Uit mijn verleden: bijdrage tot de kennis van Suriname. Willem Boekhoudt (1874). 

Tags

, , ,

“Uit mijn verleden” : bijdrage tot de kennis van Suriname. Willem Boekhoudt.  Winschoten: J.D. van der Veen, 1874.

De Surinaamse geschiedenis is op vele manieren verbonden met de Nederlandse provincie Groningen. Er zijn nogal wat Groningers in de loop der eeuwen naar Suriname vertrokken. Willem Boekhoudt (Groningen 1822- Winschoten 1894) is misschien één van de minder bekende Groningers die Suriname hebben bezocht. Tussen 1845 en 1849 woonde en werkte hij in Suriname in een ‘privaat-betrekking’ bij een aanzienlijke Nederlandse familie, zoals hij zelf schreef. Hij mocht herhaaldelijk als Evangelie-dienaar optreden in de Hervormde Kerk.

IMG_2969

Frontispies uit ‘Uit mijn Verleden’ (1874)

Omdat Boekhoudt, 25 jaar na zijn terugkeer in Nederland, over zijn ‘Surinaamse jaren’ een boekje publiceerde heeft hij zich een plek verworven in de Surinaamse geschiedenis en in de Surinaamse bibliotheek. Dank zij hem kunnen we nu door de ogen van een 22 jarige Groninger kijken naar het Suriname in de nadagen van de slaventijd. We moeten om zijn verhaal te kunnen lezen wel zijn aanvankelijke xenofobie verstouwen (‘De eerste aanblik van den neger boezemde mij afkeer in. Dat domme dierlijke wat het gelaat van den Afrikaan kenmerkt, is waarlijk niet in staat den Europeeër voor hem in te nemen’).

Boekhoudt vertelt ons over de schoonheid van de plantages en de verrukkelijke aanblik van de ‘schoone stad’ waarvan de straten zijn bedekt met schelpzand en die aan weerszijden zijn beplant met ‘citroen- of oranjebomen’. Maar hij is er ook getuige van hoe twee bastiaans op een plantage aan ‘eene jeugdige negerin, opgehangen aan een boom’ zweepslagen toedienen. Boekhoudt dankte de Hemel toen hij weer in de stad was waar zijn oog voor dergelijke ‘schriktooneelen’ gespaard bleef. Het was niet beslist de bedoeling van Boekhoudt om over alle mistanden, waar hij getuige van was, te schrijven. Dat zou in zijn ogen niet eerlijk zijn ten opzichte van de families die hun slaven ‘zachtzinnig’ bejegenen. Maar hij noemt het voorval van de slavin, die op afschuwelijke wijze zweepslagen krijgt, hier toch. Hij bekritiseert direct Wolter Robert baron van Hoëvell die in 1854 in zijn belangrijke boek Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet felle kritiek levert op de behandeling van slaven.

tentboot

Van Boekhoudt leren we dingen die we in archiefstukken doorgaans niet tegenkomen. Zo schrijft hij dat elke voorname familie over tenminste zeven ‘negers’ in de bediening moet beschikken. Enkele families hebben er meer dan twintig in hun huishouden. Het gezin waar hij werkzaam is (helaas weten we nog steeds niet welke familie dit was) had als bedienden twee ‘foetoe-bois’, een ‘naaimeid’, een ‘waschmeid’, een ‘botteleriemeid’, een kokkin, twee ‘palefreniers’ oftewel ‘grasnegers’ (die elke dag met een kano de rivier af gingen om op een andere plantage gras voor de paarden te halen) en een ‘blanken koetsier’.

Boekhoudt is onder de indruk van de ‘onvermoeidheid’ en kracht van de slaven. Hij geeft als voorbeeld dat één van de slaven van plantage Jagtlust van ’s morgens zes uur tot ’s avonds zes uur op het veld werkt. Na zijn werkdag loopt hij, ondanks het verbod van zijn ‘meester’, vier uur om naar een ander plantage te lopen waar zijn meisje woont. Hij moest daarbij door het bos en vaak door het water dat tot aan de knieën rijkt. Omdat hij de volgende ochtend weer vóór zes uur ’s morgens op Jagtlust moest zijn kon hij slechts een paar uurtjes met zijn geliefde doorbrengen. Dergelijke anekdotes maken het boekje van Boekhoudt onderhoudend en interessant.

 

kaartplantagecornelisvriendschap

Gezicht op de plantage Cornelis Vriendschap in Suriname  (collectie Rijksmuseum)

Ook worden er verschillende tochten naar het binnenland ondernomen. Zo gaat Boekhoudt met zijn beschermheer L., commissaris der Inlandsche bevolking, op reis naar de Boven-Cottica om de Aucaners ernstig te onderhouden over hun strooptochten en het feit dat het verboden is om in grote getale naar de stad te komen. De heer Slengarde, assistent van de commissaris, fungeerde als tolk. De tocht bracht hem langs vele plantages en er waren vele interessante ontmoetingen. Voorbij de Barbacoeba-kreek en de Becoe-kreek ontmoetten zij de Posthouder van de ‘Aucaner-Boschnegers’, een Belg die al twintig jaar tussen deze marrons woonde.

Het lijkt alsof hij zijn xenofobie van het moment, toen hij voor het eerst met Afrikaanse slaven werd geconfronteerd, langzaam van zich heeft afgeworpen. In zijn boek neemt hij een lange lijst met odo’s op (‘van welke eenige door mij-zelven uit de mond des negers zijn opgeteekend’) omdat deze het duidelijkst de scherpzinnigheid (‘vernuft’) van ‘den Neger’ verraden. (“Kondre drai, poes-poesi njam sra” (sic) -De wereld draait, de kat eet sla: ’t is de verkeerde wereld). Aan het eind van het boek krijgen we zelfs de preek die Boekhoudt in ‘de Neger-Engelsche taal’ houdt voor de Hervormde gemeente in Paramaribo (op 8 november 1846).

Ik verzamel al meer dan dertig jaar boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Toch ben ik dit boek van Willem Boekhoudt in die hele periode slechts één keer tegen gekomen. We vinden het boek bij een klein aantal universiteitsbibliotheken en bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag maar daar houdt het dan ook direct mee op. De Buku Bibliotheca Surinamica beschikt gelukkig over een fraai exemplaar. Verzamelaars moeten veel geduld en vooral veel geluk hebben om een exemplaar te vinden. Dat is jammer want het is eigenlijk één van de leukste 19e eeuwse reisverslagen die we kennen. Voor degenen die belangstelling hebben om de tekst te lezen is er gelukkig een digitale versie op het net te vinden (www.dbnl.nl).

Carl Haarnack

 

IMG_2968

Dutch Guiana. William Palgrave (1876)

Tags

, , ,

Dutch Guiana. William Gifford Palgrave. London: Macmillan and co., (1876)

Enige tijd geleden was ik in de ‘City of Londen’, het oude financiële hart van Europa. Gelukkig heeft Londen niet alleen op politiek gebied of als financieel centrum maar ook op het gebied van boeken een rijke geschiedenis. De lijst van Suriname-boeken die in Londen het licht zagen is lang. Zo begon in 1843 op 57 Aldersgate Street het uitgevershuis Macmillan. Hier werden o.a. de boeken van Lewis Carroll, Alfred Lord Tennyson, Thomas Hardy en Rudyard Kipling uitgegeven.

William_Gifford_Palgrave_by_Julia_Margaret_Cameron

William Palgrave by Julia Cameron

In 1876 verscheen Dutch Guiana van William Gifford Palgrave (1826–1888). Palgrave was door familiebanden nauw gelieerd aan Macmillan (de uitgever heet tegenwoordig Palgrave Macmillan). Hij ging na zijn opleiding naar India en diende in het 8e Regiment of Foot, Bombay Native Infantry. Daarna bekeerde hij zich tot het Rooms Katholicisme, werd hij tot priester gewijd en trad hij toe tot de orde van Jezuïten. Hij werkte in India, Italië en Syrië.

Palgrave’s  reislust bracht hem ook naar het Caraïbisch gebied. In 1875 bezocht hij, op verzoek van zijn vriend A. Cohen, ondersteund door een uitnodiging van gouverneur C.A. van Sypesteyn, Suriname. Interessant is dat Palgraves vader Sir Francis Palgrave (1788-1861) bij zijn geboorte Francis Ephraim Cohen heette. Het verblijf van William Palgrave in Suriname duurde niet langer dan twee weken. Toch is hij lyrisch over de Nederlandse kolonie. Hij vergelijkt in zijn voorwoord Suriname met het Bijbelse paradijs (‘a very pleasant place’) en noemt het  ‘the Creole paradise’.

Vanuit Georgetown in Guiana reist hij over zee naar Paramaribo. Het klimaat is gezond, schrijft hij. De stad Paramaribo, met zijn hoge huizen, wijde straten, tuinen en pleinen wordt gekenmerkt door levenshouding die Palgrave noemt: ‘Take it easy’. Maar, zo waarschuwt hij, laat u zich niet voor de gek houden. Een stad van slechts 22.000 inwoners die zoveel exporteert kan niet alleen bestaan uit dromers. Suriname is voor hem ‘Holland under another sky’ en Paramaribo is Amsterdam  aan andere wateren. Zijn ontzag voor wat de Nederlanders allemaal voor elkaar hebben gekregen is groot. De brandende vraag is dan hoe het zit met de creoolse bevolking in Suriname. Ondanks de ‘evils and degradation inseparable from slavery’ zijn de voormalige slaven er in geslaagd vliegensvlug in harmonie te emanciperen. In geen enkele West-Indische kolonie is er een parallel te vinden, volgens Palgrave.

1876_map_of_suriname

Kaart van Suriname uit het boek van Palgrave

Ook wordt er een reis gemaakt naar de Commewijne. Palgrave schrijft over plantage Voorburg. Naast 200 ‘creoles’ werken er 90 Hindostanen (‘coolies’) en 181 Chinezen. De eerder genoemde Cohen (‘her Majesty’s Consul’) coördineert de arbeid en betaling van de immigranten uit India. Zij krijgen hetzelfde betaald als hun ‘collega’s’ in Demerara. Ze krijgen goede medische zorg en zijn hier in Suriname volgens Palgrave beter beschermd dan in welke Engelse kolonie dan ook. De Chinezen wonen in een aparte sectie. Hun huizen zijn identiek aan die van de Hindostanen. Ze planten vooral kruiden en groeten. Ze zijn dol op varkens. De Creolen daarentegen verbouwen vooral aardvruchten, mango, bananen en bonen.

tropenmuseum_royal_tropical_institute_objectnumber_60006282_directeurswoning_op_plantage_voorburg

Directeurswoning op plantage Voorburg. Foto: Augusta Curiël (collectie Tropenmuseum)

Het is indrukwekkend wat Palgrave allemaal over Suriname weet te vertellen. Hij heeft er beslist niet stilgezeten. Om de lezer te informeren heeft hij de geschiedenisboeken goed bestudeerd. Ook trekt hij steeds vergelijkingen met de Engelse koloniën. Aan de marrons (‘bush negroes’) wijdt hij een heel hoofdstuk waarbij hij veel historische details vermeldt. Suriname verdient volgens de auteur een mooie toekomst. Onverschilligheid en onbekendheid met het land in Europa zijn grote obstakels. Hij eindigt zijn boek met hetzelfde enthousiasme waarmee hij begon:

Palgrave: ‘Ik heb nooit een aangenamer volk ontmoet dan ik daar aantrof, nergens heb ik mijn uren op een prettigere manier dan daar doorgebracht’.

Carl Haarnack

Na veertig jaren. Door C.P. Rier (1904)

Tags

, , ,

Na veertig jaren: voorlezing gehouden op den 41sten emancipatie-jaardag van de kolonie Suriname. Door C.P. Rier. Paramaribo, 1904.

Rier photho

Carel Paulus Rier is bijna door iedereen vergeten. Bijna niemand kent hem nog maar hij is één van de eerste voorvechters van de emancipatie van de zwarte bevolking van Suriname. Hij verdient een plek in de Surinaamse geschiedschrijving.

Rier werd op 3 januari 1863 in Paramaribo geboren. Zijn vader van Jannie Paulus Rier (ca. 1824-1898) was als timmerman (in slavernij) werkzaam op de plantage Killenstein. Zijn moeder was Elisabeth Helena van Daalen, geboren in 1838. Zij was een huisbediende (slavin) van Nicolaas Box (1785-1864), koopman en administrateur van o.a. de plantages Moed en Kommer en Adrichem. Zij werd in december 1862 gemanimuteerd.

In 1888 ging Rier naar Demerara waar hij als plantage-opzichter aan de slag ging. Daar trad hij ook toe tot de American National Baptist Convention. Riers ouders waren beide EBG-ers. Maar Carel Rier volgde in 1890 samen met Cornelis Blijd een bijbelcursus bij Bromet, de oprichter van de Vrije Evangelisatie Gemeente. Zeer tot ongenoegen van zijn vader die hem onterfde. In 1898 stichtte Rier, samen met o.a. Cornelis Blijd, de gebroeders Braaf en Byron zijn Surinaamse Evangelisatie die hij ook Surinaamse Baptistenkerk noemde. Riers kerk was eerst gevestigd in de Weidestraat maar later verhuisde hij naar de Steenbakkerijstraat.

Stad Steenbakkerijstraat (Klein)

Op 1 juli 1904 hield Carel Paulies Rier (1863-1917) ter gelegenheid van de viering van ‘Emancipatiejaardag’ een lezing in de Loge Concordia in Paramaribo. De tekst van zijn voordracht werd, zo schrijft Rier in zijn inleiding, op veler verzoek én om het aan de vergetelheid te ontrukken, in boekvorm uitgegeven. Rier, die zichzelf omschrijft als ‘nakroost’ van de geëmancipeerde slaven, wilde in zijn publicatie een ‘ernstige blik werpen op het verleden, het heden en de toekomst’ om daarmee een bijdrage te leveren aan het welzijn van Land, Volk en Kroon.

De grote verdienste van Rier was dat hij een grote stimulans gaf aan de 1 juli viering. Niet langer was het een feest dat uitsluitend binnen de kerk gevierd werd maar ook in brede kringen in de samenleving. In zijn rede stond hij kritisch tegenover de Herrnhutters omdat hij de Duitse taal als een obstakel beschouwde. Hij was een groot voorstander van het bevorderen van het Nederlands als schooltaal en cultuurtaal onder wat hij de ‘negerbevolking’ noemde. Tegelijkertijd is hij juist een vurig pleitbezorger van het gebruik van het Sranan Tongo in de kerk. Juist om die bevolkingsgroep te bereiken. Zo vertaalde hij de liederen uit de bundel van Bromet (die de Engelse Sankey-liederen in het Nederlands vertaald had) en vele bijbelteksten in het Sranan Tongo. Carel Rier was één van de eerste Afro-Surinaamse nationalisten die de verheffing van Creoolse bevolkingsgroep nastreefde. Dit stond voor Rier een groot respect en ontzag voor Nederland en het koningshuis niet in de weg. Hij past moeiteloos in de traditie van Otto Huiswoud, Anton de Kom, A. Koenders, Johanna Schouten-Elsenhout, Dobru en Edgar Cairo.

Rier cover

Dit bibliofiele pareltje is ook vanwege de prachtige foto’s waardevol. Allereerst vinden we er een prachtige foto van Carel Rier (zie boven). Bijzonder is ook een foto van de Commissie van de 40 jarige Emancipatiefeestviering in 1904 en die van een groep kinderen die feestelijk zijn getooid voor de Keti-Koti viering (en, werkelijk waar, een foto van koning Willem III).

Het exemplaar in de collectie Buku Bibliotheca Surinamica is voorzien van een bijzondere, handgeschreven opdracht: “Van de Baptist Kerk ‘de Surin. Evangelisatie’ aan onzen Landvoogd A.W.F. Idenburg ten geschenke. Met hoogachting. Uw dienaar C.P. Rier. Paramaribo, 20 jan. 1906”. Idenburg was in september 1905 benoemd tot gouverneur van Suriname. In bibliotheken vinden we slechts één exemplaar van het boekje van Rier. Daarmee kunnen we het gerust als bijzonder zeldzaam kwalificeren.

Carl Haarnack

 

Histoire Générale des Voyages. Abbé Prévost (1774)

Tags

, , , ,

Histoire Générale des Voyages […] (Antoine F. Prévost). Tome 21. Amsterdam: E. van Harrevelt en D.J. Changuion, 1774.

avt_abbe-prevost_9305

Abbé Prevost (1697 – 1763)

De achttiende eeuw was in Europa vooral de eeuw van de Verlichting. Filosofen en wetenschappers begonnen kennis in encyclopedieën vast te leggen, de hele wereld in kaart te brengen en te beschrijven.  Eén van de grote 18e eeuwse schrijvers die behalve romans óók belangrijke historische werken schreef was Antoine François Prévost d’Exiles (1697-1763) ook wel kortweg Abbé Prévost genoemd. Hij werd geboren in Artois een streek in Noord-Frankrijk die nu grenst aan Vlaanderen. In 1731 publiceerde hij L’Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut (Manon Lescaut). Deze roman was controversieel en werd direct verboden in Frankrijk. Ondanks dat werd het zeer populair en verschenen er vele drukken en vertalingen. Maar wij zijn hier vooral geïnteresseerd in wat Prévost nu met Suriname verbindt. Tussen 1746-1759 publiceerde hij zijn omvangrijke werk Histoire générale des Voyages dat maar liefst vijftien dikke banden besloeg. Na zijn dood bleven er, dankzij andere auteurs, nieuwe edities van dit standaardwerk verschijnen.

Vue de Paramaribo

Gezicht op Paramaribo (18e eeuw)

In de Buku Bibliotheca Surinamica collectie bevindt zich een band (nummer 21) uit de editie van 1774 die bij Hartevelt in Amsterdam verscheen. In deze band staan de reizen, ontdekkingen en Europese nederzettingen in Amerika centraal. Het begint met een verhandeling over de reizen op de rivier de Orinoco en l’Amerique Méridionale waartoe Brazilië, Uruguay, Argentinië, Chili, Bolivia en Peru werden gerekend. De reizen van Sir Walter Raleigh naar de Guyana’s worden uitvoerig besproken maar ook de ‘ontdekkingsreis’ van Laurent Keymis ontbreekt niet. Vervolgens wordt ingezoomd op Frans-Guyana. Het gedeelte over ‘Guiane Hollandoise’ (Nederlands Guyana) omvat de koloniën Essequibo, Demerary, Berbice en Suriname. Van alle belangrijke rivieren bevat het boek prachtige gegraveerde kaarten. Zo vinden we er kaarten, van de hand van A. van Krevelt, van de Corantijn, de Coppename en Saramacca en de Marowijne die uitvoering worden beschreven. Maar de belangrijkste kaart is misschien wel de ‘Carte de Colonie de Surinam’ waarin het gebied tussen de Surinamerivier, Commewijne en Cottica wordt weergegeven. We zien op de kaart bijvoorbeeld het Pad van Wanica, een kerkje aan de Cottica en de ‘Crique Warap’ (Warrappakreek). De plattegrond van Paramaribo zal kenners bekend voorkomen omdat Stedman in zijn Narrative (1796) een bijna identieke afbeelding laat zien. Behalve Fort Zeelandia zien we bijvoorbeeld de Lutherse Kerk, de Portugees-Joodse Synagoge én de ‘Sinagogue des Juifs Allemans’ en de Weeskamer.

krevelt map

De beschrijving van Suriname is uitvoerig. Eerst natuurlijk de economie. Zo lezen we dat suiker is het belangrijkste product van de kolonie Suriname is. Deze brengt 10% meer op dan de suiker uit Barbados. Maar ook cacao, katoen, gom, tabak en hout vormen belangrijke producten. Alleen de West-Indische Compagnie heeft het recht om slaven naar Suriname te vervoeren. Zij is verplicht deze publiekelijk twee-aan-twee te verkopen zodat een ieder kans maakt om een slaaf te bemachtigen. Gelijke kansen voor iedereen is, ook hier, relatief. Het hoofdstuk over de insecten en planten lijkt grotendeels geïnspireerd te zijn door Maria Sybilla Merian (die Prévost ook noemt): Annanas, Zuurzak, Katoen, Jasmijn, Kers, Banaan, Cashew, Meloen en vele andere vruchten worden in combinatie met ‘hun’ vlinders en rupsen beschreven. Dan volgen nog de padden, slangen en ratten. Ook krijgen we een uitgebreide verhandeling over de geschiedenis en politiek in Suriname. Dat begint bij ‘Corneille van Aerssens, Seigneur de Sommeldijk’ in 1683. De inval van Jaques Cassard wordt ook gedetailleerd beschreven; net als strijd van planters tegen het bewind van gouverneur Mauricius en de strijd tegen en vredesonderhandelingen met de marrons. Verschillende marronleiders worden genoemd zoals bijvoorbeeld Abou, Arabi en Atta. Opmerkelijk is de actualiteit van deze 1774 editie: de komst van de troepen uit Europa onder leiding van ‘Le Major Fourgeoud’ die de steeds succesvollere aanvallen van marrons moeten bestrijden. Onder hen bevindt zich John Gabriël Stedman (1744-1797) die gedurende zijn vijf jarig verblijf in Suriname een dagboek bijhield. Na terugkeer in Europa zou hij in 1796 het belangrijkste ooggetuigenverslag over het 18e eeuwse Suriname schrijven.

Prevost-titre

 

Wie een complete set van Histoire générale des voyages (groot formaat) wil bezitten kan daar zo eur10.000,- kwijt aan zijn. Maar als u genoegen neemt met deze ene band waarbij u, behalve Suriname, ook heel Zuid- en Noord-Amerika op de koop toe bij krijgt, kunt u soms bij een antiquaar voor circa eur500,- geluk hebben. Maar vaak zetten die de schaar in dit prachtige boek omdat de losse illustraties en kaarten veel meer opbrengen. Voor de echte bibliofiel is dit natuurlijk een doodzonde.

Carl Haarnack

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Buku Bibliotheca Surinamica of de kunst van het verzamelen

Tags

,

RP-T-1994-281-10

Gezicht op Port Victoria gelegen aan de Suriname rivier (detail) door Jacob Marius Adriaan Martini van Geffen, 1850. Collectie Rijksmuseum

Een pak papier

Rond 1977, ik was vijftien jaar oud, begon ik met het speuren naar mijn familiegeschiedenis. Zo wilde ik bijvoorbeeld achterhalen of het klopte dat wij, zoals mijn vader  beweerd had, vroeger Von Haarnack heetten. De claims van mijn vader konden direct naar het rijk der fabelen verwezen worden. Mijn vader wist eigenlijk nauwelijks iets van zijn eigen geschiedenis. Hij was geboren in Batavia (Jakarta) in 1937, toen Nederlands-Indië nog een Nederlandse kolonie was. Pas toen er een pak oude documenten ontdekt was, die zijn vader zorgvuldig bewaard had, wisten we waar de zoektocht in Duitsland moest beginnen. In 1877 had Andreas Harnack zijn geboortedorp Welsleben verlaten (net onder Maagdenburg in Saksen-Anhalt) om zich als soldaat bij de groep van bijna 10.000 Duitsers te voegen, die in de tweede helft van de 19e eeuw naar Nederlands-Indië vertrokken. Dankzij dat oude pak papier, die oude familiedocumenten en de speurtocht in oude kerkboeken in Duitsland, kon ik iets van mijn familiegeschiedenis blootleggen. Zouden die niet bewaard zijn gebleven dan zou ik het misschien nog steeds hebben moeten doen met romantische verhalen over adellijke wortels, ridders en edelmannen. Nu weet ik dat mijn voorouders langs vaderlijke lijn keuterboertjes waren, schoenlappers en veldarbeiders.

welsleben_kerk

Kerk in Welsleben, bakermat van het geslacht Haarnack

Geschiedenis

Bovenstaande leert dat, als je echt in de geschiedenis geïnteresseerd bent, je je niet moet laten leiden door onbetrouwbare bronnen. Zelfs niet als het je eigen vader betreft. Die nieuwsgierigheid naar ‘geschiedenis’ is voor mij altijd een belangrijke motivatie geweest om boeken te verzamelen. De boeken, of zoals een collega-verzamelaar het zegt ‘historisch waardevol oud papier’, zijn natuurlijk bij uitstek ‘dragers van informatie’. Dé geschiedenis bestaat natuurlijk niet. Sommigen mensen roepen dat ze de geschiedenis gaan herschrijven. Dat is natuurlijk onmogelijk. Er bestaan alleen maar representaties van geschiedenis. Mijn verzameling bestaat grotendeels uit 17e, 18e en 19e -eeuwse boeken over Suriname die tezamen behoren tot wat ik de Surinaamse bibliotheek noem. Deze collectie heb ik Buku – Bibliotheca Surinamica genoemd.

2. Boek_BUKU

Een detail opname van de Buku Bibliotheca Surinamica collectie

De historische waarde van deze verzameling zit ‘m vooral in de diversiteit van de bronnen. Alleen door kennis te nemen van veel verschillende bronnen kan er een genuanceerd beeld ontstaan van de soms bizarre en altijd complexe geschiedenis van Suriname. Zou iemand zich alleen maar beperken tot wat Nederlandse boeken over deze geschiedenis te zeggen hebben, dan bestaat het gevaar een eenzijdig verhaal te lezen. Zo schreef de latere gouverneur van Suriname Mr. E.L. Baron van Heeckeren.[i] in 1828 dat ‘Nederland altijd de palm boven de andere volkeren heeft gedragen’. Dat was in reactie op het verschijnen van het boek Outalissi, Tales of Dutch Guiana, dat in 1826 verscheen. Hierin beschreef de Engelse rechter aan het Gemengde Gerechtshof in Paramaribo, Christopher Edward Lefroy (‘de Multatuli van Suriname’)  de afschuwelijke behandeling van slaven in Suriname en bekritiseerde hij de lakse houding van het koloniale bestuur.

IMG-3488

Outalissi, A Tale of Dutch Guiana (1826)

 

Een collectie bouwen

Natuurlijk kan iedereen een berg boeken in één ruimte samen brengen maar de echte waarde ontstaat wanneer de boeken deel gaan uitmaken van een thematisch en systematisch opgebouwde collectie. Hoe krijgt een collectie dood oud papier een ziel en hoe kan een verzamelaar, door steeds aan zijn verzameling te schaven, iets zeggen over de geschiedenis of over de werkelijkheid? Dat is waar het uiteindelijk om gaat. Mijn ‘Surinaamse bibliotheek’ is vooral een weerspiegeling van een eeuwenlange Europese koloniale geschiedenis. Het belangrijkste doel van de Buku Bibliotheca Surinamica-collectie is om die omvangrijke maar lang verwaarloosde geschiedenis te helpen documenteren.

Het is een mythe dat er over Suriname weinig boeken zijn geschreven. De Suriname-collectie van de Universiteit van Amsterdam telt bijvoorbeeld al een kleine 8000 catalogusnummers. Suriname was in de 18e eeuw een belangrijke kolonie die  meer dan 500 plantages telde . In de bloeiperiode van de kolonie werkten er meer dan 60.000 slaven aan de enorme productie van suiker, koffie, katoen en cacao. Onder de rijke elite in de kolonie, bestaande uit eigenaren van plantages, administrateurs, hoge ambtenaren, artsen en de rechterlijke macht, was het boekenbezit aanzienlijk.[ii]

IMG-3489

De meeste beginnende verzamelaars ontbreekt het doorgaans aan overzicht van wat er allemaal gedrukt is. Bibliografieën en oude catalogi van bibliotheken of handelaren kunnen daarbij helpen. Het is goed te beseffen dat zo’n catalogus natuurlijk altijd maar een momentopname is. Zo geeft de Catalogus der Surinaamsche Koloniale Bibliotheek, in 1862 verschenen bij Martinus Nijhoff in Den Haag, een overzicht van welke boeken er op dat moment in Paramaribo te vinden waren. Zo vinden we daar een vermelding van een Zonderlinge briev, van een voornaem heer aen een zyner vrienden, geschreven uit Surinaemen, waer in zeer naukeurig geantwoord word, op alle bezondere vraegen aen hem uit het vaderland gedaen, nopens de uit-reize en ’t climaet van die colonie […] Deze publicatie verscheen in 1767 bij Johannes de Cros, ‘boekverkoper in ’t Noord-einde’. In dit slechts 30 pagina’s tellende boekje vinden we bijvoorbeeld informatie over het leven in de kolonie, opgetekend door een ooggetuige. Zo lezen we iets over de huizen van de rijke planters, maar ook over de ‘huisjes’ waar de slaven waren gehuisvest, over de winkels, over de prijzen van goederen of wie er beschikte over een rijtuig. Ook geeft de auteur aanwijzingen waar men op moet letten als men een huisslaaf wil aanschaffen (‘een Negerin die wel Wasschen en Stryken kan, of wel Linnen naayen is van f 6 á f 700, waardig’).

Emancipatie van de slaven

Eén van de belangrijke zwaartepunten van de Buku-bibliotheek is die van de emancipatie van de slavenbevolking. De afschaffing van de slavernij vond in 1863 plaats, maar daar ging een lang proces aan vooraf. Vanaf het eerste begin van de kolonie, toen er op grote schaal tot slaaf gemaakte Afrikanen op de plantages werden ingezet, was er sprake van verzet. Afrikaanse slaven liepen regelmatig weg van de plantages. Dat kwam door de barbaarse behandeling: zware fysieke arbeid, slechte voeding maar vooral de wrede en onmenselijke straffen die hen ten deel vielen. Er zijn tal van auteurs geweest die al in de 17e eeuw bijzonder kritisch waren over de behandeling van de slavenbevolking. Eén van de vroegste titels in de Surinaamse Bibliotheek is: An impartial description of Surinam upon the continent of Guiana in America.[iii] De auteur, George Warren, een Engelsman, bezocht Suriname toen de kolonie nog in handen van de Engelsen was. In het jaar waarin de Vrede van Breda werd gesloten en Suriname geruild werd tegen New York verscheen zijn boek. Warren beschrijft de onmenselijke omstandigheden waaronder de slaven moeten leven:

‘De slaven worden als honden verkocht. Ze moeten de hele week werken tot zaterdagmiddag. Dan mogen ze op hun kostgrondjes werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Eén of twee keer per jaar krijgen ze wat geroosterd vlees als een koe of paard is doodgegaan. Of misschien een stuk verrotte vis. Zo’n miserabel leven drijft sommige slaven ertoe te ontsnappen om hun vrijheid te zoeken. En als ze gevaar lopen te worden gevonden slaan zij soms de hand aan zichzelf. Want als ze weer in de macht van hun meesters komen worden ze aan verschrikkelijke martelingen blootgesteld als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen.’(vertaling ch).

warren titelblad

Over George Warren weten we heel weinig. Maar met zijn boek behoort hij tot de eersten in een lange lijst van auteurs die forse kritiek hebben geuit op de behandeling van slaven en daarmee een stap richting emancipatie gezet.

Een in Suriname gedrukt papieren boekje dat de geseling van de weersomstandigheden en andere gevaren al meer dan 150 jaar overleeft is een extreem zeldzaam ABC-boekje in het Sranan Tongo: ‘Pikin Spelle en leri-beokoe vo da evangelische broedergemeente (sic!). Paramaribo, 1849. Het was een leerboekje voor het onderwijs aan de slaven door de zendelingen van de Evangelische Broeder Gemeente (EBG) die ook wel Hernhutters of Moravische Broeders genoemd worden. Deze kwamen in 1735 naar Suriname om het christendom onder de ‘heidenen’, indianen, marrons en slaven, te verspreiden. In 1844 kwamen er scholen voor slaven, (die voor die tijd geen onderwijs mochten volgen), en de voertaal op die scholen was Sranan Tongo. Het boekje kwam voor het eerst uit in 1832 maar daar is, voor zover ik kan nagaan, geen enkel exemplaar van bewaard gebleven. Van de editie uit 1849 is slechts één exemplaar bewaard gebleven en dat bevindt zich nu in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie. Het telt slechts 40 pagina’s.

leri_boekoe2

Pikin Spelle en leri-beokoe vo da evangelische broedel-gemeente (sic!). Paramaribo, 1849.

 

Passie

Om een bibliotheek te bouwen zijn intellectuele nieuwsgierigheid en een zekere passie onontbeerlijk. Een gedreven verzamelaar laat geen moment onbenut om te achterhalen of er op veilingen iets uit zijn interessegebied aan bod komt . Ook moeten de nieuwe aanwinsten van alle antiquaren, groot en klein, in binnen- en buitenland, goed in de gaten worden gehouden. Maar één van de belangrijkste eigenschappen waar een gedreven verzamelaar niet zonder kan is een gezonde dosis eigenwijsheid. Toen ik een jaar of vijftien oud was en ik op zoek ging naar informatie over Suriname, vertelde een bibliothecaresse van de Openbare Bibliotheek in Amsterdam-West dat er over Suriname geen boeken bestonden. Zij wist natuurlijk niet beter. Het is daarom verstandig niet te veel op kennis van anderen te vertrouwen. Zoek zelf op alle mogelijke manieren naar kennis en informatie en raadpleeg een grote verscheidenheid aan boeken. Iedere verzamelaar dient uiteindelijk dé specialist te worden op zijn eigen terrein. De Buku Bibliotheca Surinamica-verzameling bestaat nu uit honderden boeken en documenten uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw, kleine papieren boekjes maar ook uitbundige, in kalfsleer of perkament gebonden exemplaren voorzien van gouden versierselen. En dat alles als gevolg van de behoefte om die Surinaamse geschiedenis een beetje te proberen te begrijpen.

Carl Haarnack

 

(dit essay verscheen eerder in ‘We Love Books, Boekenliefhebbers in Woord en Beeld’. Johanna Kessler. Leeuwarden: Uitgeverij Wijdemeer, 2018).

 

[i] Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1828. Departement Paramaribo der Maatschappij Tot Nut van ‘t Algemeen, z.p. 1827

[ii] Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Deel 3. p. 171 Uitgeverij Okopipi, Paramaribo 2002.

[iii] London: Printed by William Godbid for Nathaniel Brooke at the Angel in Gresham-College, in the second yard from Bishopsgate-street (1667).

Slaven en ex-slaven aan het woord

Tags

, , ,

Slaven en ex-slaven aan het woord; een ander geluid

Teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw over slavernij en het leven in de koloniën zijn over het algemeen geschreven door blanke Europeanen. Het merendeel van deze ‘koloniale literatuur’ volstaat ermee ‘de Ander’ of de slaaf weer te geven in racistische stereotypen. Ondanks deze blanke overheersing in de letteren zijn er wel degelijk voorbeelden van geschriften waarin slaven of ex-slaven aan het woord komen. Enkele voormalige slaven uit de Engelse koloniën die de pen ter hand hebben genomen zijn zelfs beroemd geworden, zoals Olaudah Equiano, Phillis Wheatley en Frederick Douglass.

Phyllis Wheatley

Phillis Wheatley (1753 – 1784) dichteres. Titelgravure in Poems on Various Subjects, Religious and Moral (London, 1773)

Recentelijk is in het slavernij-onderzoek meer belangstelling ontstaan voor het perspectief van de ‘ander’, mensen die slavernij aan den lijve ondervonden hebben. Want, zoals de naar Canada gevluchte Amerikaanse slaaf John Little zei:

‘Tisn’t he who has stood and looked on, that can tell you what slavery is – ’tis he who has endured.’[1]

De dagelijkse praktijk van de slavernij kan het beste worden beschreven door degene die haar aan den lijve heeft ervaren. In de Verenigde Staten zijn de afgelopen decennia honderden ‘slave narratives’ gepubliceerd. The Library of Congress is in 1936 begonnen met het vastleggen van interviews met voormalige slaven. In dit ‘Federal Writers’ Project’ werden binnen twee jaar meer dan 2300 verslagen vastgelegd van mensen die de slavernij in de Verenigde Staten nog hadden meegemaakt. De ‘oral history’ van een verdwijnende generatie werd op de valreep geregistreerd.

Equiano (2)

Olaudah Equaino (1745-1797). Titelprent in The Interesting Narrative of the life of Olaudah Equiano, or Gustavas Vassa, the African (London, 1789)

 

Noord-Amerika: de eerste zwarte stemmen

Het oudst bekende gedicht van Afro-Amerikaanse origine is van Lucy Terry Prince (ca. 1730-1821) en dateert van 1746. Lucy Terry werd als kind gestolen in Afrika en verkocht aan een plantagehouder in Massachusetts. Later werd ze vrijgekocht door een vrije zwarte man die met haar trouwde. In haar jeugd werd het dorp in Massachusets waar ze woonde overvallen door Indianen, wat aan verscheidene inwoners het leven kostte. Ze schreef over die gebeurtenis het gedicht ‘Bars Fight’, dat mondeling werd overgeleverd en pas in 1855 in druk zou verschijnen.

Jupiter Hammon (1711-1806) wordt beschouwd als de eerste zwarte schrijver in de Verenigde Staten. In 1761 werd zijn gedicht ‘An Evening Thought: Salvation by Christ with Penitential Cries’ gepubliceerd – het eerste werk van een zwarte auteur dat in Noord-Amerika werd gedrukt. Naderhand verschenen van zijn hand meer christelijke gedichten en preken. Hammon was voorstander van een geleidelijke afschaffing van de slavernij. Hij was de overtuiging toegedaan dat zwarte slaven aanspraak konden maken op een plaats in de hemel, omdat ze op aarde al zo veel hadden geleden.

Bekender dan Terry en Hammon is de dichteres Phillis Wheatley (1753-1784), die in 1773 de bundel Poems on Various Subjects publiceerde. Wheatley was geboren in Senegal, gevangen genomen en op zevenjarige leeftijd als slavin verkocht aan een rijke koopman in Boston. Zij was de eerste Afro-Amerikaanse vrouw die een boek publiceerde en daarmee bekendheid verwierf in binnen- en buitenland. In 1775 schreef ze het gedicht ‘To His Excellency, George Washington’, opgedragen aan de zojuist benoemde bevelhebber van de Amerikaanse opstandelingen, die in 1789 de eerste president van de Verenigde Staten zou worden. Phillis Wheatley werd in 1776 door Washington bij hem thuis uitgenodigd als dank voor het gedicht.

Omdat blanke kolonisten betwijfelden of een Afrikaanse slavin zulke goede poëzie kon schrijven, moest ze zich in 1772 voor een rechtbank verdedigen. Het literaire tribunaal achtte bewezen dat zij inderdaad de auteur was van de gedichten die op haar naam stonden. In 1773 vergezelde zij de zoon van haar meester John Wheatley naar Londen, waar ze werd gefêteerd in het gezelschapsleven en waar haar dichtbundel werd gepubliceerd. In 1778, na de dood van haar meester, verkreeg Phillis Wheatley haar manumissie en was voortaan een vrije vrouw. Drie maanden later trouwde ze met een eveneens vrije zwarte man, die een winkel dreef. Het echtpaar verloor twee kinderen en raakte tot overmaat van ramp in financiële moeilijkheden. Phillis Wheatley overleed in 1784 op 31-jarige leeftijd in armoedige omstandigheden.

Engeland: ‘Black Britons’

De meest fameuze schrijvende (ex-)slaaf is Olaudah Equiano, die rond 1745 werd geboren in het huidige Nigeria.[2] Op elfjarige leeftijd werd hij gevangen genomen en aan Europese slavenhandelaren verkocht. Via Barbados kwam hij terecht in de toenmalige Britse kolonie Virginia in Noord-Amerika. In 1754 werd hij verkocht aan een kapitein bij de Britse marine, die hem voorzag van de fantasienaam ‘Gustavus Vassa’, naar de gelijknamige Zweedse koning uit de zestiende eeuw. Equiano bekeerde zich op aandringen van zijn meester tot het christendom en leerde lezen en schrijven. Uiteindelijk werd hij verkocht aan Robert King, een koopman uit Philadelphia die tot de Quakers behoorde. King bood Equiano in 1765 de mogelijkheid om voor £ 40 zijn vrijheid te kopen. Equiano vertrok rond 1770 als vrij man naar Londen en raakte daar bevriend met leden van de beginnende abolitionistische beweging.

Equiano (2)

Olaudah Equaino (1745-1797). Titelprent in The Interesting Narrative of the life of Olaudah Equiano, or Gustavas Vassa, the African (London, 1789).

In het begin van de jaren tachtig voorzag hij abolitionisten zoals Granville Sharp van informatie over de slavenhandel. De drijvende krachten van de beweging tegen slavernij en slavenhandel moedigden hem aan zijn levensverhaal op papier te zetten. Met financiële steun van rijke abolitionisten verscheen in 1789 The Interesting Narrative of the Life of Olaudah Equiano, or Gustavus Vassa, the African. Er volgde verschillende drukken en vertalingen. Reeds in 1790 verscheen een Nederlandse editie bij uitgever P. Holsteyn in Amsterdam: Merkwaardige levensgevallen van Olaudah Equiano of Gustavus Vassa, den Afrikaan. Door hem zelven beschreeven.

Equiano’s levensverhaal is één van de invloedrijkste ‘slave narratives’. Zijn levendige beschrijvingen van de wreedheid jegens slaven in het Caribisch gebied en Virginia leidden tot verontwaardiging en protesten tegen de slavernij. Hij gaf lezingen in Engeland, Schotland en Ierland. Naar verluidt was Equiano’s relaas ook van invloed op de totstandkoming van de ‘Act for the Abolition of the Slave Trade’ (1807), die de slavenhandel verbood.

sancho

Ignatius Sanco (1729-1780). Titelprent in The Letters of the late Ignatius Sancho, an African (London, 1784)

Ignatius Sancho (± 1729-1780) maakte in Engeland deel uit van de culturele elite van zijn tijd. Hij was niet alleen schrijver, maar ook componist en acteur. Hij was onder meer bevriend met Laurence Sterne, die in een ander artikel in deze Boekenwereld aan de orde komt. Mede dankzij zijn briefwisseling met de beroemde auteur van Tristram Shandy stond Sancho in literaire kringen te boek als de ‘African man of Letters’. Evenals Equiano was hij betrokken bij de abolitionistische beweging in Engeland.

Sancho was geboren aan boord van een slavenschip. Na de dood van zijn moeder en de zelfmoord van zijn vader werd hij op tweejarige leeftijd naar Engeland gebracht. Hij kwam later als bediende terecht in de huishouding van de hertog van Montagu en deze bevoorrechte omgeving stelde hem in staat onderwijs te volgen. Toen de hertogin in 1751 overleed, ontving Sancho een erfenis van £ 70 en een jaarlijkse toelage van £ 30. In 1774 begon hij een kruidenierswinkel in Mayfair in Londen, die een trefpunt werd voor zijn literaire, kunstzinnige en abolitionistische vrienden.

Hij publiceerde een Theory of Music en twee toneelstukken, correspondeerde met de kopstukken van zijn tijd en schreef ingezonden stukken in de kranten. Voor zover bekend is hij de eerste zwarte Engelsman die in parlementsverkiezingen zijn stem uitbracht. In 1782, twee jaar na zijn dood, verscheen een bundeling van 160 van zijn brieven onder de titel The Letters of the Late Ignatius Sancho, an African.

Life-of-James-Albert-Ukawsaw-Gronniosaw

A Narrative of the Most remarkable Particulars in the Life of James Albert Ukawsaw Gronniosaw, an African Prince, As related by himself  (Bath, 1772)

Een andere schrijvende zwarte Engelsman bezocht Nederland halverwege de achttiende eeuw. Ukawsaw Gronniosaw, ook bekend als James Albert, was rond 1705 geboren in het noordoosten van het huidige Nigeria. Naar eigen zeggen was hij de kleinzoon van de koning van Zaara. Op vijftienjarige leeftijd werd hij verkocht aan een Nederlandse scheepskapitein, die hem doorverkocht aan een Amerikaan in Barbados. Deze verkocht hem op zijn beurt aan een dominee in New York. Na diens overlijden raakte Gronniosaw op drift als kok op een kaperschip en soldaat in het Engelse leger. Hij diende op verschillende plaatsen in het Caribisch gebied, maar kreeg genoeg van het soldatenleven en besloot naar Engeland te vertrekken.

Daar publiceerde hij in 1772 zijn Narrative of the Most remarkable Particulars in the Life of James Albert Ukawsaw Gronniosaw, an African Prince. Uit de avontuurlijke autobiografie blijkt dat Gronniosaw rond 1750 enige tijd in Amsterdam heeft gewoond. Hij werkte daar als butler bij een rijke koopman, die hem meer als een vriend dan als een bediende behandelde. De familie probeerde Gronniosaw over te halen langer in Amsterdam te blijven, maar het verlangen naar zijn geliefde in Londen was te sterk.

Suriname: brieven van (ex-)slaven

Ook voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis geldt dat de meeste schriftelijke bronnen afkomstig zijn van de blanke koloniale elite. Wel vinden we in verslagen van de Evangelische Broedergemeente regelmatig beschrijvingen van individuele slaven of bosnegers.[3] Er zijn echter weinig verhalen bekend van slaven of voormalige slaven die zelf de pen ter hand hebben genomen. De eerste echte aanklacht tegen slavernij door een Afro-Surinamer is Wij Slaven van Suriname van Anton de Kom (1898-1945). Dit boek werd in 1934 in Nederland uitgegeven, meer dan zeventig jaar na de afschaffing van de slavernij. De Kom was weliswaar een nazaat van slaven, maar had de slavernij niet meer aan den lijve ervaren.

cover_wij_slaven_van_suriname_1edruk

Anton de Kom, Wij slaven van Suriname. Eerste druk (Amsterdam, 1934)

Pas de afgelopen jaren komen dankzij wetenschappelijk onderzoek bronnen aan het licht die zijn geschreven door (ex-)slaven. Een van hen is Boston Band, die rond 1750 vanuit Jamaica naar Suriname kwam en daar in 1766 overleed.[4] Waarschijnlijk kwam hij mee met David Dandiran, die directeur werd van de houtplantage Beerenburg. De slaaf Boston Band moet een geprivilegieerde positie hebben ingenomen in het bedrijf van Dandiran, want hij kon lezen en schrijven. Toch ontvluchte hij in 1757 de plantage en ontwikkelde zich tot een van de aanvoerders van de rebellerende slaven in de grote Tempati-opstand in Oost-Suriname.

Direct na zijn vlucht schreef Boston Band verscheidene Engelstalige brieven aan het gouvernement in Paramaribo. Helaas zijn de originele brieven – minstens achttien stuks – niet bewaard gebleven, maar van elf zijn Nederlandse vertalingen teruggevonden. Bands brieven waren erop gericht om vrede te bewerkstelligen tussen de Marrons en de troepen van het koloniale gezag die jacht op hen maakten.

Hij was niet de enige Marron die via brieven van zich deed horen. Een andere Marronleider die zijn visie op de slavernij aan het papier toevertrouwde was Quakoe van Sara de la Para (zijn achternaam geeft aan dat hij een slaaf was van de joodse Sara de la Para). Quakoe had een goede reden om naar de ‘Boschnegers’ te vluchten – zijn meesteres Sara was van plan hem de neus en oren af te snijden.[5]

Quassie in Eugene Sue

Granman Quassie. Handgekleurde gravure uit J.G. Stedman, Narrative of a Five Years’ Expedition against the Revolted Negroes of Surinam (London, 1796)

Niet alle schrijvende (ex-)slaven in Suriname streefden naar afschaffing van de slavernij of een betere behandeling van slaven. Sommige briefschrijvers kozen (ook) de kant van het koloniale gezag, zoals Quassie van Nieuw Timotibo (met het voorbehoud dat hij wellicht zijn brieven dicteerde omdat hijzelf niet kon schrijven). Quassie werd geboren rond 1692 in West-Afrika,  en als slaaf naar Suriname gebracht. Hij nam deel aan de strijd tegen de weggevluchte slaven en werd als beloning daarvoor in 1755 vrijgemaakt. In 1776 ging hij op audiëntie bij stadhouder Willem V. Het bezoek aan de Republiek leverde de gezagsgetrouwe ex-slaaf vele eerbewijzen op: een rotting met zilveren knop, een ringkraag met het wapen van de Sociëteit, een gepluimde hoed, een degen en een zware vergulde plaat met de toepasselijke inscriptie: ‘Quasje getrouw voor de blanken’.[6]

Er waren ook slaven die zich om religieuze redenen wilden onttrekken aan de slavernij. Kwakoe – niet dezelfde als de eerder genoemde Quakoe – was een slaaf die zich tot het christendom had bekeerd en als kok voor het gouvernement werkte. Dankzij zijn bekering had hij de gelegenheid gehad te leren lezen en schrijven. In 1740 schreef hij drie brieven naar de ‘Edele Grootachtbare heren van de Sociëteit van Suriname’. Hij verzocht daarin om zijn vrijlating, omdat hij het als christen niet verdroeg nog langer tussen de heidense slaven te verkeren. Een jaar later verkreeg hij inderdaad zijn vrijheid en vanaf dat moment ging hij door het leven als Cornelis van Maarssen.

DSC00855

Slavin uit Benoit’s Voyage a Surinam (Brussel, 1839)

Onlangs kwam een bijzondere brief aan het licht. Op 14 maart 1795 schreef Wilhelmina van Kelderman uit Paramaribo een brief aan Engelbertus Kelderman in Amsterdam. De bejaarde Wilhelmina was vermoedelijk een (voormalige) slavin van Kelderman. Zij schrijft: ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan, verhoort teevens ook mijn smeeken, verwerpt mij niet […].’ Ze ontvangt een toelage van haar meester en heeft de beschikking over een slavinnetje dat haar moet verzorgen. Kelderman zelf woont in Amsterdam en laat zijn zaken in Suriname beheren door een zekere Wijne.

Wilhelmina heeft het verzoek gekregen de zorg op zich te nemen voor de zuigeling van een nicht van Kelderman, die in het kraambed is gestorven. Zij heeft daarin toegestemd en is ingetrokken bij de weduwnaar, die na verloop van tijd hertrouwt. Dan blijkt Wijne opeens van mening dat zijn zorgplicht voor Wilhelmina is afgelopen: zij heeft zolang bij haar nieuwe meester verkeerd, dat deze maar voor haar moet zorgen. Hij weigert Wilhelmina onderdak te verschaffen en stuurt haar slavinnetje terug naar de plantage. Wilhelmina heeft geen inkomsten meer en staat op straat. In haar brief verzoekt ze Kelderman ervoor te zorgen dat ze haar huisje en toelage terugkrijgt. Haar jammerklacht heeft Amsterdam nooit bereikt, want hij is onlangs gevonden in de Britse National Archives in Kew bij Londen. Hier liggen ca. 38.000 Nederlandse brieven en documenten die in de zeventiende en achttiende eeuw door de Engelsen werden buitgemaakt bij het kapen van Nederlandse schepen.[7]

 Gelaagdheid

Het zoeken naar uitingen van zwarte of halfbloed (ex-)slaven wordt bemoeilijkt doordat – in tegenstelling tot de gangbare opvatting – huidskleur niet in alle opzichten bepalend was voor de koloniale samenleving. Al in de achttiende eeuw kende Suriname vele ‘vrije zwarten en kleurlingen’, die in het onderzoek vaak worden verwaarloosd. In 1811 overstijgen ze de blanke Europese kolonisten in aantal. Van beroep zijn ze kantoorklerk, ambtenaar, koopman, onderwijzer of vervullen ze administratieve functies op de plantages en in het koloniaal bestuur. Van veel mensen die documenten hebben nagelaten in de archieven weten we eenvoudig niet welke huidskleur ze hadden.

Soms kunnen we dat door genealogisch onderzoek vaststellen. Zo is Albertus Craamer een mulat, want zijn moeder wordt omschreven als de ‘christene neegerin’ Albertina Maria.[8] Albertus is een slaaf van de Sociëtiet van Suriname en werkzaam bij de ‘guarnisoenschrijverij’. In 1783 verkrijgt hij zijn vrijheid. Daartoe leent de raad-fiscaal Cornelis Karsseboom hem het geld om twee slaven te kopen, die hij in ruil voor zijn eigen vrijheid aan de Sociëteit overhandigt. Craamer, die in dienst treedt bij Karsseboom, schrijft in een brief aan de directeuren van de Sociëteit dat het een schande is voor het ‘gansch christelijke geslachte’ dat slaven als beesten verkocht worden. Zijn pogingen om zijn eveneens gedoopte broers in 1784 vrij te krijgen mislukken.

RP-T-1959-120

Gezicht op de plantage Cornelis Vriendschap in Suriname, anoniem, 1700 – 1800. Collectie Rijksmuseum.

Om een juist beeld te krijgen van de slavensamenleving en het slavenleven zijn zulke verhalen van (voormalige) slaven onontbeerlijk. En wat te denken van zwarte of gekleurde plantagedirecteuren? Die waren er in de negentiende eeuw namelijk volop. Een van hen was Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), die bovendien schreef. In 1914, op tachtigjarige leeftijd, publiceerde hij Hoe de tijden veranderen: herinneringen van een ouden planter.[9] Bartelink had de periode vóór de afschaffing van de slavernij meegemaakt. Interessant voor ons is natuurlijk dat hij het leven op de plantage en de slavernij van nabij kende. Hij was, zoals hij zelf zegt, een ‘afstammeling van het zwarte ras’.

Tot voor kort was er weinig belangstelling voor het zwarte perspectief op de slavernij. Lezen en schrijven was lange tijd aan slaven verboden. De angst voor de kracht van de pen en de macht van het geschreven woord speelden bij het koloniale gezag een grote rol. De slaven konden beter dom worden gehouden, geletterdheid en slavernij gingen niet samen. Nu blijkt uit recent onderzoek dat schrijvende (ex-)slaven vaker voorkwamen dan we tot nu toe aannamen. Het maakt nieuwsgierig naar meer. Voor wie de complexiteit en de gelaagdheid van de slavernij wilt begrijpen zijn deze ooggetuigen, die de slavernij aan den lijve ondervonden, van onschatbare waarde.

Carl Haarnack

 

(Dit artikel verscheen eerder onder de titel Schrijvende (ex-) slaven in het Themanummer Slavernij Verbeeld van De Boekenwereld, jaargang 29,  nr 4, 2013)

 

Noten

[1] Library of Congress, Federal Writers´ Project 1936-1938.

[2] Equiano’s geboorteplaats is onderwerp van discussie. Vincent Carretta heeft gesuggereerd dat hij in Carolina geboren is en niet in Afrika. Dan zou het eerste deel van zijn autobiografie gebaseerd zijn op verhalen die hij heeft gehoord of op boeken die hij heeft gelezen. Vanaf 1754 zijn de gebeurtenissen verifieerbaar en kunnen we aannemen dat zijn levensverhaal waar en accuraat is. Mogelijk dat hij zijn strijd voor afschaffing van de slavernij kracht wilde bijzetten door Nigeria te kiezen als geboorteland. Het doet m.i. ook weinig af aan de overtuigende wijze waarop hij de ontberingen en de onmenselijkheid van de slavernij blootlegt. Brycchan Carey gaat in op de discussie rond de geboorteplaats van Equiano: http://www.brycchancarey.com/equiano/nativity.htm.

[3] Johannes King (1830-1898) schreef tussen 1864 en 1895 ruim duizend pagina’s over de geschiedenis van de Marrons, zijn familie en zijn ervaringen als zendeling van de Evangelische Broedergemeente: dagboeken, reisverslagen en verhalen over visioenen die hij kreeg. Hij leerde zichzelf schrijven met behulp van bijbelvertalingen en liedboeken, toen hij ongeveer 32 jaar oud was. King behoorde tot de Matawai (Matoewari) en was de eerste belangrijke schrijver in het Sranan Tongo. Zie: https://bukubooks.wordpress.com/2012/05/27/king.

[4] Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede. De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 (Amsterdam/Den Haag 2010).

[5] Jan Jacob Hartsinck, Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust… (Amsterdam 1770), p. 795.

[6] Frank Dragtenstein, ‘Trouw aan de blanken’ Quassie van Nieuw Timotibo, twist en strijd in de 18de eeuw in Suriname (Amsterdam 2004).

[7] Dirk Tang vond deze brief. Zie idem en Jean Jacques Vrij, ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan….’, in: Geschiedenis Magazine 44/5, juli-augustus 2009. Een transcriptie is te lezen op www.sailingletters.nl.

[8] Jean Jacques Vrij, ‘Suriname. Archiefervaring 9’. In: De Bovenkamer, magazine van het Algemeen Rijksarchief (1998), nr. 2.

[9] Zie https://bukubooks.wordpress.com/2012/01/09/bartelink.

 

 

Eduard en Tony. Moritz Thieme (1830)

Tags

, , , ,

Eduard en Tony, of de De Kleine speelgenooten: een onderhoudend leesboekje voor kinderen van beiderlei sekse. door Moritz Thieme. Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1830.

Kinderboeken zijn rijkelijk vertegenwoordigd in de Surinaamse bibliotheek. Vooral vanaf het begin van de 19e eeuw komt er een behoorlijke stroom kinderboeken opgang waarin vaak historische- en aardrijkskundige onderwerpen een belangrijke rol spelen. Door de verbeterde technische drukmogelijkheden konden boeken goedkoper gemaakt worden en van mooiere illustraties voorzien worden.

Dit kinderboekje van Moritz Thieme is één van best bewaarde geheimen uit de Surinaamse boekenkast. Dat kan er ook mee te maken hebben dat men hier tevergeefs zoekt naar de naam Suriname in de tekst. Toch is het niet moeilijk om tussen de regels door te lezen en te zien dat Thieme uit verhalen over Suriname heeft geput.

suikerriet tony en eduard

Illustratie uit Eduard en Tony: Suikerriet 

Moritz Thieme (1799-1849) werd geboren in Löbau, precies in de driehoek Bautzen, Herrnhut en Görlitz. Trouwe en oplettende lezers van deze rubriek zullen deze plaatsnamen bekend voor komen. In dit gebied zagen vele Suriname-publicaties het licht. Zo werd in 1856 in Löbau het Deutsch-Negerenglisches Wörterbuch van Wullschlägel gepubliceerd. In Bautzen zag de Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik van dezelfde auteur in 1854 het licht. En in Görlitz had de Duitse missionaris Christlieb Quandt, die tussen 1768 en 1780 in Suriname verbleef, zijn Nachricht von Suriname und seine Einwohnern in 1807 uitgegeven. En iedereen weet dat Herrnhut de bakermat is van de Evangelische Broedergemeente (EBG) die al vanaf 1735 actief is in Suriname. Thieme studeerde rechten in Berlijn en Leipzig maar werkte als boekhandelaar en auteur van kinderboeken. In 1818, hij was toen 19 jaar, debuteerde hij met Dramatische Spiele für die Jugend bei festlichen Gelegenheiten. Ein Weihnachtsgeschenk. Daarna volgde een lange lijst met kinderboeken, theaterstukken en ‘Bilderbücher’. In 1829 verscheen Edmund und Tony, die treuen Spielgefährten dat een jaar later in het Nederlands vertaald werd als Eduard en Tony, of de De Kleine speelgenooten.

aapje

Illustratie uit Eduard en Tony

In dit verhaal ontmoet de kleine Eduard, hij is twaalf jaar, Tony, de dochter de heer Brinken. Deze is onlangs teruggekeerd uit ‘Amerika’. Hij heeft daar een groot fortuin vergaard. Hij heeft ook zijn ‘zwarte knecht’ meegenomen, een aapje en een papagaai. Tony is een lief en klein meisje van tien jaar oud, schrijft Thieme, en zij is ‘een weinig bruin van gelaatskleur’. Misschien is ze niet alleen maar lief want als zij Eduard haar aapje wilt laten zien trekt zij aan het schelkoord om een bediende te roepen. Zij sprak ‘ernsthaftig’ tot de bediende, dat Jacques (de bejaarde ‘neger’) moet komen met het aapje Dupp, alsof zij tot één van haar slaven sprak in Amerika. Deze Jacques had ooit eens het leven gered van Tony toen ‘eenige weggeloopene en in het wild levende negers’ hun huis overvielen en ‘moorden en plunderen wilden’.

Dat waren de zg. ‘Maroni-negers’ wist Eduard (Maroni is de Franse benaming voor Marowijne). De heer Brinken vertelt aan Eduard en Tony dat de wreedheden waaraan de slaven worden blootgesteld niet de schuld is van de plantage-eigenaren want die zijn eigenlijk nooit aanwezig.[i] Het zijn de opzichters die zich hier aan schuldig maken. Tony’s vader vertelt de kinderen vervolgens vele verhalen over uiteenlopende plekken op de wereld. Het hele boekje heeft een duidelijke agenda om kinderen iets van de wereld bij te brengen. Over Suriname zelf leren we eigenlijk weinig. Maar het is natuurlijk interessant om te zien dat de schuldvraag over de slechte behandeling van slaven uitsluitend bij de opzichters wordt gelegd. En misschien is de grootste verdienste nog om te zien dat een tienjarig meisje met een ‘bruine gelaatskleur’ bedienden commandeert alsof ze haar slaven in West-Indië toespreekt. Is dat niet een beetje het mysterie van die bizarre geschiedenis van Suriname?

Carl Haarnack

 

20180215_001454

Titelpagina Eduard en Tony 

 

[i] “Niet de eigenaars der plantaadjen zijn gewoonlijk aan de wreedheid, welke daar gepleegd wordt, schuldig: deze zijn den meesten tij in ‘t geheel niet op hunne plantaadjen; en bovendien zijn dezelven zoo uitgebreid, dat zij onmogelijk met de slechte behandeling, waaraan hunne negers zijn blootgesteld, bekend kunnen worden: maar de opzigters zijn het, die zoo onbarmhartig met de slaven omgaan.”

 

De Lepra Commentationes. G.W. Schilling (1778)

Tags

, ,

De Lepra Commentationes. Recensuit J.D. Hahn. Gottfried Willem Schilling. Leiden/Utrecht: Luchtmans/ Paddenburg, 1778. 

De Surinaamse bibliotheek kent een bescheiden aantal boeken die in het Latijn zijn geschreven. Zo verscheen in 1763 in Uppsala Dissertatio Botanico-Medica Sistens Lignum Quassiae, een proefschrift van Carolus Blom over het Quassie-hout in Suriname. Het is geen toeval dat juist de medische literatuur in het Latijn geschreven werd. Zo konden wetenschappers uit verschillende taalgebieden toch elkaar informeren over hun onderzoek en nieuwe inzichten.

 

final Schilling

Titelblad van De Lepra Commentationes (1778)

In 1778 verscheen De Lepra Commentationes van de hand van Gottfried Willem Schilling; één van de zeldzaamste Surinamica.  Over de auteur Schilling weten we niet veel. Lange tijd dacht men dat hij geboren was in Priegnitz in Brandenburg. Vervolgens ontdekte historica prof. dr. Natalie Zemon Davis dat hij volgens de akte van zijn verloving, met Elisabeth Diderica Baldina de Graaff, rond 1733 in Wijk bij Duurstede geboren is. Dankzij uitstekend speurwerk van Philip Dikland weten we nu dat er twee personen waren met de naam Gottfried Schilling in Suriname die bovendien in dezelfde tijd leefden. Dit waren Godfried Wilhelm Schilling, chirurgijn, later Doctor Medicinae (de auteur van ons boek) én Godfried Schilling, kapitein, later Raadsheer van het Hof van Politie. In 1766 komen we de Duitse chirurgijn Gottfried Wilhelm Schilling tegen en wel in een Amsterdanse acte uit 1766 (GAA) waarin wordt vermeld dat een bemanningslid van een schip werd behandeld door “dokter G.W. Schilling”.*)

Als scheepsarts (mogelijk op een slavenschip) kwam hij in 1757 in Suriname terecht. Hij werkte er behalve als arts ook als luitenant in het koloniale leger.  Na zijn terugkeer naar Nederland behaalde hij in 1769 aan de Universiteit van Utrecht een doctorsgraad en schreef een proefschrift over lepra in Suriname (Dissertatio medica inauguralis de lepra. Trajecti ad Rhenum, : ex officina Joannis Broedelet, 1769).

Na verschillende reizen in Europa keerde Schilling in 1772 weer terug naar Suriname. Hij vervulde een aantal belangrijke posities. Zo was hij geneesheer in het militair hospitaal in Paramaribo dat in 1760 werd geopend. In 1781 wordt Schilling benoemd tot de president van het Collegium Medicum, het hoogste medische orgaan in Suriname. Hij werkte in totaal bijna 20 jaar lang in Paramaribo.

Militair Hospitaal 1885 kl

Militair Hospitaal Paramaribo

Het boek bestaat uit drie delen. Schilling begint met een verhandeling over de verschillende vormen en de symptomen van lepra. Ook de besmettelijkheid en de behandelmethoden komen in de eerste deel aan de order. Het tweede deel gaat over de dissertatie uit 1709 van Philip Ouseel, een Duitse wetenschapper (Dissertatio de lepra cutis Herbraeorum) en het commentaar van Schilling hier op. In het laatste deel tenslotte gaat hij in op de nieuwe behandelmethoden en het gebruik van planten uit ‘de Nieuwe Wereld´.Mijn medische kennis nagenoeg nul. Laat ik me voorzichtigheidshalve beperken door te melden dat Schilling geloofde dat de ziekte lepra veroorzaakt werd door een combinatie van weersomstandigheden, klimaat, voeding en de leefomstandigheden. Schilling ging er van uit dat de huidziekte lepra (of boasi) door Afrikaanse slaven in Suriname was geherintroduceerd. Als gevolg van hun ontucht en losbandigheid waren zij een makkelijke prooi voor de ziekte. Toen ook Europeanen hieraan ten prooi vielen werd het seksuele verkeer met Afrikaanse slavinnen als oorzaak aangewezen. Schilling probeerde wel verschillende behandelmethoden maar vond isolatie van de zieken noodzaak. Daarom droeg hij bij aan de totstandkoming van opvang van leprozen op Voorzorg aan de Saramaccarivier. Iedere slaaf, vrije zwarte en vrije kleurlingen werd gedwongen de rest van zijn of haar leven daar te slijten. Witte Europeanen met boasi mochten met beperkte bewegingsvrijheid thuis blijven wonen.

img445

Koor van melaatse zangers. Gerardus Majella Stichting. Paramaribo, Suriname (ca. 1902)

Slechts weinig particuliere verzamelaars zullen dit in hun verzameling hebben. Vanwege de taal is dit niet een boek dat men aanschaft om te lezen. Het is voor verzamelaars eerder een object van begeerte vanwege zijn zeldzaamheid én vanwege de macabere illustratie, ‘Horridior Morte’, op de titelpagina. Het exemplaar in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie is afkomstig van de bibliotheek van de Boston Medical Library.  Gelukkig bezit Suriname sinds kort ook een exemplaar. Professor Derk Bruynzeel, oud hoogleraar dermatologie aan de medische faculteit van de Vrije Universiteit schonk een exemplaar aan Suriname. Henk Menke, dermatoloog en medisch historicus  die onderzoek doet naar de Surinaamse leprageschiedenis, heeft het boek op het medisch historisch congres in januari 2017 overhandigd aan  het Nationaal Archief in Paramaribo.                                                                                                                                        Op dit moment wordt er wereldwijd slechts één exemplaar van dit boek te koop aangeboden. Wie zijn boekenkast met deze trofee wilt verrijken moet wel diep in de buidel tasten; het boek kost €1200,–.

 

Carl Haarnack

*) met dank aan Philip Dikland. Zie zijn Biografie van Gottfried Wilhelm Schilling (1724-1804)

 

Aventures d’Hercule Hardi. Eugene Sue (1840)

Tags

, , ,

Aventures d’Hercule Hardi, ou, La Guyanne en 1772. Paris: C. Gosselin, 1840.

In deze rubriek zijn we altijd gek op wat we ‘Stedmania’ zijn gaan noemen: verschillende edities en vertalingen van Stedman’s Narrative against the Revolted Negroes of Surinam (1796) maar ook toneelstukken, kinderboeken en romans die gebaseerd zijn op het belangrijke boek van John Gabriël Stedman. Regelmatig vinden we nieuwe afbeeldingen die geïnspireerd zijn op de prachtige gravures van o.a. Blake en Bartholozzi uit de eerste Engelse editie.

GabrielLepaulle EugeneSue

Eugene Sue (1804-1857). Schilderij van François-Gabriel Lépaulle (1835)

Weinig mensen zijn nog bekend met de grote 19e eeuwse Franse romanschrijver Eugène Sue. Sue, die eigenlijk Marie-Joseph Sue heette, werd geboren in Parijs in 1804. Hij volgde een medische opleiding en werkte korte tijd als chirurg bij de marine. Dankzij zijn werk op Franse oorlogsschepen reisde hij in Azië, Amerika en het Caraïbisch gebied. Maar al snel legde Sue zich toe op een carrière in de journalistiek. Dankzij de snel groeiende groep van mensen die kon lezen en de goedkope publicaties van zijn verhalen die in afleveringen verschenen, werd Eugene Sue beroemd. Zijn eerste succesvolle romans waren vooral geïnspireerd op zijn zeereizen. In 1830 verscheen Kernock le pirate, gevolgd door Atar-Gull (1831) en La Salamandre (1832). Maar het grote succes kwam met de publicatie van Les Mystères de Paris dat tussen 1842 en 1843 als feuilleton verscheen. Hierin beschreef hij de ellende van de Parijzenaars die in grote armoede leefden. Beweerd wordt dat Victor Hugo voor het schrijven van zijn succesvolle sociale roman Les Misérables (1862) op het werk van Sue heeft geleund.

kappler eugene sue

Fort Zeelandia in Paramaribo omstreeks 1850

In 1840 publiceerde Eugene Sue Deux Histoires 1772-1810 met daarin Aventures d’Hercule Hardi. Hij baseerde deze novelle op de ‘Narrative’ van Stedman. Er verschijnen vele herdrukken (de laatste in 2016!) en ook werd het vertaald in het Engels (The adventures of Hercules Hardy; or, Guiana in 1772. New-York: J. Winchester, 1844) en in het Duits (Die Abenteuer des Hercules Kühn oder Guyana im Jahre 1772. Leipzig : Wigand, 1844). Sue laat slechts zijdelings blijken dat Stedman zijn inspirator is. Zo wordt er ergens een slager Stedman opgevoerd en in een voetnoot beveelt hij het boek van Stedman aan.

Hercule gaat als vrijwilliger naar Suriname om te helpen in de strijd tegen de van de plantages ontvluchtte slaven en de indianen. De gevluchte slaven worden overigens marrons genoemd. We herkennen verschillende bekenden uit de geschiedenisboeken. Zo is er een slaaf, genaamd Cupidon, die een armband draagt waarin gegraveerd staat ‘trouw aan de Europeanen’ (Granman Quassie kreeg in 1730 een zilveren borstplaat met daarop de tekst ‘Quassie, trouw aan de blanken’).  Het kost ook weinig moeite om in Major Rudchop  kolonel Fourgeoud te herkennen. De geliefde van Stedman, Joanna, heet bij Sue,  Jaguarette. De indianen komen er weer niet goed vanaf. Ze zijn wild, gevaarlijk en een aantal er van zijn kannibalen.

Quassie in Eugene Sue

The celebrated granman Quacy (detail uit gravure uit Stedmans Narrative, 1796)

De Aventures d’Hercule Hardi behoort misschien niet tot de grote wereldliteratuur zoals enkele andere boeken van Eugene Sue dat doen. Maar het onderstreept nogmaals het belang van de Narrative van Stedman. De publicatie in 1796 sloeg in als een bom. Voor het eerst in de geschiedenis kon de Europese bevolking gedetailleerd kennisnemen van de slavernij in een Europese kolonie in woord én beeld. Maar het waren vooral alle toneelstukken, romans en poëzie die van Stedmans boek (én het liefdesverhaal met de slavin Joanna) afgeleid waren die hét verhaal van de Surinaamse geschiedenis als een inktvlek verder verspreidden in het Europese collectieve bewustzijn. Vooral bij Franse antiquariaten komen we de boeken van Eugene Sue in grote getalen tegen. Gek genoeg valt het nog niet mee om vroege edities van Hercule Hardi op de kop te tikken. Mocht u er één tegenkomen weet dat u een bijzondere en zeldzame bewerking van de Narrative van Stedman in handen heeft.

Carl Haarnack

zie ook:

Joanna & Stedman

Andere Franse titels uit de Surinaamse bibliotheek

 

Hercule Hardy

Titelblad Engelse vertaling van Aventures d’Hercule Hardi.

WE LOVE BOOKS – Buku Bibliotheca Surinamica en de kunst van het verzamelen

Tags

,

Onlangs verscheen We love Books – Boekenliefhebbers in woord en beeld gemaakt door Johanna Kessler. Voor dit boek schreef ik een essay dat de titel mee kreeg Buku Bibliotheca Surinamica of de kunst van het verzamelen. 

een pak papier

Johanna Kessler, We love Books – Boekenliefhebbers in woord en beeld

Fotograaf Johanna Kessler (1954) werkte ruim 25 jaar als psychoanalyticus. In 2014 gooide zij het roer rigoureus om. Sindsdien is zij fulltime met fotografie bezig. Haar belangstelling voor wat mensen bezielt en drijft is echter onverminderd gebleven.
Als fotograaf maakt ze graag ‘totaalportretten’ van opmerkelijke en eigenzinnige mensen; hoe zij bezijden de massa leven. Zij kiest het liefst onderwerpen of thema’s die ook een bepaalde maatschappelijke relevantie of urgentie hebben; rondlopen met een fototoestel is niet vrijblijvend.

Kessler cover

In haar boek We love Books komen deze aspecten samen. In een periode van twee jaar portretteerde zij tientallen boekenliefhebbers uit Nederland en België, van 19 tot 101 jaar, en tekende zij hun verhalen op. Dit deed ze omdat boekenverzamelingen steeds vaker in papiercontainers verdwijnen en er door de overheersende digitale beeldcultuur anno 2018 zorgwekkend minder van papier wordt gelezen, terwijl wetenschappelijk onderzoek uitwijst uit dat papierlezen essentiële voordelen heeft boven schermlezen. Treedt er werkelijk cultuurverlies of –verarming op, waarvoor wordt gevreesd, en is dat een reëel gevaar?

Johanna Kessler wilde dat zo veel mogelijk verschillende mensen – potentieel nieuwe lezers en boekenverzamelaars – zich aangesproken zouden kunnen voelen door We love Books. Om die reden heeft zij gestreefd naar een evenwichtige leeftijdsopbouw en heeft ze zich bewust niet willen beperken tot bijvoorbeeld bibliofielen of Büchianen, of tot bekende schrijvers of alleen grote verzamelaars e.d. Die zitten er zeker ook tussen, maar minstens zo veel ruimte krijgen de ‘gewone bijzondere’ man en vrouw die toegewijd en gedreven met hun boekencollecties bezig zijn, of die nu groot, klein, heel gewoon of zeldzaam en bijzonder zijn.

Deze insteek heeft ertoe geleid dat We love Books een dwarsdoorsnede biedt wat boekenliefde in de digitale tijd anno 2018 behelst. Het boek is rijkgeschakeerd en maakt levendig invoelbaar waarom boeken begeerlijk zijn en welke betekenis het verzamelen en lezen van tastbare boeken heeft.

We love books bevat naast de foto’s en verhalen ook vijf boeiende essays van gezaghebbende schrijvers over het raadsel van de eeuwenoude liefde voor boeken.

  • Michel Krielaars, chef Boeken bij NRC Handelsblad verzorgde de inleiding;
  • Lisa Kuitert, Hoogleraar Boekwetenschap schrijft over de psychologie van boekengekte;
  • Carl Haarnack, oprichter van Buku –Bibliotheca Surinamica, schrijft over de Kunst van het verzamelen;
  • Serge Morren, huisarts, helpt bij de bouw en inrichting van je ideale boekenkast;
  • Gerrit Jan Zwier, reisjournalist en schrijver, verhaalt over ‘de dood van een boekenwurm’;
  • Peter de Rijk, hoofdredacteur bij Uitgeverij In de Knipscheer geeft een overzicht van bibliomanie door de eeuwen heen.
We Love Books – Boekenliefhebbers in woord en beeld
Door Johanna Kessler
Formaat: 190×270 mm staand
Omvang: 160 pagina’s
Uitvoering: hardcover
Nota bene: Bij dit boek is gekozen voor de Zwitserse bindwijze: het boekblok is gelijmd op  de binnenkant van het achterplat. Voordeel daarvan is dat het mooi openligt.