Surinam und seine Bewohner. J.D. Kunitz (1805)

Tags

, , ,

Surinam und seine Bewohner oder Nachrichten über die geographischen, physischen, statistischen, moralischen und politischen Verhältnisse dieser Insel während eines zwanzigjährigen Aufenthalts daselbst, gesammelt.  J.D. Kunitz. Erfurt, Beyer un Maring, 1805.

Wie deze rubriek al langer volgt weet dat we een speciale belangstelling hebben voor Duitse reisbeschrijvingen over Suriname. Duitsers die een lange tijd in Suriname hadden doorgebracht en, na terugkeer in Duitsland, hun memoires op papier zetten, schreven vaak veel openlijker en directer over hun ervaringen in deze Nederlandse kolonie. Zij hadden in Duitsland minder last van een overheid die liever niet had dat er teveel uit de school geklapt werd over wat er in Suriname gebeurde. Zeker niet waar het ging om slavernij of de seksuele relaties tussen Europese mannen en vrouwen die in slavernij leefden.

Gezicht op veld met suikerriet plantage Visserszorg
Jacob Marius Adriaan Martini van Geffen (1859). Collectie Rijksmuseum.

Kunitz verbleef twintig jaar in Suriname. In deze periode namen de overvallen op plantages door van de plantages weggevluchte slaven, marrons, in aantal maar ook in hevigheid toe. John Gabriel Stedman zou in 1773 onder leiding van kolonel Fourgeoud in Suriname arriveren. Ook Kunitz kwam als soldaat naar Suriname om jacht te maken op marrons. In 1774 was hij secretaris op de suikerplantage Slootwijk. De toenmalige directeur heette Schmidt. Kunitz omschreef hem als een heftige, eigenzinnige, trotse, wellustige en tyrannieke man. Deze directeur had, zo schrijft Kunitz, een haat tegen een zwarte familie ontwikkeld, waarom wist hij niet. Hij behandelde ieder lid van deze familie op de meest schandelijke manier. Het beeld dat we in Duitse literatuur vaker tegen komen van de goede zachtaardige ‘meester’ wordt door dit relaas ruw verstoord. Later vond hij een betrekking op de koffieplantage La Bonheur aan de Commewijnerivier. Zijn carriére verliep voorspoedig want al snel heeft hij zich opgewerkt tot directeur van plantage Fauquemberg en Knoppomombo (ook wel Knopomonbo or Knopomoribo).

Kunitz schrijft uitvoerig over het land, de architectuur en de verschillende volkeren in Suriname en hun gebruiken en levenswijzen. Hij veroordeelt de slavernij niet (er is nauwelijks een kritische noot als het gaat om de behandeling van slaven). Directeuren van plantages waren niet alleen ooggetuigen van de behandeling van slaven en hun manier van leven, maar ook rechtstreeks betrokken bij het vormgeven van die omstandigheden. Kunitz rechtvaardigt de bestraffing van slaven en verwijst naar de wetten van de land alsof zijn rol beperkt is tot het naleven van deze wetten: “Als een mannelijke of vrouwelijke slaaf een misdrijf heeft gepleegd, wordt hij of zij uitgekleed naakt en vastgebonden met een touw en naar twee negers gebracht die zijn voorzien van zwepen. Hij of zij krijgt 80 zweepslagen, in lijn met de wetten van het land. Het komt regelmatig voor dat slaven, vooral Cormantijn negers zelfmoord plegen door hun tong af te bijten, of als ze hun straf hebben overleefd, op een andere manier hun leven beëindigen.”

Titelblad Surinam und seine Bewhoner (1805)

Kunitz is als ooggetuige natuurlijk een bijzonder interessante bron om iets te weten te komen over het. Zijn rol als plantagedirecteur dwingt ons om zijn visie op het instituut slavernij kritisch te bekijken. Onze plantagedirecteur heeft ook praktische tips voor collega-directeuren. Zo schrijft hij dat slaven met zingen de tijd proberen te doden en het werk te verlichten. Hij is klaarblijkelijk geen groot bewonderaar van het gezang want hij adviseert om de gebouwen waar de suiker wordt geproduceerd niet te dicht bij de woonhuizen te plaatsen. Dit vanwege de overlast die het zingen te weeg brengt.

In de zomer van 1788 vertrok Kunitz weer naar Duitsland. In de krant plaatste hij een advertentie, zoals te doen gebruikelijk bij vertrek uit de kolonie, waarin hij mensen opriep die hem nog geld schuldig waren om die te komen voldoen en voor degenen die nog geld van hem te goed hadden om het geld af te halen. Zij moesten zich melden bij het huis van J.G. Fellmann. Zijn boekt wordt pas in 1805 gepubliceerd. In Nederlandse bibliotheken vinden we slechts vijf exemplaren. Bij particuliere verzamelaars zijn mij slechts twee exemplaren bekend.

Carl Haarnack

Korte en Zakelyke Beschryvinge van de Colonie van Zuriname. Thomas Pistorius (1763)

Tags

, ,

Korte en Zakelyke Beschryvinge van de Colonie van Zuriname……. Door de Heer Thomas Pistorius, lit van de Edele Achtbaare Raad van Policie en Crimineele Justitie op de Colonie van Zuriname, Amsterdam, 1763.

Precies honderd jaar vóór de afschaffing van de slavernij in Suriname verscheen dit belangrijke boek. Het werd gedrukt bij de ‘Boek- en Papierverkooper’ Theodorus Crajenschot op de Singel in Amsterdam. Thomas Pistorius was niet de eerste de beste. Hij was lid van de ‘Raad van Policie en Crimineele Justitie’ in de kolonie Suriname en behoorde dus tot de bovenlaag van de koloniale elite. Hij schrijft dit boek omdat hij de mensen buiten de kolonie, die naar zijn smaak doorgaans verkeerde denkbeelden hebben over wat zich hier afspeelt, een op ervaring en waarheid gebaseerd verhaal wilt voorschotelen. Omdat zijn ogen slecht zijn maak hij gebruik van een ‘jongeling’ aan wie hij zijn teksten mondeling dicteerde.

Gezicht op Paramaribo (rechts Fort Zeelandia)

Zoals gebruikelijk bij 18e eeuwse reisbeschrijving begint ook Pistorius aan een beschrijving van het land, Fort Zeelandia en bijzonder uitvoerig over de rivieren. Onze aandacht gaat eerder uit maar de mensen en hun eigenaardigheden die hij beschrijft. Zo beschrijft hij uitvoering over de ‘inboorlingen’ die langs de Marowijne, de Commewijne, de Saramacca, de Coppename, de Corantijn en de andere rivieren leven. Zowel de mannen als vrouwen gaan naakt door het leven behalve dat de laatsten door een gevlochten doek of een dierlijk vel hun ‘vrouwelijkheid’ verbergen. Hun geloof ziet Pistorius als een afgodsdienst: “Dus aanbidden ze, ja offeren zelfs aan de Zon, de Starren, de Regenboog; Wilde Dieren, Boomen, Planten; de Zee, groote of monstereuze Vissen en Gediertens die dezelve opgeeft; ja zelfs den Duivel, aan wien ze meenigmaal op ‘t aanraaden van haare Pejes of Priesters, offerhande brengen”. Opvallend is dat de beschrijving van de inheemse bevolking van Suriname overeenkomsten vertoont met die van George Warren die bijna honderd jaar eerder zijn Impartial Description of Surinam (1667).

Slavenbevolking op Surinaamse plantage

De slavenbevolking komt in het boek wel ter sprake maar alleen als objecten in bij voorbeeld hoofdstuk IV dat als titel heeft ‘Vervattende de hoedanigheid van de Zuiker-Rieten, en derzelver beschryvinge; de manier om ze te Planten, te Snyden, te Maalen, te Kooken, en te Zuiveren…’. Zo adviseert Pistorius het onkruid te wieden en het suikerriet van bijgewassen te zuiveren. Dat vergemakkelijkt het rooien maar ook helpt het de plantage-eigenaar of opzichter het werk van de slaven beter gade te slaan en te ontdekken wanneer deze ‘den luiaart speelen.’ In het laatste hoofdstuk worden een aantal instructies meegegeven die van belang zijn bij het over zien van de koffie- en suikerplantages en houtzagerijen. Alle instructies beogen de belangen van de plantage-eigenaren te behartigen. Maar, zo zegt Pistorius, de boog kan niet altijd gespannen zijn. Dus moet men ook de slaven een paar keer per jaar ‘een vroolyken dag’ gunnen. Zij mogen zich dan met trommelen, fluiten, dansen en springen vrolijk maken. Er moeten dan eten en drank worden uitgedeeld máár er gelden wel dreigementen dat er geen onenigheid of ruzie moet plaatsvinden. In de zware regentijd is het raadzaam hen wat ‘dram’ te geven zodat hun lichamen verwarmd en verfrist worden.

Illustratie uit het boek van Pistorius (collectie: Buku Bibliotheca Surinamica)

Bij het lezen van dit boek moeten we ons realiseren dat Pistorius, wat hij ook in zijn inleiding moge beweren, ons geen antropologische verhandeling probeert voor te schotelen over de bevolking. Het boek is overduidelijk bedoeld voor de planters in Suriname en investeerders in Amsterdam. We krijgen wel de eerste afbeelding voorgeschoteld waardoor duidelijk wordt dat er in de kolonie sprake is van gedwongen arbeid. De slaven zijn voor de auteur niet interessant als mensen (we leren niets over hun culturele gebruiken of hun taal) maar alleen als lichamelijke werkkrachten die bijvoorbeeld het suikerriet kappen en in de tandwielen van de suikermolen steken. Over de zware arbeid en de gevaren die dit met zich meebracht wordt met geen woord gerept.

Carl Haarnack

Titelpagina Korte en Zakelyke Beschryvinge van de Colonie van Zuriname (collectie: Buku Bibliotheca Surinamica)

Onze West. A.H. Pareau (1898)

Tags

Onze West, reisschetsen door A.H. Pareau. Den Haag:  W.P. van Stockum en Zoon, 1898.

Antonius Henricus Pareau (1849-1918) was de zoon van een predikant, Antonius Henricus Pareau en Charlotte Maria Christina Dumont. Na zijn studie scheikunde werkte hij als leraar in Den Haag. Ook runde hij een eigen chemisch onderzoekslaboratorium. In 1897 maakte hij een reis naar Suriname waarvan hij in dit boek, Onze West, verslag doet. Het publiek in Nederland weet volgens hem nagenoeg niets af van de kolonie Suriname, die als een stiefmoeder wordt behandeld.

Gezicht op Paramaribo, Johan Antonie Kaldenbach, naar J.H. Hottinger, 1770 – 1818 (detail). Collectie Rijksmuseum

Net zoals in zovele reisverslagen begint de auteur met de lange zeereis en een beschrijving van het land Suriname. Dat gedeelte sla ik hier vanwege ruimtegebrek maar over. Eén ding daaruit wil ik u niet onthouden. Als we reizen en daarom verslag doen dan doen we dat altijd op basis van de bestaande kennis in ons brein. Pareau merkt op dat stenen muren in Suriname tot een zeldzaamheid behoren. Bijna alle huizen zijn uit hout opgetrokken. Daarom doet Paramaribo hem denken aan Zaandam en andere plaatsen in de Zaanstreek. Die vergelijking zijn we in de Surinaamse bibliotheek nog niet eerder tegengekomen.

Pareau geeft ook een uitvoerige en interessante uiteenzetting over de goudvelden in Suriname. Ook al is de goudvoorraad in Suriname groter dan die van Transvaal dan is het toch nog volgens hem niet gezegd dat de goudindustrie hier een even grote ontwikkeling zou doormaken. Het grootste probleem is volgens Pareau van logistieke aard. Wil men vanuit Paramaribo naar een goudplacer in het Lawagebied reizen moet men eerst over zee met een stoomboot of zeilboot naar de monding van de Marowijne varen. Met een zeilboot duurt de reis naar Albina 3 a vier dagen. Vanaf Albina kan men alleen met smalle korjalen verder. Ook trakteert de auteur ons op een aantal bijzondere foto’s van gouddelvers.

Waterkant Paramaribo, ca 1898

Over het leven op de plantages en vooral de kontraktarbeiders uit India en Java lezen we boeiende verhalen. Bij een bezoek aan G. Barnet Lyon, Agent-Generaal voor de immigratie, hoorde Pareau over de verhalen van verschillende ‘koeli-vrouwen’ die zwaar beladen waren met gouden tientjes aan kettingen en andere gouden sieraden. Dit vormde het vermogen dat zij door hard werken bij elkaar gespaard hadden. Ook was er een man die flink gespaard had en na zijn kontrakt Suriname niet wilde verlaten. Wat hem echter dwars zat was dat hij zijn moeder niet terug zou zien. Daarom verzocht hij de Agent-Generaal om zijn moeder, op zijn kosten, naar Suriname over te laten komen. Over de immigratie van Javanen schrijft Pareau positief. Ze zijn weliswaar niet zo sterk als de ‘Brits-Indiërs’ maar zij werken nauwgezetter. De planters, zo gaat hij verder met zijn koloniale retoriek, zijn zeer ingenomen met de Javanen omdat zij niet zo hooghartig zijn als de ‘Brits-Indische koelies’ en volgzaam hun dagelijkse arbeid verrichten.

Pareau bezoekt op zijn reis ook Albina of zoals de Franse buren zeggen, Albine la coquette. De stichter van Albina, August Kappler, is dan al geruime tijd overleden maar, zo beweert hij, zijn weduwe woont er nog steeds. Het is vooral vanwege de goudvelden dat Albina een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Er is een fraaie kerk met een school. Ook is er een grote Chinese toko die de goudzoekers van al wat nodig is voorziet. Bij het tolkantoor kan direct de accijns voor het gewonnen goud betaald worden.

Het boek van Pareau is bij het grote publiek vrijwel onbekend. We vinden het boek slechts bij een handjevol universiteitsbibliotheken en natuurlijk bij de Koninklijke Bibliotheek. Op veilingen en bij antiquaren zult u dit boek niet vaak tegenkomen. Het is een lezenswaardig boek over het Suriname van rond de eeuwwisseling, een periode waarover de literatuur niet dik gezaaid is.

Carl Haarnack


West Indisch Plakaatboek (1667-1816). Dr. J.A. Schiltkamp en Dr. J.Th. de Smidt (1973)

West Indisch Plakaatboek. Plakaten, ordonnnatiën en andere wetten, uitgevaardigd in Suriname. Deel I 1667-1761 + Deel II  1761-1816. Dr. J.A. Schiltkamp en Dr. J.Th. de Smidt (red.). Amsterdam: S. Emmering, 1973.

Wie de geschiedenis wil begrijpen kan natuurlijk zijn oor te luisteren leggen bij opa en oma. Die hebben vast boeiende en belangrijke verhalen die de moeite waard zijn om verteld (én opgeschreven) te worden. Voor de ‘bigger picture’ echter, voor wie de geschiedenis vanaf pak ‘m beet 1667 wil begrijpen, zijn opa en oma niet toereikend. Het geraamte van die geschiedschrijving wordt gevormd door de wetgeving. Door de eeuwen heen weerspiegelen de wetten de mores van het moment. In Suriname werden de wetgeving en bestuur door de Raad van Politie en Justitie uitgeoefend sinds de eerste jaren van het Nederlands bestuur. De gouverneur en de Raden namen allerlei beslissingen, gaven opdrachten, verboden van alles of gaven juist toestemming. Al die beslissingen werden in resoluties, notifikaties, waarschuwingen, publikaties, ordonnantiën of plakaten gepubliceerd. Die werden onder trompetgeluid opgehangen op het Fort, herbergen en plantages en andere plekken. In dit West Indisch Plakaatboek zijn al die wetten en plakaten, die tussen 1667 en 1816 werden afgekondigd, gebundeld.

Bijna iedere wet vertelt een boeiend verhaal over het leven in die tijd. Het is helaas ondoenlijk om al die honderden wetten en plakaten etc, in de beperkte ruimte die we in deze rubriek hebben, te bespreken. Een paar willekeurige voorbeelden leveren boeiende inkijkjes in het verleden. Zo werd er op 24 oktober 1684 een plakaat gemaakt over het merken van slaven. ‘Allen degenen die dese sullen sien ofte horen lesen saluyt’, zo beginnen bijna alle plakaten. Maar dan: het gebeurt, zo luidt de begin tekst, dat verscheidene weggelopen slaven (‘negers’) of door vijandelijke ‘indianen’ ontvoerde slaven weer terugkeren. Soms weet men dan niet aan wie deze slaven toebehoren omdat zij niet gebrandmerkt zijn. Daarom is het verplicht voor ‘alle coloniers, planters en ingesetenen van de revier Suriname, Commewine en resoorten’ die slaven houden of in dienst hebben, om hun slaven binnen drie maanden van een (brand-) merk te voorzien. Als dat niet gebeurt en als er na drie maanden ongemerkte weggelopen slaven teruggevonden worden dan zal de slaaf  verbeurd worden verklaard en geconfisceerd worden. En de eigenaar zal bovendien gestraft worden met een boete van 4000 pond suiker.

Een maand later op 9 november 1684 verschijnt er een plakaat waarin het verboden wordt om het ‘indianen’ handel te drijven in slaven, vaartuigen of letterhout. Tevens wordt het verboden dat slaven die van buiten komen niet in de stad mogen rondlopen. Als planters naar de stad komen dan moeten zij voortaan hun slaven in de tentboten achterlaten. Want er waren ‘meenighvuldige klachten’ over diefstal door deze slaven gepleegd.  

Deel I van het West Indisch Plakaatboek

Er zijn ook wetten die de gemiddelde lezer waarschijnlijk hogelijk zullen verbazen. Op 28 januari 1728 werd er een wet/plakaat afgekondigd waarin het verboden wordt ‘dat eenig blank vrouwspersoon, ongehuwd sijnde, vleeschelijke gemeenschap sal hebben gehouden met een neger’. Het was het gouvernement ter ore gekomen dat sommige vrouwen seks hadden met zwarte mannen. Dat was volgens de opstellers van deze wet ‘een groot schandaal voor de geheele colonie’. In de tekst van het plakaat wordt gesproken over ‘onnatuurlijke hoererijen en overspellen’. In de geschiedenisboeken en archieven zijn talloze voorbeelden te vinden van witte mannen die seksuele relaties onderhielden met zwarte vrouwen, meestal slaven. Soms leefden de mannen in een zg. ‘Surinaams huwelijk’ met hun ‘huishoudster’, anderen hadden wel drie of vier ‘geliefden’. De felheid waarmee het koloniaal bestuur de seksuele escapades van witte vrouwen met zwarte mannen (slaven) spreekt boekdelen.

Veel bijzonder interessante wetten en verboden, bijvoorbeeld dat slaven geen schoenen mogen dragen, vinden we in dit boek terug. Gedurende ruim tien jaar, van 1962 tot 1973, is door een flink aantal mensen aan dit project gewerkt. Het is een onmisbaar handboek voor een ieder die de geschiedenis niet van horen zeggen maar, op basis van de toen geldende wetgeving in Suriname, zelf wil bestuderen.

Carl Haarnack

Florentin van Fahlendorn. Jung Stilling (1790).

Florentin van Fahlendorn. Hendrik Stilling. Uit het Hoogduitsch. Arnhem:  W. Troost en Zoon, 1790.

Johann Heinrich Jung (1740- 1817) was één van de belangrijke 18e eeuwse Duitse schrijvers. Hij genoot bekendheid in binnen- en buitenland en stond in contact met Johann Wolfgang Goethe en Johann Gottfried Herder. Behalve schrijver was hij ook een bekend oogarts en maakte hij naam als professor in de economie in o.a. Heidelberg en Marburg. Op latere leeftijd voegde hij aan zijn naam ‘Stilling’ toe. In Duitsland wordt hij in het algemeen aangeduid als Jung-Stilling. Stilling is waarschijnlijk een verwijzing naar de ´Stillen´, een stroming binnen het christendom die als piëtisme wordt aangeduid. Jung-Stilling rekende zichzelf tot deze groep maar hij had ook groot ontzag voor de Herrnhutter Broedergemeente die vanaf 1735 ook in Suriname actief werden.

Johan Jung Stilling

In 1781 publiceerde Jung Stilling de roman Die Geschichte Florentins von Fahlendorn. In deze rubriek hebben wij vaker betoogd dat Suriname regelmatig als decor werd gebruikt voor grote werken in de wereldliteratuur. Florentin is een arme wees die rondzwerft. Een meisje genaamd Rosine merkt dat hij hongerig is en deelt haar boterhammen met hem. Florentin wordt opgenomen door bekenden van Rosine die hem als hun eigen kind opvoeden. Iedereen is zeer op hem gesteld. Op een dag keert Florentin niet terug van het land en lijkt spoorloos.  De speurtocht naar hem heeft als resultaat dat ooggetuigen beweren dat hij door Hollandse soldaten is meegenomen naar Amsterdam met de bedoeling hem naar Suriname te sturen. Net op tijd arriveert een groep uit de omgeving van Florentin en proberen hem vrij te kopen. Dat mislukt echter en Florentin gaat naar Suriname. Jung Stilling speelt hier in op een bekend en  vaak voorkomend  18e eeuws fenomeen dat ronselaars, vaak onder valse voorwendselen, mensen proberen te dwingen naar Suriname te gaan. Florentin komt terecht in een soort utopische omgeving, een Koffie- en Suikerplantage genaamd Pilgersheim (lijkt verdacht veel op de nederzetting van de Herrnhutters in Berbice: Pilgerhut) gelegen aan de Marowijnerivier. De plantage-eigenaar is een vroom man en tegen het verderfelijke systeem van slavernij. Hij neemt uitsluitend vrije mensen in dienst: ‘Wilden en Negers’ die hij als zijn eigen kinderen behandelt.  Florentin schrijft brieven naar vrienden en zijn geliefde Rosine waarin hij vertelt over zijn belevenissen in de Nederlandse kolonie. Na een langdurig verblijft vertrekt hij via Philadelphia en Londen weer naar Amsterdam en uiteindelijk naar Beulenburg in Duitsland waar zijn geliefde op hem wacht. Florentin en Rosine treden in het huwelijk en Florentin krijgt de rechten op het landgoed Fahlendorn. Hij is nu, net als zijn vrouw, in de adelstand verheven.  

Kaart van de Colonie Berbice

Florentin van Fahlendorn is wat literatuurwetenschappers een ‘Bildungsroman’ noemen. De lezer is getuige van de psychologische ontwikkeling van een jongeman tijdens zijn vorming van kind naar volwassene. De emotionele, morele en intellectuele groei van Florentin tot een evenwichtige volwassene moet de lezer tot voorbeeld dienen. De boodschap van de auteur is dat God een plan heeft voor ieder mens. Ieder mens moet proberen de rol die God hem of haar heeft toebedacht realiseren. De kerk speelt hierin nauwelijks een rol.

Wie in deze roman op zoek gaat naar schilderachtige beschrijvingen van Suriname komt bedrogen uit. Het land vormt slechts een stukje van het decor dat Jung Stilling nodig had om zijn verhaal vorm te geven. Voor ons is het één van de vele literaire puzzelstukjes die de Verlichting met de  boeiende geschiedenis van Suriname verbindt. Het boek is anno 2020 in Duitsland en in Nederland in de vergetelheid geraakt. We vinden de zeldzame Nederlandse vertaling uit 1790 uitsluitend bij een paar universiteitsbibliotheken, de Koninklijke Bibliotheek en de Buku Bibliotheca Surinamica collectie.  

Carl Haarnack

Titelpagina van de Nederlandse editie (1790)

25 jarig jubilé Koloniale Staten Suriname, 1866-1891.

Tags

, , ,

In de Buku collectie bevindt zich een document dat ooit in het bezit moet zijn geweest van Philip Abraham Samson (1902-1966), jurist, lid van de Koloniale Staten, griffier van het Hof van Justitie, en chroniqueur van het joodse leven in Suriname. Op de cover staat in handschrift: 25-jarig jubilé Koloniale Staten 1866-1891. Het is een typoscript met een bundeling van stukken over de viering van het 25 jarig bestaan van de Koloniale Staten van Suriname, die verschenen in de krant ‘Suriname: koloniaal nieuws- en advertentieblad’ plus een handschrift. De stukken geven ons een beeld van Suriname, ruim een kwart eeuw na de afschaffing van de slavernij en tegelijkertijd een inkijkje hoe aan het eind van de 19e eeuw er in Suriname feest gevierd werd.

Opening van de Koloniale Staten in 1907 (Suriname begin 1900 (suriname-dasilva.blogspot.com)

De Koloniale Staten kwam voor het eerst op 8 mei 1866 bijeen. De Staten bestond uit 13 leden waarvan negen door de kiezers gekozen werden en vier door de Gouverneur werden aangewezen. Alleen mannen die tenminste 60 gulden belasting betaalden mochten stemmen. Voor de viering van het jubileum werd een feestcommissie in het leven geroepen waarvan het centrale comité o.a. bestond uit de volgende leden: David J. van Praag (president), J.P.W. van Eyck, J.H. Jackson, A.N. Bisby (penningmeester) en de heer  Coutinho (secretaris). Hun opdracht was een gedenkwaardig feest te organiseren voor ‘de gehele bevolking zonder onderscheid van stand of rang, bediening of klasse, landaard of ras’. Of die beoogde brede doelgroep ook daadwerkelijk in staat was deel te nemen aan een bal dat op 12 mei 1891 in het Logegebouw zou worden gehouden is natuurlijk zeer de vraag. Bij feestcommissielid Julius Barnet konden maximaal honderd geïnteresseerden intekenen door maar liefst fl. 15,– te betalen. Voor dit, in die tijd, vorstelijke bedrag mocht de intekenaar wel twee dames meenemen.

Roeiwedstrijden op de Surinamerivier. Koninginnedag 31 augustus 1920 (foto: Augusta Curiel)

Ook werd er een roeiwedstrijd georganiseerd tussen vissersboten, tentkorjalen en scheepssloepen. Feestcommissielid L.C. Leefmans was belast met het ordentelijk verloop van de wedstrijden. Op het Gouvernementsplein werden de ‘volksspelen’ georganiseerd o.l.v. J.D. Fernandes. Deze bestonden uit wedstrijden hardlopen, mastklimmen, zaklopen, worsthappen, koorddansen, vogeltjes schieten (met katapult) en kruiwagenlopen. Er werden twee banjapartijen georganiseerd waarvoor men zich moest aanmelden bij de heer J. Robles. Een kinderfeest zou voor de leerlingen der Gouvernementsscholen en de door het Gouvernement gesubsidieerde scholen worden georganiseerd. Dit gedeelte viel onder de verantwoordelijkheid van de heer F.C. Curiel.

Er wordt in de stukken ook hulde gebracht aan J.H. de Granada, de eerste griffier van de Koloniale Staten die deze functie na 25 jaar nog steeds vervulde. De Granada was op 19-jarige leeftijd in 1854 begonnen als klerk op het Gouvernements-Secretarie. In 1864 werd hij assistent op het parket van de Procureur-Generaal mr. J.W. Gefken die hem in 1866 aanbevolen had als griffier bij de Staten.  In een buitengewone openbare zitting werd De Granada een zilveren vaas aangeboden met daarop de Angelus van Milet en aan de andere zijde het opschrift: “Blijk van Hulde aan J.H. de Granada, 1866-1891, Griffier der Koloniale Staten”. Zou deze vaas nog ergens te bewonderen zijn in Suriname?

Op dinsdag 12 mei 1891 werd het 26e zittingsjaar van de Koloniale Staten geopend. Aan de ramen van het Staten-gebouw hingen de afbeeldingen van H.M. de Koningin Wilhemina, toen 11 jaar oud, haar moeder en regentes Koningin Emma, de oud-minister van Kolonien J.D. Fransen van de Putte en de oud-gouverneur R.F. van Lansberge. Na afloop van de zitting werd de feestcommissie de Staten binnengeleid terwijl het muziekgezelschap Excelsior “Wien Neerlandsch bloed” ten gehore bracht. Dit lied vormde tot 1933 het Nederlandse volkslied maar de zinsnede ‘van vreemde smetten vrij’ doet bij ons minstens een wenkbrauw fronsen maar was toen in Suriname de gewoonste zaak van de wereld. Dit document laat zien dat Suriname anno 1891 nog echt een kolonie van Nederland was. Van enig anti-koloniaal sentiment was in de verste verte nog geen sprake.

Carl Haarnack

Niederländisch- Ost- Und Westindien. S. Friedman (1860)

Tags

Niederländisch- Ost- Und Westindien. Ihre neueste Gestaltung in geographischer, statistischer, und culturhistorischer Hinsicht, mit besonderer Darstellung der klimatischen und sanitätischen Verhältnisse. S. Friedmann. München: bei Georg Franz, 1860.

Dr. S. Friedmann werkte als praktiserend arts in München. Daarvoor had hij als arts bij de Nederlandse marine gewerkt. In die hoedanigheid verbleef hij in de Nederlandse koloniën, zowel in ‘Nederlands-Indië’ als in Suriname en Curaçao. Na zijn pensionering besloot hij dit boek over het leven in de Nederlandse koloniën te schrijven. Vooral omdat er bij de Duitse bevolking weinig kennis was over de landen die voorzien in de Europese behoeften van koloniale producten. Friedmann schrijft interessante verhalen over ‘Indië’ en Curaçao maar voor deze rubriek beperken we ons tot Suriname.

Geheel in de traditie van 18e eeuwse geleerde reisbeschrijvingen begint de auteur met een uitvoerige beschrijving van de ligging, de grenzen, de rivieren en de bodemgesteldheid van Suriname. Ook ontbreekt een klein college geschiedenis niet in zijn verhaal. Friedmann heeft de zich goed ingelezen in het onderwerp en citeert klassiekers als Baron von Sack, Van Sypenstein en Hartsinck (die hij abusievelijk Harzing noemt). Opvallend is dat hij uitvoerig uit het zeer zeldzame boekje Über die Emancipation der Neger (1855) van Friedrich Martin Duttenhofer (1810-1859) citeert. Onze arts uit München heeft een aantal opmerkelijke ideeën over de slavernij in Suriname. De behandeling van de slaven kan volgens hem over het algemeen mild genoemd worden (p.188). Slavernij bestaat, zo schrijft hij, in Suriname eigenlijk meer in naam dan in werkelijkheid. Zo beweert hij dat de slaven meer voedsel krijgen en minder arbeid van hen wordt verlangd dan het Reglement voorschrijft.

Titelpagina Niederländisch- Ost- Und Westindien (1860).

Friedmann wil ons wijsmaken dat in de meeste gevallen slaven die de wet overtreden er met een standje vanaf komen. Bij ernstiger vergrijpen kunnen er zweepslagen worden uitgedeeld. Het aantal zweepslagen voor mannen bedraagt ten hoogste 50 en voor vrouwen 30. Deze maximale straf werd in 1855 slechts zeven keren gegeven aan mannen en slechts één keer aan een vrouw.

Om zijn stelling dat de slaven slechts mild gestraft worden te onderbouwen citeert hij uit het rapport van de districtspolitie:

Donderdag de 11e  januari 1855. Er verschijnt B. van K. die zich beklaagd over de hem toebehorende slaaf Silvyn wegens grofheid en onwilligheid. (Silvyn krijgt een mondelinge vermaning en een waarschuwing).

Woensdag de 16e mei 1855: De slaaf Generaal, die eigendom is van de plantage Peperpot, wordt door de administrateur er van beschuldigd bananen te hebben gestolen. Generaal staat bij de politie reeds bekend als bananendief. De gestolen bananen verkoopt hij dan in de stad. Hij krijgt een ernstige reprimande en wordt gewaarschuwd zich niet opnieuw hieraan schuldig te maken.

Plattegrond plantage Peperpot en Mopentibo (ca. 1920 detail. collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Over de mogelijke vrijlating van de slaven is Friedmann duidelijk: de slaven in Suriname zijn er nog niet rijp voor. Hij gelooft dat, als de emancipatie van slaven direct zou plaatsvinden, iedereen naar het bos zou vluchten en daar als een wilde leven. De ijdelheid en de naäperij van de ‘Neger’ zijn de belangrijkste tegenstanders van de emancipatie. Want, zo gaat onze arts verder, er zijn zelfs vrije zwarten die Europese gerechten koken of voor de thee een ‘mesties’, een witte creool of zelfs een Europees gezelschap uitnodigingen, zo trots zijn ze er op. Ook zijn vrije zwarten die zondags in kostuum en met schoenen aan (want zo kunnen ze zich onderscheiden van de slaven) met de bijbel in de hand naar de kerk gaan.

Naar de kerk (Litho: Benoit, Voyage a Surinam, 1839. detail)

Friedman is, zeker naar de maatstaven van vandaag, een racist. We vinden meer van dergelijke ideeën in de Surinaamse bibliotheek maar het soort gif dat Friedman verspreid is doordrenkt van het herkenbare 19e eeuwse nationalistische en racistische gedachtengoed. Het is allemaal niet fraai maar als we dergelijke boeken uit onze bibliotheken zouden verbannen dan zouden we eigenlijk doen alsof dergelijk gedachtengoed nooit bestaan heeft.

Carl Haarnack

zie ook: https://bukubooks.wordpress.com/2011/08/21/dutenhofer/

De ronselaar, of De gestoorde reis naar Surinamen. G. Behacker (1818)

De ronselaar, of De gestoorde reis naar Surinamen: tooneelspel in 4 bedrijven : eene ware, den schrijver zelven overgekomene, gebeurtenis. Door G. Behacker ; naar het Hoogduitsch manuscript vrij bewerkt door A. Bruggemans. Dordrecht: H. Volkersz., 1818

De hoofdrolspeler in dit toneelstuk heet George, een jongeman die vanuit zijn geboorteland Duitsland naar Nederland is gekomen. Zijn oom, Van Keulen, heeft in Dordrecht een succesvol bedrijf in o.a. Eau de Cologne en wijnen. In Amsterdam heeft George ene Van Dijk leren kennen. Van Dijk geeft zich valselijk uit als Generaal-Adjudant van de Gouverneur van Suriname.

Dordrecht

Hij, zo zegt hij zelf, verkoopt mensen voor geld. Als ronselaar brengt hij mensen aan die als matroos of soldaat naar Suriname worden gebracht. Hiervoor ontvangt hij een premie. Maar hij vertelt George dat er in Suriname vacature is voor de post van secretaris van de gouverneur, een hoge functie die goed betaalt. Hij spelt hem op de mouw dat George uitstekende papieren heeft en dat hem een gouden toekomst wacht. De brieven die zg. van de gouverneur afkomstig zijn heeft Van Dijk natuurlijk zelf geschreven. Hij adviseert George om maar liefst 30 paar laarzen, 30 paar schoenen, 12 dozijn hemden, kousen, dassen,  zakdoeken en Eau de Cologne te kopen om voor zijn verblijf in Suriname. Ook adviseert hem om honderd zilveren horloges te kopen. In Suriname tenslotte zal hij in de hoogste kringen verkeren en zal hij af en toe een mooi horloge kunnen schenken en zelfs er met gemak een aantal voor geld kan verkopen. De functie van secretaris van de gouverneur betekent dat George in Suriname als een soort kroonprins zal worden gezien. Zijn geheim plan is om George alle goederen en geld afhandig te maken en hem aan een schip in Vlissingen te verkopen.

Eau de Cologne

De familie van George zijn verbaasd als hij ze het nieuws van zijn benoeming vertelt. De achterdocht van oom Van Keulen en zijn vriend Maas blijken gegrond. In de stad treffen zij ene Zwart, een koopman. Ze bespieden George en Van Dijk en luisteren af hoe sluw Van Dijk de goedgelovige George om de tuin leidt. Zwart kent Van Dijk al heel lang als een oplichter en weet dat hij in Brussel, Antwerpen, Koblenz en Riga hoteleigenaren heeft opgelicht, valse wissels heeft uitgeschreven onder de naam van Baron de Bonisaire en een arme weduwe fl. 700,– afhandig heeft gemaakt. Ook de boekhandelaar Verbeek die een boek komt afleven bij Van Keulen kent Van Dijk nog uit Bremen waar deze zich uitgaf als generaal adjudant van een Franse Maarschalk. Hij gaf daar een groot feest voor alle Fransen officieren maar liet de hotelier met een onbetaalde rekening zitten. Deze keer is Van Dijk er echter gloeiend bij. De politie commissaris wordt erbij gehaald en die arresteert hem. Van Dijk wordt veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en tweehonderd gulden boete.

Titelpagina De Ronselaar (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

De ronselaar is in vele opzichten bijzonder te noemen. De auteur schrijft in zijn voorwoord dat hij besloten heeft om iets dat hem een jaar eerder zelf overkomen was in een toneelstuk te gieten en om daarmee andere jonge mensen te behoeden voor gevaar. Zijn boodschap luidt: Wees voorzichtig en vertrouw niet te veel op mensen. Over de auteur, G. Behacker, weten we nagegoeg niets. Mogelijk is hij de advocaat G. Behacker die we rond 1823 in St. Petersburg vinden. De vertaler en bewerker van de tekst is Adrianus Bruggemans (1763-1841) die de kost verdiende als boekhouder bij een houthandel in Dordrecht. In zijn vrije tijd hield hij zich beter met de beoefening van letterkunde en de Duitse en Franse taal. Hij schreef tientallen boeken, bewerkingen en vertalingen. Er bestaat van De Ronselaar geen Duitse oerversie in druk. Bruggemans vertaalde een Duits manuscript en gaf er een Nederlandse draai aan.

In dit toneelstuk zult u tevergeefs zoeken naar het Surinaamse plantageleven, slaven die suiker produceren of plantagedirecteuren die zich over de Commewijnerivier laten roeien. Het toneelstuk speelt zich in zijn geheel af in Dordrecht. Het verschijnsel van de kwaadwillende ronselaars die jongemannen, onder valse voorwendsels, in Nederland en Duitsland lieten tekenen voor een dienstverband in Suriname, komen we in de geschiedenis veelvuldig tegen. Daarom alleen al verdient het een plek in de Surinaamse bibliotheek.

Dit boek is uiterst zeldzaam, er zijn slechts vier exemplaren bekend. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam, de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen én de Buku Bibliotheca Surinamica-collectie beschikken over een exemplaar (ex-libris collectie Henk Dijs).

Carl Haarnack

Europeesche Kolonisatie in Suriname. Pyttersen (1896)

Europeesche Kolonisatie in Suriname. Een geschiedkundige schets. Door H. Pijttersen Tz. ´s-Gravenhage: W.P. van Stockum & Zoon, 1896.

H. Pyttersen Tzn. (1845-1919)

Over de relatie tussen de Nederlandse provincie Friesland en Suriname zou best wel eens een flink boek geschreven kunnen worden. Vele Friezen zochten in de loop der eeuwen hun heil in Suriname. De Surinaamse bibliotheek kent tal van publicaties die het licht zagen in Friesland. Nog meer boeken kwamen uit de pen van Friese auteurs. Zo schreef de Friese domineeszoon Hendrik Pyttersen Tzn. in 1896 dit boek over de verschillende kolonisatiepogingen met Europeanen in Suriname. Pyttersen werd geboren op 24 mei 1845 in Nijehaske (nu onderdeel van Heerenveen) in Friesland. In 1891 kwam hij als vertegenwoordiger van het socialistische district Schoterland in de Tweede Kamer. Behalve boekhandelaar en uitgever was hij ook hoofdredacteur “Nieuwe Arnhemsche Courant.

In dit boek gaat de auteur o.a. in op de kolonisatie-proef met Paltzers, Zwitsers, Duitsers, Hollandsche boeren aan de Saramacca en nabij Paramaribo. In 1847 werden er voorbereidingen getroffen, zo schrijft Pyttersen, om acht families uit de Palts naar Suriname over te brengen. Gouverneur-Generaal Mauricius kreeg van enige planters de schriftelijke toezegging dat zij bereid waren een vestigingsplaats voor deze Duitse boeren gereed te maken. Deze Joodse planters bleven echter in gebreke en ook de toezegging enige slaven af te staan werden niet nagekomen. Wat nog meer aan de misére bijdroeg was dat deze Paltzers helemaal geen boeren waren. De families werden voorlopig over verschillende planatges verdeeld maar al snel kwamen er klachten over hun luiheid en ‘onbequaamheid’ voor het werken op het land. Eén van de zg. boeren bleek een ´kermisklant´ te zijn die behendig was in het maken van een poppenspel. Op 12 januari 1753 werd de vestigingsplaats van de Paltsers overvallen door marrons en werden alle ‘goed en have’ geroofd.

Gouverneur Mauricius schreef in 1748 dat de Zwitsers en boeren hem zoveel ‘occupatie en hoofdbrekens’ gaven als alle andere problemen. Toen op 19 oktober 1748 twee schepen met Zwitsers in Suriname arriveerden was er nog niets geregeld voor hun ontvangst. Mauricius zag zich gedwongen een oude kostgrond te Para, waar nog enige oude gebouwen stonden, voor hen aan te kopen. De Cabale, opstandige planters die het bestuur van Mauricius trachtten te ondermijnen, vuurden de Zwitsers aan hogere eisen te stellen aan hun verblijf. Op 15 november 1753 werd ook het dorp van de Zwitsers te Para door marrons overvallen en geplunderd.

In 1751 werd besloten tot de aanleg van een pad dat moest lopen van Rama aan de Surinamerivier tot aan de Saramaccarivier, ook wel bekend als Oranjepad. Het was de bedoeling om daar militaire posten op te zetten die de plantages aan de Boven-Suriname en het Paragebied moest beschermen. Een commando van 50 slaven en enige burgers aangevuld met 70 soldaten werden daartoe aangewezen. Deze onderneming was kostbaar en had weinig tot geen nut tegen de aanvallen van marrons.

Ansichtkaart Albina, ca. 1898

Pyttersen schrijft ook over de pogingen in de 19e eeuw om Duitse kolonisten te bewegen naar Suriname te komen. In 1846 had August Kappler zich aan de Marowijne, tussen de monding van deze rivier, en de oude militaire post Armina gevestigd. Deze plek gaf hij de naam Albina, ter ere van zijn vrouw. In 1853 keerde Kappler terug van een bezoek aan Europa met zijn vrouw en 15 Wurttembergers, een jaar later gevolgd door nog eens 20 Wurttembergers. Een derde transport volgde in 1855 waardoor het totale aantal Europeanen in Albina op 71 kwam. Kappler bleef tot 1879 Suriname. In dat jaar vertrok hij naar Stuttgart waar hij in 1894 overleed.

Gouvernementsplein Paramaribo (1905). Buku Bibliotheca Surinamica collectie.

Over het desastreuze project om Hollandse boeren naar Suriname te halen hebben we hier al vaker geschreven. Pyttersen gaat uitvoerig in op deze kolonisatiepoging. Zeer de moeite waard om te lezen. In zijn slotwoord trekt hij de conclusie dat alle kolonisatiepogingen mislukten door omstandigheden die los staan van de klimatologische omstandigheden en van de geschiktheid van de kolonisten voor het verrichten van veldarbeid. Volgens Pyttersen lag de oorzaak van de mislukking vooral in het feit dat de kolonist afhankelijk was van ´anderen´ waardoor hij zijn individuele zelfstandigheid en veerkracht verloor. De kolonisatie zou in zijn ogen niet van bovenaf door het Gouvernement geregeld moeten worden. Veel belangrijker vond hij het bevorderen van de individuele kolonisatie.

In de Nieuwe Surinaamsch Courant van 29 september 1895 wordt vol lof gesproken over Pyttersen: “Voor den zooveelsten maal heeft de heer Pyttersen T.z., lid van de Tweede Kamer, weder iets voor Suriname gedaan”. En even verderop: “Even als wij de werkkracht in deze van dit kamerlid bewonderen, zijn wij hem dankbaar voor zijn liefde en toewijding voor ons lief geboorteland”. Pyttersen wierp zich in de 2e Kamer op als de Suriname-specialist en nam deel aan de talloze debatten die in het parlement over de kolonie werden gehouden: “Er is bijna geen zitting, waarin hij zich niet laat hooren en voor uwe kolonie is hij een juweel”. (Nwe Sur Courant 6-8-1896). Pyttersen pleitte al in 1893 voor meer zelfbestuur van de kolonie Suriname, als voorbereiding op de toekomstige algehele autonomie.

Een andere publicaties die hij voor zijn rekening nam was Door een rooden draad verbonden : armverzorging, emigratie, Suriname (1892). De Nieuwe Surinaamsche Courant schreef in 1896 over Pyttersen: “Er is bijna geen zitting, waarin hij zich niet laat hooren en voor uwe kolonie is hij een juweel”. Hendrik Pyttersen overleed op  10 september 1919.

Carl Haarnack

De Slavernij in Suriname. J. Wolbers (1853)

Tags

, ,

De Slavernij in Suriname, dezelfde gruwelen der slavernij, die in de “Negerhut” geschetst zijn, bestaan ook in onze West-Indische koloniën. J. Wolbers (ten voordeele van de emancipatie der slaven). Amsterdam: H. de Hoogh, 1853.

In Engeland werd in 1787 The Society for the Abolition of the Slave Trade opgericht die zich beijverde voor de afschaffing van de slavernij. Een jaar later, in 1788, werd in Frankrijk de Société des amis des Noirs or Amis des Noirs gevormd die hetzelfde doel nastreefde. Pas vijftig jaar later, in 1842, werd de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering van de Afschaffing der Slavernij (NMBAS) opgericht. Dat was beslist geen brede maatschappelijk beweging. De strijd voor de afschaffing van de slavernij werd door een aantal belangrijke mannen, doorgaans uit Protestantse hoek, gevoerd. Eén van de belangrijke mannen in die strijd was Julien Wolbers (1819-1889). In 1861 zou hij het historische standaardwerk schrijven De Geschiedenis van Suriname. In 1853 schreef hij een pamflet van slechts 32 pagina’s waarin hij de geesten in Nederland rijp maakte om afscheid te nemen van het onmenselijke systeem dat al eeuwen in de West-Indische koloniën de gewoonste zaak van de wereld leek. Hij deed dat door één van de belangrijkste boeken uit de Amerikaanse literatuur, Uncle Tom’s Cabin van H. Beecher-Stowe, direct te verbinden met de slavernij in de Nederlandse kolonie Suriname. De negerhut van Oom Tom, zoals het boek in de eerste Nederlandse vertaling heette, was na verluidt,  na de bijbel, in de 19e eeuw het meest gedrukte boek ter wereld. Ook in Nederland was het direct na publicatie een groot succes. De Negerhut inspireerde Eduard Douwes toen hij de Max Havelaar (1859) schreef en ook W.R. van Hoëvell, auteur van Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet door (Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon, 1854).

De Negerhut. H.B. Stowe. 6e druk.

Wolbers hield zijn lezers een simpele boodschap voor: alle gruwelijkheden die in de Negerhut worden geschetst gebeuren ook in onze eigen kolonie Suriname. Het zijn, zo schrijft hij, dezelfde mannen die met de rechterhand hun broeder (de slaven) tot bloedens toe geselen en met de linkerhand het boek des levens geven (de bijbel) en daarmee een parodie op het Christendom. Aan de hand van brieven en verhalen van mensen die in Suriname hadden gewoond geeft Wolbers een aantal voorbeelden van de mishandeling van slaven. Een jonge slavin, waarschijnlijk een kind van haar eigenaar, werd tot ontucht aangezet door diezelfde eigenaar en zijn zoon. Vanwege haar weigering werd zij zwaar gegeseld.Een andere bron vertelt over een jongen die een zuurzak (Wolbers schijft zuurtak) had gestolen. Zijn eigenares liet hem voor straf aan een boom binden waar hij de nacht moest doorbrengen als prooi voor de muskieten.

Regelmatig werden er bospatrouilles uitgevoerd om van de plantage weggelopen slaven te vangen of te doden. Als een marron gedood was hakte men de rechterhand af als bewijs om later in Paramaribo de beloofde premie te kunnen innen. Om te voorkomen dat de afgehakte handen zouden bederven werden die ’s avonds op een vuur geroosterd (gebarbakot, schrijft Wolbers). Maar als weggelopen slaven levend in handen van een patrouille vielen dan werden ze aan de gruwelijkste martelingen blootgesteld. In 1852 werd een marron gevangen en gedwongen om een patrouille de weg naar het marrondorp te laten zien. Hij raakte verdwaald en kreeg onmiddellijk 50 stokslagen. De volgende dag werd hij vlak boven een vuur gehangen om hem te dwingen de verblijfplaats van de weggelopen slaven prijs te geven. Pas toen hij er half dood bij hing werd het koord losgesneden. Een paar dagen later werd hij met handen en voeten aan een boom gebonden en werden de 32 slaven, die als lastdragers deel uit maakten van de patrouille, gedwongen om hem ieder vijf of zes stokslagen te geven.

Een plantage-directeur met zijn foetoe-boi en slavin. Litho van Theodore Bray (1850)

Wolbers vertelt nog meer afschuwelijke verhalen over geselingen en martelingen waarbij het bloed vloeide. Die verhalen zal ik u verder besparen. Wie wil kan het nalezen over de website van de Digitale Bibliotheek Nederland (www.dbnl.nl).

Wolbers richt ook het woord direct tot de eigenaren van slaven die in Nederland wonen: “Gij zijt het vooral, die in dezen medewerken moet; vooral zoo in u een Christelijke zin en geest woont”. Christen zijn én eigenaar van slaven is voor Wolbers onbestaanbaar. Hij haalt op meerdere plekken een bijbeltekst aan, Mattheus 7:12 aan, die vrij vertaald zegt: Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden. Daarnaast roept hij iedereen op zich tot de Koning te wenden om zijn hulp in te roepen de slavernij te beëindigen. Wolbers roept de lezers op lid te worden van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij. Lid worden kost slechts fl. 2,50 per jaar of 5ct per week. Hij sluit zijn verhaal af met een vurig pleidooi aan de lezer om zich te wenden tot ‘den armen verdrukten broeder in Suriname’.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2013/12/06/wolbers/

https://bukubooks.wordpress.com/oom_tom/