Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten (1814)

Tags

Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten. Een St. Nikolaas-geschenkje voor de jeugd. Rotterdam, J. Hendriksen, [1814].

Kortgeleden werd er op een internetveiling van Catawiki een 19e eeuws kinderboek aangeboden. Het ging hier om een bijna 200 jaar oud boekje dat als Sinterklaasgeschenk voor de jeugd bedoeld was: Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten. Een St. Nikolaas-geschenkje voor de jeugd ( Rotterdam: J. Hendriksen, 1814). Nog in juni van dit jaar werd het zelfde exemplaar op de veiling van Zwiggelaar aangeboden maar bleef daar onverkocht. Het is soms onvoorspelbaar waarom een boekje op de ene veiling blijft liggen en het op de andere veiling een veelvoud opbrengt van de oorspronkelijke richtprijs. De verzamelaar van boeken heeft nu eenmaal te maken de wonderbaarlijke en soms onbegrijpelijke wegen die boeken nu eenmaal afleggen.

verzameling-van-aardige-en-het-verstand-opscherpende-anekdoten-titelblad

‘St. Nikolaas is een plegtige en vrolijke dag voor de kinderen in ons vaderland’, zo schrijft Hendriksen in zijn Voorberigt. Het is bedoeld ter uitspanning (vermaak) voor de jeugd hoewel de opscherping van het vernuft niet vergeten is. Dat laatste kunnen we in deze tijd natuurlijk goed gebruiken. In dit ‘Sinterklaasgeschenk’ is Zwarte Piet nog in geen velden of wegen te bekennen. Het boek bevat maar liefst 219 korte, vaak grappige, anekdotes. Maar om in de Buku-collectie te worden opgenomen moet een boek natuurlijk op zijn minst een link hebben met de koloniale geschiedenis in Suriname. In dit St. Nicolaasgeschenk vinden we onder een verwijzing naar Stedman, de belangrijkste 18e eeuwse chroniqueur van het leven in de kolonie Suriname. Het hoofdstukje heeft de titel ‘Soortgelijk’ omdat in het stukje ervoor het verhaal wordt verteld van een Doctor Wade uit Dublin. Iemand stal verschillende keren geld uit zijn kas. Hij kon de dader ontmaskeren door een geopende fles wijn tegen de deur van zijn kast te plaatsen zodat de degene die hem opendeed de wijn over zich heen kreeg.

Kapitein Stedman verzon ook een list om de dief te ontmaskeren die zijn suiker gestolen had. Daarbij maakte hij gebruik van het bijgeloof van de mensen die voor hem werkten. Suiker was in de 18e eeuw het belangrijkste product dat de plantagemaatschappij voortbracht. Het werd soms ook gebruikt als betaalmiddel. Hendriksen schrijft dat Stedman zijn ‘negers’ bijeen riep. ‘Daarna bromde hij eenige onverstaanbare woorden uit, en maakte zulke gebaren, alsof hij een matig toovenaar was’. Stedman vertelde dat er binnen enige minuten een papegaaienveer uit de neus van de suikerdief zou groeien. Hierop verborg hij zich in zijn tent en hield iedereen in de gaten. Iedereen hield zich kalm maar er was er één die van tijd tot tijd aan zijn neus voelde. De dief was ontdekt.

kapitein-stedman

John Gabriel Stedman die tussen 1772 en 1777 in Suriname verbleef. In 1796 publiceerde hij zijn Narrative of a Five Year Expedition Against the Revolted Negroes of Surinam.

Over het bijgeloof van de uit Afrika afkomstige slaven zijn veel interessante boeken geschreven. Dit boekje is zo leuk omdat hier om een adaptatie van Stedman gaat. Daarom komt dit boekje terecht in de deelcollectie van mijn verzameling die ik voor het gemak maar ‘Stedmania’ genoemd heb. Het belang van de publicatie van Stedman’s Narrative is groot. Er verschenen zoveel vertalingen en bewerkingen van dat deze nog lang niet allemaal in kaart zijn gebracht. Richard en Sally Price hebben een uitstekende poging gedaan alle edities van Stedman op te nemen in hun onvolprezen Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam, by John Gabriel Stedman, edited and with an introduction and notes by Richard Price and Sally Price (Johns Hopkins University Press, 1988). Maar de lijst van titels waarin stukjes uit Stedman bewerkt zijn is veel en veel langer.  De Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten van J. Hendriksen uit 1814 is er maar een voorbeeld van. In Engelse, Duitse, Franse, Zweedse, Italiaanse en Nederlandse teksten moeten er nog tientallen van soortgelijke adaptaties te vinden zijn.

Carl Haarnack

surinamica @ gmail.com

verzameling-van-aardige-en-het-verstand-opscherpende-anekdoten

zie bijvoorbeeld ook:

Stedman & Joanna

Reize naar Surinamen (1799)

Curious Adventures

Roomsch-Catholijke Catechismus (1847)

Tags

, ,

Roomsch-Catholijke Catechismus of Kort Begrip der Christelijke Leering in de Neger-Engelsche Taal voor de Kolonie Suriname met de Gebeden van den Nooddoop de Morgen en Avondgebeden [….] Amsterdam: C.L. van Langenhuysen, Singel, in den Berg Tabor, no. 465, 1847.

In het jaar 1735 kwamen de eerste Moravische Broeders, de Herrnhutters, aan in Suriname. Dat kon gebeuren omdat Graaf Nikolaus von Zinzendorff, de leider van deze piëtistische beweging, bevriende relaties had het bestuur van de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname. Kort daarna, in 1740, gaf de gereformeerde kerkenraad in Amsterdam toestemming voor de oprichting van een Lutherse gemeente in Paramaribo. Suriname werd door velen gezien als een protestantse kolonie en moest dat vooral blijven. Pas aan het eind van de 18e eeuw kreeg de Rooms-Katholieke kerk in Suriname voet aan de grond. Voorwaarden voor de vestiging van een katholieke gemeente waren dat hun kerk er niet als kerk uit mocht zien, zij uit de buurt van gereformeerden en luthersen moesten blijven én zij zich niet met de slaven mochten bemoeien.[i]

katholieke-kerk-klein

Katholieke Kerk in Paramaribo en een begrafenis processie (1839)

Op 21 november 1817, binnenkort 200 jaar geleden, arriveerde de Amsterdamse priester P. Wennekers in Paramaribo. Hoewel Wennekers al in 1823 in Suriname overleed heeft hij toch in belangrijke mate zijn stempel op de katholieke kerk in Suriname kunnen zetten. Hij richtte in Nederland een liefdefonds op om in Paramaribo een school te stichten en om slaven vrij te kopen. Ook leerde hij Sranan Tongo om met de slavenbevolking te kunnen communiceren. Aan hem hebben we dan ook dit prachtige Sranan Tongo-boekje te danken. Het is in een groen linnen bandje gevat en de bladsneden zijn verguld.

Zoals te verwachten vinden we in het boekje teksten als:

Mi Gado, mi Masra! Alla ogri disi mi ben doe, dee hatti mi foetroe, bikasi nanga datti mi ben trobbi joe, mi Gado!”

Maar het boekje bevat ook aanwijzingen voor de missionarissen die in het Nederlands zijn opgesteld:

“Indien het een nieuwe Neger is, die de taal nog niet goed verstaat, brengt men hem inde opene lucht, wijst men met hand naar den Hemel, om hem God in zijne groote werken te doen kennen …..”.

Dit maakt het boekje niet alleen interessant voor taalkundigen die het Sranan Tongo bestuderen maar ook voor historici die iets proberen te begrijpen van het leven in de slaventijd.

kankantrie

Kankantrieboom Suriname (Benoit, 1839)

Dat het katholicisme niet altijd door alle slaven met gejuich zal zijn ontvangen mag blijken uit het volgende. Op 24 juli 1821 werd op de plantage La Ressource een Kankantri omgehakt. Deze katoenboom (na Busi Gado) werd door slaven vereerd. Wennekers noemde deze boom een Afgoderij Boom. Op de plek waar de boom stond werd het Heilige Kruis geplant. In zijn boekje publiceerde hij Gezang ter Eere van het H. Kruis (Na Kownu fraga tiki), een vertaling van het Latijnse Vexilla Regis. Hij droeg dit lied op aan Mejufrrouw Anna Martina van Gelderland, eigenares van La Ressource aan de Saramacca.

de-berg-thabor-boekenwinkel-langenhuyzen-hoek-van-singel-434-en-de-beulingstraat-beeldbank-stadsarchief-amsterdam

In den Berg Tabor. De boekwinkel/uitgeverij van C.L. van Langenhuyzen op de hoek van de Singel (nu no. 434) en de Beulingstraat (Beeldbank Stadsarchief Gemeente Amsterdam)

Het boekje werd in 1847 uitgegeven door C.L. van Langenhuysen die gevestigd was aan het Singel 434 in Amsterdam (hoek Beulingstraat). Het is herdruk van het boekje dat Wennekers in 1822 bij Tetroode in Amsterdam liet verschijnen. Dit exemplaar uit de Buku-collectie werd, zo blijkt uit de handgeschreven ex-dono op het titelblad, geschonken door Jacobus Groof (die meer dan twintig jaar in  Suriname werkte) aan frater J. van Vree. Deze laatste was president van het seminarie van Warmond waar Grooff theologie gestudeerd had. Dat is ook direct het geheim hoe het kan dat dit boekje in zo’n goede staat bewaard is gebleven: het is nooit blootgesteld aan de Surinaamse klimatologische omstandigheden. Er zijn maar weinig gedrukte bronnen met teksten die in het Sranan Tongo zijn geschreven. Daar moeten we zuinig op zijn. In Suriname zijn de exemplaren die ooit door katholieke missionarissen zijn meegebracht allang verdwenen. In Nederland beschikken alleen de bibliotheken van de universiteit van Leiden en Maastricht over een exemplaar.

Carl Haarnack

[i] Zie: Joop Vernooij, De regenboog is in ons huis. De kleurrijke geschiedenis van de r.k. kerk in Suriname. p. 14 e.v.

titelblad

Iets over de Hindoe-vrouw door C. van Drimmelen (1912)

Tags

, , , ,

Iets over de Hindoe-vrouw: bijdrage tot de kennis van het leven, de zeden en de gewoonten van het volk, waartoe de Britsch-Indische immigranten in Suriname behooren. C. van Drimmelen. Paramaribo: Immigratie-Departement, 1912.

eunoobia

Eunoobia, Paramaribo (ca. 1908)

Misschien dat de term ‘boek’ voor deze titel enigszins overdreven is. Het werkje bestaat uit niet meer dan 15 pagina’s. Maar er zijn genoeg redenen om voor deze titel op deze plek aandacht te vragen. Doorgaans schrijven we hier over boeken die minimaal honderd jaar oud zijn. Dat betekent dat er relatief weinig aandacht is voor bijvoorbeeld de immigranten uit wat vroeger Brits-Indië heette. De vroegste titel die die betrekking heeft op de ‘Hindostanen’ in Suriname die we in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag vinden dateert van 1930 (De Britsch-Indiërs in Suriname: een korte schets benevens een handleiding voor de beginselen van het Hindi door Rudolf Karsten). Omdat er in Nederlandse bibliotheken slechts vier exemplaren van ‘Iets over de Hindoe-vrouw’ te vinden zijn mogen we dit boekje gerust zeldzaam noemen.

nickerie-1835

detail van kaart Generale Kaart van Suriname. M.D. Teenstra (Landbouw in de Kolonie Suriname, 1832)

Corstiaan van Drimmelen (1860–1935) leefde tussen 1884 en 1921 in Suriname. Hij kwam daar als luitenant en vervulde na zijn diensttijd verschillende bestuurlijke functies. Eerst was hij lange tijd districtscommissaris van Nickerie om vervolgens, in 1902,  hoofd van het departement Immigratie te worden. Hij nam deel aan een aantal wetenschappelijke expedities naar de binnenlanden van Nickerie. Hij vernoemde de waterval in de Boven-Nickerie naar zijn vrouw Blanche-Marie. In 1914 werd in Nickerie een polder aangelegd die haar naam aan hem ontleende: De Van Drimmelenpolder.

Tijdens zijn baan als agent-generaal voor de Immigratie schreef hij Iets over de Hindoe-vrouw. In Hindostan wonen, zo schrijft Van Drimmelen, niet minder dan 250 miljoen mensen. Men vindt er Hindoes, Mahomedanen, Budhisten, Animisten, Christenen en Joden. Maar meer dan drie-vierde van de bevolking belijdt de Hindoe-godsdienst. Zij geloven volgens de auteur in een opperste wezen die zij Paramatma noemen. Ook de onsterfelijkheid van de ziel maakt onderdeel uit van dit geloof. Ook het kaste-systeem (afgeleid van het Portugese ‘casta’) komt aanbod. Bovenaan de Brahmanen en de Kshattryas, gevolgd door de  Vaisyas (kooplieden en landbouwers en handwerkslieden).  De vierde groep werd gevormd door de ‘dienstbaren’, de Soedra’s. De laagste volksklasse waren de paria’s waar men straatvegers en vuilophalers.

janki-detail

Janki, ca. 1900

In het wetboek van Manoe staat dat een dochter gelijk is aan een zoon. Maar Van Drimmelen is er van overtuigd dat man en vrouw pas gelijk zijn als de vrouw een zoon heeft gebaard. Vaders wensen volgens hem geen dochters te bezitten omdat die later toch van iemand anders zullen zijn. Onvruchtbare vrouwen of vrouwen die alleen dochters konden baren kunnen soms verstoten worden. De opvoeding van vrouwen waarin geestelijke verzorging (onderwijs, ch) geen rol speelt vormt volgens onze auteur een obstakel op de weg naar beschaving. Ook de voorschriften met betrekking tot het huwelijk worden door hem bekritiseerd. Alle meisjes moeten worden uitgehuwelijkt, het liefst met iemand uit een hogere kaste maar in elk geval nooit met iemand van een lagere geboorte. In Noordoost-India trouwen Brahmanen uit de hoogste stand soms met tien, twintig of soms zelfs wel met honderd meisjes. En als de vrouw eindelijk getrouwd is dan is er een grote lijst met plichten en geboden. Zo eet zij nooit voor dat de man gereed is en als de ouders of familie van de man op bezoek zijn spreekt zij zeer zachtjes tegen hen. Bij het wandelen blijft zij op gepaste afstand achter haar man. Met de buitenwereld komt zij nog nauwelijks in aanraking. En als het allemaal nog niet erg genoeg is schrijft Van Drimmelen over het tragische lot van weduwen. Deze worden veracht en verwaarloosd en mogen slechts één keer per dag eten. Als gevolg van deze slechte behandeling zoeken weduwen soms hun heil in zelfmoord.

hindostaans-huwelijk-tafereel

Hindostaans huwelijksgebruik. Foto: Willem van de Poll (1949) – Geheugen van Nederland

Schrijft de auteur dan helemaal niets positiefs en opwekkendst over de rol van de Hindoe-vrouw in de samenleving? Nee, ik heb er echt naar gezocht maar kon niets opbeurends vinden. Laten we hopen dat hij schromelijk overdrijft en in hoge mate generaliseert. Is dit een eenzijdige visie van een Europese bestuurder op de ‘Ander’, in dit geval de migranten uit India, die naar Suriname gelokt werden?  Zijn boekje zegt helaas niets over de specifieke positie van de Hindostaanse vrouwen in Suriname. We leren niets over de emancipatie van de Hindostaanse vrouw die zich ook in Suriname heeft voorgedaan. Het zou interessant zijn als we verhalen zouden kunnen vinden van een Hindostaanse die aan het begin van de 20e eeuw verhalen over haar leven in Suriname aan het papier heeft toevertrouwd. Zoekt u naar dagboeken of brieven van uw Nani of uw  Adjie. En als die er niet zijn vraag ze dan het hemd van het lijf en schrijf het op: in het belang van de Surinaamse geschiedschrijving.

Carl Haarnack

koelivrouw-feestgewaad

Hindostaanse in Suriname, ca. 1907

 

 

surinamica @ gmail.com

Jacques Cassard (1679-1740)

Tags

, , , , ,

Vies du capitaine Cassard et du capitaine Paulin, con sous le nom de Baron de la Garde.  Adrien Richer. Paris, Chez Belin, 1789.

Geschiedschrijving is per definitie een subjectieve bezigheid. In het ene geschiedenisboek worden Codjo, Mentor en Present beschreven als gevaarlijke oproerkraaiers die de kolonie Suriname ten gronde wilden richten, in andere publicaties worden deze marrons, die verantwoordelijk waren voor de brand die Paramaribo in 1832 bijna geheel verwoestte, als verzetsstrijders en helden geroemd.

cassard-buku

In dit boekje wordt het leven beschreven van de Franse zeeman Jacques Cassard (1679-1740). Volgens de auteur van dit zeldzame boekje moet Cassard gerekend worden tot de grootste zeehelden die Frankrijk heeft voortgebracht. Vooral zijn grote successen in het Caraïbisch gebied worden daar bij geroemd. De Franse Marine heeft, naast een aantal gebouwen, wel tien schepen in haar vloot naar Cassard vernoemd. Zijn geboortestad Nantes heeft hem vereeuwigd met een eigen straat, de Allée Cassard. Nantes was in de 18e eeuw overigens belangrijkste haven in Frankrijk voor wat betreft de slavenhandel (gevolgd door  La Rochelle en Bordeaux). Over de Franse betrokkenheid bij de Trans-Atlantische slavenhandel kunnen we overigens een hele bibliotheek vol schrijven.

Tables de Honte.jpg

Les tables de honte, par Schneider et Langrand (Musée d’histoire de Nantes)

Maar wij zouden in deze rubriek nooit over deze Fransman geschreven hebben als hij niet op enige wijze verbonden zou zijn met Suriname. Daar herinnert men zich deze Cassard op een heel andere manier. In juni 1712 werd een aanval van een aantal Franse schepen onder leiding van Cassard nog afgeslagen. Maar op 8 oktober van hetzelfde jaar verscheen hij opnieuw op de Surinamerivier. Dit keer met acht grote oorlogsschepen dit gezamenlijk over 336 stukken geschut beschikten, zo’n dertig kleinere vaartuigen en in totaal zo’n 3000 soldaten. Paramaribo werd met kanonnen beschoten en Cassard nam zijn intrek op plantage Meerzorg. De plantage-eigenaar van Meerzorg, Paul Amsincq (een uit Rouen afkomstige Hugenoot), vluchtte bijna geheel ontkleed met vrouw en kinderen de bossen in.

Gezicht op plantage Meerzorg

Gezicht op de koffieplantage Meerzorg. Door Willem de Klerk (1876) – collectie Rijksmuseum

Cassard gaf vanuit zijn nieuwe hoofdkwartier opdracht aan een deel van zijn vloot om de Surinamerivier op te varen en de plantages te veroveren. Daar was weinig weerstand. Veel plantage-eigenaren, directeuren en opzichters hadden hun plantages verlaten om in Paramaribo te helpen de aanval af te slaan. Uit angst voor de roofzucht van de Fransen hadden veel planters hun slaven opdracht gegeven om zich in de bossen schuil te houden. Soms kregen die kostbare bezittingen mee zodat de troepen van Cassard deze niet konden roven. Ook zijn er gevallen bekend waar de vrouwen en kinderen van planters aan de slaven werden toevertrouwd en deze door kreken, moerassen en bossen uit de handen van de vijand probeerden te blijven.

Rij huizen op de plantage Palmeniribo te Suriname, Dirk Valkenburg, 1708.jpg

Plantage Palmeniribo in Suriname. Dick Valkenburg (1708) – collectie: Rijksmuseum

Suriname wordt in dit boekje de meest bloeiende kolonie in Amerika genoemd. Ze heeft haar weelde te danken aan de handel in suiker, tabak, koffie en katoen. De vruchtbare weilanden voeden talloze kuddes, de bossen zitten vol met uitstekend wild, de rivieren leveren alle soorten vis. Dat Paramaribo en de plantages niet werden platgebrand, zoals Cassard gedreigd had, was te danken aan het feit dat vertegenwoordigers van het Nederlandse koloniale gezag akkoord gingen met het betalen van een brandschatting. Op 2 oktober 1712 werd op plantage Meerzorg een overeenstemming hierover bereikt. In dit bijzondere Franse boekje wordt eufemistisch gesproken over een ‘contribution’ maar de kosten voor Suriname om van Cassard en zijn troepen af te komen waren hoog. Er wordt gesproken over een derde deel van alle bezittingen; fl. 747.350 Surinaamse guldens (fl. 682.800 Nederlands). Dit astronomische bedrag werd betaald met slaven, suiker, koperwerk, zilver, muntgeld en geldwissels (cheques) die in Amsterdam geïnd moesten worden. Zo’n 734 Afrikaanse slaven werden meegegeven en een flink aantal ‘roode slaven’ of ‘indianen’. Cassard verliet, twee maanden na met begin van zijn aanval, op 12 december met zijn geroofde buit de kolonie Suriname. Hij zette koers naar Curaçao waar hij in 1713 nog maals een forse brandschatting wist los te krijgen. De betalingen aan Cassard, die gelijkelijk over de kolonisten moesten worden omgeslagen, zorgden voor grote conflicten tussen de planters en het koloniale gezag. Maar misschien werd de grootste schade nog wel aangericht door het feite dat veel slaven, die de bossen in werden gestuurd, om ontvoering door te Fransen te voorkomen, niet naar hun plantages terugkeerden. Zij voegden zich bij de al eerder weggelopen slaven. De groep marrons was, als gevolg van de angst voor Cassard én door toedoen van de planters zelf, aanzienlijk gegroeid.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2015/05/10/luzac/

https://bukubooks.wordpress.com/2014/08/13/voltaire/

 

titelblad k.jpg

Natural history of Guiana. Edward Bancroft (1769)

Tags

, , , , ,

An essay on the natural history of Guiana, in South America : containing a description of many curious productions in the animal and vegetable systems of that country. Together with an account of the religion, manners, and customs of several tribes of its Indian inhabitants. Interspersed with a variety of literary and medical observations. In several letters. London: Edward Bancroft. T. Becket and P. A. de Hondt, 1769.

Bancroft-pic

Edward Bancroft (1745-1821)

Eén van de belangrijke doelstellingen van deze rubriek is om u kennis te laten maken met onbekende boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Deze is uitgebreider en diverser dan doorgaans wordt aangenomen. An essay on the natural history of Guiana is zo’n titel die door wetenschappers en verzamelaars vaak over het hoofd wordt gezien. Edward Bartholomew Bancroft werd geboren in Westfield, Massachusetts, in 1745. Hij werd opgeleid tot arts en chemicus maar hij liep weg van zijn baantje als leerling-arts. Over zijn rol als dubbelspion voor de Amerikanen en Engeland is al veel geschreven. Wij beperken ons hier tot zijn tijd in Nederlands Guiana en zijn boek. Op 19 jarige leeftijd kwam hij in de Nederlandse koloniën terecht waar hij in 1763 als arts op een suikerplantage werd aangesteld. Hij verliet Zuid-Amerika weer in 1766. Drie jaar na zijn vertrek publiceerde hij in 1769 zijn boek An Essay on the Natural History of Guiana.

Marowijne

Bancroft schrijft over de Nederlandse bezittingen in Zuid-Amerika die zich uitstrekken van het stroomgebied van de rivier de Pomeroon, in het huidige Guiana, tot aan onze eigen Marowijnerivier. Het boek is een bundeling van vier brieven die Bancroft in 1766 stuurde aan zijn broer Daniël. In de eerste brief schrijft hij vooral over de bomen en gewassen (cacao, koffie, katoen, cassave en bananen bijvoorbeeld). In zijn tweede brief gaat hij vooral in op de fauna in het gebied. Hij schijft over de vogels zoals papagaaien en valken maar ook over tijgers en vleermuizen. Daar zullen vooral biologen, ornithologen en andere liefhebbers van genieten. Maar is de derde brief zijn de oorspronkelijke inwoners aan de beurt. Hij beschrijft de ‘indianen’ van de Guiana’s en onderscheidt vier stammen: de Carribbees, Accawaus, Worrows en Arrowauks. De indianen hebben vele weggelopen slaven gedood en werden rijkelijk beloond, door het koloniaal gezag,voor elke afgehakte hand die getoond kon worden. Daar aan voegt hij toe dat de indianen de gewoonte hadden om hun vijanden, die zij in de strijd gedood hadden, op te eten. Tot dan toe was er over het leven en gewoonten van indianen weinig geschreven. Bancroft weet veel te vertellen over de gebruiken en gewoonten van de inheemse bevolking.

Prent indianen Gallina 1825

‘Indianen’ door Gallina (1825)

De slavenopstand in Berbice in 1763 wordt uitvoering behandeld. Honderden van de opstandige slaven werden verbrand of geradbraakt met alle verschillende vormen van wreedheid waarvoor de Nederlanders bekend stonden, zo schrijft Bancroft. Net als in de andere West-indische koloniën neemt de slavenstand snel af als deze niet wordt aangevoerd met aanvoer van nieuwe slaven uit Afrika. De zware arbeid en de onderdrukking zijn de belangrijkste redenen daarvoor volgens de auteur. Als laatste gaat Bancroft in op verschillende ziekten die zich voor doen, zoals lepra.

Om de geschiedenis van Suriname te kunnen begrijpen is het belangrijk om het ook in de bredere context van de Nederlandse koloniale politiek in heel Guiana te bekijken. De geschiedenis van Demerara, Essequibo en Berbice (die nu tezamen buurland Guiana vormen) kunnen niet los worden gezien van die van Suriname.

Carl Haarnack

 

titelpagina Bancroft

?

 

 

 

De menschetende aanbidders der zonneslang. Gebr. Penard (1907)

Tags

, , , , ,

De menschetende aanbidders der zonneslang. F.P. Penard en A.P. Penard. Paramaribo: Heyde, 1907/1908.

De broers Frederik Paul Penard (1876-1909) en Arthur Philip Penard (1880-1932), behoorden tot een welvarende familie in Suriname. Vader, Frederik Paul Penard Sr. (1801-1849), maakte een fortuin in de handel in hout. Hun moeder, Philippa Salomons (1850-1926), was mogelijk een nazaat van Alexander Salomons, vendumeester in Paramaribo. De broers gingen van jongs af aan met hun vader mee op zijn tochten door de binnenlanden van Suriname. Op jonge leeftijd werden Frederik en Arthur echter getroffen door lepra waardoor zij aan huis gekluisterd waren. Door intensieve contacten met de Caraïben (ook wel Kalihna of Kari’na) konden zij een grote ornithologische verzameling aanleggen en de taal en cultuur van de oorspronkelijke bevolking van Suriname bestuderen. Door hun ziekte werden beide blind. Desondanks publiceerden Frederik en Arthur in 1908 De vogels van Guyana (Suriname, Cayenne en Demerara), dat jarenlang hét ornithologisch standaardwerk zou blijven.

penard cover

Originele papieren band van De Menschetende Aanbidders der Zonneslang (1907/1908)

Een jaar eerder verscheen De menschetende aanbidders der zonneslang, waarin de folklore en religie van de Caraïben centraal stond. In hun voorwoord schrijven de auteurs dat hun motivatie om over ‘de indianen’ te schrijven voorkomt uit het feit dat er tot dan toe alleen oppervlakkig over hen geschreven werd. Het is een ‘psychologische studie over de innerlijke gedachten, wereldbeschouwing en logica van een volk van dichters, van vrije mensen die ‘zullen uitsterven zonder ooit den blanken onderdanig te zijn geweest.’ Uitvoerig wordt stilgestaan bij de geschiedenis van de Caraïben sinds de ‘ontdekking’ van Amerika door Columbus. De Penards kennen hun klassiekers en noemen de werken van o.a. La Condamine, Von Humboldt, Brett, Schomburgck, Kappler, Van Coll en De Goeje.

indianen brits-guiana

Maar de echte toegevoegde waarde van de broers zit hem vooral in het feit dat zij veel verhalen die jarenlang door mondelinge overlevering bewaard bleven hebben opgeschreven. Zo kunnen wij nu lezen over de Legende van de Kanibaal-Priester, over het Gevecht van een Piaaiman met een Priestergeest, Legende van Onone, Legende van Jorobodie, Legende van den Bloeddrinkenden Neger. Deze laatste legende gaat over een zwarte man genaamd Boesibaroenoe. Hij was een verrader want hij gaf zijn ‘rasgenoten’ aan bij de blanken. Hij zoog het bloed uit zijn slachtoffers en gooide hun lichamen naar de slangengeest. Een Arrowakse piaiman, Joeni (de Geweldige) maakte hem onschadelijk door hem onderwater vast te binden. Dit verhaal, zo geven de Penards aan, gaat over Quassie van Timotibo. Deze had van de indianen de kruiden geleerd die ziekten zoals lepra konden genezen. Quassie speelde als vrijgemaakte slaaf een dubbelrol en hielp het koloniale gezag regelmatig van de plantages weggelopen slaven terug te vinden. Maar de naam Boesibaroenoe kan ook een verbastering zijn van Bos-Baron. Baron was één van de meest gevreesde leiders van de marrons in de 2e helft van de 18e eeuw.

quassia

Quassie van Timotibo 

Het boek staat boordevol met verhalen en anekdotes. We leren bijvoorbeeld ook over het voedsel, de jacht en de visserij. Het huwelijksleven van de Caraïben en  polygamie, liefde voor ouders en kinderen, opvoeding, hun drankgebruik en feesten, rituelen rond de dood, komen ook uitvoerig aan bod. Daarnaast vinden we er ook veel informatie en afbeeldingen van inheemsen en hun kunst- en gebruiksvoorwerpen zoals aardewerk en vlechtwerk. In 1908 verschenen deel II Het woord van den Indiaanschen Messias en deel III Neo-Sophia of de cirkelleer van tijd en ruimte. In 2013 werd in het Museum Volkenkunde in Leiden bij de verbouwing van de bibliotheek manuscripten bestaande uit 6500 handgeschreven fiches gevonden.  Deze bevatten waardevolle informatie over de geesteswereld van de Surinaamse ‘indianen’. De gebroeders Penard schreven in 1907 met eerbied over de geschiedenis en folkore van de oorspronkelijke inwoners van Suriname, iets wat tot dan toe ongebruikelijk was. Zij verdienen een ereplaatsje in het Surinaams museum én de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

 

titelblad

Titelblad

 

De Manja. C. van Schaick (1866)

Tags

, ,

De Manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven. C. van Schaick. Arnhem: D.A. Thieme, 1866.

Hoewel deze rubriek misschien anders doet vermoeden bestaat er eigenlijk relatief weinig Nederlandse literatuur waarin slavernij het thema is. Een bijzonder klein gedeelte daarvan is geschreven door auteurs die zelf in Suriname hebben geleefd en gewoond. Deze roman van Cornelis van Schaick, De Manja, verscheen precies 150 geleden, in 1866. Van Schaick heeft vanaf 1852 meer dan 10 jaar in Suriname geleefd. Hij werd geboren in 1808 in Amsterdam en werd in 1851 door de koning benoemd tot predikant in Suriname.

plantage commewijne

Plantage in de Commewijne (G. Voorduin ca. 1860)

Dat Van Schaick zich met opgave in het culturele leven van Paramaribo stortte mag blijken uit het feit dat hij voorzitter van de vrijmetselaarsloge Concordia werd, hij schreef gedichten en proza. Ook was hij betrokken bij de oprichting van het tijdschrift West-Indië. Mede vanwege zijn grote gezin had hij het niet breed en moest hij wel wat extra geld verdienen met het schrijven van stukken. In 1864 keerde hij met zijn vrouw en acht kinderen terug naar Nederland.

Gezelschap bij de Manjaboom op plantage Morgenstond, anoniem, ca. 1910  detail  collectie Rijksmuseum

Gezelschap bij de Manjaboom op plantage Morgenstond, Suriname. Anoniem, ca 1910 (collectie: Rijksmuseum)

Het verhaal in De Manja draait om de geschiedenis van de familie van de overste L. De slavin Rosalie speelt een belangrijke rol in deze familie. Zij genoot, als slavin van Missie Mathilda, een bevoorrechtte positie. Zij mocht in de ‘bottelarij’ eten wat van de tafel van de ‘Massera’ kwam. Zij hoefde niet te slapen in de ‘Negerhuizen’ maar sliep op de kamer van haar ‘pikien-Missie’ en ging als een halve dame gekleed. Ook hield Rosalie toezicht op de vrouwelijke bedienden in huis. Dit leidde natuurlijk tot afgunst en jaloezie bij andere slavinnen. De kokkin Maria heeft een plan bedacht om wraak te nemen op Rosalie. Zij heeft een plannetje om op ‘sokorati’ (chocola) die de familie iedere zondag na de kerk drinkt te vergiftigen. Rosalie moet dan, omdat zij als schuldige zal worden aangewezen, in ongenade vallen. Maar de oude slaaf James hoort toevallig van de snode plannen van Maria als zij zegt: “Kraboe-dagoe mi sa kiri joe! Joe Rosalie!” James vertelt van wat hij gehoord heeft aan zijn meester, de overste L. Hierop wordt Maria gestraft en James krijgt zijn vrijheid.

Als er tijdens een feest op de plantage ergens in de Commewijne geen champagne meer is, slaat de overste Rosalie in het gezicht. Ondanks het feit dat zij altijd heeft klaargestaan voor haar missie wordt zij door haar geminacht. Zij besluit om Mathilda uit wraak ziek te maken door haar manja’s voor te schotelen die besmet zijn. Rosalie had ze in doeken en verband van een met lepra besmette patiënt gewikkeld.  Mathilde raakte besmet met de ergste ‘boasie’ (lepra) die er was; de zogenaamde ‘natte melaatsheid’. Zij werd al snel naar de leprozenopvang Batavia gebracht waar zij snel overleed.

Lepra melaatsen kk

Verpleegden in leprozerie (ca. 1900)

De Manja is een zeer zeldzame 19e eeuwse roman. Het verscheen in Arhem bij D.A. Thieme als 64e deel van de Guldens-editie, een volksuitgave die voor 1 gulden werd verkocht. Maar weinig exemplaren hebben de tand des tijds overleefd. Slechts vier Nederlandse universiteitsbibliotheken hebben een exemplaar. In Suriname is er nooit een exemplaar opgedoken ( honderd jaar geleden was er zelfs niet in de Koloniale Bibliotheek een exemplaar te vinden). Het boek is bijzonder interessant omdat we er veel dialogen in tegenkomen die in het Sranan Tongo zijn weergegeven (met een Nederlandse vertaling in de voetnoot). Van Schaick heeft zich goed verdiept hebben in de taal en cultuur van de slavenbevolking. Hij geeft ons een inkijkje in het leven op de plantage, het leven van slaven, de feesten en de begrafenisrituelen. Misschien is deze roman nog wel het meest bijzonder vanwege haar kritische houding ten opzichte van slavernij. In de Nederlandse literatuur zijn dergelijk boeken maar dun gezaaid. Alleen al daarom verdiend het meer aandacht dan het de afgelopen 150 jaar heeft gekregen.

Carl Haarnack

 

de manja

Titelblad De Manja (collectie Buku BS)

Missions-Reise nach Suriname. Riemer (1801)

Tags

, , , ,

Missions-Reise nach Suriname und Barbice zu einer am Surinamflusse im dritte Grad der Linie wohenden Freinegernation, nebst einigen Bemerkungen über die Missionsanstalten der Brüderunität zu Paranaribo. Johann Andreas Riemer.  Zittau: 1801. 

Johann Andreas Riemer (1750-1786) werd geboren in het plaatsje Wespen, vlak onder Maagdenburg (Duitsland). In 1779 vertrok hij als missionaris van de Evangelische Broeder Gemeente (EBG) via Braunschweig, Hannover en Amsterdam naar Suriname. Eerst woonde hij bij de van de plantages weggelopen slaven, de marrons, in Bambey. Daar bestudeerde hij de taal van deze Saramaccaners. Riemer werkte hier aan zijn Saramaccaans woordenboek en zijn beschrijving van de grammatica van deze taal. Ook hield hij gedurende zijn verblijf in Suriname een dagboek bij. Hij schreef o.a. over de flora en fauna van Suriname maar ook over het leven van de slavenbevolking. Dat vinden wij natuurlijk veel interessanter. Wij weten eigenlijk nog maar weinig van het dagelijks leven in de slavenmaatschappij die Suriname lange tijd was. Maar dankzij reisverhalen van ooggetuigen, zoals deze van Riemer, krijgen we toch een klein inkijkje.

Riemer3

Courage! Masra, Courage! (Meester, wees dapper!). Illustratie uit Missions-Reise nach Surinam (1801)

Riemer beschrijft bijvoorbeeld een groep slaven die net uit Guinea was aangekomen in Paramaribo. De groep werd langzaam door de straten van Paramaribo geleid. Het was alsof het, zo schrijft Riemer, een groep verlaten schapen was; schuchter, bang en meelijwekkend, in afwachting van hun lot. Riemer was in het gezelschap van een aantal EBG missionarissen die een slaaf wilde kopen. Nadat zijn oog op een slaaf is gevallen wordt deze door een arts bekeken en goedgekeurd. Voor fl. 450,- wordt tot koop overgegaan. Riemer is zo geroerd door de blik vol verlangen van de Afrikaan (‘neger’) dat hij het schouwspel niet langer kan aanzien. Daaruit spreekt een zekere empathie uit die Riemer had voor de slaven. Hun lot is volgens hem treurig. De slaven, volgens Riemer door bedrog of valsheid van hun eigen verwanten in slavernij terechtgekomen, zweven tussen hoop en angst. Riemer geeft voorbeelden van verhalen van Afrikanen die man, vrouw, ouders en kinderen verraden en zelfs voor een kleine prijs verkopen zoals een rol tabak of een fles brandewijn. Maar Riemer haast zich om te melden dat slaven graag door de missionarissen gekocht worden omdat deze milder zijn en bescherming bieden. Het merendeel van de kopers van slaven is namelijk ronduit barbaars.

landingsplaats bij Fort Zeelandia Paramaribo k

Landingsplaats bij Fort Zeelandia (Paramaribo)

Riemer vertelt ons ook één en ander over de relaties tussen witte Europeaanse mannen en Afrikaanse vrouwen. Zo bezocht hij de scheepskapitein Kanz. Deze heeft in  Suriname een mulattin vrouw waar hij vier kinderen bij heeft. Zijn kinderen zijn gedoopt, gaan in Europese kleding door het leven en krijgen les van een dominee van de Evangelische kerk. De kapitein vertelt dat hij in Europa ook nog vrouw en kinderen heeft. Dat is, zo geeft hij aan, heel normaal. Ook zijn collega’s doen het net zo omdat zij soms jarenlang gescheiden van hun vrouwen moeten leven. Het is voor hem nobeler om zo te leven dan om hun vrouwen in Europa te bedriegen door vreemd te gaan of jonge meisjes te onteren. Wij weten nu inmiddels wel hoe Europese mannen zich in sexueel opzicht te buiten gingen aan Afrikaanse vouwen of hoe zij in een zg. ‘Surinaams huwelijk’ samenleefden. Maar in de 18e eeuw was het zeker niet gebruikelijk om daar zo open over te schrijven.

In juni 1780 verliet Riemer Suriname weer en keerde terug naar Duitsland. Zijn dagboekaantekeningen vormden de basis voor een boek dat pas vijftien jaar na zijn dood in 1801 verscheen. Riemer werd slechts 36 jaar oud. Zijn boek is uitermate zeldzaam maar boordevol informatie over het leven van alledag in Suriname rond 1780. Eigenlijk zou iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Suriname het moeten lezen. Voor het feit dat u er af en toe misschien een Duits woordenboek bij moet pakken, wordt u rijkelijk beloond.

Carl Haarnack

Zie ook:

Neger-Englische Gramatik

Vier Maanden in Suriname

Natalie Zemon Davis over taal en Riemer

 

titelblad riemer  k

Titelpagina Mission-Reise nach Suriname

Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

Tags

, , ,

Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. W.R. van Hoëvell. Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon,  1854.

Wolter Robert baron van Hoëvell werd geboren in Deventer in 1812. Hij overleed in 1879 in Den Haag. Tussen 1837 en 1848 was hij predikant in Batavia, het huidige Jakarta in Indonesië. Van 1849 tot 1862 was hij lid van de Tweede Kamer. Na deze periode bleef hij tot zijn dood lid van de Raad van State, adviesorgaan van de regering en de hoogste bestuursrechter van Nederland.

directeur en foetoe boi web n

Litho uit Slaven en Vrijen (1854)

In 1854 verscheen zijn boek Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. Dit is één van de belangrijkste boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Samen met de Max Havelaar (1860) vormt het de belangrijkste 19e eeuwse aanklacht tegen het Nederlandse beleid in de koloniën. Met zijn publicatie beïnvloedde Hoëvell in belangrijke mate het debat over de afschaffing van de slavernij in Suriname. Hij is zelf nooit in Suriname geweest maar heeft op basis van koloniale verslagen en informanten een boek samengesteld over de erbarmelijke levensomstandigheden van de slaven in Suriname (bijna 40.000 in aantal) en de marrons die zich in de binnenlanden ophouden. Die informanten worden niet bij naam genoemd omdat, zo geeft Hoëvell aan, de kans bestaat dat zij gevaar lopen door de acties van de tegenstanders van de afschaffing van de slavernij. Het boek biedt volgens de auteur ‘alléén waarheid en niets dan waarheid voor; dat wil zeggen: van den toestand der maatschappij in Suriname, voor zooveel de slavernij betreft, heb ik een waarachtig en getrouw tafereel trachten op te hangen’.

Plantage directeur en creolen mama web n

Plantage directeur met Creolenmama en slavenkinderen

Slavernij hoort volgens hem niet thuis in een land dat zegt christelijk te zijn. Zijn boek is doorspekt met verhalen over hoe slaven soms wreed gestraft werden om kleinigheden en vaak zonder enige reden. Op de vaak ver van Paramaribo afgelegen plantages is er nauwelijks toezicht door het koloniaal bestuur en spelen zich afschuwelijke taferelen af. Zo vertelt Hoëvell over een plantage waar een kalfje dood wordt geboren. De directeur is woedend en laat de slaaf Herman straffen. Hij wordt zonder eten en drinken op de zolder van de koffieloods opgesloten. De volgende dag wordt hij gedwongen toe te zien hoe de ‘creolen-mama’, en de kinderen die aan haar toevertrouwd zijn, spijzen nuttigen en water drinken. Als de vrouw en de dochter van Herman de plantage-directeur om vergiffenis vragen probeert deze zich aan de dochter te vergrijpen. De moeder smeekt hem dat niet te doen omdat zij te jong is. De directeur neemt wraak en laat Herman een zoute haring brengen. Hongerig als hij is verslindt Herman de haring. Maar het zout brandt in zijn mond en maag. “En zijne foltering werd heviger met ieder oogenblik; en al het bloed scheen zich in zijn hoofd te verzamelen; en zijne oogen puilden hem uit het hoofd; en zijn borst hijgde van benaauwdheid en angst…” Uiteindelijk verkiest Herman uit wanhoop de dood en springt uit het zolderraam.

Herman web n

Herman op de zolder van de koffieloods (zie links onder de graat van de haring)

Het is eigenlijk een wonder dat dit boek bij het grote publiek vrijwel onbekend is. Het boek is uitermate zeldzaam en is alleen in de 19e eeuw herdrukt. De litho’s in dit boek zijn van een zeldzame schoonheid. Alleen daarom al zou iedere Surinamica-verzamelaar, iedere bibliotheek, het Nationaal Archief in Suriname en ook het Ninsee in Amsterdam,  een exemplaar van dit iconische boek moeten bezitten. In alle jaren dat ik boeken over Suriname verzamel ben ik het slechts twee keer tegengekomen. Zelfs de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag beschikt niet over een eerste druk.

Carl Haarnack

 

titelblad Hoëvell n

Originele uitgeversomslag van de eerste druk van Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet (1854)

 

zie ook:

Geschiedenis van Suriname door J. Wolbers

Judges, Masters, Diviners: Slaves’ Experience of Criminal Justice in Colonial Suriname

 

Ma Kankantri. H.F. Rikken (1907)

Tags

, , , , ,

Ma Kankantri. Een verhaal uit de slaventijd rond 1800. Door François Henri Rikken (1907).

Het is nu meer dan 150 jaar geleden dat de slavernij werd afgeschaft. Dat betekent dat er geen mensen meer in leven zijn die de slavernij als ooggetuige hebben meegemaakt. Om ons een voorstellingen te kunnen maken van deze geschiedenis zijn er wel tal van historische bronnen. Er is opvallend weinig Nederlandstalige literatuur waarin het leven in een slavensamenleving centraal stond. Slechts weinig van deze bronnen werden opgeschreven door Surinamers. Ma Kankantri is een verhaal uit de slaventijd dat geschreven werd door een Surinamer.

Rikken

Pater Henri F. Rikken

Henri François Rikken werd een maand voor de afschaffing van de slavernij (mei 1863) geboren in Paramaribo. Zijn vader was Jacobus Henricus Rikken en zijn moeder was de ‘kleurling’ Elisabeth Maria Jantke die rond 1825 geboren is. In 1877 werd Rikken, toen 15 jaar oud, naar Nederland gestuurd om een priesteropleiding te volgen. Daar schreef hij onder andere voor de Katholieke Illustrator. In 1892 ging hij terug naar Suriname waar hij als redemptorist ging werken in Coronie, Para en Nickerie.

Rikken bestudeerde de geschiedenis en folklore van Suriname en verdiepte zich in het Sranan Tongo. In totaal schreef hij drie historische romans die als feuilleton verschenen in dagbladen en tijdschriften. In 1901 publiceerde hij Tokosì of Het Indiaansch meisje. Codjo, de brandstichter verscheen in 1902 en was het enige verhaal dat in boekvorm verscheen (in 1904, en een herdruk). Ma Kankantrie, een verhaal uit de Slaventijd rond 1800 verscheen in 1907 in de het Katholieke dagblad De Surinamer. Dankzij de onvolprezen Nel Sedoc, oprichter van de Stichting Rust en Troost, die zich ten doel stelt de Surinaamse cultuur te bevorderen, verscheen dit verhaal in 2007 alsnog in boekvorm.

ma kankantrie

Omslag Ma Kankantri

Vaak als we iets lezen over slavernij gaat het over het zware veldwerk op de plantages. De kracht van Ma Kankantri is dat het ook een andere kant van de slavernij laat zien. De nadruk ligt op mensen, die weliswaar in slavernij leefden, maar die ook een rijke cultuur, taal en gewoonten hadden. Zo begint het verhaal met een wedstrijd tussen de verschillende Doe-gezelschappen. De Doe’s van de mensen van de plantages (Pranasi-doe) concurreerden hevig met die Paramaribo (Foto-Doe). Deze laatsten beschikten vaak over meer geld en konden zich mooier kleden dan de slaven die op de plantages werkten. Zij tooiden zich met prachtige namen zoals Boen nem de gi grani (Een goede naam is eervol); Boen nem na wan sanni (Een goede naam is een goede zaak); Misgeene, (Afgunst); Falsi lobi (Valse liefde); Vertrouwminsisoema no de moro (Vertrouwde mensen bestaan er niet meer). De beschermvrouwen van deze Doe’s, zo schrijft Rikken, waren niet altijd gemanimutteerden (slaven die hun vrijheid kregen) maar soms ook afkomstig uit de vooraanstaanden van de stad.

benoit doe 1858

Doe op een plantage in Suriname (Benoit, Voyage a Surinam, 1839)

Rikken laat in het boek zien dat hij veel weet van het creoolse culturele leven. Ook begrafenis- en rouwrituelen komen uitvoerig aan bod. Bij het overlijden van Caro werd het lijk gereinigd met water waarin oranjebladeren waren gekookt omdat er geen zure oranje voorhanden was. Haar haar werd gewassen en gevlecht. Een oud gebruik schreef voor dat het lijk, in de beste witte kleding werd uitgedost, op een stoel geplaatst. Familieleden en vrienden namen in een kring om het lijk plaats. Papaja werd op de grond gelegd bij het lijk gelegd en er werd een kaars ontstoken die pas op de achtste dag om een uur of tien ’s avonds werd uitgeblazen. De schilderijen en spiegels aan de wanden werden omgedraaid zodat de geest zich daarin niet zou spiegelen. Vervolgens werd het lijk in een eenvoudige witte kist gelegd. Er werd gezongen en in de handen geklapt. Vooral voor de mannen, vooral de dragers van de kist, werd er rijkelijk dram geschonken.

begrafenis

Begrafenisprocessie Paramaribo (ca. 1910)

Vlak voor dat de kist dicht ging werden alle aanwezigen kinderen van het voorhoofd tot aan de punt van de neus met zwart roet bestreken. Eén van de volwassenen nam een kind op en sprak tot het lijk: “Joe sie na pikien? A de pratti nanga joe, jere! Effi wan maka de na hem passi, poeloe hem gi hem, opo passi gi hem” (Zie je het kind? Het neemt afscheid van je, hoor! Als een doorn op zijn weg ligt (als er gevaar dreigt), neem hem weg (wend het af), ga het op zijn wegen vooruit (baan ‘t de weg). Het kind werd drie maal over het lijk heen getild. Dat gebeurde met alle kinderen. Nu werd voor elk één een stuk katoen afgesneden dat net zo lang was als het kind, en in de kist gedaan. Twee slaven spijkerden de kist dicht en de stoet zette zich in beweging onder het zingen van: “Boko dede kom go beri man”. Op de hoek van de Watermolenstraat werd dram op de grond geplengd en werd er uitbundig gezongen en gedanst. De begraafplaats aan de Rust en Vredestraat, ook wel Savanne genoemd, was speciaal bestemd voor slaven. Daar werd de kist onder luid gezang in het graf neergelaten en werd op de weer aangestampte aarde gedanst. De voorman van de dragers riep: “No wan soema moe tjarie krei komopo ini a beripe” (Niemand mag wenend het kerkhof verlaten). In grote stilte ging men heen en iedereen keek strak voor zich uit. Omdat, als men om zou kijken, de jorka (geest) je voor je onbescheidenheid zou straffen.

Begrafenis Joannes Vitus Janssen

Het afgezonderde deel van de begraafplaats aan de Rust en Vredestraat waar slaven werden begraven (detail van schilderij De begrafenis van Joannes Vitus Janssen te Paramaribo in 1843 (collectie: Rijksmuseum)

Natuurlijk was Rikken een vertegenwoordiger van de katholieke kerk en had hij daardoor zo zijn bedenkingen over winti en bijgeloof. Maar hij getuigde van grote kennis van de Surinaamse cultuur van de ‘gewone mensen’ en van de Surinaamse geschiedenis. Hij schreef speciaal voor breed een Surinaams publiek, niet voor de koloniale bovenlaag. Henri François Rikken behoorde tot de kleine groep van Surinamers die de geschiedenis en cultuur vooral vanuit de eigenheid benaderden.

Carl Haarnack

zie ook:

De begrafenis van Joannes Vitus Janssen in Paramaribo (1843)