele eerdere editie konden vinden.
Het bijzonder vroege boekje voor het taalonderwijs bestaat uit zestig gesprekken in het Sranan Tongo en parallel daaraan de Nederlandse vertalingen. Het is bedoeld om aan Surinaamse kinderen de Nederlandse taal te leren. Maar wellicht ook om buitenlanders iets van het Surinaams bij te brengen. Het kan niet voldoende worden benadrukt hoe groot de rol is die het taalonderwijs heeft gespeeld in het emancipatieproces in Suriname. De Herrnhutters, al sinds 1735 aanwezig in Suriname, waren al in de tweede helft van de 18e eeuw begonnen om de bijbel te vertalen in het Sranan Tongo. In het tweede kwart van de 19e eeuw volgden taalboekjes, woordenboeken en kwam het onderwijs aan slavenkinderen opgang. Lange tijd was het onderwijs aan slaven verboden. Lezen en schrijven werden door het koloniaal bestuurd als mogelijk gevaar voor de stabiliteit van de slavenmaatschappij gezien. Daarom is de elfde les voor mij van groot symbolisch belang:

-San joe wani doe?  

-Mi wani skrifi 

-San joe wani skrifi? 

-Mi sa skrifi wan brifi gi mi papa.

De conversaties vertellen ons indirect ook iets over het leven rond 1864. Zinnen zoals:

– Joe deki tafra kaba? Njanjam klari? / Ja, Missi! Njanjam klari kaba.

De slavernij was weliswaar net afgeschaft maar armoede en de sociale verhoudingen veranderden natuurlijk niet van de ene op de andere dag.

-Na Masra mi kom. Mi wani begi Masra wansani. Mi kom vo begi Masra, tangi tangi, efi Masra no wani joeroe mi.

bediende_1912

Bediende in Paramaribo, ca. 1907

Zoals gezegd is dit kleine boekje bijzonder zeldzaam. We vinden slechts op een paar plekken ter wereld enkele exemplaren, in De bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, Yale University en in de Sächsische Landesbibliothek – Staats- und Universitätsbibliothek in Dresden. De Buku Bibliotheca Surinamica collectie is de gelukkige bezitter van een exemplaar uit 1864 en van latere drukken. Je zou verwachten dat er ergens in Suriname, in particuliere collecties of misschien in het Surinaams Museum, zich nog exemplaren bevinden. Wij horen graag van onze lezers zodat we deze exemplaren in kaart kunnen brengen. Opmerkelijk is het dat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag geen exemplaar in haar collectie heeft. En als de KB het niet heeft dan weten we zeker dat het bijzonder zeldzaam is. Dat brengt maakt ook direct pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar het papieren culturele erfgoed van Suriname is. Veel is reeds verloren en wat er nog over is moeten we voor de generaties die na ons volgen zeer zorgvuldig bewaren.

Carl Haarnack

Zamenspraken titelpagina

Titelblad 

Tagebuch meiner Reise. M. Hufnagel (1822)

Tags

, , , ,

Tagebuch meiner Reise von Heidelberg über Kiel, Koppenhagen, nach Schweden, England und Westindien, so wie in das Innere des holländischen Guyana, und von da zurück nach Paramaribo. In den Jahren 1812 bis 1821. Michael Hufnagel. Ansbach, W.G. Gassert, 1822.

Regelmatige lezers van deze rubriek weten dat ik een zekere voorliefde heb voor Duitse auteurs die zich met Suriname hebben beziggehouden. Eén van de redenen daarvoor is dat deze teksten in Suriname of Nederland vaak onbekend zijn. Nog belangrijker is dat de meeste Duitse schrijvers niet of nauwelijks last hadden van de ‘censuur’ die in Nederland en Suriname vaak gevoeld werd. De meeste Duitsers die in Suriname geleefd hebben schreven namelijk vaak pas ná terugkeer in hun moederland hun memoires. Zo ook Michael Hufnagel die in 1812 zijn geboortedorp Möckenau (vlakbij Ansbach in Beieren) verliet om via Denemarken, Zweden en Engeland naar Suriname te reizen. Möckenau mag eigenlijk niet eens een dorp genoemd worden. Het bestaat eigenlijk (nog steeds) uit een paar boerenhoeves (er woont nu nog iemand die ook Hufnagel heet!). Hufnagel, zoon van een arme boer, werd missionaris.

moeckenau_ansicht

Gruss aus Moekenau, ansichtkaart (collectie Buku BS)

In een advertentie in een Duits tijdschrift in 1822 lezen we hoe Hufnagel zijn te verschijnen boek aanprijst: “Door interessante gebeurtenissen en waarheidsgetrouwe weergave van de merkwaardige natuur ter zee en op land, hoop ik mijn lezers in dit werk aangenaam en nuttig te onderhouden”.

Het boekje leest ook vlot weg en auteur geeft ook een aardig beeld van de ontberingen die met zo’n reis gepaard gaan. Steeds is er de angst voor Engelse oorlogsschepen en voor de woeste zeeën. Maar het overgrote deel van het boekje is gewijd aan Suriname. Hij geeft de lezers veel informatie over de inwoners, hun gebruiken, de taal, flora en fauna, het klimaat en de koffie- en suikerplantages. Ook gaat hij uitvoerig in op de oorspronkelijke inwoners van Suriname (vooral de Arrowakken) en de uit Afrika overgebrachte slaven.

Maria Sibylla Merian, Flamingo

Rode flamingo. Maria Sibylla Merian (1705)

Zijn bewondering steekt hij niet onder stoelen of banken. Aan beide zijden van de rivier, zo schrijft hij, zijn vele suiker- en koffieplantages te zien. Hij ziet ook citroenbomen, tamarinde- en ‘kokosbomen’, duizenden papegaaien en rode flamingo’s. In de stad beschrijft hij de houten kerk met een ronde koepel, gemaakt van bruinhart, die negen jaar eerder gebouwd is. In de kerk een grafzerk voor gouverneur Bentinck. Deze hervormde kerk brandde in 1821 af en stond op dezelfde plek waar de Hervormde Kerk zich nu bevindt. Er zijn slechts een paar afbeeldingen van deze ‘koepelkerk’.

Als het gaat om de beschrijving van de slavenbevolking wordt duidelijk dat Hufnagel niet zomaar een ooggetuige is maar een heel bijzondere. Als missionaris kiest hij toch een andere invalshoek dan bijvoorbeeld een plantagedirecteur of iemand die deel uit maakte van de koloniale elite. Hoewel niet duidelijk is of hijzelf een Herrnhutter is schrijft hij uitvoerig over de missie van de Moravische Broeders. Hij stelt dat God een eeuwige vriend is van het ‘morele goede’. En dat staat op gespannen voet met de behandeling van de slaven. Indirect bekritiseert hij de slechte behandeling die zij ondervinden: “Die Sclaven werden von gütigen Herren gelind, von unbarmhezigen oft wie Thiere behandelt; denn wie jede böse Einrichtung, so musste auch dieses nothwendig sich selbst strafen” (De slaven worden goed behandeld door welwillende meesters, door onbarmhartige meesters worden ze als beesten behandeld. Maar zoals met ieder slecht systeem zal dit uiteindelijk afgestraft worden).

Slaven en straf

Litho uit Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet – Wolter Robert baron van Hoëvell, 1854 (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Wat het reisverslag van de missionaris uit Möckenau helemaal aardig maakt is dat Hufnagel de grootste 19e eeuwse Surinaamse kunstenaar Gerrit Schouten in Paramaribo heeft ontmoet. We kennen bij mijn weten nauwelijks publicaties van reizigers die schrijven over Schouten. Hij schrijft dat Schouten een zeer kunstzinnige boom heeft vervaardigd met 125 van de meest merkwaardige Surinaamse vogels. Hufnagel schrijft dat hij zal proberen dit kunstwerk voor het museum in München aan te schaffen. Of dat ooit ook daadwerkelijk gebeurd is weet ik niet. Het lijkt me toch zeker de moeite waard eens in de kelder en archieven van dat museum rond te gaan snuffelen.

Schouten diorama Zeezigt

Diorama van plantage Zeezigt, Suriname, door Gerrit Schouten (collectie Rijksmuseum)

Hunagel werkte na terugkeer in Duitsland als tolk/vertaler Nederlands en Engels in München. Hij overleed daar later op 54 jarige leeftijd. Dit in, vele opzichten bijzondere boek van Hufnagel, is zeer zeldzaam. Van de acht exemplaren die ik kon traceren bevonden zich er zes in Duitsland (o.a. de universiteitsbibliotheek van München en Staatsbiblioteek in Berlijn). De andere in de Deense Nationale Bibliotheek en in de universiteitsbibliotheek van Bern. In Nederlandse bibliotheken kon ik geen exemplaren vinden, buiten het exemplaar dat zich in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie bevindt. Voor de bibliofiele verzamelaars met smaak (én een gevulde beurs): er is één antiquariaat in Stockholm dat een exemplaar aanbiedt voor €600,–.

Carl Haarnack

 

hufnagel_titelblad

Titelblad boek van Michael Hufnagel (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

 

Wilhelmus Dortants (1855-1906)

Tags

,

Wilhelmus Dortants (1855-1906), een katholieke missionaris in Suriname

Wie missionaris in Suriname wilde worden, riskeerde soms een vroege dood. De katholieke missie in Suriname begon in feite al in 1683 toen de eerste gouverneur van Suriname, Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, al spoedig werd gevolgd door enkele katholieke geestelijken. Deze priesters stierven echter snel achter elkaar. Het zou tot het einde van de achttiende eeuw duren alvorens er weer een katholieke missie zou worden opgericht, ook wel genoemd ‘Parochie van Paramaribo’.[1] In 1865 kwam de Congregatie van de Allerheiligste Verlosser, wier leden redemptoristen genoemd werden, naar Suriname. De al in Suriname aanwezige priesters, zoals J. Romme en Petrus Donders, sloten zich aan bij deze redemptoristen. Vanaf dat jaar zouden nog 220 andere redemptoristen de oversteek naar Suriname maken.

 

xx haarnack05

Wilhelmus Josephus Dortants in Suriname. (Collectie Hub Dortants)

Eén van die redemptoristen was Wilhelmus Josephus Dortants, geboren op 1 januari 1855 te Brunssum. Hij was de zoon van Adam (Daam) Dortants en Catharina Prümper. Adam Dortants was een gezien koopman in Brunssum. Hij vestigde zich met zijn vrouw op 1 juni 1883 op de zuidrand van het dek van het Plateau van Doenrade om er van zijn oude dag te kunnen gaan genieten in de rust en schoonheid van de natuur. De familie Dortants bezat daar de zogenoemde ‘Oude Molen’, die goed kon draaien omdat daar voldoende windvangst was. In de regio staat die molen tot op de dag van heden bekend als de ‘Dortantsmolen’. Hun tweede zoon Joep (H.J.J.) Dortants (*1851) verhuisde mee om als landbouwer en molenaar de bedrijfsvoering ter hand te nemen. Vader Daam Dortants overleed al acht maanden na de verhuizing op 1 februari 1884. Zoon Joep huwde weer zeven maanden verder op 16 september 1884 met Wilhelmina Theresia Quarten en samen stichtten zij de familietak Dortants die al meer dan honderd jaar op het dek van het Plateau van Doenrade woont.[2]

Boven op het plateau hield men deze zoon, broer en pater Wilhelmus Josephus Dortants altijd heel speciaal in ere, evenals de oudste zoon en broer Antonius Hubert Eduard (*1849), die eveneens priester was. Deze werd pastoor te Ohé en Laak. Hij overleed op 21 januari 1900 aan de gevolgen van een ongeluk met koets en paard. Twee priesterzonen uit één familie van zeven kinderen werd in die tijd als een groot voorrecht ervaren. Tegelijk kostte het de familie handenvol geld om haar priesterzonen financieel mede te ondersteunen. Dat was een erezaak voor de familie, die er vanuit haar katholieke geloofsovertuiging heel veel geld op toelegde. De boeren uit de verre omtrek die hun graan lieten malen op de Dortantsmolen, hoorden terloops regelmatig van deze twee heerbroers en kregen zodoende ook het een en ander te horen over de missie in Suriname.

Drie jaar voor de verhuizing van zijn ouders naar het Plateau van Doenrade werd in 1880 Wilhelmus Dortants in Wittem tot priester gewijd door apostolisch vicaris mgr. J.H. Schaap. Enige tijd was pater Dortants onder andere leraar Grieks op het kleinseminarie te Roermond. Hij was kennelijk breed inzetbaar. Dortants was echter klaar om de wijde wereld in te trekken en dat deed hij. Het godsdienstig-staatkundig dagblad De Tijd maakt op 5 september 1890 melding van het vertrek van de eerwaarde paters redemptoristen Van Wijngaarden en Dortants naar de missie van Suriname. Ze vertrokken vanuit de haven van Rotterdam per stoomschip, de ‘Prins Willem III’. Wist Dortants wel wat hem daar in de tropen te wachten stond? Ruim vijftien jaar later is hij al overleden, slechts 51 jaar oud.

 

Aankomst in Suriname

Als Dortants in Suriname aankomt, ligt de slavernij aldaar nog vers in het geheugen. Tweehonderd jaar daarvoor, in de tweede helft van de zeventiende eeuw, vestigde zich een grote groep joden in de kolonie Suriname. Deze Portugese joden brachten hun kennis van de suikerbouw mee en richtten suikerplantages op. Deze periode vormde het begin van de invoer en handel in slaven uit Afrika. Vanaf die tijd werden ruim 500.000 slaven naar Suriname verscheept. Deze slaven werden ingezet om op de plantages te werken. Nederland was zo nogal laat met het afschaffen van de slavernij in 1863. Engeland was daar al dertig jaar eerder, in 1833, toe overgegaan, Frankrijk volgde in 1848.

xx haarnack02

De paters en fraters redemptoristen te Paramaribo in 1896 met Wilhelm Dortants op de tweede rij als derde van rechts. Groepsfoto ter gelegenheid van de visitatie door de provinciaal van de congregatie in Nederland, pater J.A. F. Kronenberg (voorste rij, derde van links) en zijn socius, Franciscus ter Haar uit Rome (voorste rij, tweede van rechts).  Staand links Pater Rikken?(Collectie Hub Dortants)

 

Over het leven van Dortants in Suriname is niet veel bekend. In oktober 1890 wordt hij benoemd tot kapelaan bij de rooms-katholieke gemeente in het district Coronie. Felix Lemmens, afkomstig uit Maastricht en een jaar vóór Dortants in Suriname gearriveerd, was pastoor in Coronie. In 1892 werd Dortants in Paramaribo pastoor van de St. Bonifaciusparochie aan de Wanicastraat. Het verblijf in de stad was van korte duur. In 1893 keerde hij terug in Coronie als pastoor. Hij verving Lemmens die melaats was geworden.

Op de katoenplantage Mary’s Hope, gelegen aan de Coroniaanse kust, diende hij in de St. Mariakerk der rooms-katholieke gemeente. Ten tijde van de afschaffing van de slavernij in 1863 werkten hier zo’n 140 slaven. In 1874 schonk de eigenaar van deze plantage, Oldfield, een stuk grond voor de bouw van een school, kerk en pastorie. Tien jaar later was Petrus Donders pastoor op deze plek. Deze beroemde Peerke Donders (1809-1887) is in 1982 zalig verklaard door Paus Johannes Paulus II. Een precair onderwerp is zijn heiligverklaring. Daarvoor zijn bewijzen nodig van een tweede wonder en het valt niet mee om dat te vinden. Misschien is het leven van Peerke wel het grootste wonder. Zowel zijn doorzettingsvermogen, als zijn werk in Suriname en zijn zorg voor de melaatsen zonder zelf ooit ziek te worden.[3]

 

In de voetsporen van Peerke Donders

Op het moment in 1894 dat Dortants in de voetsporen van Peerke Donders terechtkwam op katoenplantage Mary’s Hope, was Adrianus Bossers daar pastoor. Bossers was de auteur van de Beknopte geschiedenis der katholieke missie in Suriname. Het boek van Bossers uit 1884 geldt nog steeds als een standaardwerk. Dankzij Bossers krijgen we een voorstelling van de situatie waar pater Dortants in terecht kwam. Bossers maakte gebruik van interessant archiefmateriaal zoals brieven van missionarissen. Vele kleine geschiedenissen die in de ‘grote geschiedschrijving’ over Suriname geen plek kregen, heeft hij aan de vergetelheid ontrukt. Zo citeert hij uit een brief van Pater Wennekers:

‘Ik heb gisteren den Directeur der plantage Toledo, waar ik die kinderen en de Creolen-mama gedoopt heb, gesproken. Toen ik hem naar Hanna, de Creolen-mama, vroeg, weidde hij sterk uit in den lof dier oude negerin, en zeide, dat hij zich niet genoeg over haar kon verwonderen ….. Tevoren moest zij schier elke week om leugentaal, dieverij, luiheid enz. geslagen worden. Eertijds ten uiterste onwillig en onbuigzaam, doet zij nu alles gedwee. Dit laatste had ik reeds van de eigenaar zelven en van diens deugdzame dochter gehoord.’[4]

Plantage Toledo was eigendom van een rooms-katholieke Ier, Richard O’Ferrall. In de Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1903 staat Dortants vermeld als dienstdoende geestelijke in de ‘R.K. Kerk van St. Rochus op Groot Chatillon’.[5] In 1897 werd Groot Chatillon aan de Surinamerivier als nieuw etablissement voor leprozen aangewezen. Lepra, vroeger ook wel aangeduid als melaatsheid, is een besmettelijke ziekte die waarschijnlijk via de slaven uit Afrika in Suriname terechtkwam. Vanwege de slechte hygiënische omstandigheden waarin de slaven moesten leven, verspreidde de ziekte zich snel. Uit angst voor besmetting werden de leprozen ver weg van de stad gehouden. Vóór Groot Chatillon, van 1824 tot 1897, was de voormalige plantage Batavia aan de Coppenamerivier de plek waar leprozen werden verpleegd en verzorgd. De bekende pater redemptorist Peerke Donders (18091887) werkte bijna 45 jaar onder de leprapatiënten, waarvan een groot deel op Batavia.[6] Plantage Groot Chatillon is waarschijnlijk eind zeventiende eeuw aangelegd door François van Aerssen van Sommelsdijck, een zoon van de in 1688 vermoorde gouverneur van Suriname, die heer van Chatillon was. Beweerd wordt dat deze plantage de eerste was waar cacao verbouwd werd. In 1897 toen de leprozenkolonie er werd gevestigd was de plantage reeds verlaten.

Dagblad De Tijd bracht het nieuws over de verhuizing van de ‘melaatschen’ van Batavia naar Groot Chatillon. Van de 81 verpleegden was er slechts één ontvlucht (die overigens ook weer gevonden werd). Met het stoomschip Curaçao, onder leiding van kapitein Abendanon, vertrokken zij om 5 uur ’s middags van Batavia.

‘In vroolyke stemming, onder het maken van muziek en het wuiven met handen en zakdoeken naar degenen die aan wal stonden, vertrokken de melaatschen van Batavia. Gedurende de zeer voorspoedige reis had geen enkel voorval plaats, dat de goede stemming kwam verstoren’.[7]

Om 7 uur ´s morgens passeerde de boot de stad Paramaribo en rond 12 uur kwam hij aan op Chatillon. De krant vermeldde tevens dat de ´eerwaarde paters De Kuyper en Dortants, die op Batavia de geestelyke bediening waarnamen´ op Chatillon zijn gebleven en in de nog niet voltooide pastorie hun intrek namen. Vanuit Chatillon werden pogingen gedaan om de katholieke gemeente uit te breiden.

In 1900 werkte Dortants als pastoor (invaller) in Albina, in het oosten van Suriname. Maar in 1902 keerde hij weer terug op Chatillon. In de almanak van 1903 wordt Dortants ook genoemd als geestelijke in de ‘R.K. Kerk van St. Jan Baptist’ op Rorac (Roorak). Mogelijk werd hij in 1903 overgeplaatst van Groot Chatilllon naar Rorac. Want in de volgende almanakken van 1904 en 1905 wordt alleen Rorac genoemd als werkgebied van de redemptorist Dortants. De plantage Rorac lag iets noordelijker dan Groot Chatillon. Door de aanwezigheid van de katholieke missie op Groot Chatillon kwamen omliggende plantages ook gedeeltelijk onder de katholieke invloedssfeer.

 

xx haarnack04

De rooms-katholieke kerk in Rorac in de jaren (1903-1905) dat pater Dortants daar werkzaam was. (Collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

De verlaten plantage Rorac werd bevolkt door de nazaten van weggelopen slaven die zich vóór de afschaffing van de slavernij in de bossen tussen de Surinamerivier en de Commewijne schuilhielden. Na de emancipatie in 1863 besloot deze groep van circa tweehonderd weggelopen slaven niet langer in het moeilijk toegankelijke oerwoud (in het kamp van Broos & Kaliko) te blijven. De groep stond onder leiding van de broers Broos en Kaliko. De twee belangrijkste families uit Rorac waren de families Landveld en Babel (de voetballer Ryan Babel van Ajax is hier een nazaat van). De katholieke missionarissen van Groot Chatillon bezochten regelmatig de zogenaamde Brooskampers. In oktober 1891 werd door apostolisch-vicaris Wulfingh een katholiek kerkje ingewijd. Het was een houten kerkje waarvan het dak bestond uit pinabladeren. In deze kerk van St. Jan Baptist op Rorac werkte pater Dortants. In 1898 openden de paters een schooltje op Rorac. In 1900 werd er een volledig houten kerk gebouwd waarvan een prachtige foto bewaard is gebleven. De paters noteerden trouw het kerkbezoek. De Heilige Mis werd één keer per maand in de kerk van Rorac opgedragen. Gemiddeld werd deze door zo´n 65 mensen bijgewoond waarvan er dertig ter communie gingen.[8]

 

xx haarnack01

Wilhelmus Josephus Dortants in Suriname. (Collectie Frans Dortants).

Een brief van Dortants

Gelukkig zijn er in archieven in Nederland nog sporen van pater Dortants te vinden. Zo kwam in het archief van de redemptoristen in het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven in het klooster St. Agatha bij Cuyk een brief van Dortants boven water.[9] Op 20 maart 1892 schreef hij vanuit Suriname een brief naar Nederland. Hij schrijft dat hij in oktober 1891 in Coronie is gestationeerd om de Negerengelse taal te leren. In korte tijd heeft Dortants zoveel geleerd dat hij kan preken. En de biecht kan afnemen: met Kerstmis heeft hij een ‘goede honderd in het Neger-Engelsch moeten hooren,’ zo schrijft hij. Er zijn wel een kleine 250 communies geweest. Over de bevolking van Coronie schrijft Dortants:

‘De bevolking is hier zwart, zwart. Bijna alles zwart wat u ziet. De bevolking bestaat voor het grootste gedeelte uit afstammelingen van Afrikaansche slaven, ouders van dezen zijn vroeger uit Afrika naar alhier vervoerd. Sommigen dezer leven zelfs nog. Ik heb enige dagen geleden een vrouw gesproken, die vroeger uit Afrika vervoerd is. Het is eene echte type, spijtig dat (!) men geen portret van haar heeft. Haar gezicht gelijkt veel op dat van een aap. Allen, ik moet het echter bekennen, zijn zoo niet. Onder de kinderen en grooteren heeft men soms aardige koppen.’

In Dortants’ tijd bestond politieke correctheid nog niet. In zijn brief schrijft hij onomwonden en uit het hart. Wel geeft hij blijk van zijn afkeuren van de slavernij. Over dezelfde vrouw schrijft hij:

‘Deze vrouw vertelde, dat zij in haar jeugd, toen ze met andere meisjes mangos, een soort vruchten, was aan het plukken, door slavenjagers was opgepakt, in een zak gepakt, naar een schip vervoerd en zoo naar alhier verzonden. Wat een barbaarsche wreedheid toch!’

Voor een koopmanszoon moet het leven van Dortants in Suriname een bijzondere ervaring zijn geweest. Behalve de verschillen in klimaat, de flora en fauna heeft de confrontatie met de nazaten van Afrikaanse slaven grote indruk gemaakt op Dortants. Over hen schrijft hij onder andere in zijn brief:

‘Ze gaan blootvoets, dragen bijna alles op het hoofd, water klabassen, water-bakken, het Evangelie-boek als zij naar de kerk komen, schoenen, een petroleum lamp enz. enz. De vrouwen houden nog al om een pijpje te rooken. Zij hebben nog al veel goede eigenschappen. Zij houden van bidden, hebben die leelijke gewoonte niet van vloeken, zij stelen niet, ten minste geen beduidende zaken.’

Over het waarom Dortants naar Suriname is gekomen, bestaat geen twijfel. Hij ziet de bekering van de bevolking van Suriname tot het katholieke geloof als zijn belangrijkste taak. Bepaalde gebruiken en leefwijzen van de Surinamers staat op gespannen voet met het katholieke geloof. Dortants:

‘Spijtig dat de duivel zoo velen in zijn macht heeft, doordat er velen vijf, tien, ja twintig jaren bij elkaar leven zonder getrouwd te zijn.’

Dortants vraagt allen die dit horen, zo nu en dan eens te bidden zodat ‘dit wat zal verbeteren’.

Dortants schrijft verder over plantage Burnside. Er waren in Coronie, zo schrijft Dortans, twee bijkerkjes, één op Burnside en één op Welgelegen. Op Burnside nam hij daar de biecht af van een man die 18 of 19 jaar geen Pasen had gehouden:

‘Burnside is een goede twee uur van hier verwijderd. Wij gaan er per rijtuig naar toe of soms te paard. Wij hebben een goed paardje. ‘t Heeft wel nu en dan eenige Surinaamsche nukken, doch ‘t is een heel aardig beestje. Wij zijn beiden reeds goede ruiters. Een heerlijk ruim twee uur lange weg aan beide zijden met kokosboomen of soms chinasappelboomen bezet voert u derwaarts. Wij gaan er iederen zondag heen om de H. Mis te zingen, te preeken, catechismus te geven, kinderen te doopen enz. Burnside, zoals men mij zegt, bevatte vroeger wel 1000 bewoners, doordien er eene groote suikerplantage was. Tegenwoordig bestaat dien niet meer, zoodat de bevolki‘Burnside is een goede twee uur van hier verwijderd. Wij gaan er per rijtuig naar toe of soms te paard. Wij hebben een goed paardje. ‘t Heeft wel nu en dan eenige Surinaamsche nukken, doch ‘t is een heel aardig beestje. Wij zijn beiden reeds goede ruiters. Een heerlijk ruim twee uur lange weg aan beide zijden met kokosboomen of soms chinasappelboomen bezet voert u derwaarts. Wij gaan er iederen zondag heen om de H. Mis te zingen, te preeken, catechismus te geven, kinderen te doopen enz. Burnside, zoals men mij zegt, bevatte vroeger wel 1000 bewoners, doordien er eene groote suikerplantage was. Tegenwoordig bestaat dien niet meer, zoodat de bevolking buitengewoon verminderd is.’ Enter a captionng buitengewoon verminderd is.’

 

xx haarnack03

Het Bonifaciuscomplex aan de Wanicastraat te Paramaribo met pastorie, kerk, school en weeshuis op een rij. Hier werkte Dortants in 1892 en kort voor zijn dood in 1906. (Collectie: Buku Bibliotheca Surinamica)

Op het moment dat Dortants deze brief schrijft (20 maart 1892), werkt hij in de St. Bonifaciuskerk aan de Wanicastraat in Paramaribo. In het weeshuis zijn er een kleine 60 weesjongens. Het weeshuis wordt geleid door de pater Van Tooren. Op de school te Bonifaas zijn er, inclusief de weesjongens, 250 kinderen, allemaal jongens. Pater Van Tooren, frater Heynen en Kusters geven les op deze school. De brief besluit Dortants met ‘Uw ootmoedige Dienaar en Confrater’.

            Hij werkte zijn laatste levensdagen als kapelaan in de St. Bonifaciuskerk in Paramaribo. Kort voor zijn dood verbleef Dortants in het klooster van de paters redemptoristen bij de kathedraal van Paramaribo. Op 13 december 1906 overleed Dortants aan de gevolgen van een ernstige chronische maagkwaal. Na een verblijf van zestien jaar in Suriname werd hij, 51 jaar oud, op rooms-katholieke begraafplaats te Paramaribo begraven.[10]

Carl Haarnack

 

(Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis. Jaargang 20, nr 4, december 2017).

 

Voetnoten:

[1] [Adrianus Bossers], Beknopte geschiedenis der katholieke missie in Suriname. Door een Pater Redemptorist (Gulpen 1884) 14-30, 35-66, 93.

[2] Dit artikel draag ik op aan Rosemarie Smeets (1947-2016). Van haar ontving ik veel informatie over de familie Dortants, die zij weer kreeg van Frans en Francine Dortants-Boshouwers, nazaten van Adam (Daam Dortants).

[3] Marianne Dagevos, ‘Verslag 1 november 2009. Eerste Peerke Donderslezing. Eerste Peerke Donderslezing: persoonlijk engagement en positief Tilburg-gevoel’, op de website Wereldpodium (wereldpodium.nu/verslag-wereldpodium-1-november-2009, geraadpleegd op 7 november 2017).

[4] [Bossers], Surinaamse missie, 137.

[5] Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1903 (Paramaribo 1902) 173.

[6] Over Batavia schrijft August Kappler: ‘Het is niet alleen het gevaar van zijne gezondheid te verliezen en een offer der melaatschheid te worden, maar vooral het slechte karakter der negers zelve, dat hem het meest bedreigt. In October 1851 werd de priester van het gesticht Batavia, een man die op deze zoo afgezonderde plaats hen onvermoeid en ijverig in hun ligchaams- en zielelijden bijstond, door een dezer ellendigen uit wraak vermoord, omdat hij hem, ten einde dronkenschap voor te komen, eene kruik met dram afgenomen had.’ A. Kappler, Zes jaren in Suriname. Schetsen en tafereelen uit het maatschappelijke en militaire leven in deze kolonie (Utrecht 1854) 60.

[7] Dagblad De Tijd, 6 november 1897.

[8] Wim Hoogbergen, Het kamp van Broos en Kaliko. De geschiedenis van een Afro-Surinaamse familie (Amsterdam 1996) 133.

[9] Met dank aan pater Joop Vernooij (1940-2017). Hij was redemptorist en van 1969 tot 2001 werkzaam als pastor in het bisdom Paramaribo, Suriname. Vijf jaar geleden verscheen zijn boek De regenboog is in ons huis. De kleurrijke geschiedenis van de r.k. kerk in Suriname (Nijmegen 2012). (Kennelijk gaat het hier om het Archief Redemptoristen in het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven, nr. 11982 Dortants, J.W. (1855-1906).)

[10] Dagblad De Tijd, 9 januari 1907, rubriek Kerknieuws; het bericht is overgenomen uit het dagblad De West. Deze begraafplaats werd in 1921 geruimd. De restanten van Dortants werden overgebracht naar de nieuwe rooms-katholieke begraafplaats in Paramaribo.

 

zie verder:

Katholieke Missie in Suriname

Een katholieke begrafenis in Suriname

50-jarig jubilé der boeren in Suriname. Julius Muller en C. Hoekstra (1895)

Tags

Het 50-jarig jubilé der boeren in Suriname (1845-1895). Julius E. Muller en C. Hoekstra. Paramaribo: B. Heijde, 1895.

De meeste mensen kennen Julius Muller (1846-1902) van de prachtige foto’s die hij in de tweede helft van de 19e eeuw maakte. In 1997 verscheen een boek met zijn foto’s:  Suriname door het oog van Julius Muller : fotografie 1882-1902. Muller werd opgeleid tot landmeter maar toen er in Suriname goud gevonden werd richtte hij zich op de goudwinning. In 1888 werd hij gekozen in de Koloniale Staten in Suriname. Dit boekje, dat Muller maakte ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de ‘boeren’ in Suriname, is de enige publicatie in boekvorm van zijn hand die we kennen. Hij schreef het samen met C. Hoekstra (1852-1911), geboren in Friesland en tussen 1892 en 1907 predikant van de Evangelisch Lutherse Gemeente in Paramaribo. Hoekstra schreef in 1893 de twee coupletten in het Nederlands van het Surinaamse volkslied (Suriname’s trotse stromen).

familie Loor 1893

Familie Loor (collectie Tropenmuseum, 1893)

Het boekje is bescheiden van omvang (het telt slechts 14 pagina’s) maar is wel één van de weinige 19e eeuwse publicaties over de Nederlandse boerenfamilies die zich vanaf 1845 aan de Saramaccarivier, tegenover Groningen, vestigden. Twee schepen, de Susanna Maria en de Noord-Holland, vervoerden 200 passagiers die tezamen 50 families vormden. De auteurs schrijven dat de ‘boerenkolonisten’ zoveel heerlijks was voorgespiegeld: het Gouvernement zou hun nieuwe woongebied in gereedheid hebben gebracht; goede landbouwgrond, eenvoudige maar nette landhuizen, luchtig gebouwde stallen en ook was er de toezegging dat er gereedschap en vee zou zijn. Vier jaar lang hadden Van den Brandhof , Betting en Copijn aan het kolonisatieplan gewerkt. De naam van de nieuwe woonplek van de boerenfamilies, Voorzorg, leek zeer toepasselijk voor dit omvangrijke project.

IMG_6448

Maar toen de boeren van boord gingen was er geen uitbundige ontvangst: er waren slechts 17 hutten waarvan er negen enigzins bewoonbaar waren; de moerasgrond was niet klaargemaakt voor bebouwing én er waren alleen levensmiddelen die door een boot waren aangevoerd, tarweblom, gezouten spek, rijst en zout. Het was, zo schrijven Muller en Hoekstra, dan ook niet verwonderlijk dat binnen veertien dagen ziektes de kop op staken. Behalve de medicijnkist van de scheepsheelmeester van de Noord-Holland waren er geen medische voorzieningen. En er waren nog meer kolonisten uit Nederland onderweg. In korte tijd waren er 189 van de 384 immigranten overleden en bleven er slechts 11 enigszins gezond. Velen keerden gedesillusioneerd terug naar Nederland. Degenen die bleven probeerden zich door alle tegenslagen heen te ploeteren. Van de toegezegde gereedschappen, vee en pluimvee was nauwelijks sprake. Daarboven op trad in het najaar van 1845 een langdurige droogte in waardoor de aanplant van bananen en andere vruchten verloren ging. Toen in 1846 de oogst overvloedig was bleek dat het transport van de producten naar Paramaribo te tijdrovend en te kostbaar was. Verschillende boerenfamilies verlieten Voorzorg en vestigden zich in de buurt van Paramaribo. Gijsbertus Overeem, aangekomen in 1845, verloor in korte tijd zijn beide ouders. Hij trouwde met Hendrika Snippenberg. Zij konden zich na een kort verblijf aan de Boven-Suriname rivier te Rama een boerenbedrijf beginnen aan de Wanicaweg en de Dominékreek. Deze grond, 280 hectaren groot en l’Hermitage genaamd, bevond zich op een uur afstand van de stad. Zij kregen zes kinderen.

Gijsbertus_Overeem en vrouw

Gijsbertus Overeem (collectie Tropenmuseum)

In 1853 werd de kolonie te Voorzorg opgeheven. Het project was natuurlijk een grote mislukking. Toch roepen de auteurs op tot het vieren van de boerenkolonisatie en om een ‘eeresaluut’ te brengen aan ‘het vijftigjarig werken der wakkeren boeren, die zich door eigen kracht zoo ferm hebben staande gehouden’.  Het kleine papieren boekje is een collector’s item. Slechts een paar bibliotheken in Nederland, waaronder de Koninklijke Bibliotheek en de Buku-collectie, beschikken over een exemplaar.

In 2016 publiceerde Karin Sitalsing Boeroes, een familiegeschiedenis van witte Surinamers. Een zeer leesbaar en informatief boek over de geschiedenis van de boerenkolonisten die in 1845 te Voorzorg aankwamen.

Carl Haarnack

 

verder lezen

  • André Loor vertelt, Suriname 1850-1950. Paramaribo: VACO, 2013
  • Boeroes: een familiegeschiedenis van witte Surinamers. Karin Sitalsing. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2016.
  • De mogelijkheid van landbouw-kolonisatie voor blanken in Suriname.
    Eline Françoise Verkade-Cartier van Dissel (1906-1990). Amsterdam: 1937.

 

sitalsing

Guyana. Eberhardt A. W. von Zimmermann (1819)

Tags

, , ,

Guyana. Eberhardt August Wilhelm von Zimmermann. In: De aarde en hare bewoners, volgens de nieuwste ontdekkingen : een werk ter bevordering der kennis van landen en volken en van derzelver voortbrengsels en handel. Naar het Hoogduitsch van E.A.W. von Zimmermann. Haarlem: Bij de erven François Bohn, 1819.

Eberhardt August Wilhelm von Zimmermann (1743-1815) stuurde wiskunde en natuurwetenschappen in Leiden, Halle, Berlijn en Göttingen. Hij reisde graag door Europa en schreef een aantal omvangrijke werken. Regelmatig koos hij daarbij Suriname (of de geschiedenis van Suriname) als onderwerp. Zo publiceerde hij tussen 1802 en 1813 zijn Taschenbuch der Reisen waarin hij regelmatig schreef over Suriname, slavernij (ook in Suriname) en een aantal prenten uit Stedman’s Narrative opnam.   De aarde en hare bewoners, volgens de nieuwste ontdekkingen : een werk ter bevordering der kennis van landen en volken en van derzelver voortbrengsels en handel telt maar liefst 19 delen. De  oorspronkelijke Duitse titel Die erde und ihre bewohner. Ein lesebuch für geographie, völkerkunde produktenlehre und den handel verscheen tussen 1810 en 1814. Eén deel is voor de lezers van deze website vooral interessant: Guyana!

zimmermann

Taschenbuch der Reisen (1803), met afbeelding van Joanna

De auteur begint met een uiteenzetting over de ontdekking van de Wilde Kust door de Spanjaarden, over de zoektocht naar El Dorado en Walter Raleigh die in 1595 het gebied bezocht. Zimmermann was nooit in Zuid-Amerika geweest maar hij baseerde zijn schrijfsels op de boeken van onder anderen Des Marchais, Barrere, Condamine, Ulloa, Fermin, Hartsinck, Bancroft en natuurlijk ons aller Stedman. Vervolgens is de beschrijving van klimaat, flora en fauna aan de beurt. Ook Maria Sibylla Merian en haar tekeningen van vlinders en rupsen ontbreken niet. Ook vinden we een beschrijving van de aboma en de wijze waarop deze gevangen wordt en gebruikt. Zimmermann geeft in zijn boek een afbeelding weer die hij aan Stedman heeft ontleend: ‘The Skinning of the Aboma’. Nog interessanter wordt het als hij de inwoners van Guyana beschrijft. De Europeanen zijn er volgens hem heer en meester, of beter gezegd, oppermachtig en willekeurig tiran. Maar het klimaat is hun straf. Er zijn beschrijvingen waarin melding wordt gemaakt van soms wel acht doden op één dag.

Stedman in Taschenbuch der Reisen EAW Zimmermann 1806

Illustratie uit ‘Guyana’ (naar Stedman).

Dat komt door hun ruwe levenswijze maar ook door het gebruik van ‘oranje-appelen’ en citroenen ter verkoeling en rum en water die vreselijke ‘kolijke pijnen’ veroorzaken. Paramaribo is een zeer dure stad, zo gaat Zimmermann verder. Voor een paar kamers, zonder meubelen, betaalt men wel drie of vier pond sterling per maand. Een pond vlees van tam vee kost een ‘Engelsche schelling’, een fles wijn kost drie schellingen. Alleen de vis is eigenlijk goedkoop. Citroenen en tamarinden kan men kosteloos onder de bomen oprapen.

Om zes uur ’s avonds wordt er op een schip voor de rede het geschut gelost en wordt een taptoe geslagen. De burgerwacht neemt haar plaats in en geen enkele ‘Neger of Negerin’ mag zich zonder toestemming van hun meester op straat begeven. Om tien slaan de zwarte trommelslagers een tweede taptoe en verschijnen de dames in de maneschijn. Zij schenken hun gasten wijn of sangari (een madeirawijn, water, nootmuskaat en suiker) en praten met hun minnaars. Ook spreken zij over hun echtgenoten en over hun slavinnen. Deze slavinnen worden aan goede vrienden voor een bepaalde prijs voor een week aangeboden. Zimmermann vertelt in slechts enkele zinnen iets over de promiscuïteit van vrouwen (en mannen) én over een verschijnsel waar we maar weinig over lezen bij Nederlandse auteurs, namelijk de prostitutie van slavinnen in Paramaribo. Hoewel de auteur de informatie uit tweede of derde hand heeft weet hij ons toch een bijzonder geloofwaardig beeld te schetsen van Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Het boek is niet extreem zeldzaam en wordt soms antiquarisch te koop aangeboden voor redelijke prijzen.

Carl Haarnack

zie ook:

Taschenbuch 1803

Taschenbuch 1806

 

Proeve over de oorzaken van verval. W.H. Lans (1829)

Tags

, , , , ,

Proeve over de oorzaken van verval en de middelen tot herstel der Surinaamsche plantaadjen. W.H. Lans. ’s-Gravenhage – Amsterdam: Gebroeders Van Cleef, 1829

In deze publicatie gaat Lans in op de vraag wat de oorzaak is van het verval van de kolonie Suriname die sinds het eind van de 18e eeuw in gang is gezet.

Allereerst stelt Lans dat Suriname, hoewel niet zo bloeiend als vijftig jaar geleden, nog steeds ‘eene der belangrijkste van onze overzeesche bezittingen’ is. Over de oorzaken van het verval van de plantages heeft Lans een uitgesproken mening. Eén daarvan is dat er bij de aanleg niet goed gelet werd op de deugdzaamheid van het terrein. In plaats van te kiezen voor het neerzetten van goedkope gebouwen gaf men er de voorkeur aan om woonhuizen en koffieloodsen van het duurste hout te bouwen, groter en sierlijker dan nodig was. De beschikbaarheid van krediet dat planters konden krijgen, hun ijdelheid én het belang dat de fondsen in Amsterdam hadden, die de financiering voor hun rekening namen, om hen in de schulden te steken waren daarbij de voornaamste oorzaken. Sommige planters waren niet in staat om genoeg slaven te kopen omdat ze te veel geld aan de gebouwen besteed hadden.

surinam1800map

Lans is als, inner van belastingen, er de man niet naar om het verval van Suriname niet met harde cijfers aan te tonen. Waar er in 1775 nog 18.000.000 pond koffie naar Europa werd verscheept, was daar in 1825 nog maar 4.196.575 pond van over. De productie van cacao, in 1775 nog 200.000 pond, was vijftig jaar later gehalveerd. Toch nam de productie van katoen (van 80.000 naar 2.329.607 pond) én suiker (van 15.200.000 naar 23.815.707 pond) behoorlijk toe.

Voor wat betreft de oplossingen zoekt Lans in een betere bewerking van het land, de werktuigen maar vooral de ‘werklieden’. In Suriname zijn er, zo doceert Lans, geen andere werklieden dan slaven. De indianen zijn met geen enkel middel aan het werk te krijgen (als slaven bedoelt hij natuurlijk). De ‘boschnegers’ hebben door de houthandel meer weelde dan zij aankunnen, stelt Lans. De vrije lieden zouden zich vernederd voelen door het verrichten van veldwerk en aan ‘blanke arbeiders is in het geheel niet te denken’. De conclusie is dat het voortbestaan van de kolonie volledig afhankelijk is van de slavenpopulatie. En omdat, door het verbod op de slavenhandel, er geen ‘verse’ aanvoer van ‘Afrikaansche negers’ is, gaat die populatie hard achteruit.

tropenmuseum_royal_tropical_institute_objectnumber_3581-33m_boschnegers

Marron met een pagaai (peddel), er achter staat een man in een korjaal. Ingekleurde litho naar een tekening van Th. Bray (Collectie Tropenmuseum Amsterdam, no. 21/25)

Lans is zeer stellig in zijn bewering dat het een leugen is dat de ‘negerslaaf’ overwerkt of mishandeld wordt. Hij gaat verder en stelt dat 3/5e  van de inwoners van Europa minder gelukkig is dan de slaven in de kolonie Suriname. De echte oorzaak van de achteruitgang van de slavenpopulatie is volgens Lans de ongelijke aantallen tussen mannen en vrouwen (29.162 mannen tegen 26.922 vrouwen) en die zijn ongelijk verdeeld over 500 plantages. Soms zo erg dat de verhouding op sommige plantages soms één op drie is.

Dan zijn er nog de administrateurs, soms ‘winzuchtig’ en gewetenloos, die hun eigen, korte termijn, belangen (zij krijgen 10% van de opbrengst van de plantage) boven de lange termijn belangen van de plantage stellen. Lans adviseert de eigenaren van de plantages, die zich vooral in Nederland bevinden, om zelf naar Suriname te komen en met eigen ogen te zien wat er allemaal gebeurt. Zijn devies is: hoor alles aan, spreek weinig en let op de drijfveren die mensen hebben, oordeel zelf en vertrouw niemand te veel!

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft een exemplaar, net als vier UB’s. De Buku collectie heeft helaas geen exemplaar van dit zeldzame boekje.

Carl Haarnack

zie ook: Bijdrage tot de kennis der Kolonie Suriname. W.H. Lans (1842)