NEDERDUITSCHE ZAMENSPRAKEN (1864)

Tags

,

Nederduitsche Zamenspraken voor de Zendings-scholen in Suriname. Paramaribo, 1864.

Een jaar na afschaffing van de slavernij in 1863 verscheen dit taalboekje: Nederduitsche Zamenspraken voor de Zending-scholen in Suriname. Het werd in Paramaribo gedrukt en is alleen daarom al, vanwege de kleine oplage en de slechte klimatologische omstandigheden, zeldzaam. Er is geen auteursnaam bekend maar, zoals de titel al aangeeft, gemaakt voor het onderwijs op de zendingsscholen van de Evangelische Broedergemeente (Herrnhutters). Het exemplaar uit 1864 was de eerste druk van dit werk. Het bestaat uit slechts 53 pagina’s in klein octavo formaat.

cropped-paramaribo-postkantoor.jpg

In 1889, 1899, 1907 en 1918 verschenen er herdrukken die qua inhoud nauwelijks werden aangepast. De editie van 1899 kreeg een ietwat gewijzigde titel: Neger-Engelsch – Hollandsche samenspraken voor Suriname. In 1891 noemde Hermann Gustav Schneider (1842-1914) in zijn boek Ein Besuch in Paramaribo (uitgeverij R. Roth, Stuttgart 1891) de Nederduitsche Zamenspraken. Ook in de onvolprezen, en voor iedere Surinamica-verzamelaar onmisbare, Bibliographie du Négro-Anglais du Surinam van Jan Voorhoeve en Antoon Donicie (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde/ ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1963) wordt het boek besproken. Veelzeggend is dat de auteurs aangeven dat zij de 1899 editie niet konden vergelijken met eerdere edities. Dit was waarschijnlijk omdat ze toen geen enkele eerdere editie konden vinden.
Het bijzonder vroege boekje voor het taalonderwijs bestaat uit zestig gesprekken in het Sranan Tongo en parallel daaraan de Nederlandse vertalingen. Het is bedoeld om aan Surinaamse kinderen de Nederlandse taal te leren. Maar wellicht ook om buitenlanders iets van het Surinaams bij te brengen. Het kan niet voldoende worden benadrukt hoe groot de rol is die het taalonderwijs heeft gespeeld in het emancipatieproces in Suriname. De Herrnhutters, al sinds 1735 aanwezig in Suriname, waren al in de tweede helft van de 18e eeuw begonnen om de bijbel te vertalen in het Sranan Tongo. In het tweede kwart van de 19e eeuw volgden taalboekjes, woordenboeken en kwam het onderwijs aan slavenkinderen opgang. Lange tijd was het onderwijs aan slaven verboden. Lezen en schrijven werden door het koloniaal bestuurd als mogelijk gevaar voor de stabiliteit van de slavenmaatschappij gezien. Daarom is de elfde les voor mij van groot symbolisch belang:

-San joe wani doe?  

-Mi wani skrifi 

-San joe wani skrifi? 

-Mi sa skrifi wan brifi gi mi papa.

De conversaties vertellen ons indirect ook iets over het leven rond 1864. Zinnen zoals:

– Joe deki tafra kaba? Njanjam klari? / Ja, Missi! Njanjam klari kaba.

De slavernij was weliswaar net afgeschaft maar armoede en de sociale verhoudingen veranderden natuurlijk niet van de ene op de andere dag.

-Na Masra mi kom. Mi wani begi Masra wansani. Mi kom vo begi Masra, tangi tangi, efi Masra no wani joeroe mi.

bediende_1912

Bediende in Paramaribo, ca. 1907

Zoals gezegd is dit kleine boekje bijzonder zeldzaam. We vinden slechts op een paar plekken ter wereld enkele exemplaren, in De bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, Yale University en in de Sächsische Landesbibliothek – Staats- und Universitätsbibliothek in Dresden. De Buku Bibliotheca Surinamica collectie is de gelukkige bezitter van een exemplaar uit 1864 en van latere drukken. Je zou verwachten dat er ergens in Suriname, in particuliere collecties of misschien in het Surinaams Museum, zich nog exemplaren bevinden. Wij horen graag van onze lezers zodat we deze exemplaren in kaart kunnen brengen. Opmerkelijk is het dat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag geen exemplaar in haar collectie heeft. En als de KB het niet heeft dan weten we zeker dat het bijzonder zeldzaam is. Dat brengt maakt ook direct pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar het papieren culturele erfgoed van Suriname is. Veel is reeds verloren en wat er nog over is moeten we voor de generaties die na ons volgen zeer zorgvuldig bewaren.

Carl Haarnack

Zamenspraken titelpagina

Titelblad 

Tagebuch meiner Reise. M. Hufnagel (1822)

Tags

, , , ,

Tagebuch meiner Reise von Heidelberg über Kiel, Koppenhagen, nach Schweden, England und Westindien, so wie in das Innere des holländischen Guyana, und von da zurück nach Paramaribo. In den Jahren 1812 bis 1821. Michael Hufnagel. Ansbach, W.G. Gassert, 1822.

Regelmatige lezers van deze rubriek weten dat ik een zekere voorliefde heb voor Duitse auteurs die zich met Suriname hebben beziggehouden. Eén van de redenen daarvoor is dat deze teksten in Suriname of Nederland vaak onbekend zijn. Nog belangrijker is dat de meeste Duitse schrijvers niet of nauwelijks last hadden van de ‘censuur’ die in Nederland en Suriname vaak gevoeld werd. De meeste Duitsers die in Suriname geleefd hebben schreven namelijk vaak pas ná terugkeer in hun moederland hun memoires. Zo ook Michael Hufnagel die in 1812 zijn geboortedorp Möckenau (vlakbij Ansbach in Beieren) verliet om via Denemarken, Zweden en Engeland naar Suriname te reizen. Möckenau mag eigenlijk niet eens een dorp genoemd worden. Het bestaat eigenlijk (nog steeds) uit een paar boerenhoeves (er woont nu nog iemand die ook Hufnagel heet!). Hufnagel, zoon van een arme boer, werd missionaris.

moeckenau_ansicht

Gruss aus Moekenau, ansichtkaart (collectie Buku BS)

In een advertentie in een Duits tijdschrift in 1822 lezen we hoe Hufnagel zijn te verschijnen boek aanprijst: “Door interessante gebeurtenissen en waarheidsgetrouwe weergave van de merkwaardige natuur ter zee en op land, hoop ik mijn lezers in dit werk aangenaam en nuttig te onderhouden”.

Het boekje leest ook vlot weg en auteur geeft ook een aardig beeld van de ontberingen die met zo’n reis gepaard gaan. Steeds is er de angst voor Engelse oorlogsschepen en voor de woeste zeeën. Maar het overgrote deel van het boekje is gewijd aan Suriname. Hij geeft de lezers veel informatie over de inwoners, hun gebruiken, de taal, flora en fauna, het klimaat en de koffie- en suikerplantages. Ook gaat hij uitvoerig in op de oorspronkelijke inwoners van Suriname (vooral de Arrowakken) en de uit Afrika overgebrachte slaven.

Maria Sibylla Merian, Flamingo

Rode flamingo. Maria Sibylla Merian (1705)

Zijn bewondering steekt hij niet onder stoelen of banken. Aan beide zijden van de rivier, zo schrijft hij, zijn vele suiker- en koffieplantages te zien. Hij ziet ook citroenbomen, tamarinde- en ‘kokosbomen’, duizenden papegaaien en rode flamingo’s. In de stad beschrijft hij de houten kerk met een ronde koepel, gemaakt van bruinhart, die negen jaar eerder gebouwd is. In de kerk een grafzerk voor gouverneur Bentinck. Deze hervormde kerk brandde in 1821 af en stond op dezelfde plek waar de Hervormde Kerk zich nu bevindt. Er zijn slechts een paar afbeeldingen van deze ‘koepelkerk’.

Als het gaat om de beschrijving van de slavenbevolking wordt duidelijk dat Hufnagel niet zomaar een ooggetuige is maar een heel bijzondere. Als missionaris kiest hij toch een andere invalshoek dan bijvoorbeeld een plantagedirecteur of iemand die deel uit maakte van de koloniale elite. Hoewel niet duidelijk is of hijzelf een Herrnhutter is schrijft hij uitvoerig over de missie van de Moravische Broeders. Hij stelt dat God een eeuwige vriend is van het ‘morele goede’. En dat staat op gespannen voet met de behandeling van de slaven. Indirect bekritiseert hij de slechte behandeling die zij ondervinden: “Die Sclaven werden von gütigen Herren gelind, von unbarmhezigen oft wie Thiere behandelt; denn wie jede böse Einrichtung, so musste auch dieses nothwendig sich selbst strafen” (De slaven worden goed behandeld door welwillende meesters, door onbarmhartige meesters worden ze als beesten behandeld. Maar zoals met ieder slecht systeem zal dit uiteindelijk afgestraft worden).

Slaven en straf

Litho uit Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet – Wolter Robert baron van Hoëvell, 1854 (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Wat het reisverslag van de missionaris uit Möckenau helemaal aardig maakt is dat Hufnagel de grootste 19e eeuwse Surinaamse kunstenaar Gerrit Schouten in Paramaribo heeft ontmoet. We kennen bij mijn weten nauwelijks publicaties van reizigers die schrijven over Schouten. Hij schrijft dat Schouten een zeer kunstzinnige boom heeft vervaardigd met 125 van de meest merkwaardige Surinaamse vogels. Hufnagel schrijft dat hij zal proberen dit kunstwerk voor het museum in München aan te schaffen. Of dat ooit ook daadwerkelijk gebeurd is weet ik niet. Het lijkt me toch zeker de moeite waard eens in de kelder en archieven van dat museum rond te gaan snuffelen.

Schouten diorama Zeezigt

Diorama van plantage Zeezigt, Suriname, door Gerrit Schouten (collectie Rijksmuseum)

Hunagel werkte na terugkeer in Duitsland als tolk/vertaler Nederlands en Engels in München. Hij overleed daar later op 54 jarige leeftijd. Dit in, vele opzichten bijzondere boek van Hufnagel, is zeer zeldzaam. Van de acht exemplaren die ik kon traceren bevonden zich er zes in Duitsland (o.a. de universiteitsbibliotheek van München en Staatsbiblioteek in Berlijn). De andere in de Deense Nationale Bibliotheek en in de universiteitsbibliotheek van Bern. In Nederlandse bibliotheken kon ik geen exemplaren vinden, buiten het exemplaar dat zich in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie bevindt. Voor de bibliofiele verzamelaars met smaak (én een gevulde beurs): er is één antiquariaat in Stockholm dat een exemplaar aanbiedt voor €600,–.

Carl Haarnack

 

hufnagel_titelblad

Titelblad boek van Michael Hufnagel (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

 

Wilhelmus Dortants (1855-1906)

Tags

,

Wilhelmus Dortants (1855-1906), een katholieke missionaris in Suriname

Wie missionaris in Suriname wilde worden, riskeerde soms een vroege dood. De katholieke missie in Suriname begon in feite al in 1683 toen de eerste gouverneur van Suriname, Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, al spoedig werd gevolgd door enkele katholieke geestelijken. Deze priesters stierven echter snel achter elkaar. Het zou tot het einde van de achttiende eeuw duren alvorens er weer een katholieke missie zou worden opgericht, ook wel genoemd ‘Parochie van Paramaribo’.[1] In 1865 kwam de Congregatie van de Allerheiligste Verlosser, wier leden redemptoristen genoemd werden, naar Suriname. De al in Suriname aanwezige priesters, zoals J. Romme en Petrus Donders, sloten zich aan bij deze redemptoristen. Vanaf dat jaar zouden nog 220 andere redemptoristen de oversteek naar Suriname maken.

 

xx haarnack05

Wilhelmus Josephus Dortants in Suriname. (Collectie Hub Dortants)

Eén van die redemptoristen was Wilhelmus Josephus Dortants, geboren op 1 januari 1855 te Brunssum. Hij was de zoon van Adam (Daam) Dortants en Catharina Prümper. Adam Dortants was een gezien koopman in Brunssum. Hij vestigde zich met zijn vrouw op 1 juni 1883 op de zuidrand van het dek van het Plateau van Doenrade om er van zijn oude dag te kunnen gaan genieten in de rust en schoonheid van de natuur. De familie Dortants bezat daar de zogenoemde ‘Oude Molen’, die goed kon draaien omdat daar voldoende windvangst was. In de regio staat die molen tot op de dag van heden bekend als de ‘Dortantsmolen’. Hun tweede zoon Joep (H.J.J.) Dortants (*1851) verhuisde mee om als landbouwer en molenaar de bedrijfsvoering ter hand te nemen. Vader Daam Dortants overleed al acht maanden na de verhuizing op 1 februari 1884. Zoon Joep huwde weer zeven maanden verder op 16 september 1884 met Wilhelmina Theresia Quarten en samen stichtten zij de familietak Dortants die al meer dan honderd jaar op het dek van het Plateau van Doenrade woont.[2]

Boven op het plateau hield men deze zoon, broer en pater Wilhelmus Josephus Dortants altijd heel speciaal in ere, evenals de oudste zoon en broer Antonius Hubert Eduard (*1849), die eveneens priester was. Deze werd pastoor te Ohé en Laak. Hij overleed op 21 januari 1900 aan de gevolgen van een ongeluk met koets en paard. Twee priesterzonen uit één familie van zeven kinderen werd in die tijd als een groot voorrecht ervaren. Tegelijk kostte het de familie handenvol geld om haar priesterzonen financieel mede te ondersteunen. Dat was een erezaak voor de familie, die er vanuit haar katholieke geloofsovertuiging heel veel geld op toelegde. De boeren uit de verre omtrek die hun graan lieten malen op de Dortantsmolen, hoorden terloops regelmatig van deze twee heerbroers en kregen zodoende ook het een en ander te horen over de missie in Suriname.

Drie jaar voor de verhuizing van zijn ouders naar het Plateau van Doenrade werd in 1880 Wilhelmus Dortants in Wittem tot priester gewijd door apostolisch vicaris mgr. J.H. Schaap. Enige tijd was pater Dortants onder andere leraar Grieks op het kleinseminarie te Roermond. Hij was kennelijk breed inzetbaar. Dortants was echter klaar om de wijde wereld in te trekken en dat deed hij. Het godsdienstig-staatkundig dagblad De Tijd maakt op 5 september 1890 melding van het vertrek van de eerwaarde paters redemptoristen Van Wijngaarden en Dortants naar de missie van Suriname. Ze vertrokken vanuit de haven van Rotterdam per stoomschip, de ‘Prins Willem III’. Wist Dortants wel wat hem daar in de tropen te wachten stond? Ruim vijftien jaar later is hij al overleden, slechts 51 jaar oud.

 

Aankomst in Suriname

Als Dortants in Suriname aankomt, ligt de slavernij aldaar nog vers in het geheugen. Tweehonderd jaar daarvoor, in de tweede helft van de zeventiende eeuw, vestigde zich een grote groep joden in de kolonie Suriname. Deze Portugese joden brachten hun kennis van de suikerbouw mee en richtten suikerplantages op. Deze periode vormde het begin van de invoer en handel in slaven uit Afrika. Vanaf die tijd werden ruim 500.000 slaven naar Suriname verscheept. Deze slaven werden ingezet om op de plantages te werken. Nederland was zo nogal laat met het afschaffen van de slavernij in 1863. Engeland was daar al dertig jaar eerder, in 1833, toe overgegaan, Frankrijk volgde in 1848.

xx haarnack02

De paters en fraters redemptoristen te Paramaribo in 1896 met Wilhelm Dortants op de tweede rij als derde van rechts. Groepsfoto ter gelegenheid van de visitatie door de provinciaal van de congregatie in Nederland, pater J.A. F. Kronenberg (voorste rij, derde van links) en zijn socius, Franciscus ter Haar uit Rome (voorste rij, tweede van rechts).  Staand links Pater Rikken?(Collectie Hub Dortants)

 

Over het leven van Dortants in Suriname is niet veel bekend. In oktober 1890 wordt hij benoemd tot kapelaan bij de rooms-katholieke gemeente in het district Coronie. Felix Lemmens, afkomstig uit Maastricht en een jaar vóór Dortants in Suriname gearriveerd, was pastoor in Coronie. In 1892 werd Dortants in Paramaribo pastoor van de St. Bonifaciusparochie aan de Wanicastraat. Het verblijf in de stad was van korte duur. In 1893 keerde hij terug in Coronie als pastoor. Hij verving Lemmens die melaats was geworden.

Op de katoenplantage Mary’s Hope, gelegen aan de Coroniaanse kust, diende hij in de St. Mariakerk der rooms-katholieke gemeente. Ten tijde van de afschaffing van de slavernij in 1863 werkten hier zo’n 140 slaven. In 1874 schonk de eigenaar van deze plantage, Oldfield, een stuk grond voor de bouw van een school, kerk en pastorie. Tien jaar later was Petrus Donders pastoor op deze plek. Deze beroemde Peerke Donders (1809-1887) is in 1982 zalig verklaard door Paus Johannes Paulus II. Een precair onderwerp is zijn heiligverklaring. Daarvoor zijn bewijzen nodig van een tweede wonder en het valt niet mee om dat te vinden. Misschien is het leven van Peerke wel het grootste wonder. Zowel zijn doorzettingsvermogen, als zijn werk in Suriname en zijn zorg voor de melaatsen zonder zelf ooit ziek te worden.[3]

 

In de voetsporen van Peerke Donders

Op het moment in 1894 dat Dortants in de voetsporen van Peerke Donders terechtkwam op katoenplantage Mary’s Hope, was Adrianus Bossers daar pastoor. Bossers was de auteur van de Beknopte geschiedenis der katholieke missie in Suriname. Het boek van Bossers uit 1884 geldt nog steeds als een standaardwerk. Dankzij Bossers krijgen we een voorstelling van de situatie waar pater Dortants in terecht kwam. Bossers maakte gebruik van interessant archiefmateriaal zoals brieven van missionarissen. Vele kleine geschiedenissen die in de ‘grote geschiedschrijving’ over Suriname geen plek kregen, heeft hij aan de vergetelheid ontrukt. Zo citeert hij uit een brief van Pater Wennekers:

‘Ik heb gisteren den Directeur der plantage Toledo, waar ik die kinderen en de Creolen-mama gedoopt heb, gesproken. Toen ik hem naar Hanna, de Creolen-mama, vroeg, weidde hij sterk uit in den lof dier oude negerin, en zeide, dat hij zich niet genoeg over haar kon verwonderen ….. Tevoren moest zij schier elke week om leugentaal, dieverij, luiheid enz. geslagen worden. Eertijds ten uiterste onwillig en onbuigzaam, doet zij nu alles gedwee. Dit laatste had ik reeds van de eigenaar zelven en van diens deugdzame dochter gehoord.’[4]

Plantage Toledo was eigendom van een rooms-katholieke Ier, Richard O’Ferrall. In de Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1903 staat Dortants vermeld als dienstdoende geestelijke in de ‘R.K. Kerk van St. Rochus op Groot Chatillon’.[5] In 1897 werd Groot Chatillon aan de Surinamerivier als nieuw etablissement voor leprozen aangewezen. Lepra, vroeger ook wel aangeduid als melaatsheid, is een besmettelijke ziekte die waarschijnlijk via de slaven uit Afrika in Suriname terechtkwam. Vanwege de slechte hygiënische omstandigheden waarin de slaven moesten leven, verspreidde de ziekte zich snel. Uit angst voor besmetting werden de leprozen ver weg van de stad gehouden. Vóór Groot Chatillon, van 1824 tot 1897, was de voormalige plantage Batavia aan de Coppenamerivier de plek waar leprozen werden verpleegd en verzorgd. De bekende pater redemptorist Peerke Donders (18091887) werkte bijna 45 jaar onder de leprapatiënten, waarvan een groot deel op Batavia.[6] Plantage Groot Chatillon is waarschijnlijk eind zeventiende eeuw aangelegd door François van Aerssen van Sommelsdijck, een zoon van de in 1688 vermoorde gouverneur van Suriname, die heer van Chatillon was. Beweerd wordt dat deze plantage de eerste was waar cacao verbouwd werd. In 1897 toen de leprozenkolonie er werd gevestigd was de plantage reeds verlaten.

Dagblad De Tijd bracht het nieuws over de verhuizing van de ‘melaatschen’ van Batavia naar Groot Chatillon. Van de 81 verpleegden was er slechts één ontvlucht (die overigens ook weer gevonden werd). Met het stoomschip Curaçao, onder leiding van kapitein Abendanon, vertrokken zij om 5 uur ’s middags van Batavia.

‘In vroolyke stemming, onder het maken van muziek en het wuiven met handen en zakdoeken naar degenen die aan wal stonden, vertrokken de melaatschen van Batavia. Gedurende de zeer voorspoedige reis had geen enkel voorval plaats, dat de goede stemming kwam verstoren’.[7]

Om 7 uur ´s morgens passeerde de boot de stad Paramaribo en rond 12 uur kwam hij aan op Chatillon. De krant vermeldde tevens dat de ´eerwaarde paters De Kuyper en Dortants, die op Batavia de geestelyke bediening waarnamen´ op Chatillon zijn gebleven en in de nog niet voltooide pastorie hun intrek namen. Vanuit Chatillon werden pogingen gedaan om de katholieke gemeente uit te breiden.

In 1900 werkte Dortants als pastoor (invaller) in Albina, in het oosten van Suriname. Maar in 1902 keerde hij weer terug op Chatillon. In de almanak van 1903 wordt Dortants ook genoemd als geestelijke in de ‘R.K. Kerk van St. Jan Baptist’ op Rorac (Roorak). Mogelijk werd hij in 1903 overgeplaatst van Groot Chatilllon naar Rorac. Want in de volgende almanakken van 1904 en 1905 wordt alleen Rorac genoemd als werkgebied van de redemptorist Dortants. De plantage Rorac lag iets noordelijker dan Groot Chatillon. Door de aanwezigheid van de katholieke missie op Groot Chatillon kwamen omliggende plantages ook gedeeltelijk onder de katholieke invloedssfeer.

 

xx haarnack04

De rooms-katholieke kerk in Rorac in de jaren (1903-1905) dat pater Dortants daar werkzaam was. (Collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

De verlaten plantage Rorac werd bevolkt door de nazaten van weggelopen slaven die zich vóór de afschaffing van de slavernij in de bossen tussen de Surinamerivier en de Commewijne schuilhielden. Na de emancipatie in 1863 besloot deze groep van circa tweehonderd weggelopen slaven niet langer in het moeilijk toegankelijke oerwoud (in het kamp van Broos & Kaliko) te blijven. De groep stond onder leiding van de broers Broos en Kaliko. De twee belangrijkste families uit Rorac waren de families Landveld en Babel (de voetballer Ryan Babel van Ajax is hier een nazaat van). De katholieke missionarissen van Groot Chatillon bezochten regelmatig de zogenaamde Brooskampers. In oktober 1891 werd door apostolisch-vicaris Wulfingh een katholiek kerkje ingewijd. Het was een houten kerkje waarvan het dak bestond uit pinabladeren. In deze kerk van St. Jan Baptist op Rorac werkte pater Dortants. In 1898 openden de paters een schooltje op Rorac. In 1900 werd er een volledig houten kerk gebouwd waarvan een prachtige foto bewaard is gebleven. De paters noteerden trouw het kerkbezoek. De Heilige Mis werd één keer per maand in de kerk van Rorac opgedragen. Gemiddeld werd deze door zo´n 65 mensen bijgewoond waarvan er dertig ter communie gingen.[8]

 

xx haarnack01

Wilhelmus Josephus Dortants in Suriname. (Collectie Frans Dortants).

Een brief van Dortants

Gelukkig zijn er in archieven in Nederland nog sporen van pater Dortants te vinden. Zo kwam in het archief van de redemptoristen in het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven in het klooster St. Agatha bij Cuyk een brief van Dortants boven water.[9] Op 20 maart 1892 schreef hij vanuit Suriname een brief naar Nederland. Hij schrijft dat hij in oktober 1891 in Coronie is gestationeerd om de Negerengelse taal te leren. In korte tijd heeft Dortants zoveel geleerd dat hij kan preken. En de biecht kan afnemen: met Kerstmis heeft hij een ‘goede honderd in het Neger-Engelsch moeten hooren,’ zo schrijft hij. Er zijn wel een kleine 250 communies geweest. Over de bevolking van Coronie schrijft Dortants:

‘De bevolking is hier zwart, zwart. Bijna alles zwart wat u ziet. De bevolking bestaat voor het grootste gedeelte uit afstammelingen van Afrikaansche slaven, ouders van dezen zijn vroeger uit Afrika naar alhier vervoerd. Sommigen dezer leven zelfs nog. Ik heb enige dagen geleden een vrouw gesproken, die vroeger uit Afrika vervoerd is. Het is eene echte type, spijtig dat (!) men geen portret van haar heeft. Haar gezicht gelijkt veel op dat van een aap. Allen, ik moet het echter bekennen, zijn zoo niet. Onder de kinderen en grooteren heeft men soms aardige koppen.’

In Dortants’ tijd bestond politieke correctheid nog niet. In zijn brief schrijft hij onomwonden en uit het hart. Wel geeft hij blijk van zijn afkeuren van de slavernij. Over dezelfde vrouw schrijft hij:

‘Deze vrouw vertelde, dat zij in haar jeugd, toen ze met andere meisjes mangos, een soort vruchten, was aan het plukken, door slavenjagers was opgepakt, in een zak gepakt, naar een schip vervoerd en zoo naar alhier verzonden. Wat een barbaarsche wreedheid toch!’

Voor een koopmanszoon moet het leven van Dortants in Suriname een bijzondere ervaring zijn geweest. Behalve de verschillen in klimaat, de flora en fauna heeft de confrontatie met de nazaten van Afrikaanse slaven grote indruk gemaakt op Dortants. Over hen schrijft hij onder andere in zijn brief:

‘Ze gaan blootvoets, dragen bijna alles op het hoofd, water klabassen, water-bakken, het Evangelie-boek als zij naar de kerk komen, schoenen, een petroleum lamp enz. enz. De vrouwen houden nog al om een pijpje te rooken. Zij hebben nog al veel goede eigenschappen. Zij houden van bidden, hebben die leelijke gewoonte niet van vloeken, zij stelen niet, ten minste geen beduidende zaken.’

Over het waarom Dortants naar Suriname is gekomen, bestaat geen twijfel. Hij ziet de bekering van de bevolking van Suriname tot het katholieke geloof als zijn belangrijkste taak. Bepaalde gebruiken en leefwijzen van de Surinamers staat op gespannen voet met het katholieke geloof. Dortants:

‘Spijtig dat de duivel zoo velen in zijn macht heeft, doordat er velen vijf, tien, ja twintig jaren bij elkaar leven zonder getrouwd te zijn.’

Dortants vraagt allen die dit horen, zo nu en dan eens te bidden zodat ‘dit wat zal verbeteren’.

Dortants schrijft verder over plantage Burnside. Er waren in Coronie, zo schrijft Dortans, twee bijkerkjes, één op Burnside en één op Welgelegen. Op Burnside nam hij daar de biecht af van een man die 18 of 19 jaar geen Pasen had gehouden:

‘Burnside is een goede twee uur van hier verwijderd. Wij gaan er per rijtuig naar toe of soms te paard. Wij hebben een goed paardje. ‘t Heeft wel nu en dan eenige Surinaamsche nukken, doch ‘t is een heel aardig beestje. Wij zijn beiden reeds goede ruiters. Een heerlijk ruim twee uur lange weg aan beide zijden met kokosboomen of soms chinasappelboomen bezet voert u derwaarts. Wij gaan er iederen zondag heen om de H. Mis te zingen, te preeken, catechismus te geven, kinderen te doopen enz. Burnside, zoals men mij zegt, bevatte vroeger wel 1000 bewoners, doordien er eene groote suikerplantage was. Tegenwoordig bestaat dien niet meer, zoodat de bevolki‘Burnside is een goede twee uur van hier verwijderd. Wij gaan er per rijtuig naar toe of soms te paard. Wij hebben een goed paardje. ‘t Heeft wel nu en dan eenige Surinaamsche nukken, doch ‘t is een heel aardig beestje. Wij zijn beiden reeds goede ruiters. Een heerlijk ruim twee uur lange weg aan beide zijden met kokosboomen of soms chinasappelboomen bezet voert u derwaarts. Wij gaan er iederen zondag heen om de H. Mis te zingen, te preeken, catechismus te geven, kinderen te doopen enz. Burnside, zoals men mij zegt, bevatte vroeger wel 1000 bewoners, doordien er eene groote suikerplantage was. Tegenwoordig bestaat dien niet meer, zoodat de bevolking buitengewoon verminderd is.’ Enter a captionng buitengewoon verminderd is.’

 

xx haarnack03

Het Bonifaciuscomplex aan de Wanicastraat te Paramaribo met pastorie, kerk, school en weeshuis op een rij. Hier werkte Dortants in 1892 en kort voor zijn dood in 1906. (Collectie: Buku Bibliotheca Surinamica)

Op het moment dat Dortants deze brief schrijft (20 maart 1892), werkt hij in de St. Bonifaciuskerk aan de Wanicastraat in Paramaribo. In het weeshuis zijn er een kleine 60 weesjongens. Het weeshuis wordt geleid door de pater Van Tooren. Op de school te Bonifaas zijn er, inclusief de weesjongens, 250 kinderen, allemaal jongens. Pater Van Tooren, frater Heynen en Kusters geven les op deze school. De brief besluit Dortants met ‘Uw ootmoedige Dienaar en Confrater’.

            Hij werkte zijn laatste levensdagen als kapelaan in de St. Bonifaciuskerk in Paramaribo. Kort voor zijn dood verbleef Dortants in het klooster van de paters redemptoristen bij de kathedraal van Paramaribo. Op 13 december 1906 overleed Dortants aan de gevolgen van een ernstige chronische maagkwaal. Na een verblijf van zestien jaar in Suriname werd hij, 51 jaar oud, op rooms-katholieke begraafplaats te Paramaribo begraven.[10]

Carl Haarnack

 

(Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis. Jaargang 20, nr 4, december 2017).

 

Voetnoten:

[1] [Adrianus Bossers], Beknopte geschiedenis der katholieke missie in Suriname. Door een Pater Redemptorist (Gulpen 1884) 14-30, 35-66, 93.

[2] Dit artikel draag ik op aan Rosemarie Smeets (1947-2016). Van haar ontving ik veel informatie over de familie Dortants, die zij weer kreeg van Frans en Francine Dortants-Boshouwers, nazaten van Adam (Daam Dortants).

[3] Marianne Dagevos, ‘Verslag 1 november 2009. Eerste Peerke Donderslezing. Eerste Peerke Donderslezing: persoonlijk engagement en positief Tilburg-gevoel’, op de website Wereldpodium (wereldpodium.nu/verslag-wereldpodium-1-november-2009, geraadpleegd op 7 november 2017).

[4] [Bossers], Surinaamse missie, 137.

[5] Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1903 (Paramaribo 1902) 173.

[6] Over Batavia schrijft August Kappler: ‘Het is niet alleen het gevaar van zijne gezondheid te verliezen en een offer der melaatschheid te worden, maar vooral het slechte karakter der negers zelve, dat hem het meest bedreigt. In October 1851 werd de priester van het gesticht Batavia, een man die op deze zoo afgezonderde plaats hen onvermoeid en ijverig in hun ligchaams- en zielelijden bijstond, door een dezer ellendigen uit wraak vermoord, omdat hij hem, ten einde dronkenschap voor te komen, eene kruik met dram afgenomen had.’ A. Kappler, Zes jaren in Suriname. Schetsen en tafereelen uit het maatschappelijke en militaire leven in deze kolonie (Utrecht 1854) 60.

[7] Dagblad De Tijd, 6 november 1897.

[8] Wim Hoogbergen, Het kamp van Broos en Kaliko. De geschiedenis van een Afro-Surinaamse familie (Amsterdam 1996) 133.

[9] Met dank aan pater Joop Vernooij (1940-2017). Hij was redemptorist en van 1969 tot 2001 werkzaam als pastor in het bisdom Paramaribo, Suriname. Vijf jaar geleden verscheen zijn boek De regenboog is in ons huis. De kleurrijke geschiedenis van de r.k. kerk in Suriname (Nijmegen 2012). (Kennelijk gaat het hier om het Archief Redemptoristen in het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven, nr. 11982 Dortants, J.W. (1855-1906).)

[10] Dagblad De Tijd, 9 januari 1907, rubriek Kerknieuws; het bericht is overgenomen uit het dagblad De West. Deze begraafplaats werd in 1921 geruimd. De restanten van Dortants werden overgebracht naar de nieuwe rooms-katholieke begraafplaats in Paramaribo.

 

zie verder:

Katholieke Missie in Suriname

Een katholieke begrafenis in Suriname

50-jarig jubilé der boeren in Suriname. Julius Muller en C. Hoekstra (1895)

Tags

Het 50-jarig jubilé der boeren in Suriname (1845-1895). Julius E. Muller en C. Hoekstra. Paramaribo: B. Heijde, 1895.

De meeste mensen kennen Julius Muller (1846-1902) van de prachtige foto’s die hij in de tweede helft van de 19e eeuw maakte. In 1997 verscheen een boek met zijn foto’s:  Suriname door het oog van Julius Muller : fotografie 1882-1902. Muller werd opgeleid tot landmeter maar toen er in Suriname goud gevonden werd richtte hij zich op de goudwinning. In 1888 werd hij gekozen in de Koloniale Staten in Suriname. Dit boekje, dat Muller maakte ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de ‘boeren’ in Suriname, is de enige publicatie in boekvorm van zijn hand die we kennen. Hij schreef het samen met C. Hoekstra (1852-1911), geboren in Friesland en tussen 1892 en 1907 predikant van de Evangelisch Lutherse Gemeente in Paramaribo. Hoekstra schreef in 1893 de twee coupletten in het Nederlands van het Surinaamse volkslied (Suriname’s trotse stromen).

familie Loor 1893

Familie Loor (collectie Tropenmuseum, 1893)

Het boekje is bescheiden van omvang (het telt slechts 14 pagina’s) maar is wel één van de weinige 19e eeuwse publicaties over de Nederlandse boerenfamilies die zich vanaf 1845 aan de Saramaccarivier, tegenover Groningen, vestigden. Twee schepen, de Susanna Maria en de Noord-Holland, vervoerden 200 passagiers die tezamen 50 families vormden. De auteurs schrijven dat de ‘boerenkolonisten’ zoveel heerlijks was voorgespiegeld: het Gouvernement zou hun nieuwe woongebied in gereedheid hebben gebracht; goede landbouwgrond, eenvoudige maar nette landhuizen, luchtig gebouwde stallen en ook was er de toezegging dat er gereedschap en vee zou zijn. Vier jaar lang hadden Van den Brandhof , Betting en Copijn aan het kolonisatieplan gewerkt. De naam van de nieuwe woonplek van de boerenfamilies, Voorzorg, leek zeer toepasselijk voor dit omvangrijke project.

IMG_6448

Maar toen de boeren van boord gingen was er geen uitbundige ontvangst: er waren slechts 17 hutten waarvan er negen enigzins bewoonbaar waren; de moerasgrond was niet klaargemaakt voor bebouwing én er waren alleen levensmiddelen die door een boot waren aangevoerd, tarweblom, gezouten spek, rijst en zout. Het was, zo schrijven Muller en Hoekstra, dan ook niet verwonderlijk dat binnen veertien dagen ziektes de kop op staken. Behalve de medicijnkist van de scheepsheelmeester van de Noord-Holland waren er geen medische voorzieningen. En er waren nog meer kolonisten uit Nederland onderweg. In korte tijd waren er 189 van de 384 immigranten overleden en bleven er slechts 11 enigszins gezond. Velen keerden gedesillusioneerd terug naar Nederland. Degenen die bleven probeerden zich door alle tegenslagen heen te ploeteren. Van de toegezegde gereedschappen, vee en pluimvee was nauwelijks sprake. Daarboven op trad in het najaar van 1845 een langdurige droogte in waardoor de aanplant van bananen en andere vruchten verloren ging. Toen in 1846 de oogst overvloedig was bleek dat het transport van de producten naar Paramaribo te tijdrovend en te kostbaar was. Verschillende boerenfamilies verlieten Voorzorg en vestigden zich in de buurt van Paramaribo. Gijsbertus Overeem, aangekomen in 1845, verloor in korte tijd zijn beide ouders. Hij trouwde met Hendrika Snippenberg. Zij konden zich na een kort verblijf aan de Boven-Suriname rivier te Rama een boerenbedrijf beginnen aan de Wanicaweg en de Dominékreek. Deze grond, 280 hectaren groot en l’Hermitage genaamd, bevond zich op een uur afstand van de stad. Zij kregen zes kinderen.

Gijsbertus_Overeem en vrouw

Gijsbertus Overeem (collectie Tropenmuseum)

In 1853 werd de kolonie te Voorzorg opgeheven. Het project was natuurlijk een grote mislukking. Toch roepen de auteurs op tot het vieren van de boerenkolonisatie en om een ‘eeresaluut’ te brengen aan ‘het vijftigjarig werken der wakkeren boeren, die zich door eigen kracht zoo ferm hebben staande gehouden’.  Het kleine papieren boekje is een collector’s item. Slechts een paar bibliotheken in Nederland, waaronder de Koninklijke Bibliotheek en de Buku-collectie, beschikken over een exemplaar.

In 2016 publiceerde Karin Sitalsing Boeroes, een familiegeschiedenis van witte Surinamers. Een zeer leesbaar en informatief boek over de geschiedenis van de boerenkolonisten die in 1845 te Voorzorg aankwamen.

Carl Haarnack

 

verder lezen

  • André Loor vertelt, Suriname 1850-1950. Paramaribo: VACO, 2013
  • Boeroes: een familiegeschiedenis van witte Surinamers. Karin Sitalsing. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2016.
  • De mogelijkheid van landbouw-kolonisatie voor blanken in Suriname.
    Eline Françoise Verkade-Cartier van Dissel (1906-1990). Amsterdam: 1937.

 

sitalsing

Guyana. Eberhardt A. W. von Zimmermann (1819)

Tags

, , ,

Guyana. Eberhardt August Wilhelm von Zimmermann. In: De aarde en hare bewoners, volgens de nieuwste ontdekkingen : een werk ter bevordering der kennis van landen en volken en van derzelver voortbrengsels en handel. Naar het Hoogduitsch van E.A.W. von Zimmermann. Haarlem: Bij de erven François Bohn, 1819.

Eberhardt August Wilhelm von Zimmermann (1743-1815) stuurde wiskunde en natuurwetenschappen in Leiden, Halle, Berlijn en Göttingen. Hij reisde graag door Europa en schreef een aantal omvangrijke werken. Regelmatig koos hij daarbij Suriname (of de geschiedenis van Suriname) als onderwerp. Zo publiceerde hij tussen 1802 en 1813 zijn Taschenbuch der Reisen waarin hij regelmatig schreef over Suriname, slavernij (ook in Suriname) en een aantal prenten uit Stedman’s Narrative opnam.   De aarde en hare bewoners, volgens de nieuwste ontdekkingen : een werk ter bevordering der kennis van landen en volken en van derzelver voortbrengsels en handel telt maar liefst 19 delen. De  oorspronkelijke Duitse titel Die erde und ihre bewohner. Ein lesebuch für geographie, völkerkunde produktenlehre und den handel verscheen tussen 1810 en 1814. Eén deel is voor de lezers van deze website vooral interessant: Guyana!

zimmermann

Taschenbuch der Reisen (1803), met afbeelding van Joanna

De auteur begint met een uiteenzetting over de ontdekking van de Wilde Kust door de Spanjaarden, over de zoektocht naar El Dorado en Walter Raleigh die in 1595 het gebied bezocht. Zimmermann was nooit in Zuid-Amerika geweest maar hij baseerde zijn schrijfsels op de boeken van onder anderen Des Marchais, Barrere, Condamine, Ulloa, Fermin, Hartsinck, Bancroft en natuurlijk ons aller Stedman. Vervolgens is de beschrijving van klimaat, flora en fauna aan de beurt. Ook Maria Sibylla Merian en haar tekeningen van vlinders en rupsen ontbreken niet. Ook vinden we een beschrijving van de aboma en de wijze waarop deze gevangen wordt en gebruikt. Zimmermann geeft in zijn boek een afbeelding weer die hij aan Stedman heeft ontleend: ‘The Skinning of the Aboma’. Nog interessanter wordt het als hij de inwoners van Guyana beschrijft. De Europeanen zijn er volgens hem heer en meester, of beter gezegd, oppermachtig en willekeurig tiran. Maar het klimaat is hun straf. Er zijn beschrijvingen waarin melding wordt gemaakt van soms wel acht doden op één dag.

Stedman in Taschenbuch der Reisen EAW Zimmermann 1806

Illustratie uit ‘Guyana’ (naar Stedman).

Dat komt door hun ruwe levenswijze maar ook door het gebruik van ‘oranje-appelen’ en citroenen ter verkoeling en rum en water die vreselijke ‘kolijke pijnen’ veroorzaken. Paramaribo is een zeer dure stad, zo gaat Zimmermann verder. Voor een paar kamers, zonder meubelen, betaalt men wel drie of vier pond sterling per maand. Een pond vlees van tam vee kost een ‘Engelsche schelling’, een fles wijn kost drie schellingen. Alleen de vis is eigenlijk goedkoop. Citroenen en tamarinden kan men kosteloos onder de bomen oprapen.

Om zes uur ’s avonds wordt er op een schip voor de rede het geschut gelost en wordt een taptoe geslagen. De burgerwacht neemt haar plaats in en geen enkele ‘Neger of Negerin’ mag zich zonder toestemming van hun meester op straat begeven. Om tien slaan de zwarte trommelslagers een tweede taptoe en verschijnen de dames in de maneschijn. Zij schenken hun gasten wijn of sangari (een madeirawijn, water, nootmuskaat en suiker) en praten met hun minnaars. Ook spreken zij over hun echtgenoten en over hun slavinnen. Deze slavinnen worden aan goede vrienden voor een bepaalde prijs voor een week aangeboden. Zimmermann vertelt in slechts enkele zinnen iets over de promiscuïteit van vrouwen (en mannen) én over een verschijnsel waar we maar weinig over lezen bij Nederlandse auteurs, namelijk de prostitutie van slavinnen in Paramaribo. Hoewel de auteur de informatie uit tweede of derde hand heeft weet hij ons toch een bijzonder geloofwaardig beeld te schetsen van Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Het boek is niet extreem zeldzaam en wordt soms antiquarisch te koop aangeboden voor redelijke prijzen.

Carl Haarnack

zie ook:

Taschenbuch 1803

Taschenbuch 1806

 

Proeve over de oorzaken van verval. W.H. Lans (1829)

Tags

, , , , ,

Proeve over de oorzaken van verval en de middelen tot herstel der Surinaamsche plantaadjen. W.H. Lans. ’s-Gravenhage – Amsterdam: Gebroeders Van Cleef, 1829

In deze publicatie gaat Lans in op de vraag wat de oorzaak is van het verval van de kolonie Suriname die sinds het eind van de 18e eeuw in gang is gezet.

Allereerst stelt Lans dat Suriname, hoewel niet zo bloeiend als vijftig jaar geleden, nog steeds ‘eene der belangrijkste van onze overzeesche bezittingen’ is. Over de oorzaken van het verval van de plantages heeft Lans een uitgesproken mening. Eén daarvan is dat er bij de aanleg niet goed gelet werd op de deugdzaamheid van het terrein. In plaats van te kiezen voor het neerzetten van goedkope gebouwen gaf men er de voorkeur aan om woonhuizen en koffieloodsen van het duurste hout te bouwen, groter en sierlijker dan nodig was. De beschikbaarheid van krediet dat planters konden krijgen, hun ijdelheid én het belang dat de fondsen in Amsterdam hadden, die de financiering voor hun rekening namen, om hen in de schulden te steken waren daarbij de voornaamste oorzaken. Sommige planters waren niet in staat om genoeg slaven te kopen omdat ze te veel geld aan de gebouwen besteed hadden.

surinam1800map

Lans is als, inner van belastingen, er de man niet naar om het verval van Suriname niet met harde cijfers aan te tonen. Waar er in 1775 nog 18.000.000 pond koffie naar Europa werd verscheept, was daar in 1825 nog maar 4.196.575 pond van over. De productie van cacao, in 1775 nog 200.000 pond, was vijftig jaar later gehalveerd. Toch nam de productie van katoen (van 80.000 naar 2.329.607 pond) én suiker (van 15.200.000 naar 23.815.707 pond) behoorlijk toe.

Voor wat betreft de oplossingen zoekt Lans in een betere bewerking van het land, de werktuigen maar vooral de ‘werklieden’. In Suriname zijn er, zo doceert Lans, geen andere werklieden dan slaven. De indianen zijn met geen enkel middel aan het werk te krijgen (als slaven bedoelt hij natuurlijk). De ‘boschnegers’ hebben door de houthandel meer weelde dan zij aankunnen, stelt Lans. De vrije lieden zouden zich vernederd voelen door het verrichten van veldwerk en aan ‘blanke arbeiders is in het geheel niet te denken’. De conclusie is dat het voortbestaan van de kolonie volledig afhankelijk is van de slavenpopulatie. En omdat, door het verbod op de slavenhandel, er geen ‘verse’ aanvoer van ‘Afrikaansche negers’ is, gaat die populatie hard achteruit.

tropenmuseum_royal_tropical_institute_objectnumber_3581-33m_boschnegers

Marron met een pagaai (peddel), er achter staat een man in een korjaal. Ingekleurde litho naar een tekening van Th. Bray (Collectie Tropenmuseum Amsterdam, no. 21/25)

Lans is zeer stellig in zijn bewering dat het een leugen is dat de ‘negerslaaf’ overwerkt of mishandeld wordt. Hij gaat verder en stelt dat 3/5e  van de inwoners van Europa minder gelukkig is dan de slaven in de kolonie Suriname. De echte oorzaak van de achteruitgang van de slavenpopulatie is volgens Lans de ongelijke aantallen tussen mannen en vrouwen (29.162 mannen tegen 26.922 vrouwen) en die zijn ongelijk verdeeld over 500 plantages. Soms zo erg dat de verhouding op sommige plantages soms één op drie is.

Dan zijn er nog de administrateurs, soms ‘winzuchtig’ en gewetenloos, die hun eigen, korte termijn, belangen (zij krijgen 10% van de opbrengst van de plantage) boven de lange termijn belangen van de plantage stellen. Lans adviseert de eigenaren van de plantages, die zich vooral in Nederland bevinden, om zelf naar Suriname te komen en met eigen ogen te zien wat er allemaal gebeurt. Zijn devies is: hoor alles aan, spreek weinig en let op de drijfveren die mensen hebben, oordeel zelf en vertrouw niemand te veel!

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft een exemplaar, net als vier UB’s. De Buku collectie heeft helaas geen exemplaar van dit zeldzame boekje.

Carl Haarnack

zie ook: Bijdrage tot de kennis der Kolonie Suriname. W.H. Lans (1842)

 

 

 

 

Nieuwe algemeene beschryving van de colonie van Suriname […] Philippe Fermin (1770).

Tags

, ,

Nieuwe algemeene beschryving van de colonie van Suriname. Description générale, historique, geographique et physique […] de Surinam. Philippe Fermin (1729-1813). Harlingen: V. van der Plaats junior, 1770.

Philip Fermin (1729-1813), medicus en schrijver, Philip Fermin  behoort tot de belangrijkste 18e eeuwse chroniqeurs van Suriname, net als bijvoorbeeld John Gabriël Stedman (1744-1797). Fermin verbleef langer in de kolonie én schreef meer boeken dan Stedman. Toch is hij veel minder bekend dan de auteur van de Narrative against the Revolted Negroes of Suriname. Fermin is geboren in Berlijn. Zijn vader was een Hugenoot, afkomstig uit het stadje Orange, in de Vaucluse (Frankrijk), net boven Avignon. In 1754 vertrok hij naar Paramaribo waar hij zich als geneesheer vestigde. Met zijn, uit Maastricht afkomstige vrouw, Marie Magdelaine Morrin, verbleef hij acht jaar in Suriname. Na zijn terugkeer naar Europa in 1762, vestigde hij zich in Maastricht. Daar werkte hij aan zijn aanzienlijke oeuvre over Suriname.

Gezicht op Port Victoria gelegen aan de Suriname rivier, Jacob Marius Adriaan Martini van Geffen, 1850

Gezicht op Port Victoria gelegen aan de Suriname rivier, Jacob Marius Adriaan Martini van Geffen, 1850 (Collectie Rijksmuseum)

In 1764 verscheen Traité des maladies les plus fréquentes à Surinam, avec une Dissertation sur le fameux crapaud pipa; gevolgd in 1765 door Histoire naturelle de la Hollande equinoxiale. Later volgden nog een zeer interessante verhandeling over de vraag of het toegestaan is slaven te houden in de koloniën in Amerika en ze als zodanig te gebruiken: Dissertation sur la question s’il est permis d’avoir en sa possession des esclaves, & de s’en servir comme tels, dans les colonies de l’Amerique (1770). In 1778 verscheen Tableau historique et politique de l’état ancien et actuel de la colonie de Surinam, et des causes de sa décadence.

 

fermin molen kl

Molen voor het persen van het suikerriet (illustratie uit Fermin’s Algemeene Beschrijving van Suriname: collectie Buku Bibliotheca Surinamica). 

In 1765 verscheen zijn omvangrijkste en belangrijkste werk: Description générale de la colonie de Surinam. Daarvan verschenen in 1770 een Duitse- en, in hetzelfde jaar, in Harlingen, de Nederlandse vertaling waarover wij hier nu berichten. Het boek bestaat uit twee delen en is heeft een aantal prachtige gravures. Zo vinden we er bijvoorbeeld één van een tentboot met acht roeiers en een suikermolen die door paardenkracht wordt aangedreven. Maar het topstuk is de uitvouwbare plantagekaart van Suriname. Op deze gedetailleerde kaart worden honderden plantages, die langs de grote rivieren zijn aangelegd, weergegeven met een nummer die corresponderen met een register in het boek waarin we de plantagenamen of namen van de eigenaren terugvinden. Zoals hierboven al gesteld: Fermin woonde en werkte een aantal jaar in Suriname. De uitgever schrijft in het boek dat Fermin door dat verblijf in staat is gesteld om ons een ‘echt en naeuwkeurig bericht mede te deelen, van al het merkwaardige dat in die Volksplanting gevonden wordt’. De schrijver heeft ‘alles met eigene oogen gezien heeft en onderzocht’. Net zoals bijna alle 18e eeuwse reisverslagen uit Suriname begint ook Fermin met een uitvoerige verhandeling van de kust van Suriname, alle rivieren, de forten en het aanzien van de stad Paramaribo. Ook een beschrijving van het klimaat in de kolonie ontbreekt niet. Ik zal de lezer, die ik veronderstel hiermee bekend te zijn, niet vermoeien met deze beschrijving.

Paramaribo Gouvernementsplein

Veel interessanter wordt het als Fermin de oorspronkelijke inwoners beschrijft, de inheemsen, die door hem indianen of inboorlingen worden genoemd. Hij was geïntrigeerd door deze bevolkingsgroep want hij wijdt er maar liefst zes hoofdstukken aan. Fermin vindt de mannen ijdel, verwaand en lui maar de vrouwen zijn een stuk minder lui. Zij zijn namelijk altijd bezig met het huishouden, het vlechten van manden, aardewerk of het maken van hangmatten. Deze beschrijving vinden we bij verschillende auteurs die vóór hem Suriname bezochten en vele die na hem kwamen. Dat valt vooral op als het gaat om de geboorte van een kind. Zodra een vrouw een kind ter wereld heeft gebracht gaat zij naar de rivier om zichzelf en het kind te wassen. De vader gaat in de hangmat liggen waar hij vervolgens zes weken rust houdt.

slaven aan het werk

Slaven aan het werk op een plantage in Suriname (anoniem, ca. 1850. Collectie Rijksmuseum)

Aan de slavenbevolking wijdt Fermin drie hoofdstukken. Fermin heeft zijn boek opgedragen aan de bewindhebbers van de kolonie Suriname. Het mag geen verbazing wekken dat Fermin geen abolitionist was. Sterker nog, hij voelt zich geroepen om de mening van ‘zekere hedendaagsche Philosoophen’, die beweren dat slavernij niet alleen in strijd is met de Christelijke liefde maar ook met Gods wetten, tegen te spreken. De Europeanen waren, volgens de auteur, gedwongen om, vanwege de ‘bovenmatige hitte’ van het land, sterke mensen te zoeken die in staat waren het land te bewerken. Zij vonden dat er niemand bekwamer waren om deze taak uit te voeren dan de Afrikanen (‘bekend onder den naam van Negers, of Zwarten’). Maar toch roept Fermin ook op tot een beter behandeling van de slaven. Hij schrijft ‘dat het van ’t uiterste belang is, de slaaven met zagtheid te behandelen, en niet te straffen op barbaarsche wyze…’ Daar hoort ook zijn waarschuwing aan de planters bij om geen geslachtsgemeenschap (‘minnenhandel’) met getrouwde slavinnen te hebben. Dit lokt namelijk wraak uit of leidt tot weglopen van de plantages door de mannen. Sterker nog: Fermin vindt dat men het de slaven aan niets moet laten ontbreken.

fermin plantages

Lijst met plantagenamen uit boek Fermin (Collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Het is onmogelijk hier alle onderwerpen te behandelen waar Fermin over schrijft. Voor wie iets wil leren over de vruchten, moeskruiden, geneeskruiden, het suikerriet, de koffieboom, cacao, katoen, de vogels, de vissen of hoe een uit het leven van een planter er uit zag, vindt in dit boek een grote bron van kennis.

Het behoort tot één van de beste 18e eeuwse boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Het is een zeldzame titel die niet eenvoudig te vinden is. Voor wie overweegt een exemplaar aan te schaffen moet wel diep in de buidel tasten. De Franse editie ziet men nog wel eens bij een antiquaar voor ca. €1.500,-. De Nederlandse eerste editie is echter nóg zeldzamer. Daarvan is er op dit moment wereldwijd slechts één exemplaar te koop: vraagprijs €2.500,–. Als u dit boek al in uw bibliotheek heeft staan behoort u, net als de Buku Bibliotheca Surinamica, tot een klein gezelschap van gelukkige bibliofiele fijnproevers die de 18e eeuw in Suriname onder hand bereikt heeft.

 

Carl Haarnack

fermin kaart

Plantagekaart uit Fermin (Collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

 

 

 

Uit mijn verleden: bijdrage tot de kennis van Suriname. Willem Boekhoudt (1874). 

Tags

, , ,

“Uit mijn verleden” : bijdrage tot de kennis van Suriname. Willem Boekhoudt.  Winschoten: J.D. van der Veen, 1874.

De Surinaamse geschiedenis is op vele manieren verbonden met de Nederlandse provincie Groningen. Er zijn nogal wat Groningers in de loop der eeuwen naar Suriname vertrokken. Willem Boekhoudt (Groningen 1822- Winschoten 1894) is misschien één van de minder bekende Groningers die Suriname hebben bezocht. Tussen 1845 en 1849 woonde en werkte hij in Suriname in een ‘privaat-betrekking’ bij een aanzienlijke Nederlandse familie, zoals hij zelf schreef. Hij mocht herhaaldelijk als Evangelie-dienaar optreden in de Hervormde Kerk.

IMG_2969

Frontispies uit ‘Uit mijn Verleden’ (1874)

Omdat Boekhoudt, 25 jaar na zijn terugkeer in Nederland, over zijn ‘Surinaamse jaren’ een boekje publiceerde heeft hij zich een plek verworven in de Surinaamse geschiedenis en in de Surinaamse bibliotheek. Dank zij hem kunnen we nu door de ogen van een 22 jarige Groninger kijken naar het Suriname in de nadagen van de slaventijd. We moeten om zijn verhaal te kunnen lezen wel zijn aanvankelijke xenofobie verstouwen (‘De eerste aanblik van den neger boezemde mij afkeer in. Dat domme dierlijke wat het gelaat van den Afrikaan kenmerkt, is waarlijk niet in staat den Europeeër voor hem in te nemen’).

Boekhoudt vertelt ons over de schoonheid van de plantages en de verrukkelijke aanblik van de ‘schoone stad’ waarvan de straten zijn bedekt met schelpzand en die aan weerszijden zijn beplant met ‘citroen- of oranjebomen’. Maar hij is er ook getuige van hoe twee bastiaans op een plantage aan ‘eene jeugdige negerin, opgehangen aan een boom’ zweepslagen toedienen. Boekhoudt dankte de Hemel toen hij weer in de stad was waar zijn oog voor dergelijke ‘schriktooneelen’ gespaard bleef. Het was niet beslist de bedoeling van Boekhoudt om over alle mistanden, waar hij getuige van was, te schrijven. Dat zou in zijn ogen niet eerlijk zijn ten opzichte van de families die hun slaven ‘zachtzinnig’ bejegenen. Maar hij noemt het voorval van de slavin, die op afschuwelijke wijze zweepslagen krijgt, hier toch. Hij bekritiseert direct Wolter Robert baron van Hoëvell die in 1854 in zijn belangrijke boek Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet felle kritiek levert op de behandeling van slaven.

tentboot

Van Boekhoudt leren we dingen die we in archiefstukken doorgaans niet tegenkomen. Zo schrijft hij dat elke voorname familie over tenminste zeven ‘negers’ in de bediening moet beschikken. Enkele families hebben er meer dan twintig in hun huishouden. Het gezin waar hij werkzaam is (helaas weten we nog steeds niet welke familie dit was) had als bedienden twee ‘foetoe-bois’, een ‘naaimeid’, een ‘waschmeid’, een ‘botteleriemeid’, een kokkin, twee ‘palefreniers’ oftewel ‘grasnegers’ (die elke dag met een kano de rivier af gingen om op een andere plantage gras voor de paarden te halen) en een ‘blanken koetsier’.

Boekhoudt is onder de indruk van de ‘onvermoeidheid’ en kracht van de slaven. Hij geeft als voorbeeld dat één van de slaven van plantage Jagtlust van ’s morgens zes uur tot ’s avonds zes uur op het veld werkt. Na zijn werkdag loopt hij, ondanks het verbod van zijn ‘meester’, vier uur om naar een ander plantage te lopen waar zijn meisje woont. Hij moest daarbij door het bos en vaak door het water dat tot aan de knieën rijkt. Omdat hij de volgende ochtend weer vóór zes uur ’s morgens op Jagtlust moest zijn kon hij slechts een paar uurtjes met zijn geliefde doorbrengen. Dergelijke anekdotes maken het boekje van Boekhoudt onderhoudend en interessant.

 

kaartplantagecornelisvriendschap

Gezicht op de plantage Cornelis Vriendschap in Suriname  (collectie Rijksmuseum)

Ook worden er verschillende tochten naar het binnenland ondernomen. Zo gaat Boekhoudt met zijn beschermheer L., commissaris der Inlandsche bevolking, op reis naar de Boven-Cottica om de Aucaners ernstig te onderhouden over hun strooptochten en het feit dat het verboden is om in grote getale naar de stad te komen. De heer Slengarde, assistent van de commissaris, fungeerde als tolk. De tocht bracht hem langs vele plantages en er waren vele interessante ontmoetingen. Voorbij de Barbacoeba-kreek en de Becoe-kreek ontmoetten zij de Posthouder van de ‘Aucaner-Boschnegers’, een Belg die al twintig jaar tussen deze marrons woonde.

Het lijkt alsof hij zijn xenofobie van het moment, toen hij voor het eerst met Afrikaanse slaven werd geconfronteerd, langzaam van zich heeft afgeworpen. In zijn boek neemt hij een lange lijst met odo’s op (‘van welke eenige door mij-zelven uit de mond des negers zijn opgeteekend’) omdat deze het duidelijkst de scherpzinnigheid (‘vernuft’) van ‘den Neger’ verraden. (“Kondre drai, poes-poesi njam sra” (sic) -De wereld draait, de kat eet sla: ’t is de verkeerde wereld). Aan het eind van het boek krijgen we zelfs de preek die Boekhoudt in ‘de Neger-Engelsche taal’ houdt voor de Hervormde gemeente in Paramaribo (op 8 november 1846).

Ik verzamel al meer dan dertig jaar boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Toch ben ik dit boek van Willem Boekhoudt in die hele periode slechts één keer tegen gekomen. We vinden het boek bij een klein aantal universiteitsbibliotheken en bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag maar daar houdt het dan ook direct mee op. De Buku Bibliotheca Surinamica beschikt gelukkig over een fraai exemplaar. Verzamelaars moeten veel geduld en vooral veel geluk hebben om een exemplaar te vinden. Dat is jammer want het is eigenlijk één van de leukste 19e eeuwse reisverslagen die we kennen. Voor degenen die belangstelling hebben om de tekst te lezen is er gelukkig een digitale versie op het net te vinden (www.dbnl.nl).

Carl Haarnack

 

IMG_2968

Dutch Guiana. William Palgrave (1876)

Tags

, , ,

Dutch Guiana. William Gifford Palgrave. London: Macmillan and co., (1876)

Enige tijd geleden was ik in de ‘City of Londen’, het oude financiële hart van Europa. Gelukkig heeft Londen niet alleen op politiek gebied of als financieel centrum maar ook op het gebied van boeken een rijke geschiedenis. De lijst van Suriname-boeken die in Londen het licht zagen is lang. Zo begon in 1843 op 57 Aldersgate Street het uitgevershuis Macmillan. Hier werden o.a. de boeken van Lewis Carroll, Alfred Lord Tennyson, Thomas Hardy en Rudyard Kipling uitgegeven.

William_Gifford_Palgrave_by_Julia_Margaret_Cameron

William Palgrave by Julia Cameron

In 1876 verscheen Dutch Guiana van William Gifford Palgrave (1826–1888). Palgrave was door familiebanden nauw gelieerd aan Macmillan (de uitgever heet tegenwoordig Palgrave Macmillan). Hij ging na zijn opleiding naar India en diende in het 8e Regiment of Foot, Bombay Native Infantry. Daarna bekeerde hij zich tot het Rooms Katholicisme, werd hij tot priester gewijd en trad hij toe tot de orde van Jezuïten. Hij werkte in India, Italië en Syrië.

Palgrave’s  reislust bracht hem ook naar het Caraïbisch gebied. In 1875 bezocht hij, op verzoek van zijn vriend A. Cohen, ondersteund door een uitnodiging van gouverneur C.A. van Sypesteyn, Suriname. Interessant is dat Palgraves vader Sir Francis Palgrave (1788-1861) bij zijn geboorte Francis Ephraim Cohen heette. Het verblijf van William Palgrave in Suriname duurde niet langer dan twee weken. Toch is hij lyrisch over de Nederlandse kolonie. Hij vergelijkt in zijn voorwoord Suriname met het Bijbelse paradijs (‘a very pleasant place’) en noemt het  ‘the Creole paradise’.

Vanuit Georgetown in Guiana reist hij over zee naar Paramaribo. Het klimaat is gezond, schrijft hij. De stad Paramaribo, met zijn hoge huizen, wijde straten, tuinen en pleinen wordt gekenmerkt door levenshouding die Palgrave noemt: ‘Take it easy’. Maar, zo waarschuwt hij, laat u zich niet voor de gek houden. Een stad van slechts 22.000 inwoners die zoveel exporteert kan niet alleen bestaan uit dromers. Suriname is voor hem ‘Holland under another sky’ en Paramaribo is Amsterdam  aan andere wateren. Zijn ontzag voor wat de Nederlanders allemaal voor elkaar hebben gekregen is groot. De brandende vraag is dan hoe het zit met de creoolse bevolking in Suriname. Ondanks de ‘evils and degradation inseparable from slavery’ zijn de voormalige slaven er in geslaagd vliegensvlug in harmonie te emanciperen. In geen enkele West-Indische kolonie is er een parallel te vinden, volgens Palgrave.

1876_map_of_suriname

Kaart van Suriname uit het boek van Palgrave

Ook wordt er een reis gemaakt naar de Commewijne. Palgrave schrijft over plantage Voorburg. Naast 200 ‘creoles’ werken er 90 Hindostanen (‘coolies’) en 181 Chinezen. De eerder genoemde Cohen (‘her Majesty’s Consul’) coördineert de arbeid en betaling van de immigranten uit India. Zij krijgen hetzelfde betaald als hun ‘collega’s’ in Demerara. Ze krijgen goede medische zorg en zijn hier in Suriname volgens Palgrave beter beschermd dan in welke Engelse kolonie dan ook. De Chinezen wonen in een aparte sectie. Hun huizen zijn identiek aan die van de Hindostanen. Ze planten vooral kruiden en groeten. Ze zijn dol op varkens. De Creolen daarentegen verbouwen vooral aardvruchten, mango, bananen en bonen.

tropenmuseum_royal_tropical_institute_objectnumber_60006282_directeurswoning_op_plantage_voorburg

Directeurswoning op plantage Voorburg. Foto: Augusta Curiël (collectie Tropenmuseum)

Het is indrukwekkend wat Palgrave allemaal over Suriname weet te vertellen. Hij heeft er beslist niet stilgezeten. Om de lezer te informeren heeft hij de geschiedenisboeken goed bestudeerd. Ook trekt hij steeds vergelijkingen met de Engelse koloniën. Aan de marrons (‘bush negroes’) wijdt hij een heel hoofdstuk waarbij hij veel historische details vermeldt. Suriname verdient volgens de auteur een mooie toekomst. Onverschilligheid en onbekendheid met het land in Europa zijn grote obstakels. Hij eindigt zijn boek met hetzelfde enthousiasme waarmee hij begon:

Palgrave: ‘Ik heb nooit een aangenamer volk ontmoet dan ik daar aantrof, nergens heb ik mijn uren op een prettigere manier dan daar doorgebracht’.

Carl Haarnack

Na veertig jaren. Door C.P. Rier (1904)

Tags

, , ,

Na veertig jaren: voorlezing gehouden op den 41sten emancipatie-jaardag van de kolonie Suriname. Door C.P. Rier. Paramaribo, 1904.

Rier photho

Carel Paulus Rier is bijna door iedereen vergeten. Bijna niemand kent hem nog maar hij is één van de eerste voorvechters van de emancipatie van de zwarte bevolking van Suriname. Hij verdient een plek in de Surinaamse geschiedschrijving.

Rier werd op 3 januari 1863 in Paramaribo geboren. Zijn vader van Jannie Paulus Rier (ca. 1824-1898) was als timmerman (in slavernij) werkzaam op de plantage Killenstein. Zijn moeder was Elisabeth Helena van Daalen, geboren in 1838. Zij was een huisbediende (slavin) van Nicolaas Box (1785-1864), koopman en administrateur van o.a. de plantages Moed en Kommer en Adrichem. Zij werd in december 1862 gemanimuteerd.

In 1888 ging Rier naar Demerara waar hij als plantage-opzichter aan de slag ging. Daar trad hij ook toe tot de American National Baptist Convention. Riers ouders waren beide EBG-ers. Maar Carel Rier volgde in 1890 samen met Cornelis Blijd een bijbelcursus bij Bromet, de oprichter van de Vrije Evangelisatie Gemeente. Zeer tot ongenoegen van zijn vader die hem onterfde. In 1898 stichtte Rier, samen met o.a. Cornelis Blijd, de gebroeders Braaf en Byron zijn Surinaamse Evangelisatie die hij ook Surinaamse Baptistenkerk noemde. Riers kerk was eerst gevestigd in de Weidestraat maar later verhuisde hij naar de Steenbakkerijstraat.

Stad Steenbakkerijstraat (Klein)

Op 1 juli 1904 hield Carel Paulies Rier (1863-1917) ter gelegenheid van de viering van ‘Emancipatiejaardag’ een lezing in de Loge Concordia in Paramaribo. De tekst van zijn voordracht werd, zo schrijft Rier in zijn inleiding, op veler verzoek én om het aan de vergetelheid te ontrukken, in boekvorm uitgegeven. Rier, die zichzelf omschrijft als ‘nakroost’ van de geëmancipeerde slaven, wilde in zijn publicatie een ‘ernstige blik werpen op het verleden, het heden en de toekomst’ om daarmee een bijdrage te leveren aan het welzijn van Land, Volk en Kroon.

De grote verdienste van Rier was dat hij een grote stimulans gaf aan de 1 juli viering. Niet langer was het een feest dat uitsluitend binnen de kerk gevierd werd maar ook in brede kringen in de samenleving. In zijn rede stond hij kritisch tegenover de Herrnhutters omdat hij de Duitse taal als een obstakel beschouwde. Hij was een groot voorstander van het bevorderen van het Nederlands als schooltaal en cultuurtaal onder wat hij de ‘negerbevolking’ noemde. Tegelijkertijd is hij juist een vurig pleitbezorger van het gebruik van het Sranan Tongo in de kerk. Juist om die bevolkingsgroep te bereiken. Zo vertaalde hij de liederen uit de bundel van Bromet (die de Engelse Sankey-liederen in het Nederlands vertaald had) en vele bijbelteksten in het Sranan Tongo. Carel Rier was één van de eerste Afro-Surinaamse nationalisten die de verheffing van Creoolse bevolkingsgroep nastreefde. Dit stond voor Rier een groot respect en ontzag voor Nederland en het koningshuis niet in de weg. Hij past moeiteloos in de traditie van Otto Huiswoud, Anton de Kom, A. Koenders, Johanna Schouten-Elsenhout, Dobru en Edgar Cairo.

Rier cover

Dit bibliofiele pareltje is ook vanwege de prachtige foto’s waardevol. Allereerst vinden we er een prachtige foto van Carel Rier (zie boven). Bijzonder is ook een foto van de Commissie van de 40 jarige Emancipatiefeestviering in 1904 en die van een groep kinderen die feestelijk zijn getooid voor de Keti-Koti viering (en, werkelijk waar, een foto van koning Willem III).

Het exemplaar in de collectie Buku Bibliotheca Surinamica is voorzien van een bijzondere, handgeschreven opdracht: “Van de Baptist Kerk ‘de Surin. Evangelisatie’ aan onzen Landvoogd A.W.F. Idenburg ten geschenke. Met hoogachting. Uw dienaar C.P. Rier. Paramaribo, 20 jan. 1906”. Idenburg was in september 1905 benoemd tot gouverneur van Suriname. In bibliotheken vinden we slechts één exemplaar van het boekje van Rier. Daarmee kunnen we het gerust als bijzonder zeldzaam kwalificeren.

Carl Haarnack