Het papieren erfgoed van Carl Haarnack

Door Kevin Headley  (De Ware Tijd, 21 maart 2020)

Publicist, curator en oprichter van Buku Bibliotheca Surinama, Carl Haarnack,  is van mening dat het belangrijk is om boeken, oude documenten en geschriften te verzamelen en goed te bewaren omdat die ons kunnen helpen onze geschiedenis beter te begrijpen. Dat is een reden waarom hij al op jonge leeftijd besloot werken over verleden van ons land op sporen en te verzamelen. Vandaag de dag heeft hij een collectie opgebouwd van, zoals hij het zelf zegt onschatbare historische waarde, die regelmatig wordt ingezet bij exposities en evenementen zoals de onlangs afgesloten Grote Surinametentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

 

Boekenplank

“Buku, boek in het Surinaams, is een naam die ik gaf aan mijn privécollectie van Surinamica, boeken, prenten, foto’s, brieven en ansichtkaarten, allemaal objecten die te maken hebben met de geschiedenis van Suriname. Buku leek mij toepasselijk omdat het ook een verwijzing is naar Fort Buku, de fortificatie die marrons in de 18e eeuw bouwden en waar John Gabriel Stedman over geschreven heeft. Het is een verzameling is van boeken en prenten die in de afgelopen dertig jaar tot stand gekomen is. Er zijn natuurlijk veel meer verzamelaars, in Suriname, maar ook in Nederland en België. Een hele grote en gepassioneerde verzamelaar, die helaas in 2018 overleed, was Henk Dijs (1961-2018). Hij heeft een omvangrijke Surinamica collectie opgebouwd. Er zijn ook stille verzamelaars die misschien niet zo op de voorgrond treden. Al die particuliere verzamelaars hebben bij ellkaar een aanzienlijke collectie boeken en museale stukken die ons iets overde geschiedenis van Suriname vertellen.”

Haarnack heeft veelal wat hij wilde weten over de geschiedenis van Suriname moeten halen uit boeken. Hij vindt het daarom belangrijk dat mensen zich verdiepen in wat er geschreven is over het land. “Buku is geen commercieel project, het is een historisch project voor mijzelf en hopelijk dat anderen er ook iets aan hebben. Ik werk regelmatig samen met bijvoorbeeld de Koninlijke Bibliotheek in Den Haag of de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, The Black Archives en met andere verzamelaars. Mijn missie is vooral om de variëteit te laten zien van wat er allemaal geschreven is over Suriname, niet allen in het Nederlands maar ook in het Engels, Frans of Duits. We moeten discussiëren over de geschiedenis, we kunnen meningsverschillen erover hebben, maar het begint bij kennis van de bronnen. Door artikelen te schrijven in wetenschappelijke uitgaven, op mijn website, in Parbode hoop ik te laten zien wat er allemaal is en hóe we deze bronnen moeten lezen. Het is ook belangrijk om bepaalde mythes weg te nemen uit de geschiedschrijving van Suriname. Veel mensen denken dat toen de slavernij in 1863 werd afgeschaft alle eigenaren van slaven en plantages Suriname verlieten en naar Nederland gingen. We gaan er gemakkelijk aan voorbij dat veel Surinamers nakomelingen zijn van slaven én van slaveneigenaren.

52-11 (2)

 

Budget om te kopen

De door vrienden betitelde levende encyclopedie Haarnack was voor enkele weken in Suriname op vakantie. De kans om hem te spreken over zijn bijzondere boekenverzameling liet ik niet zomaar voorbijgaan. Onder het genot van een kopje koffie praten over hoe zijn interesse in het lezen en het bewaren van boeken met Suriname als onderwerp begon. Haarnack is in Suriname geboren en verhuisde als jongen van drie jaar naar Nederland. Toen hij een jaar of vijftien was verscheen de Encyclopedie van Suriname uit bij Uitgeverij Elsevier (1977). Hij kreeg die cadeau van zijn oma Wies Blom-Abercrombie (1908-2003) en dat cadeau markeerde het begin van zijn boekverzameling.

“Ik wil niet zeggen dat vanaf dat moment ik een verwoed verzamelaar werd. Het begon heel langzaam. Ik ging weleens naar de bibliotheek en zocht wel eens wat over Suriname en het interessante was dat bibliothecaris van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam mij als jongen vertelde dat boeken over Suriname niet bestonden. En nu bijkans veertig jaar later kan ik zeggen dat zij het fout gezien heeft. Boeken over Suriname bestaan wel degelijk maar ze zijn soms wel moeilijk te vinden. Als je goed zoekt en je hebt de middelen om ze te werven is er eigenlijk heel veel wat we te weten kunnen komen over de geschiedenis van Suriname. Verzamelen begint altijd met nieuwsgierigheid. Willen weten hoe het was vroeger. En ik vroeg wel dingen aan mijn moeder en overige familieden maar het blijkt ook dat mensen die lang gewoond hebben in Suriname niet altijd bekend zijn met de geschiedenis van het land.”

Haarnack begon tijdens zijn studietijd te snuffelen in antiquariaten in Amsterdam, waar oude boeken, kaarten en prenten worden verkocht. Voornamelijk om te kijken wat er beschikbaar was over Suriname. Natuurlijk kon hij al die boeken niet betalen omdat hij nog student was en van een kleine beurs leefde en de boeken toen ook al duur waren.

“Er was in die tijd een belangrijke Joodse antiquariaar, Simon Emmering (1914-1999) die veel Surinaamse boeken in handen heeft gehad. Ook heeft hij veel zeldzame Suriname boeken weer opnieuw uitgeven. Emmering liet mij af en toe boeken zien die ik toen beslist niet kon betalen. Later, toen ik ging werken, kon ik ze misschien wel betalen, maar ze waren er helaas niet meer. Het is altijd een innerlijk gevecht, wat vind je belangrijk en hoeveel ben je bereidt om neer te tellen voor een boek. Om een mooie verzameling aan te leggen moet je veel antiquariaten bezoeken en naar boekenbeurzen gaan. Het is ook belangrijk om naar veilingen te kijken, waar ook ter wereld. Boeken en objecten over koloniale geschiedenis en vooral slavernij zijn gewild, niet alleen door Suriname-verzamelaars.

Links op deze foto het antiquariaat van Simon Emmering

Weinig boeken over de Surinaamse geschiedenis in Suriname gemaakt

Haarnack legt uit dat boeken die gaan over de Surinaamse geschiedenis, van de 17e en 18e eeuw, niet in Suriname zijn gemaakt. Die boeken gaan over Suriname, maar zijn veelal geschreven door Europeanen, Nederlanders, Fransen, Duitsers en Engelsen. Die boeken zijn daarom in Europa verschenen. Als je die boeken in Suriname vindt is het een klein wonder. Maar er is, ook in Suriname, een groeiende groep verzamelaars.

“In de 17e, 18e eeuw waren boeken duur, ze waren niet voor de gewone man. Een Nederlandse arbeider kon zich geen boek veroorloven. Sterker nog veel arbeiders uit de 18e eeuw konden niet lezen, onder de slavenbevolking was lezen en schrijven natuurlijk helemaal taboe. Mijn idee is dat alle boeken tezamen, of zij nou in mijn collectie bevinden, bij een universiteitsbibliotheek, bij een andere particuliere verzamelaar, ons gezamenlijk erfgoed vormen. Natuurlijk zou het mooi zijn als er een fonds was in Suriname om dergelijke mooie dingen te kopen, maar dat is gegeven de omstandigheden wishful thinking. Voor het moment is het belangrijk dat er mensen zijn die verzamelen, die vastleggen en documenteren wat ze in hun verzameling hebben. Mogelijk dat we op enig moment in de toekomst deze collecties ergens centraal kunnen bewaren. Voor nu zijn in Suriname particuliere verzamelaars de beste bewaarders van ons erfgoed.”

Haarnack geeft toe dat het niet altijd financieel mogelijk voor hem is om bepaalde boeken te kopen. “Ik had onlangs een gesprek met Jane Smith, de onvolprezen directeur van de bibliotheek van de Anton de Kom Universiteit. Zij weet als beste hoe moeilijk het is om een collectie bij elkaar te brengen, bij elkaar te houden, laat staan uit te breiden. Er zijn momenten dat je iets wil kopen, maar niet weet hoe je het precies moet financieren. Er zijn een aantal momenten in mijn leven geweest dat ik, met moeite, iets moois kon kopen maar al die keren was ik achteraf blij met mijn aankoop. En van al die keren dat ik het niet heb gedaan, heb ik nog steeds spijt.”

joanna

 

Collectie van onschatbare waarde

Haarnack heeft voor iedere periode uit de geschiedenis van Suriname een favoriet boek. Het belangrijkste boek uit de 18e vindt hij het boek van John Gabriël Stedman, die bijna vijf jaar hier heeft rondgelopen en opgeschreven wat hij zag. Stedman was de eerste auteur die de wreedheden van de slavernij in beeld heeft laten zien.

“Het is een heel belangrijk boek over de geschiedenis van Suriname en volgens mij ook een dat de meeste mensen kennen. Een ander bijzonder boek in mijn collectie is in 1826 verscheen anoniem in Londen en dat boek heet Outalissi A Tale of Dutch Guiana, geschreven door Christopher Edward Lefroy (1785-1856). Engeland dwong begin 19e eeuw Nederland om de Trans-Atlantische handel in slaven te verbieden. Toen de Engelsen Suriname teruggaven aan Nederland werd er een gerechtshof ingesteld dat toezicht moest houden op naleving van dat verbod op de slavenhandel. Het Gemengde Gerechtshof, bestaande uit een Engelse en Nederlandse rechter, begon in 1819 in Paramaribo. De Engelse rechter Lefroy was een zeer religieus man. In zijn rol als rechter zag hij dat Nederland het verbod op slavenhandel nietzo nauw nam. Hij heeft een roman gepubliceerd en aangeven dat iedere gelijkenis van figuren in zijn boek met levende personen geheel op toeval berust. Maar wie dit boek leest en de geschiedenis kent kan iedere persoon die hij beschrijft direct toespitsen op een bestaande persoon. Dit boek is de grootste 19e eeuwse aanklacht als het gaat om de behandeling, mishandeling van slaven.”

Volgens Haarnack is Lefroy vanwege het boek de kolonie Suriname uitgewerkt. Hij was een bijzonder felle tegenstander van de slavernij.

“Het duurde nog heel lang voor het gebeurde, maar hij was één van de grote anti-slavernij geesten die we in Suriname hebben gehad maar weinig mensen kennen hem. Daarom vind ik het belangrijk dat dit boek genoemd wordt. Het is één van de belangrijkste boeken uit mijn collectie. Er zijn weinig originele exemplaren van bewaard gebleven en het bijzondere van mijn exemplaar is dat er handgeschreven aantekeningen in staan over de ontvangst van het boek en aantekening voor een 2e gecorrigeerde druk. Alleen in de British Library in Londen en in de collectie van West-Indië-verzamelaar Kenneth Boumann vinden we zo’n exemplaar.”

Op de vraag of Haarnack of hij de waarde van zijn collectie kan inschatten zegt hij dat het niet in geld uitgedrukt kan worden.

“Collega verzamelaar Kenneth Bouman zegt dat mensen de prijs van alles weten, maar de waarde van niets. Wat wij en andere verzamelaars bij elkaar brengen , het culturele erfgoed, dat heeft een grote historisch-culturele waarde. En volgens mij is dat niet in geld uit te drukken. Wij doen het niet alleen voor onszelf, maar ook voor degenen die na ons komen. Natuurlijk, ik geniet er ook van, ik heb er plezier aan, maar ik kan het niet meenemen als ik doodga. Het is belangrijk dat er veel mensen hiervan kennis nemen en van kunnen genieten. Via mijn website www.buku.nl schrijf ik ook over mijn boeken en dat is mijn kleine bijdrage om in ieder geval aan het publiek te laten zien wat er is. Als je geïnteresseerd bent, zoek het op en ga het lezen. Veel boeken, ook Outalissi, zijn inmiddels gedigitaliseerd (www.dbnl.nl)’. Het is vooral belangrijk de generatie die na ons komt te stimuleren om zuinig met ons erfgoed en geschiedenis om te gaan en het vooral goed te bewaren.”

Kevin Headley

 

Dit artikel verscheen eerder in De Ware Tijd (21 maart 2020)

 

Emma Lashley, apotheker te Paramaribo (1909-1993).

Tags

,

Gegevens, betreffende de Geschiedenis der Pharmacie in Suriname. Emma A.C. Lashley, apotheker te Paramaribo (1940).

De Surinaamse geschiedenis zit boordevol met interessante verhalen. Een groot deel van die verhalen blijven niet bewaard voor het nageslacht, simpelweg omdat ze nooit zijn opgeschreven. Vooral als het gaat om de rol van Surinaamse vrouwen in de geschiedenis is er sprake van een grote blinde vlek. Goed om eens één van die belangrijke maar onzichtbare Surinaamse vrouwen aan de vergetelheid te onttrekken.

EAC Groeliker- Lashley apotheker

Apotheker Emma Lashley (midden), tweede van rechts: Irene Nurmohamed gehuwd Slamat, de namen van de andere dames zijn mij helaas onbekend.

Emma Amy Clementina Lashley werd geboren op 12 september 1909 in het district Nickerie in Suriname, als dochter van Gerredina Johanna Cornelia Samuel (1876-1933) en Francis O’Neil Lashley (1872-1940). Zij was de achtste van in totaal elf kinderen. Haar vader werd kort na het afschaffen van de slavernij geboren en heeft  totdat hij volwassen was op de plantage Paradise gewoond. Deze was eigendom van Anthony Dessé. Hij heette Francis Leetz, maar heeft later de naam Lashley, de naam van zijn vader, aangenomen. Die kwam uit Barbados. Daarna is hij als Francis Oneil Lashley door het leven gegaan. Hij is in de balatahandel terechtgekomen en vergaarde daarmee zijn fortuin. Door onvoorziene omstandigheden raakte hij helaas het geld ook weer kwijt.

Emma Lashley heeft op de Emmaschool gezeten (lagere school) en heeft daarna de Hendrikschool doorlopen. Ze was een uitermate begaafde leerlinge, we zouden nu zeggen hoogbegaafd. Op de Hendrikschool bleek ze te goed voor de eerste klas en mocht ze het in de tweede proberen. Na het examen  heeft ze werk gevonden in een apotheek en is toen de apothekersassistenten opleiding gaan volgen. Daarna werd ze toegelaten tot de apothekersopleiding. Het begin van deze opleiding liep gelijk met de artsenopleiding. Hierdoor kende zij veel latere artsen goed. Ze waren tenslotte studiegenoten.

Emmaschool ca 1910 Lashley

Emmaschool Paramaribo, ca. 1915

Emma Lashley wilde graag toxicoloog worden en in het buitenland gaan studeren net zoals haar oudere broers en zus, maar tegen de tijd dat zij aan de beurt was, was er niet genoeg geld daarvoor. De jongere kinderen zijn gaan werken om de studie van de toen nog studerende oudere kinderen, te betalen.

Ze begon te werken bij Apotheek Drachten aan de Steenbakkerijstraat tegenover de Grote Kerk. Als apotheker-assistente  werkte ze bij Apotheek La Fuenta. Bij apotheek Samson in de Herenstraat liep ze stage. Ook werkte ze bij Apotheek Engelbrecht onder apotheker Essed in de Steenbakkerijstraat, tegenover Kersten. Ze heeft als provisor in een apotheek gewerkt, totdat de erven besloten die te verkopen. Dat werd de eerste apotheek van Emma Lashley, in de Noorderkerkstraat. De apotheek aan de Watermolenstraat is in  1940 geopend.

keizerstraat_aletrino

Behalve haar werk als apotheker heeft Lashley ook les gegeven op de Hendrikschool in de vakken Natuurkunde en Scheikunde, daarnaast gaf ze onderwijs aan apothekers-assistenten in opleiding. Ze was een wetenschapper met speciale belangstelling voor inheemse planten en kruiden (en natuurlijk hun medicinale werking). In haar vrije tijd was ze ook vaak in de tuin te vinden, een grote hobby van haar.

Haar bevlogenheid bleek ook in het maatschappelijk werk dat Lashley verrichtte. Zo was ze voorzitter van de Vereniging van Apothekers. Ook was ze een tijdje adviseur van de Staten van Suriname op het gebied van de farmacie. Met regelmaat stuurde ze ingezonden stukken naar kranten en tijdschriften in binnen- en buitenland om haar mening te ventileren. Ze zette zich ook in voor SOS Kinderdorpen en anderen die het op de één of andere manier minder hadden. Ze bezocht vaak ouderen op Lantigron en later in bejaardentehuizen. Dat Lashley zeer sociaal bewogen was wordt ook bevestigd door mijn eigen tante, Friede Blom (1941), die als vrijwilliger bij haar in de apotheek werkte: “Zij gaf me altijd 25 gulden. Als er iets niet goed ging dan schreef ze dat op een briefje. Ze had altijd iets liefs of iets leuks. En je kreeg altijd een glas stroop. Ze had ook een dochter, Sila.”

In 1975 sloeg het noodlot toe. Door een grote brand gingen Hotel Lashley, de daaronder gevestigde tandartsenpraktijk van tandarts Lashley én de apotheek Lashley in vlammen op. Emma Lashley was toen 65 jaar oud. Ze ging toen als apotheker werken in het St. Vincentiusziekenhuis. Ook nam zij zitting in het bestuur van het ziekenhuis.

Emma Lashley

Emma Lashley

Maar op deze plek proberen we Emma Lashley ook dankzij haar bijzonder interessante publicatie, over de geschiedenis van de farmacie in Suriname, een plekje in de geschiedschrijving te geven.

De eerste apothekers in Suriname, zo schrijft Lashley, kwamen in 1678 mee met Johannes Heinsius die tot gouverneur van Suriname was benoemd. Zij moeten werkzaam zijn geweest in het gasthuis van Paramaribo. Suriname was nog maar net onder Nederlands bestuur gekomen en bestond toen uit 27 of 28 huizen, vooral herbergen en ´smokkelaarskroegen´, afgezien dan van de twee of drie huizen van officieren. Er waren geen wettelijke bepalingen waaraan artsen en apothekers moest voldoen. Dat resulteerde in veel misstanden. Pas in 1767 bepaalde gouverneur Wigbold Crommelin in 1767 dat niemand als heelmeester in Suriname werkzaam mocht zijn zonder examen te hebben afgelegd.

In 1782 werd het Collegium Medicum opgericht onder het bewind van gouverneur Texier. Alle praktiserende artsen, chirurgijns, apothekers en vroedvrouwen moesten aan dit college hun diploma’s, getuigschriften of ‘leerbrieven’ overleggen en er ingeschreven worden. Dit Collegium Medicum bepaalde ook hoe de apotheken ingericht moesten worden. Samengestelde geneesmiddelen moesten steeds op voorraad gehouden worden. Recepten waarop vergif voorkwam mochten alleen door apothekers bereid worden en moesten in een afgesloten kast bewaard worden zodat de slaven er niet bij konden komen.

Niet alleen in de stad maar ook op de plantages waren apothekers gevestigd. Maar omdat veel medicijnen ondoelmatig werden bewaard en in papieren zakken verpakt, waren ze in veel gevallen binnen korte tijd onbruikbaar geworden. De behandeling en bereiding van medicijnen werd op de plantages meestal door ongekwalificeerde personen uitgevoerd dat er vaak vergiftigingen plaatsvonden.

Militaire Apotheek -

Lashley schrijft ook over Bernard Peters, afkomstig uit het Duitse Bremen. Hij werd in 1793 in Amsterdam als apotheker aangenomen en naar Suriname gestuurd. Peters kreeg vier dukaten als handgeld. Hij moest voor een dienstverband van zes jaar tekenen en kreeg iedere twee maanden 24 gulden. Dat Peters beslist niet de enige Duitse apotheker die in Suriname werkzaam was mag blijken uit de lijst van apothekers die in 1793 aan de Garnizoensapotheek verbonden waren: Schaubach, Liebetag, Krunitz, Baufe en Blomke.

Voor de zorg voor de armen in Paramaribo werd de stad in 1911 in vier afdelingen opgedeeld. Voor iedere afdeling werden particuliere apothekers aangewezen. Dienstdoende apothekers waren A.M. Jesserun, A.Ph. Samson, G.T. May, A.J. Bueno de Mesquita, C.A. van Spall, M.J. de la Parra, A.L. Wesenhagen, W.P. Hering en mevr. Juda-Stolting.

Dat het vak van apotheker vooral een mannen-aangelegenheid was moge duidelijk zijn. Toen Emma Lashley in het huwelijk trad kreeg ze van haar bank, de HBU, te horen dat voortaan haar man moest tekenen voor alle zakelijke opdrachten. Zij was toen 43 jaar oud en had altijd zelf de beslissingen genomen en de bank opdrachten verstrekt. Dit .liet ze niet op zich zitten en ze verhuisde haar bankrekeningen naar de Surinaamse Bank waar ze wel voor vol werd aangezien

De eerste Surinaamse vrouw die als apotheker in Suriname werd toegelaten was H.A. Gans (1883). De omstandigheden waarin Emma Lashley, gehuwd met Groeiliker, zich rond 1935 als apotheker vestigde zullen ook niet gemakkelijk zijn geweest. Lashley geeft in haar publicatie in het Pharmaceutisch Weekblad (no. 46 + 47, 1940) veel informatie die voor een bredere groep dan alleen apothekers interessant is.

Op 25 september 1993 overleed Emma Amy Clementina Groeiliker-Lashley op 84-jarige leeftijd in Paramaribo, apotheker én geschiedschrijver.

 

Carl Haarnack

 

Dit stuk had niet tot stand kunnen komen zonder de medewerking van Sila Groeiliker, dochter van Emma Lashley. Waarvoor hartelijk dank!

Julius Hille, arts op Fort Nieuw Amsterdam (1831-1839)

Tags

, ,

Medicinische Bemerkungen aus West-Indien. Julius Hille, militair arts op Fort Nieuw Amsterdam, Suriname. Berlin, 1839-1843.

Soms komt men op de meest onverwachte plekken een stukje Surinaamse geschiedenis tegen. Al bijna twintig jaar bevinden zich in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie een aantal exemplaren van het Wochenschrift für die gesammte Heilkunde. Dit medische tijdschrift werd in Berlijn uitgegeven in de jaren 1833 tot en met 1851. In de jaren 1839-1843 verschenen in deze uitgave artikelen van Julius Hille, militair-arts op Fort-Nieuw Amsterdam. Hille was geboren in Marburg en sinds 1831 in Nederlandse dienst in Suriname.

Wochenblatt Hille

In zijn verslagen worden getrakteerd op een lange lijst van aandoeningen zoals bijvoorbeeld navelbreuken, elephantiasis, tyfus, rode hond, koorts en lepra. Hille gelooft dat ‘der Neger’ minder vatbaar is voor ontstekingen. Zo schrijft hij over een patrouille die ondernomen werd op jacht naar van de plantages weggelopen slaven (marrons). Een marron werd op de vlucht in de rug geschoten. Een ‘Negersoldat’ van de Koloniale Guides die hem neergeschoten had hakte hem de rechterhand af om de beloning van fl. 15,– te kunnen innen en liet het lichaam voor dood achter. Dezelfde marron meldde zich vijf of zes weken later op een plantage, bereid zijn straf te ondergaan, als men hem maar van de ongelooflijke pijnen in zijn rug zou kunnen verlossen. Enkele kleine geweerkogels waren in zijn schouderblad doorgedrongen. Tot grote verbazing van Hille was de wond waar zijn hand was afgehakt keurig genezen zonder enig verband behalve groene bladeren. De kogels werden verwijderd en de man genas snel en goed. Om vervolgens, zo schrijft Hille niet zonder cynisme, nieuwe wonden te ontvangen op zijn achterste door de onbarmhartige zweepslagen.

Ook verhaalt Hille over een man (‘ein Neger’) die trompetblazer bij de Koloniale Guides was. In een staat van ‘melancholische waanzin’ had hij zich met een scheermes zijn hals doorgesneden. Hille verbond zijn verwonding en gaf hem een ‘Laxans’, Binnen een tijdsbestek van drie weken genas de man radicaal. Eén maand na de zelfverwonding blies hij weer als vanouds op zijn trompet.

Over de gebruiken bij de inheemsen schrijft Hille bijvoorbeeld dat wanneer er een tweeling geboren wordt, de vader van mening is dat één kind niet van hem kan zijn. Daarom gooit hij ze in het diepe water en de eerste die weer bovenkomt erkent hij als zijn kind, de andere laat hij verdrinken. Als inheemse vrouwen menstrueren dan moeten zij zich van de dorpsgemeenschap verwijderen en alleen in een afgelegen hut wonen, tot dat de maandelijkse reiniging voorbij is.

ziek bray

Litho: Theodore Bray, ziekenboeg op een plantage (1850)

Volgens onze Duitse arts bestaat er geen bijgeloviger volk als ´de Negers´. Het bereiden van vergif en het vergiftigen van mensen speelt daarbij een grote rol. De ´Wischis Wischis man´ (wisi-man) is een zeer gevreesde man omdat een meester is in de gifmengerij. Uit planten maakt hij een giftig mengsel maar eerst maakt hij gebruikt van het bijgeloof van het beoogde slachtoffer, aangezien niet iedereen gevoelig is voor dit gif. Daarom legt hij eieren, een kalebas, een mes, een fles of enig ander object op een plek die het slachtoffer passeren moet. Uit de veranderingen in het gedrag van het slachtoffer meent hij op te maken óf deze persoon gevoelig is voor het gif en hoe en op welk moment het moet worden toegediend.

Zonder de schrijfsels van dr. Julius Hille zou veel informatie voor ons verborgen blijven. We weten nu bijvoorbeeld dat op de suikerplantage Sinabo een slaaf werkte die zeer kundig was in zijn werk als metselaar. Hij was een albino van tussen de 40 en 50 jaar oud. Zijn haren waren kroes en hoogblond, zijn huid was als die van een witte Europeaan en zelfs zijn wangen hadden een rode blos. Zijn ogen zijn lichtbruin en zo gevoelig voor het licht dat hij zijn oogleden niet graag open slaat en niet ver voor zich uit kijkt. Het geeft, zo schrijft Hille, zijn gezicht een afschuwelijke maar een meelijwekkende aanblik. Door de andere ´negers´ wordt hij spottend ´masra ne(n)gre´ genoemd (´Mijnheer Neger´) maar hij wordt niet gehaat of gemeden maar ook niet hoger geacht dan de anderen.

nieuw_amsterdam3

Fort Nieuw-Amsterdam, Suriname. Woning van de districtscommissaris (bron: Wikipedia)

Zeer opmerkelijk is het verhaal dat Hille in 1843 schrijft om zijn overtuiging dat overbevruchting (´superfoetatio´) bestaat, kracht bij te zetten. Hij verhaalt ons over een ´Negerin´ die van een tweeling bevallen was. Eén van de tweeling, het meisje, was zwart (Hille spreekt van ´ein reiner Neger´), de ander, een jongen, was een mulat. De moeder verklaarde eerst in de nacht sexuele omgang met een zwarte man te hebben gehad en daarna met een witte man. Hill weet ook te melden dat het meisje veel groter en sterker was dan de mulattenjongen. Toen de moeder overleed wees sectie uit dat zij heel normaal was gebouwd en geen dubbele baarmoeder of vagina had. Beide kinderen werden zonder complicaties en snel achter elkaar geboren. De kinderen waren in januari 1842 beide nog gezond en in goeden doen. Ze waren toen ongeveer acht jaar oud. Het meisje was ca. 5 centimeter (´zwei Zoll´) groter dan de jongen en veel beter ontwikkeld.

Uit Hille´s vertellingen klinkt zo af en toe een empathisch geluid door. Hij neemt sowieso een unieke positie in vanwege het feit dat hij zijn medische behandelingen van de slavenbevolking van Suriname uitvoerig beschreven heeft. Toch moeten we concluderen dat Hille een zeer Eurocentrisch en racistisch wereldbeeld heeft. `Ik ben er van overtuigd’, schrijft hij, ´dat de ´Neger´ te nooit en te nimmer de cultuur van het Kaukasische mensenras bereiken kan.´ Volgens Hille blijkt uit de structuur van het lichaam van de zwarte mens, zijn vooruitstekende gezicht (die meer ruimte inneemt als de schedel) en bijvoorbeeld zijn sterk ontwikkelde tanden en kaken dat het dierlijke het geestelijke overheerst. Ook vraagt hij zich af dat als de zwarte mens in staat zou zijn een hogere geestelijke cultuur te bereiken waarom hij dat dan niet in Afrika gedaan heeft? Het geven van de vrijheid aan de ´Negers´ staat volgens hem gelijk aan morele moord. Ze weten niet met deze vrijheid om te gaan behalve dan om zich gelukkig te voelen in het nietsdoen en om zich door bedrog of geweld luxe artikelen te verwerven.

De artikelen van dr. Julius Hille zijn zeer lezenswaardig en geven ons, naast medische informatie, ook een interessant ooggetuigenverslag van het leven in Suriname rond 1840. Zijn neerbuigende kijk op inheemsen en mensen van Afrikaanse komaf in Suriname zijn sterke verbonden met het in de 19e eeuw opkomende racisme en eurocentrisme. Toch moeten we daar ´omheen´ proberen te lezen omdat Hille ons tegelijkertijd ook trakteert op interessante anekdotes zoals die over de melancholische waanzin van de trompetblazer van de Koloniale Guides of de ´Herr Masra´, de albino van plantage Sinabo. Daar zouden we anders nooit over gehoord hebben.

Het Wochenschrift für die gesammte Heilkunde toont maar weer eens aan dat Surinamica zich op de meest onverwachte plekken kan verbergen. Het tijdschrift bestaat uit kleine papieren boekjes zonder grote financiële waarde. De historische waarde echter is voor iedereen die iets meer wil proberen te begrijpen van de geschiedenis van Suriname onbetaalbaar.

Carl Haarnack

Friedrich Voltz (1828-1855) in Suriname

Tags

Een togt door de savanne van Suriname. Friedrich Voltz. In: Praktisch Volksboek. Museum voor Natuur, Kunst en Wetenschap. Een maandschrift. 2e serie, derde deel. Sneek: Van Druten & Bleeker, 1863.

In 1853 kwam dr. Friedrich Voltz in Suriname aan. Samen met prof. Duttenhofer, agrarische wetenschapper Schunk en ene Noack maakte Voltz deel uit van een commissie die de mogelijkheden moest onderzoeken voor de kolonisatie van Duitse immigranten in Suriname. Van de hand van Friedrich Voltz bevindt zich in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie een tekst die in 1863 in het Nederlands vertaald werd voor het tijdschrift Praktisch Volksboek. Museum voor Natuur, Kunst en Wetenschap. Hier in beschrijft hij een reis die hij maakt door de savanne van Suriname.

fort nieuw amsterdam (2)

De reis begint om zeven uur ´s morgens bij Rosevalley aan de Saramacca (de redacteur van het tijdschrift is vast onbekend met Suriname want telkens lezen we Samaracca). Op de reis wordt Voltz vergezeld door drie ´indianen´, drie ´negers´ en een Europeaan. Na een uur varen voeren zij de Topie-kreek op. Aan weerskanten van het water, zo schrijft Voltz, verheffen zich Purperhart, IJzerhart, Groenhart, Bolletrie, Wama en Peto (Mora Excelsa). In het water ziet hij cecropia peltata, de waterabilihoetoe, de fungohoet die ook wel trompetboom of boschpapaya genoemd wordt. Na vele uren varen ging de tocht verder over land. Eén voor één liepen zij achter elkaar door de dichtbegroeide jungle. De bodem bestond uit een blauwe dichte klei. Er volgde een ontmoeting met enige Carïbische vrouwen die de groep naar het dorp begeleiden. Dat dorp bestond uit vijftien huizen die op een witte zandvlakte gebouwd waren. De groep werd verwelkomd door Master Cami, de hoofdman, die bescheiden vroeg of zij misschien ook wat ‘snaps’ voor hem hadden meegebracht. Iedereen kreeg een glaasje sterke drank. De gidsen werden door de vrouwen van kallebassen met casiri voorzien. De ‘indianen’ dronken ‘comu’, een drank die op chocolade lijkt en uit de vruchten van de comu (of combu) palm (oenocarpus bacaba) bereid wordt, en cassave. De Europeanen kregen een beker water en cassavebrood. Na deze versnaperingen ging de reis verder richting een moeras, een zg. trompetten-swamp. Een uitgebreide vlakte was met koffiekleurig water bedekt. Duizende exemplaren van de giftige tonkin (dieffenbachia seguina), kleine steekpalmen en vele moerasplanten groeiden tussen de hoge bomen.

indianen

De groep vond een beek die uitliep in de Wisiwirimbokreek. Zij moesten door het water waden om de kreek te bereiken. Opnieuw werd een dorp bereikt, dit keer Poika. De mannen schenen zich, aldus Voltz, in hun hangmat te vervelen en sloegen geen acht op de bezoekers. De vrouwen echter brachten water, cassavebrood en gerookte haimara. Voltz kon ‘deze goede menschen’ helaas niets aanbieden want de brandewijn was reeds in de eerder bezochte dorpen opgegaan. Hij beleefde hier een kleine cultuurschok omdat hij verbaasd is dat dat de inheemsen helemaal niets uitmaakt: “hun gedrag onderging niet de geringste verandering”, schrijft hij. Sterker nog, zij kregen waterkruiken en schotels als geschenk.

Onder de bewoners van het dorp bevonden zich een familie van ‘Karboeger-indianen’ (‘karboeker’, sic), afstammelingen van inheemsen en nazaten van Afrikanen. Voltz noemde dit ‘ras’ de mooiste soort mensen die hij ooit had gezien: zij waren donkerder van kleur dan de Caraïben maar hun lichaam was evenrediger gebouwd. Het hoofdhaar is kort en kroes maar niet zo sterk als bij ‘de negers’. De ogen zijn donker en vol vuur, schrijft Voltz. De prijs der schoonheid zou voor hem zeker naar een ‘karboeger-indiaans’ meisje gaan.

Voltz is misschien wel de beroemdste geoloog in de Surinaamse geschiedenis. De Voltzberg is naar hem genoemd. Op 6 augustus 1855 overleed dr Friedrich Voltz in Suriname aan gele koorts.

Carl Haarnack

 

 

 

 

 

Charles Douglas (1853-1943)

Tags

, , , ,

Eenige eigenaardigheden en typische merkwaardigheden, uit de geschiedenis van de planterij in Suriname, gedurende de vorige eeuwen tot heden. Charles Douglas (1853-1943). Paramaribo : ‘De Tijd” O.C. Marcus, 1936.

Mijn favoriete verhalen uit de Surinaamse geschiedenis zijn die verhalen die verteld worden door mensen die simplificatie van zwart versus wit overstijgen. In deze rubriek schreven we eerder over Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), een Surinaamse planter die niet ‘wit’ was maar juist, naar eigen zeggen, ‘zwart bloed’ door de aderen had stromen. De dominante gedachte is dat alle planters witte Europeanen waren. Maar in de 19e eeuw was de groep ‘kleurlingen’ aanzienlijk groter dan die van de witte Europeanen. Wie ook maar een klein beetje graaft in de archieven, literatuur en genealogieën zal ontdekken dat er veel gekleurde planters én gekleurde eigenaars van slaven waren.

Opnamedatum: 2017-09-11

Charles Douglas (1853-1943). Collectie Rijksmuseum.

Charles (Chas voor vrienden) Douglas was een veelzijdig man. Hij was planter, handelaar en handelsagent voor American Exploitation Company, een bedrijf dat zich bezighield met de exploitatie van balata en andere producten uit het binnenland van Suriname. In 1896 kreeg hij een concessie toegewezen van 5000 hectare in Nickerie om balata te winnen. Ook hield hij zich bezig met het de stoomvaartdienst die tussen Paramaribo en het binnenland van Suriname werd onderhouden. Op 17 september 1889 plaatste hij een advertentie dat de dienst voor 18 september niet zou plaatsvinden. Ook trad hij op als curator zoals bij het overlijden van Henry Ironside, gehuwd met zijn zus Mary, die op 24 augustus 1893 in Paramaribo was overleden.

Charles werd in 1853 in slavernij geboren op de aan de Surinamerivier gelegen suikerplantage De Goede Vrede. De vader én tevens eigenaar van Charles, zijn zusje en zijn moeder was James Douglas (1825-1874), eigenaar van plantage Nieuw Acconoribo (Matappica). In 1855 werd Charles samen met zijn moeder Dasiana (een huisslavin) en zus Margaret Ann (slavennaam Marguerite) gemanimutteerd. Zij kregen alle drie de familienaam Donglas die moest verwijzen naar de verwantschap met Charles Douglas. Bij manumissies was het niet toegestaan namen die al in de kolonie bestond te vergeven. In 1867 kregen Charles en zijn zus alsnog de familienaam Douglas mee. Hiervoor diende hun moeder een verzoek in. Zij bleef zelf Donglas heten. In 1880 trouwde Charles Douglas met Henriette Jacoba Arlaud (1860-1902) in Nickerie. Charles was vooral op latere leeftijd maatschappelijk actief. Hij fotografeerde stadsgezichten, schreef historische artikelen (o.a. voor de West-Indische Gids) en publiceerde over de plantage-economie. Hij schreef de Encyclopaedie der Guyana’s van 1492-1933. Deze verscheen echter nooit in druk.

Balata detail

Balata winning in Surinam (foto: Bromet, Paramaribo, ca. 1898)

In 1924 publiceerde hij Multum in Parvo (‘Alles in het kort’) waarin hij uitvoerig schreef over Paramaribo, het bestuur van de kolonie maar ook over de straten en de wijken in de stad. Ook voegde hij achterin een adreslijst toe (handig voor genealogisch onderzoek). In 1928 verscheen bij Oliviera in Paramaribo Aanteekeningen over allerlei in verband met de bevolking en den landbouw in het verleden en het heden van Suriname. Belangrijk was ook zijn bijdrage over de Hygienisch en Sanitaire toestanden van Paramaribo.

In 1936 schreef Douglas een alleraardigst boekje over de geschiedenis van de ‘planterij’. Geen lijvig wetenschappelijk werk met notenapparaat en literatuurverwijzingen. In het voorwoord schrijft hij zelf geen enkele aanspraak te maken op literaire of wetenschappelijke waarde. Alles wat hij vertelt komt voor uit wat hij uit zijn nog heldere herinnering kan putten. Hij belooft dat, als het Surinaams publiek genoeg exemplaren van dit boekje koopt, er nog een publicatie zal volgen omtrent de plantagedirecteuren en blank-officiers. Helaas is dat laatste is er nooit van gekomen. Op 19 februari 1943 overleed Chas Douglas in Paramaribo.

Douglas begint met de geschiedenis van Suriname vanaf het moment dat de Europeanen er vaste voet aan wal proberen te krijgen. Douglas heeft Wolbers en Stedman goed gelezen. Hij vertelt over het eerste ‘weglopersdorp’ aan de Bannisterkreek (Parakreek). Rond 1656 werd dit kamp door een ´Cormantijnse neger´ genaamd Jermes aangelegd. Vanuit deze plek werden ´rooftochten´ en aanvallen op de plantages uitgevoerd. Voor wie niet goed bekend is met de geschiedenis van Suriname biedt Douglas in een paar bladzijden een aardig historisch overzicht. Douglas verwijst naar Stedman´s Narrative (1796) en het feit dat de meesteressen in Suriname hun echtgenoten beschuldigen van onzedelijk gedrag. Tegelijkertijd stellen zij hun slavinnen in staat om de heren te bezoeken. De meesteressen waren volgens Douglas bijzonder ijdel en hielden van uitbundig vertoon. Vaak leefden zij met andere meesteressen in onmin. Zij vertelden dan aan hun vertrouwelingen onder hun slavinnen zaken waarmee deze liedjes maakten. De slavinnen werden vervolgens in mooie kleren gestoken en met gouden sieraden omhangen de straat opgestuurd. Zij moesten dan langs de huizen lopen om, al zingend, hatelijkheden over de meesteressen waarmee een conflict bestond te zingen.

Benoit slavinnen

Slavinnen in Suriname (detail uit litho van Benoit, 1839)

Hoe je het ook wendt of keert, Charles Douglas was een nazaat van een slaveneigenaar én van een slavin. Sterker nog, hij was zelf als slaaf geboren. Veel Surinamers stammen af van Europeanen en uit Afrika afkomstige slaven. Wat Douglas echt bijzonder maakt is dat hij de Surinaamse geschiedenis beoefende en zijn kennis aan het papier toevertrouwde. Daar mogen we best een beetje trots op zijn. In het Rijksmuseum in Amsterdam bevindt zich een foto die rond 1898 wordt gedateerd. Vermoedelijk is dit een cabinetfoto van onze Charles Douglas, die van slaaf tot planter werd.

Carl Haarnack

Boekje Douglas

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Frederik Andreas Kühn (1782-1828), chef van het Militair Hospitaal Suriname.

Tags

,

Frederik Andreas Kühn (1782-1828) Chef van de militaire geneeskundige dienst te Suriname, en Chef van het Militair hospitaal tussen 1820 en 1828.

door Philip Dikland

Frederik Andreas Kühn (1782-1828) [1] was Chef van de militaire geneeskundige dienst te Suriname, en Chef van het Militair hospitaal tussen 1820 en 1828. Over zijn persoonlijk leven is nog weinig bekend. Hij was gehuwd, maar de naam van zijn echtgenote moet nog worden achterhaald [1a]. In maart 1820 werd zijn zoontje Frederik Andreas begraven in de Oranjetuin, pas 4 maanden oud [2]. Hij heeft nooit huizen of plantages gekocht, en komt nauwelijks in de grondarchieven voor.

Benoit 1839-02 negerinnen op bezoek

Op bezoek, uit Voyage a Surinam. P. Benoit (1839)

Frederik overleed in 1828, 46 jaar oud, in de kracht van zijn leven. Zijn grafschrift vermeldt : Medicine Doctor Chirurgyn en Chef van Zijner Majesteits Troepen en Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw. Uit zijn overlijdensacte blijkt, dat hij tevens Stads Doctor was. Hij overleed aan de Keizerstraat L.C. no. 99, en zal daar wel hebben gewoond. [3]

In 1819 was hij Chef van de militaire geneeskundige dienst, en chef van het Militair Hospitaal (jaarboek 1819 ; almanak 1820). Hij maakte de pokken-epidemie van 1819 mee, en had de leiding bij de bestrijding ervan. Hij bestreed de ziekte door 3 maatregelen :

  • snelle grootschalige vaccinatie,
  • isolatie van de zieken,
  • en het blokkeren van alle verkeer tussen Paramaribo en de plantages.

Zijn strategie had deels succes. Ruim 5000 mensen werden in korte tijd gevaccineerd, slaven en vrijen. Maar de verspreiding van de ziekte kon hij niet voorkomen.

Kühn was Chef van het hospitaal in 1821, het jaar van de grote stadsbrand van Paramaribo, en ook het jaar waarin het hospitaal werd omgezet in een militair plus burger hospitaal. Hij gaf leiding aan de reorganisatie die daarvan het gevolg was.

ziek bray

Litho Theodore Bray. Plantage dokter (1850)

In 1828, het jaar van zijn dood, verscheen een goed en praktisch boek van zijn hand over de gezondheidszorg op de plantages : beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantageslaven. Kühn had het in 1827 geschreven, uit onvrede over de gezondheidszorg op het platteland. Maar er zijn enkele passages die doen vermoeden dat hij er al veel langer mee bezig was. Zo schrijft hij ergens, dat alleen militairen toegang hadden tot het Militair Hospitaal, terwijl vanaf 1821 ook vrije burgers konden worden opgenomen

Kühn’s boek is modern en logisch van opzet. Het geeft eerst een beschrijving van de levenswijze van de patienten, vervolgens van het bestaande systeem van gezondheidszorg op het platteland – waar de schrijver weinig goede woorden voor over heeft. Hij gaat in detail in op diverse behandelingen en nep-behandelingen. Zo beschrijft hij een veel toegepaste kwik-kuur, door het wrijven met een kwikzalf, of het innemen ervan. Het werd ook een kwijl-kuur genoemd (“driengie kwiri”) [4], omdat je er onophoudelijk van moest kwijlen. De hospitaaltjes op de Surinaamse plantages hadden er een aparte kamer voor : de kwijlkamer. De kuur werd gebruikt ter genezing van hardnekkige zweren, bv. ontstaan door syphilis of yaws. De kuur hielp weinig, maar was desondanks populair.

‘Merkuriaal- en quarantaine kuren [5] staan bij de Negers in groot aanzien, en het misbruik van allerhande kwikmiddelen is daarom zoo groot, dat niet zelden de merkuriaal-ziekte ergere gevolgen dan de primitive ziekte daarstelt.’

Als alternatief werd ook wel een quarantaine-kuur toegepast. Dit was een zuiveringskuur door middel van een streng dieet. De oorsprong was afrikaans, de westerse doktoren hadden er geen ervaring mee. Kühn schrijft :

‘Het gebruik eene quarantaine [6] bestaat in de toediening van zekere uit geneeskrachtige houten, wortels en suiker gekookte siroop ; het voedsel bestaat verder alleen uit drooge geroosterde bananen ; 4 a 5 weken duurt een kuur, en de lijders worden daarbij zeer mager. Het is echter niet te ontkennen, dat zeer dikwijls door een zoodanige kuur, de hardnekkigste zweren, huid-uitslagen, en beenpijnen herstellen. De patienten worden gewoonlijk, om te verhinderen, dat zij geen zout of eenige andere spijzen of dranken zullen genieten, opgesloten, en vandaar zal wel de naam van quarantaine ontleend zijn.’

Al met al had Kühn niet veel op met het plantage-gedokter. Hij schrijft :

‘Het is inderdaad een wonder Gods, als ik mij zoo mag uitdrukken, dat de patient de veelvuldige applicatiën behouden ontsnapt’. [7]

Kühn gaat verder, en geeft inzicht in de economie van de gezondheidszorg. Hij botst daarna tegen een van de basisproblemen : goede gezondheidszorg kost geld, en de planters waren niet bereid dat geld voor hun zieke slaven uit te geven. Liever rommelden ze zelf wat aan op hun plantages, dat kostte bijna niets.

Kühn gaat daarna over op het beschrijven van de plantage-apotheek. Gewoonlijk zijn de werkzame medicijnen er niet, en de kwakzalversmiddelen in overvloed.

Tenslotte beschrijft Kühn vele verbeteringen, die zouden kunnen worden toegepast. Hij droeg ideeen aan ter verbetering van de opleiding van “dresnegers “ en gekleurde vroedvrouwen. Hij stelde daartoe voor dat jonge intelligente plantageslaven ten minste 5 jaren in de leer werden gedaan bij de plattelandshospitalen.

In een tijd waarin nog weinig begrip was voor hygiene, schreef Kühn deze verplicht voor:

‘Bijzondere oplettendheid wordt gevorderd ten aanzien van algemeene reinheid, en vooral ook behoorde men te zorgen, dat de patienten zuivere en goede verbandstukken krijgen, en dat onreine door bijtende loog en de zure oranjes wèl worden gereinigd.’

Dat was toen nog geen algemeen gebruik, integendeel. De plantagehospitalen die Kühn inspecteerde waren zonder uitzondering donker en vervuild.

Hij ontwerpt zelfs een zuiveringstoestel voor vuil water, door middel van beenkool. Ook ontwerpt hij een standaard plantage-hospitaal.

modelhospitaal 1828-01 de Vroome

Ontwerp voor een standaard plantage-hospitaal

Maar, ook al noemt hij allerlei mooie ideeen om het systeem te verbeteren, hij besefte best dat dat allemaal niet vrijwillig zou worden ingevoerd. Daar zou dwang voor nodig zijn. Kühn pleit – vreemd genoeg – niet voor overheidsingrijpen, maar hij besefte wel dat er harde maatregelen nodig waren. Hij pleitte er daarom voor, om in het Militair Hospitaal een ruime centrale verpleegafdeling in te richten voor alle slaven :

‘Hoe wenschelijk, voordeelig en doelmatig zoude het zijn, wanneer het Land een lokaal tot zodanig een etablissement gunstig verleende ; het bestaan van eene civiele geneeskundige afdeeling in het in allen deele ruim ingerigte Militaire Hospitaal geeft, als van zelve, de beste gelegenheid daartoe aan de hand. Daar is lokaal genoeg om 200 a 250 zieke slaven, zonder eenigen hinder voor de gewone dienst, op te nemen. De behoeften tot verpleging en aan medicijnen enz. worden door het Gouvernement in het Moederland in massa aangekocht, en kunnen daarom veel goedkooper aan belanghebbenden worden afgestaan en geleverd, dan zulks door eenen partikulier kan geschieden, zoo dat, bij een goede administratie, de Schrijver aanneemt, iedere zieke, met alles wat hij noodig heeft, voor 40 a 45 centen daags te verplegen, welke kosten dus meer dan de helft minder zouden zijn, dan de wet daarvoor aan particulieren toekent.’

Kühn zegt niet met zoveel woorden, maar hij wilde het Militair Hospitaal gebruiken als breekijzer om de particuliere ziekenhuisjes aan te pakken. Hij schrijft echter heel diplomatiek het tegendeel:

‘Ten einde echter door een zoodanig Hospitaal den particuliere Chirurgijn niet van zijn bestaan te berooven, zoude men in hetzelve geene andere patienten behooren op te neemen dan die, welke reeds eenigen tijd zonder gunstig gevolg elders werden behandeld.’

Maar dat was zeker niet zijn achterliggende bedoeling. Hij wilde wel degelijk het Militair Hospitaal gebruiken als grote speler in de slavengezondheidszorg, en als de etablissementen zichzelf dan niet verbeterden, dan zou hij ze gewoon wegconcurreren. Dat lees je duidelijk tussen de regels door. Echter, Kühn’s idee is niet uitgevoerd. De reden daarvoor is niet bekend. Het is niet eens bekend of er een serieuze discussie over is gevoerd. Kühn zelf kon die discussie niet meer aanzwengelen, want hij overleed in het jaar dat zijn boek uitkwam. En laten we eerlijk zijn: zonder dwangmaatregelen van de Overheid zou Kühn’s idee niet levensvatbaar zijn geweest. Want het plantage-gedokter was nog steeds veel goedkoper dan Kühn’s alternatieve verpleging in het Militair Hospitaal. Het zou echter nog een halve eeuw duren eer de Overheid ging ingrijpen in de plattelands-gezondheidszorg. Kühn was zijn tijd ver vooruit.

kuhn1

Titelpagina Beschouwing van den Toestand der Surinaamsche Plantagie Slaven.  F.A. Kuhn.  Amsterdam, 1828.

Kühn stelde ook voor, om de vaste contracten tussen plantages en etablissementen af te schaffen, waarbij jaarlijkse geneeskundige behandeling werd gegarandeerd voor een vast bedrag per slaaf:

‘De Chirurgijn kan, met geene mogelijkheid, voor f 1,25 per kop in het jaar, eene doelmatige behandeling aan zieke plantaadje-negers verschaffen. Het noodzaakt in zeker opzigt den Chirurgijn tot knoeierij en slechte behandeling.’

Ook hier geldt, dat zijn idee alleen zou hebben gewerkt in combinatie met Overheidsmaatregelen. Want als de zorg – zoals Kühn voorstelt – duurder zou worden, dan zouden de planters er juist geen gebruik meer van maken, en was dus het tegengestelde bereikt van wat Kühn wilde.

militair-hospitaal-1885-kl

Militair Hospitaal Paramaribo

Gaan wij nu terug naar een gebeurtenis aan het begin van Kühn’s carriere : de pokken-epidemie van 1819. Het “jaarboek 1819” [8] van M. Stuart geeft een gedetailleerde beschrijving, overgenomen van het verslag van dr. Kühn:

‘De Heer F.A. Kühn, Chirurgijn en Chef van de Hospitalen, mitsgaders Stads Doctor te Paramaribo, maakte zich door zijnen ijver, zorg en oplettendheid bijzonder verdienstelijk bij het ontstaan der kinderziekte in de kolonie Suriname, zoodat men hieraan, vooral wanneer men het doodelijke der kinderziekte in warme landen in aanmerking neemt, het behoud van duizenden, en een groot aantal bezitters van plantagien de redding van geheelen of gedeeltelijken ondergang te danken hadden. De nadere omstandigheden deswegen, zooals dezelve in een eigenhandig berigt van den heer Kühn vervat zijn, komen hoofdzakelijk hier op neder. In het midden des vorigen jaars alles aangewend hebbende om de, in genoemde kolonie sedert lang veronachtzaamde koepok-inenting algemeen in gang te brengen, bleven deze pogingen echter zonder vrucht, daar het grootste gedeelte der ingezeetenen met het dom vooroordeel tegen dit behoedmiddel behept waren.’

Maart van dit jaar ontdekte de Heer Kühn, dat bij den Chirurgijn Servant la Faye de kinderziekte zich vertoond had, waarvan ook gemelde Chirurgijn aan hem verslag deed. Het gewigt van eene zoodanige ziekte overwegende, wier ruchtbaarheid eene geweldige ontsteltenis en ongerustheid in de kolonie veroorzaakte, werd het Gouvernement deswege geraadpleegd, en eene Kommissie bijeen geroepen. De pogingen om de oorzaak op te sporen bleven vruchteloos, hoewel men met zekerheid veronderstelde dat een Fransch matroos, in het hospitaal van den Heer Servant overleden, met de kinderziekte besmet geweest was. Het scheen den Heer Kühn toe, dat de afzondering het eenigst middel was, hetfeen de verspreiding, vooral op de Plantagien, konde verhinderen, en dien ten gevolge werd Paramaribo voor eenige daagen in staat van blokkade gesteld, en bepaald, dat een ieder, die door de kinderziekte besmet zoude worden, in het daartoe bestemd lokaal zoude worden afgezonderd, met welks bestuur de Heer Kühn belast werd. Deze met alle mogelijke zorg, volgens de gewone maatregelen, te werk gaande, had niet alleen denzelfden avond nog het lokaal in gereedheid, maar ook de met kinderziekte besmetten, ten getale van elf, op de doelmatigste wijze, derwaarts doen overbrengen. Echter oordeelde velen deze maatregelen willekeurig, hetgeen den Heer Kühn, volgens zijn zeggen, menige onaangenaamheid en zelfs gewelddadigheden berokkende ; ook wilden zich nu allen, uit hoofde dezer afzondering, laten vaccineren, waartoe het echter te laat was, daar de stof reeds te oud geoordeeld werd. Inmiddels was de luitenant Dockx en de Chirurgijn Visser, met eenige kinderen naar Cayenne gezonden, om van daar koepokstof over te brengen. Binnen veertien dagen waren dezelve met het gewenscht gevolg terug, en in weinige dagen was er een genoegzame voorraad van stof voorhanden, zoodat de Heer Kühn dagelijks, zoowel voor behoeftigen als anderen, in het hospitaal een tijd konde besteden om gratis te vaccineren. Hiervan werd nu zulk een gewenscht gebruik gemaakt door alle standen, dat in de eerste dagen zelden onder de drie honderd gevaccineerd werden. Van alle kanten werd om koepokstof gevraagd, zoodat, in vier en twintig dagen, twee honderd en vijftig paar glazen naar de rivieren en elders gezonden werden ; zelfs haalde de meergemelde Geneesheer een groot aantal Indianen tot de vaccine over, en ook verscheidene boschnegers maakten er gebruik van. – Op den eersten Mei was het lokaal, voor besmetten bestemd, reeds ledig, en tot vaccinatie niet veel aanvraag, waarop de Heer Kühn rapport inleverde, hetwelk hoofdzakelijk inhield dat tot den 1sten Mei in het Hospitaal, volgens een opgemaakt register, 2731 personen gratis waren gevaccineerd ; in deszelfs bijzondere praktijk waren door denzelven, de plantagie slaven meegerekend, 640, waarvan 200 in het lokaal gratis behandeld ; van 47 door de kinderziekte aangetast waren er 6 gestorven, de overigen hersteld. Door verschillende Chirurgijns waren, volgens hunne opgave (voor welker juistheid de berigtgever echter niet instond) 1900 inentingen gedaan, dus tezamen 5271. Ofschoon van de plantagien nog geene rapporten ingekomen waren, hield de mededeeler van dit verslag zich echter verzekerd, dat thans in de kolonie 9000 personen met goed gevolg gevacinneerd waren. – Overigens werd in het gemeld etablissement door het Gouvernement de vrije verpleging aan allen toegestaan, zooals ook de Officieren van Gezondheid, in hetzelve dienstdoende, geene de minste aanspraak op belooning maakten.

Niets aan de hand, zo lijkt het, alles is met een sisser afgelopen. Slechts 47 patienten, en maar 6 doden [9].

Maar nu gebeurt er iets vreemd. Dr. E.W. Horstmann, schreef in 1850 een boek “over de beschaving van de negers in Amerika”, waarin hij de epidemie van 1819 aanhaalt. Hij claimt, dat hij 30 jaar in Suriname heeft gewerkt, en dat er door ondeskundige behandeling destijds 10.000 doden waren gevallen ! Hij, Horstmann, had later persoonlijk in 1823 een kleinere epidemie bedwongen, waarbij door juiste behandeling slechts 1 dode was gevallen. Hij schrijft op p. 232 van zijn boek :

Zoo b.v. zoude men zich geenszins behoeven te verwonderen, dat bij het uitbarsten van eene pokken-epidemie onder de Negerbevolking van Suriname, deze in vier maanden tijds uitstierf, als men goed oordeelde, om de zieke Negers zoo warm mogelijk op te sluiten (waar zij naauwelijks te koel kunnen gehouden worden) ; als men hun niets anders dan laauw-warm water liet drinken (waar het koudste het beste zoude zijn), en camphor en moschus als geneesmiddelen gaf (die daar vergift zijn, waar salpeter en sal-amoniak het leven behouden). Op de eerste wijze is de pokken epidemie in 1819 behandeld, en men behoeft zich derhalve dan ook niet te verwonderen, dat er binnen weinige maanden 10,000 Negers aan de pokken of aan verkeerde behandeling gestorven zijn. Op de tussen twee haakjes aangeduide wijze, werd eene pokken-epidemie door mij in het jaar 1823 behandeld, waarvan uit eenige honderde gevallen, slechts een dodelijk afliep.

Als Horstmann gelijk heeft, dan zou Kühn in zijn officieele rapport tienduizend doden onder de tafel hebben geveegd. Dat lijkt onmogelijk, maar ja. Wie heeft nu gelijk, Horstmann of Kühn ?

Gelukkig is er nog een tweede getuigenverslag, van een persoon van onbetwiste integriteit. Dat was de rechter A.F. Lammens ; deze hield een dagboek bij. Hij was zelf in 1819 in Suriname, en beschrijft dat daar inderdaad een grote epidemie had geheerst [10]. Hij verdenkt de overheid ervan de berichtgeving te hebben gemanipuleerd. Er was n.l. geen enkele quarantainemaatregel voor inkomende schepen van kracht, en dat was een grove nalatigheid.

De achteloosheid was zo groot, dat men tegen het inbrengen van besmettelijke ziektens niet meer waakte, zo eene onverschilligheid was nimmer tevoren gezien.

Toen de ziekte werd ontdekt, werd er inderdaad een blokkade van Paramaribo ingesteld, maar die was niet te handhaven, omdat de voedselaanvoer naar de stad daarmee werd afgesloten. Het Gouvernement hief de blokkade op, maar vertelde de ware reden niet, en verkondigde in plaats daarvan de volgende blijde boodschap:

Paramaribo

Nademaal de oorzaak, waarom het nodig is geoordeelt geworden, de gemeenschap tusschen de Hoofdplaats en de Plantagien, voor een tijd lang, op te schorten, onder Gods Goedheid, zich thans zo gunstig laat aanzien, dat dezen stremming, zonder ogenschijnlijk gevaar, zoude kunnen worden opgeheven – zo wordt hiermede aan een iegelijk bekend gemaakt, dat de militaire wagten, die daartoe gestelt waren, zijn ingetrokken, en dat de vaart, als voorheen, voor een ieder weder openstaat.

Paramaribo den 17 Maart 1819

De Secretaris van het Gouvernement,

(get.) Ja.s. Pringle

 

Lammens veegt met die boodschap de vloer aan:

Wij zeggen, dat deze advertentie eene impertinente Godslasterende beestagtigheid is. Hoe stonden de zaken dan, zal men zeggen. Waarom herstelde men de gemeenschap ? Omdat de pokken zich wijd en zijd door de Colonie hadden verspreyd.

Hij gaat daarna door met een voorzichtige schatting van het aantal doden:

Hoeveel slagtoffers deze ziekte heeft medegesleept, weet men niet, men heeft daarnaar geen onderzoek gedaan ; er zijn deswegens geen berigten voorhanden. De Gouverneur had het grootste belang in, dat dit niet bekend werd.

De ziekte bleef grasseeren, en hield aan tot in het volgende jaar, en het verlies aan menschen was niet gering. Er waren er die stelden, dat de ingevoerde slaven uit de Eylanden, die een getal van bij de Twee duizend zullen belopen, maar naauwelijks voor de helft het geleden verlies dekte.

Al met al werpt de hele affaire een schel licht op de capaciteiten van Gouverneur Vaillant, en ook dokter Kuhn komt er niet best vanaf. Zijn fraaie rapport vertelt blijkbaar maar een klein deel van de waarheid. Hij heeft de grote epidemie niet kunnen voorkomen, en duidelijk blijkt dat hij niet in staat was om effectief leiding te geven in de noodsituatie. Ach, vermoedelijk was er ook weinig aan te doen. De mens wikt, maar God beschikt. Kuhn’s maatregel van grootschalige vaccinatie was ongetwijfeld verstandig. Jammer dat hij niet de moed heeft opgebracht om de epidemie eerlijk en wetenschappelijk te beschrijven.

Philip Dikland

 

boeken en artikelen :

Over de elephantiasis in Suriname, artikel in : Hippocrates magaz. Enz. D VII 1e st. blz. 12

Beschouwing van den Toestand der Surinaamsche Plantagie Slaven. F.A. Kuhn. Amsterdam, 1828.

[1] Niet te verwarren met : Frederik Andreas Kuhn jr. (1794-1823), voormalig off. v. gezondheid 2e klasse, later arts op etablissement Zorg en Hoop, overl. 1823, 29 jaar jong. (gegevens J.F. Sang-Ajang). Wie was hij ? Hij kan geen zoon van onze Frederik zijn geweest. Hij had Zorg en Hoop in 1820 gekocht van J.A. Bruns.

[1a] Dankzij een tip van de Stichting Charlotte van der Lith leerden we de interessante thesis van G.M.W. Acda kennen. Nu weten we inmiddels dat Kühn in 1808 in Hamburg met Catharina Sophia Maria Wilhelmi in het huwelijk trad. Ook is voor het eerst aangetoond dat de oorsprong van de familiegeschiedenis van Kühn in Saksen-Anhalt ligt:
Op de deining van de wetenschap. Leven en werk van Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939), zeeofficier en hydrograaf. G.M.W. Acda (Universiteit Leiden).
Op de deining van de wetenschap. Leven en werk van Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939), zeeofficier en hydrograaf. G. Acda.
Van Ank de Vogel ontvingen we een verwijzing naar het Suriname Oud Notarieel Archief waaruit blijkt dat Sophia Wilhelmina de weduwe en erfgenaam van Kühn was:
Kühn – Suriname Oud Notariëel Archief.
Tenslotte ontvingen we een interessante bijdrage over Kühn van Marjolijn Flobbe die ik op verzoek graag doorstuur. Plus deze link naar het Suriname Notariëel Archief .

[2] Gegevens C. Sang-Ajang – database overledenen 1800-1828, manyscript 2005

[3] Het was het huis van de uitlandige weduwe Planteau, dat door Kuhn werd gehuurd.

[4] Focke, H.C. – neger-engelsch woordenboek, 1855

[5] Kuhn, F.A. – …………………, p. 48

[6] Kuhn, F.A. – …………………, p. 48

[7] Kuhn, F.A. – beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantageslaven, uitg. 1828 – p. 49

[8]Jaarboek van 1819, dl. II p. 111 (uitgegeven 1823)

[9] F. Oudschans-Dentz volgde het rapport van Kuhn, en beschreef de epidemie als een “kleine uitbarsting”.

Artikel “maatregelen tegen de pokken” 1943.

[10] Lammens, A.F. – bijdragen aan de kennis van de kolonie Suriname, manuscript, deel XIV p. 77 e.v. Manuscript in de collectie van het Surinaams Museum, Paramaribo.

Consideratien der WIC over Suriname (1687)

Tags

, , , ,

Consideratien van bewinthebberen der generale geoctroijeerde West-Indische Compagnie deser landen over de directie van de colonie van Suriname ende het gouvernement van den heer Van Sommelsdijck aldaar (ca.1687)

De Sociëteit van Suriname was een particuliere Nederlandse koloniale onderneming in Amsterdam, opgericht in 1683 en opgeheven in 1795 die verantwoordelijk was voor de kolonie van Suriname. In mei 1683 werd de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname opgericht. Deze particuliere onderneming had als doel winst te maken met het beheer van de kolonie. Er waren drie aandeelhouders die elk voor een derde zeggenschap hadden: De West-Indische Compagnie (WIC), de familie Van Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. De aandeelhouders moesten de aanvoer van slaven, het werven van nieuwe planters én de bescherming en het bestuur van de kolonie garanderen.

Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck

Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck (uit: Geschiedenis van Suriname. J. Wolbers. Amsterdam, 1861)

In de Buku Bibliotheca Surinamica collectie bevindt zich een belangrijk boek dat een bijzonder licht werpt op het bestuur van Suriname in die vroege periode: Consideratien van Bewinthebbern der Generale Geoctroyeerde West-Indische Compagnie deser Landen over de Directie van de Colonie Surinam en het Gouvernement van den Heer van Sommelsdijck aldaar. In dit 17e eeuwse boek wordt het octrooi van de Sociëteit uit de doeken gedaan en worden de voorwaarden weergegeven waaronder de Heer van Sommelsdijck en de stad Amsterdam ‘in den eygendom van Suriname syn ingelaten door de West Indische Compagnie’. Het staat vol met bepalingen van de Sociëteit, mededelingen van Van Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. Een heel bijzonder licht op de vroege koloniale geschiedenis geeft de lijst van slaven die op 28 april 1683 zijn geleverd door het schip D’Orangeboom o.l.v. kapitein Cornelis Jansz. Pyl. Hier vinden we een opsomming van planters in Suriname die door de WIC slaven geleverd kregen voor hun plantages. Deze planters moesten de WIC betalen door suiker te leveren. Commandeur Laurens Verboom bijvoorbeeld heeft geleverd gekregen: Negentien zowel mannen als vrouwen tegen elk 3000 pond suiker. Hij moet dus in totaal 57.000 pond suiker leveren. Ook dominee Johannes Basseliers kocht slaven, zes in totaal voor 18.000 pond. De joodse planter Samuel C. Nassy kreeg er vijftien slaven, tegenwaarde 45.000 pond suiker. Aron de Silva nam er slechts één. Everhart van Hemert kocht ‘een jongen’ die slechts 2.600 pond moest opbrengen. In totaal werden er 155 slaven verkocht die tezamen 455.800 pond suiker moesten opbrengen.

Sommelsdijk

Gezicht op Sommelsdijk in Suriname. Bienfait, 1827. Het chirurgijnsetablissement Sommelsdijk lag op de splitsing van de Commewijne en de Cottica rivier. (collectie Rijksmuseum Amsterdam).

We vinden in deze publicatie ook een lijst van alle Nederlandse- en Engelse schepen die tussen januari 1685 en april 1687 Suriname aandeden. Dat het koloniale gezag grote moeite had om fraude met slaventransporten tegen te gaan blijkt uit de vele ‘missiven’ van ‘den Heer van Sommelsdyck’, de gouverneur. Zo had een zekere Engelse schipper, genaamd Hennery Fermes, twee ‘Negers’ naar Suriname gebracht die hij had gestolen op St. Jago. Er werd streng op toe gezien dat de slavenhandel volgens de regels van de WIC en de Sociëteit verliep. Veel kapiteins tilden nog wel eens de boel door een aantal slaven buiten de administratie te houden en die illegaal te verkopen.

Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijck (1637-1688), kocht voor fl. 86.666,- 33% van de aandelen van de Sociëteit van Suriname. Hij liet zich door de andere twee aandeelhouders tot onbezoldigd gouverneur van Suriname benoemen. Op 24 november zette de eerste gouverneur voet aan wal in Suriname. Hij verbeterde het beheer van de plantages door gebruik te maken van sluizen en het bouwen van dijken. Lang heeft hij niet kunnen genieten van zijn leven als planter en gouverneur. Op 19 juli 1688 werd hij door een groep ontevreden soldaten, die betere voeding en meer geld eisten, vermoord.

Dit boek helpt ons de vroegste geschiedenis van de kolonie Suriname een beetje beter te begrijpen. Het zal voor verzamelaars niet mee vallen een exemplaar van dit boek te vinden. Ik ben het in de afgelopen veertig jaar slechts één keer tegen gekomen. Dit exemplaar bevindt zich nu in de collectie Buku Bibliotheca Surinamica.

Carl Haarnack

zie ook:

Van Sommelsdijck en zijn Indiaanse vrouw

Joden in Suriname

 

WIC lijsten

 

 

Reize naar Suriname. Gerardus Bosch (1843)

Tags

, , , , ,

Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Amerika. Deel III: Suriname. Gerardus Balthazar Bosch. Utrecht: L.E. Bosch & Zoon, 1843.

Gerardus Balthazar Bosch (1794-1837) is één van de vele geestelijken die geschreven heeft over zijn verblijf in de ‘Nieuwe Wereld’. Al op 20 jarige leeftijd werd hij benoemd tot predikant op Curaçao. Vandaar uit reisde hij naar verschillende eilanden in het Caraïbisch gebied. Tijdens zijn verblijf daar schreef hij bijdragen in de Vaderlandsche Letteroefeningen. In 1829 publiceerde hij het eerste deel van zijn trilogie: Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Amerika. In 1836 volgde deel twee dat hoofdzakelijk gewijd was aan Aruba en Bonaire. Kort daarop, in 1839 overleed Bosch. Toch besloot zijn broer, de uitgever L.E. Bosch, het derde deel van de serie zes jaar na de dood van de auteur uit te geven.

InkedBosch Suriname detail_LI

Illustratie uit titelblad van G.B. Bosch Reize naar West-Indië. Gouvernementsplein, het paleis en Waterkant.

Dit derde deel gaat uitsluitend over Suriname. Het bestaat uit maar liefst 30 brieven waarin Bosch ons allereerst deelgenoot maakt van zijn overtocht. Vervolgens gaat hij uitvoerig in op de geschiedenis van Suriname beginnende bij de ontdekking door Ojeda, de Vrede van Breda in 1667 en vervolgens de aanvallen van de marrons die het voortbestaan van de kolonie in gevaar brengen. Bosch heeft de literatuur over Suriname goed bestudeerd. Hij vertelt het verhaal van de beroemde ´neger´ Baron, slaaf van de Zweed Dahlberg, die één van de grote aanvoerders werd van de marrons.

De auteur gaat ook in op de Joden in Suriname. De Jodensavanne is met een school en een synagoge het hoofdverblijf van de Joden. De Joden in Paramaribo wonen in de Savanastraat. Door de blanke bevolking in Suriname worden zij zoveel mogelijk uit alle gezelschappen en vergaderingen geweerd, schrijft Bosch. Maar het anti-semitisme blijft niet tot de blanke bevolking beperkt. Ook de ´Neger´ beschouwt de ´Jood´ als een geringer wezen dan een blanke Christen, zo schrijft Bosch.

marrons2

De marrons heten bij Bosch ‘Boschnegers’ (goeie woordgrap?). Maar hij gebruikt ook de term ‘sluipnegers’. Deze term ben ik nog niet eerder tegengekomen. De marrons drijven ook handel met de inheemsen (natuurlijk heeft Bosch het over ‘indianen’). Om de Akoesi te bereiken, die aan de Boven Lawa wonen, moet men maar liefst acht dagen varen naar een plaats die Kanuli heet. Van de daar wonende inheemsen ontvangen zij schoenen die van mos gemaakt zijn. Die hebben ze nodig omdat zij nog acht dagen over de weide en savanne moeten lopen waarvan het gras hard en scherp is.

indianen.jpg

Ook over de slavenbevolking schrijft Bosch uitvoerig. Op de vraag ‘Moet de slavenhandel worden afgeschaft’ antwoord hij volmondig ‘Ja!’. Het is een mensonterende daad stelt Bosch. Over de afschaffing van de slavernij adviseert hij voorzichtig te werk te gaan. Luiheid, losbandigheid, dronkenschap en wraaklust waren in Engeland het gevolg van het ‘onbekookt’ besluit om plotseling van slaven vrije mensen te maken.

Het boek beslaat maar liefst 424 pagina’s. Bosch’ schrijfstijl is prettig leesbaar. Maar het is vooral een belangrijk boek. Het boek wordt ook door raadsels omgeven. Allereerst is het extreem zeldzaam. Onlangs verwierf de Buku Bibliotheca Surinamica collectie een exemplaar. Dat was ook de eerste keer in de afgelopen 35 jaar dat dit boek voorbij kwam. Er is slechts één exemplaar bekend in een andere privé/collectie. Wie zoekt in de ’s werelds grootste catalogus van boeken (www.worldcat.org) vindt slechts twee exemplaren: één in de UB van de Universiteit van Amsterdam en één bij de Universiteit van Leiden. In 1985 gaf de antiquaar Simon Emmering deel 1 en deel 2 in facsimilé uit. Dat gebeurde in de serie Antilliaanse reeks (op initiatief van de Hogeschool van de Nederlandse Antillen). De vraag is of Emmering het Suriname-deel ooit in handen heeft gehad. Dan is er een gedigitaliseerde versie van een exemplaar dat ooit onderdeel uit maakte van de collectie van de bibliotheek van het Instituut voor de Tropen (ik neem aan dat dit exemplaar zich nu in in Leiden bevindt). Het titelblad geeft als jaar aan MDCCCXLIIII (1844?) maar het exemplaar in de Buku collectie is gedateerd 1843 (MDCCCXLIII). Er bestaan dus of twee drukken, of de UB Leiden maakte hier een typefout.

Carl Haarnack

Bosch Suriname titelblad klein klwin

 

 

 

Parasieten. Surinaamsche schetsen, ontsproten uit de vertellingen van een gewezen planter. H. van Berkum (1854)

Tags

, ,

Parasieten. Surinaamsche schetsen, ontsproten uit de vertellingen van een gewezen planter. H. van Berkum, in: Gelderland. Tijdschrift voor Nederlandsche Letterkunde (3e jaargang). Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1854.

Hendrikus van Berkum (1814-1871) was predikant in Friesland en Groningen Wolsum, Westhem, Stiens en Nieuw-Beerta. Deze dorpen liggen in de Nederlandse provincie Friesland, behalve Nieuw-Beerta, dat ligt in Groningen. In de Surinaamse bibliotheek vinden we veel publicaties van ‘Friese- en Groningse makelij’. Te denken van aan de boeken van Marten Teenstra (1795-1864) en de Tsjerne (1953). Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname van Herlein werd in 1718 in Leeuwarden uitgegeven; Geschiedenis der kolonie Suriname, door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen, werd in 1791 in Amsterdam én Harlingen gepubliceerd.

1713 Ottens

De predikant van Berkum schrijft over een logé die enige jaren als planter in Suriname had doorgebracht maar nu huiswaarts was gekeerd. Deze logé zat vol met verhalen uit het onbekende Suriname maar hoezeer Van Berkum hem ook verzocht om deze op te schrijven en uit te geven, dat werd lachend weggewuifd. Daarom besloot Van Berkum om de verhalen zelf maar op te schrijven. Hier is helaas slechts ruimte voor twee verhalen.

In het eerste verhaal vertelt de planter (helaas kennen wij zijn naam niet) over ‘de Bosch-Patrouille’, de jacht op weggelopen slaven (marrons). Uncle Tom’s Cabin heeft u allen hier in het moederland, het hoofd op hol gebracht, zo begint hij zijn relaas. Ook spreekt hij over het ‘nare boekje’ van mijnheer Wolbers en hij stelt dat Teenstra’s werk over Suriname van ‘onnaauwkeurigheden en onwaarheden’ krioelt. Hij haalt herinneringen op aan de tijd toen hij als jonge blankofficier op een plantage werkte. Door het gezag werd er een patrouille georganiseerd, een zg. ‘negerjagt’. Van alle plantages in de divisie werden mannen opgeroepen deel te nemen. Voorop liepen vier ‘negers’ die met hun houwers een pad door het dichtbegroeide bos kapten. Daarachter volgde de gids Simson, een weggelopen slaaf, die de weg zou wijzen naar het ‘negerkamp’. Toen een aantal marrons de plantage waar Simson werkte overvielen, namen zij zijn geliefde mee. Daarop besloot hij ook weg te lopen om zijn geliefde te vinden. Maar toen hij haar in een marrondorp vond zag hij dat zij reeds de geliefde van een ander was. Uit wraak trok Simson naar de gouverneur en bood zich als gids aan. Dan volgde de kommandant van de patrouille en de kompasdrager. Vervolgens de blanke schutters die bestonden uit directeuren en blankofficiers van de plantages uit de divisie; de ‘schutternegers’ die kommandogeweren; de lastdragers en tenslotte de achterpatrouille.

De tocht door de dichtbegroeide bossen en door zwampen en moerassen was zwaar. De wegbereiders staken lange stokken in de grond voor hen om niet in een zg. wolfskuil te stappen. De marrons probeerden hun dorpen te beschermen door diepe kuilen te graven en deze te voorzien van kruislings gestoken bamboestaken waarvan de scherpe punten in het vuur verkoold zijn en daardoor zo hard als ijzer. Toen ze het ‘negerkamp’ hadden bereikt was het geheel met palissaden van bamboe beschermd. Ze werden al snel opgemerkt: “Bakkra dé kom!” en de marrons vluchtten weg door een ondoorwaadbare zwamp. Ergens moest er een verborgen brug van gevlochten bostouw zijn maar die bleef voor de achtervolgers onvindbaar. Onze verteller eindigt zijn verhaal door te stellen dat het doel van de patrouilles niet zozeer het gevangennemen of doden van marrons. “…..maar een neger, die weggeloopen is, is een vijand’ van de kolonie geworden. Het doel was veel meer om de marrons dieper in de bossen te dringen en te voorkomen dat ze zich te dicht in de buurt van de plantages zouden gaan ophouden.

Huygens x

Plantage Jagtlust aan de Suriname rivier. Hendrik Huygens (collectie Rijksmuseum)

Het tweede verhaal gaat over een slaaf die de naam Lakei draagt. Deze slaaf moest met andere slaven zijn ‘meester’ van de plantage aan de Beneden-Commewijne naar Paramaribo roeren. Maar omdat hij te laat is laat de plantage-eigenaar hem 25 zweepslagen geven. Lakei kromp ineen van de pijn en riep: “Genade masra! Mi masra!”. Na deze marteling moest Lakei gewoon in de boot stappen en roeien, alsof er niets was gebeurd. Maar toen midden op de rivier de boot omsloeg zwommen de roeiers naar de kant. Lakei echter hielp zijn ‘meester’ bovenop de omgeslagen boot. Hij zwom naar de kant er redde hem door hem een ‘boschtouw’ aan te reiken. De andere slaven waren niet blij en vroegen zich af waarom Lakei de wrede directeur niet had laten verdrinken. De directeur bleef even ruw en wreed. Zelf een bedankje voor Lakei, zelfs geen extra ‘soopje dram’ kon er van af. Toch liep het verhaal goed af. Op een buitengewone vergadering van het departement in Paramaribo van de Maatschappij krijgt Lakei een zilveren gedenkpenning én de vrijheid. De koloniale autoriteiten hadden bepaald dat Lakei te goed is om de slaaf van een ondankbare meester te zijn.

Parasieten werd in 1854 gepubliceerd in Gelderland Tijdschrift voor Nederlandse Letterkunde (redactie W. van de Poll). In dat jaar verscheen Slaven en Vrijen onder de Nederlandse wet van Wolter Robert baron van Hoëvell (1812-1879), dé belangrijkste aanklacht tegen de slavernij in Suriname in het Nederlandse taalgebied. De discussie over de vraag óf en hoe de slavernij moest worden afgeschaft was één van de belangrijke thema’s in die tijd. Van Herkum is van mening dat het te vroeg is daarvoor. Eerst moet het Christendom hen leren de vrijheid te gebruiken. Toch spreekt hij de hoop uit dat dat moment spoedig zal komen. Maar misschien wil hij door zijn keuze voor deze titel, Parasieten, misschien toch, zij het verbloemd, zijn kritiek op de slavernij laten horen.

Het in rood linnen gebonden exemplaar van de tweede band van Gelderland Tijdschrift voor Letterkunde is met goudopdruk versierd. Het tijdschrift moet behoorlijk zeldzaam zijn. Fysieke exemplaren zijn slechts in een handvol bibliotheken te vinden. Over deze Surinaamsche Schetsen kon ik in de literatuur niets vinden.

Carl Haarnack

 

titelpagina

titelpagina

band Gelderland.jpg

Band

De Vraagbaak. Almanak voor Suriname (1917).

Tags

,

De Vraagbaak. Almanak voor Suriname 1917. Paramaribo: H. van Ommeren, 1917.

Het jaar 1917 zal in de wereldgeschiedenis voor altijd verbonden blijven met de Russische revolutie. Maar wat gebeurde er in 1917 in Suriname? Wie trok daar in politiek opzicht aan de touwtjes, wie gaven er toen les op de Hendriksschool of wie was toen eigenaar van plantage Mary’s Hope in Coronie? De antwoorden op dit soort vragen, en nog veel meer, vinden de in De Vraagbaak, de Almanak voor Suriname van 1917. Almanakken werden als sinds het einde van de 18e eeuw uitgegeven. Bijna elk jaar verscheen er één.

Coronie_preview.jpeg

Coronie rond 1920

Harry Johan Van Ommeren (1876-1923) was opgeleid als landmeter maar voelde zich meer aangetrokken tot de journalistiek en het boekenvak. Zijn grootmoeder, Elisabeth Merselina Petronella van Ommeren, leefde in slavernij en werd in 1827 gemanimutteerd door Johannes Francois Arnoldus van Ommeren. Harry Johan van Ommeren was behalve eigenaar en hoofdredacteur van het Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad ook lid van de Koloniale Staten. En hij was dus ook de uitgever van de Surinaamse Almanak.

Harry van Ommeren

De almanak begint met een uiteenzetting van de ligging, de grenzen en de geschiedenis van Suriname. De bevolking van Suriname is zeer schraal, zo lezen we. Het land telde slechts rond de 101.000 zielen. Interessant is dat vermeld wordt dat de bevolking sterk gemengd is en bestaat uit een klein aantal Europeanen en Creolen. Die laatste groep worden gevormd door afstammelingen van de joodse bevolking (Israelieten) en de afstammelingen ‘van de Europeanen en Israelieten in vereeniging met negers en indianen’. De overige bevolking bestaat uit Brits-Indiërs (22.000), Nederlands-Indiërs (Javanen) (8600), ‘negers’, ‘indianen’ en ‘boschnegers’. Dan volgt een opsomming over de economie, over de wetenschappelijk expedities in het binnenland en een uitgebreide verhandelingen over de districten. In het hoofdstuk over de stad Paramaribo wordt per wijk (A t/m F, en dan nog de twee buitenwijken). Iedere wijk heeft een aantal wijkmeesters. Zo is F.A.J. Spong, in Wijk B, wijkmeester van de Gravenstraat, Soldatenstraat, Klipsteenstraat en Heerenstraat. A.M. Samson (Wijk F) is dat o.a. voor de Zwartenhovenbrugstraat, Drambrandersgracht en Rust & Vredestraat.

Alle plantages die nog in bedrijf zijn worden opgesomd: de naam, de naam in het Sranan (‘Negernaam’), grootte, wat er werd verbouwd, hoeveel, de eigenaar, de beheerder, de beheerder en het aantal arbeiders. Hierdoor weten we dus dat D.N. Boldewijn en H.J. Feller toen eigenaar én beheerder waren van Mary’s Hope. De kans is groot dat als uw (over-) grootouders in 1917 in Paramaribo woonden u ze in deze almanak zult vinden. We vinden er namelijk een uitgebreide adreslijst van inwoners met vermelding van hun beroep en adres.

Groepsfoto Suriname 1909

Foto uit de collectie van het Rijksmuseum uit 1909 met opschrift:  ‘Pa in Suriname, Javanen’ (fotograaf anoniem)

Tevens is er een volledige lijst met alle politie-agenten gerangschikt naar hun nummers. Misschien is het laatste deel, bestaande uit advertenties gedrukt op gekleurd papier, het charmanst. Bij M.E.J. van Coblijn kan men terecht voor bouwmaterialen; Johns Simons levert het beste brood en een nieuwe fiets koopt men bij de 1e Hollandsche rijwielhandel van H. van der Voet in de Watermolenstraat.

Suriname leek in 1917, als we de almanak mogen geloven wel een klein paradijs. Zo weinig mensen in zo’n groot land. Maar een belangrijk deel van de mensen kende grote armoede en leefde onder zeer moeilijke omstandigheden. Met de Vraagbaak van 1917 in de handen krijgen we wel een soort dwarsdoorsnede van de samenleving toen. Daarom zijn deze naslagwerken van grote betekenis voor historici, genealogen en bibliofielen. De almanakken werden doorgaans in Suriname uitgegeven en waren vooral voor binnenlands gebruik. Dit betekende per definitie dat ze in kleine oplagen werden gemaakt. Ze zijn daarom bijzonder zeldzaam en, net als met andere oude boeken geldt, hoe ouder, hoe duurder.

Carl Haarnack

IMG_3934