Johann Clemen: Der glückliche Tuchmacher (1859)

Tags

, ,

Der glückliche Tuchmacher oder Von Döbeln bis nach Surinam. Theodor Drobisch. In: Ameisen-Kalender aus das Schaltjahr 1860. Nebst Deutschem Disteli-Kalender. Gotha: Verlag Comptoir (Storch & Klett), 1859.

Suriname komen we in de 18e – en 19e eeuw op de meest onverwachte plekken tegen. Enige tijd terug kocht ik in een antiquariaat in Duitsland een kalender uit 1860. Deze Ameisen-Kalender was nogal vlekkig en de rug was half vergaan. Ondanks de slechte staat waar in het verkeerde was het toch een object van grote waarde voor de Surinaamse bibliotheek. Ik vond in deze kalender namelijk een stuk over een belangrijke Surinaamse geschiedenis: Der glückliche Tuchmacher oder von Döbeln nach Surinam (De gelukkige textielfabrikant of van Döbeln naar Suriname).

Johann Gottfried Clemen (1727 Döbeln-1785 Paramaribo)

Johann Gottfried Clemen (1727 Döbeln-1785 Paramaribo).  Privé collectie (zie voor meer informatie onderstaand stuk van  Ralph Gundram in “Neues Archiv für sächsische Geschichte”).

Het verhaal is geschreven door Gustav Theodor Drobisch (1811-1882). Drobisch was een Duitse schrijver, journalist en toneelspeler in Dresden. Gedurende achtentwintig jaar schreef hij de Ameisenkalender vol met onderhoudende teksten en humoristische kwesties.

Het verhaal begint rond het jaar 1745 waarin een doekmaker (‘Tuchmacher’) genaamd Clemen zich het hoofd brak over de vraag hoe hij zijn gezin moest onderhouden. De zaken gingen slecht en er was een voortdurende dreiging van oorlog. Clemen had zeven kinderen. De oudste zoon was Johann Clemen die heel graag had willen doorleren maar, vanwege geldgebrek, zich in het vak van zijn vader en opa moest bekwamen: het maken van doek. Toch droomde hij er van de wijde wereld in te trekken en iets meer van zijn leven te maken. En toen Johann 19 was besloot hij op pad te gaan. Hij ging te voet eerst richting Leipzig maar besloot als gauw zijn geluk in Amsterdam te zoeken. Maar hij kon nergens werk vinden. In een café ontmoette hij mannen die op zoek waren naar rekruten. Johann was een makkelijke prooi: zijn tenen staken uit zijn kapotte schoeisel, hij had nauwelijks kleding om het lijf en hij had honger. Nu kreeg hij een soldatenuniform en een behoorlijke zak met handgeld. In 1749 brak er in Suriname een opstand uit onder de slavenbevolking. Er werd een expeditie op touw gezet en Johann Clemen meldde zich vrijwillig om naar Suriname te gaan. Na zijn dienstverband werd hij door een rijke planter als opzichter ingehuurd. Johann was sterk en kon ook nog lezen en schrijven. Hij was niet meedogenloos en onmenselijk als zijn voorgangers en had zodoende een ‘goede band’ met de slaven op de plantage, zo schrijft de auteur.

Kaart uf

“Caerte van de rivieren van Suriname en Commowine met derselver uytstroomende Creecken met alle de landen soo verre deselve bewoonde worden. Verschillende mijlschalen.” – ca. 1730.  Collectie Nationaal Archief.

Toen zijn ouders in Döbeln na al die jaren er eigenlijk van uit gingen dat Johann al was overleden, stuurde hij fl. 200,– naar zijn familie. Toen de rijke planter overleed trad Johann in het huwelijk met de weduwe. Zo werd hij eigenaar van vier plantages en ca. vierhonderd slaven. In 1771 bezocht Johann Clemen met zijn gevolg, waaronder één van zijn slaven, zijn ouderlijk huis in Döbeln. Zijn ouders waren allang de tachtig jaar gepasseerd. De hele stad was uitgelopen. In heel Saksen heerste hongersnood. Johann Clemen gaf veel geld uit om zijn familie, vrienden en oud-stadsgenoten te ondersteunen. Uiteindelijk keerde hij weer terug naar zijn nieuwe vaderland Suriname.

Anna Julien (5 april 1705 te Paramaribo gedoopt - overleden 9 oktober 1779 te Paramaribo

Anna Julien (5 april 1705 te Paramaribo gedoopt – overleden 9 oktober 1779 te Paramaribo). Privé collectie (zie voor meer informatie onderstaand stuk van  Ralph Gundram in “Neues Archiv für sächsische Geschichte”).

Clemen trouwde op 4 februari 1763 huwde met Anna Julien. Zij was een mulattin en dochter van de uit Italië afkomstige Bartholomeus Julien en de Surinaamse kleurlinge Elisabeth Dobinson. Het was haar derde huwelijk. Zij was meer dan 20 jaar ouder dan hij. Het verhaal over het leven van Johann Clemen (1727-1785) vinden we in een groot aantal boeken terug. Daar over een andere keer meer. Dit is het klassieke verhaal over de arme soldaat die met een paar stuivers in Suriname aankomt maar zich uiteindelijk een zeer aanzienlijke positie en grote rijkdommen verwierf.

Carl Haarnack

 

*) met dank aan Ralph Gundram en Bernd Katt

verder lezen:

Ralph Gundram Sächsische Kolonialherren in Übersee? Eine Spurensuche am Beispiel des Johann Gottfried Clemen aus Döbeln

Joachim Nettelbeck

Clemen Schokolade

 

 

Basterd of Neger-Engelsch. G.C. Weygandt (1798)

Tags

,

Gemeenzaame leerwyze om het Basterd of Neger-Engelsch op een gemakkelyke wyze te leeren verstaan en spreeken. [G.C. Weygandt]. Paramaribo: gedrukt by W.W. Beeldsnyder, 1798.

Dat we vroeger de Sranan Tongo ‘Neger-Engels’ noemden komt omdat, toen deze taal ontstond, Suriname nog een Engelse kolonie was. Voor de Europeanen die in de kolonie kwamen was het noodzakelijk zich deze taal enigszins eigen te maken om met de slavenbevolking te kunnen communiceren. Dat kon men eigenlijk alleen leren in de dagelijkse praktijk. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw verschenen er taalboekjes voor Nederlanders, die zich het ‘Neger-Engelsch’ wilden bekwamen.

voorduin weygandt

Rond 1765 verscheen allereerst Nieuwe en nooit bevoorens geziene Onderwyzinge in het Bastert, of Neeger Engels, zoo als het zelve in de Hollandsze Colonien gebruikt word… door Pieter van Dyk. Dit boekje was gedrukt bij de Erven de Weduwe Jacobus van Egmont in Amsterdam. Maar in 1798 verschijnt er een boekje om het ‘Neger-Engelsch’ te leren dat in Paramaribo gedrukt is: Gemeenzaame leerwyze om het Basterd of Neger-Engelsch op een gemakkelyke wyze te leeren verstaan en spreeken. Dit boekje werd gedrukt in de drukkerij van W.W. Beeldsnyder. Wolphert Weijer Beeldsnyder (1764-18??) was ook de uitgever van de Weeklyksche Surinaamsche Courant. Dit taalboekje verscheen met alleen de vermelding van de initialen G.C.W. op het titelblad. Maar er bestaat geen twijfel dat de auteur van het tweede instructieboekje voor het Sranan G.C. Weygandt is.

Weygandt titelpagina 2

Over de auteur weten we weinig. In de Surinaamsche Courant van 20 januari 1821 vinden we een advertentie waarin het publiek wordt geattendeerd op een openbare verkoop van boeken in het huis van wijlen Mr. P.J. Changuion. G.C. Weygandt heeft de advertentie geplaatst en is vermoedelijk dus de ‘vendumeester’. Er zijn ook aanwijzingen dat Weygandt (onmiskenbaar een Duitse familienaam) verbonden was aan de Evangelische Broedergemeente (ook wel Herrnhutters genoemd). Zijn leerboekje voor het Sranan was er op gericht om beter met de slavenbevolking te kunnen communiceren en op Europese handelaren die naar Suriname kwamen om zaken te doen. In het voorwoord stelt Weygandt dat het hem ook te doen is om de taal weer te geven zoals die in Paramaribo wordt gesproken in tegenstelling tot het Sranan van de plantages.

tekening_van_heerendijk_in_suriname_-_paramaribo_-_20419986_-_rce

Duidelijk is dat Weygandt voortborduurde op het boek van Pieter van Dyk dat hij tot zijn beschikking had. Maar hij zal ongetwijfeld ook gebruik hebben gemaakt van de kennis van de  vrije ‘mulattin’ Dressje van Princes van Heel met wie hij samenwoonde en kinderen had.[i] Ook Dressjes moeder, een vrije zwarte vrouw en een slavin maakten deel uit van het huishouden. De Surinaamsche Staatkundige Almanach voor den Jaare 1796 (en ook die van 1798) vinden we ene J.S. Weygand als broodbakker. In 1825 vinden we een verzoek tot manumissie voor ‘den Neger’ Martinus die ooit eigendom was van de ‘vrije Jaba van J.S. Weygandt’. Zou de boekbinder Manheim van Weygandt die voorkomt in de Surinaamsche Almanak van 1828 en 1836 één van de kinderen kunnen zijn van onze G.C. Weygandt? Van deze Manheim wordt het huis en erf gelegen op Combé, aan de Wichersstraat (toevallig ook de straat waar de redactie van de Parbode nu gevestigd is) bij executie publiekelijk verkocht. Dankzij de Volkstelling van 1811 weten we dat deze Manheim Weygandt (ook wel Manheim van Weygandt genoemd) als ‘kleurling’ wordt bestempeld.[ii]

De woordenlijst is bijzonder uitgebreid en interessant. De ‘Samenspraken’ (dialogen) geven een goed beeld hoe gesprekken tussen een plantagedirecteur en een ondergeschikte zou hebben kunnen verlopen. U moet de digitaal beschikbare versie er maar eens op na slaan. Het originele boekje zult u alleen in universiteitsbibliotheken aantreffen. Het is uitermate zeldzaam. Ook de Buku-collectie moet het helaas zonder doen.

Carl Haarnack

 

[i] Met dank aan Natalie Zemon Davis: Origins and uses of the creole languages in 18th century Suriname (https://bukubooks.wordpress.com/davis/creolelanguages/)

[ii] In de Volkstelling van 1811 vinden we een overzicht van de vrije gekleurde en zwarte bevolking van Suriname. Hier in komen we M. Weygandt tegen (volgnr. 781 / folio 762  / inventaris 278/25). Met dank aan Denie Kasan: (https://deniekasan.wordpress.com/familieberichten-suriname/volkstelling-1811-suriname/)

Zie ook:

Boeken over Taal

 

Il Costume Antico e Moderno. Giulio Ferrario (1831)

Tags

, , ,

Il costume antico e moderno ovvero storia del governo, della milizia, della religione, delle arti, scienze ed usanze di tutti i popoli antichi e moderni provata coi monumenti dell’antichita’ e rappresentata con analoghi disegni. Terza edizione. America. Door Giulio Ferrario. Luogo di stampa: Torino: Fontana, 1831.

We hebben het in deze rubriek vaker gehad over Suriname-boeken die in een vreemde taal verschenen. In de regel ging het hierbij om boeken die in het Engels, Duits of Frans verschenen. Het Italiaanse taalgebied kwam er tot nu toe karig vanaf. Toch zijn er in de 18e en 19e eeuw belangrijke titels waarin Suriname een rol speelt. Zo verscheen er in 1818 in Milaan bij Sonzogno een Italiaanse vertaling van de Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam (1796) van kapitein John Gabriel Stedman. Deze publicatie kreeg de titel mee Viaggio al Surinam e nell’interno della Guiana.

Quacy Ferrario parbode

Giulio Ferrario (1767-1847) was een intellectueel, uitgever, drukker en bibliothecaris uit Milaan. Hij studeerde rechten maar verlegde zijn aandacht en toewijding naar de literatuur en de bestudering van de oude Griekse en Romeinse culturen. In 1802 werkte hij als bibliothecaris bij de Biblioteca di Brera, één van de grootste bibliotheken van Italië. Aan het eind van de 19e eeuw kreeg deze bibliotheek de status van staatsbibliotheek. In deze bieb vinden we veel belangrijke 18e en 19e eeuwse boeken over Suriname. In 1834 werd Ferrario directeur van deze bibliotheek. In deze rol was hij verantwoordelijk voor aantal belangrijke publicaties over graveerkunst, theater, architectuur en kostuums van het beroemde Scala theater. Tussen 1817 en 1834 publiceerde hij zijn monumentale werk Costume antico e moderno. Dit encyclopedisch werk bevatte oorspronkelijk maar liefst 21 banden en bevat meer dan 1500 handgekleurde platen van modern en antieke kleding en architectuur. Later werden er nog delen toegevoegd en kwam het totaal op 37. Ferrario schrijft over de geschiedenis, politiek, krijgsmacht, godsdienst, kunst, wetenschap van álle mensen en culturen in de hele wereld. Inderdaad geen sinecure maar aan het begin van de 19e eeuw ontstond er in Europa een grote behoefte aan kennis en onderwijs vooral over verre volken en culturen.

Het gedeelte over Amerika beslaat vier banden. De vierde band daarvan schrijft Ferrario over Brazilië, de Guyana’s, de kleine en grote Antillen en ook nog iets over Buenos Aires. Wij concentreren ons maar vooral op wat de auteur over Suriname (‘La Gujana Olandese’) te vertellen heeft. Hij is er weliswaar nooit geweest maar zijn kennis over deze Nederlandse kolonie is bijzonder groot. Dat is vooral te danken aan de enorme bibliotheek die hij tot zijn beschikking had. Zo maakt hij gebruik van literatuur van 16e en 17e eeuwse ontdekkingsreizigers zoals Walther Raleigh en Robert Harcourts (1613). Ferrario geeft een lijst van auteurs wiens boeken die hij gebruikt heeft: Herlein (1718), Maria Sybilla Merian (1705), Pistorius (1763), alle werken van Fermin (1765-1770), Bancroft (1769), Hartsinck (1770), Stedman (1796), Riemer (1803) en nog een berg aan Franse cartografen, reizigers en wetenschappers. Uitvoerig gaat hij in op de ligging van het land, het klimaat en de vegetatie. Ook de medicinale werking van gewassen ontbreekt niet. Ferrario geeft hoog op over de werking van het koortswerende middel ‘Quassia’ (kwasibita). Hij noemt hierbij ook de ‘ontdekker’ de granman Quassie. De in Suriname voorkomende vissen, bomen  en rivieren passeren de revue. Verder gaat de auteur in op de ‘indianen’; hun wapentuig, oorlogsvoering, godsdienst, religie, huwelijk, begrafenisrituelen maar ook de beroepen die vrouwen uitvoeren. Die houden zich o.m. bezig met het planten van manioc, bananen, yams en andere knolgewassen. Daarnaast knopen zij de bedden (hangmatten) en maken ze keukengerei. Ook gaat hij uitvoerig in op de stad Paramaribo. De straten en tuinen doen, volgens Ferrario, niet onder voor die van de elegantste in Europa.

negri_sotto_ferrario_1826

Als het over de slechte behandeling van de zwarte bevolking gaat windt hij er geen doekjes om. De Europeanen drinken het regenwater dat in reservoirs wordt opgevangen. Het water uit de putten is voor het vee en de ‘Negri’ (‘negers’). Iedereen slaapt in hangmatten maar de ‘negers’ slapen op de grond. Er zijn in de kolonie 2029 ‘witten’ (Bianchi), 3075 mulatten en ‘vrije zwarten’ en bijna 52.000 slaven. De rijkdom van de Europese families is groot en kan ook afgemeten worden aan het aantal slaven dat in hun huishouden werkt; soms wel tot 20 of 30. Hij schrijft verder over het zware leven op de plantages. Aan de wrede behandeling van de slaven wijdt Ferrario een apart hoofdstuk. Ik zal u hier de gruwelijke verhalen over zweepslagen die het vlees openrijten besparen.

Het omvangrijke werk van Ferrario is vooral zo succesvol geworden door de vele (vaak handgekleurde) gravures die er in voorkomen. Als we de afbeeldingen tellen die specifiek betrekking hebben op Suriname dan komen we op minimaal acht stuks. Daaronder zijn er een aantal van de inheemse bevolking. Ook is er een mooi gezicht op de Waterkant van Paramaribo (Citta di Paramaribo) en één van de muziekinstrumenten van Afrikaanse slaven.

piantatori stedman

Intrigerend zijn de afbeeldingen die zijn ontleend aan Stedmans ‘Narrative’. Die bestaan vooral uit samenstellingen van verschillende gravures die we uit Stedman kennen. Zo is er één waarop we Stedman zelf zien, terwijl een aantal slaven een Aboma in de boom hebben gehesen. In dezelfde afbeelding zien we granman Quassie die wijst op een gewas, het quassiehout. Ook is er één afbeelding waarin we een pijprokende planter zien en een slavin die hem koffie schenkt (‘Piantatori di Suriman’- sic). Daarnaast zien we twee basja’s die een slaaf geselen (in de originele Stedman gravure ligt de slaaf: ‘The Execution of breaking on the rack’). Links daarvan herkennen we de bekende Stedman prent die in de eerste Engelse editie heet ‘Flagellation of a Female Samboe Slave’ heet. Tenslotte zien we een afbeelding die geïnspireerd is op ‘A female Quadroon slave of Surinam’.

Van dit omvangrijke werk van Giulio Ferrario verscheen gelijktijdige een editie in het Frans: ‘Le Costume Ancien et Moderne ou Histoire du gouvernement, de la milice, de la religion, des arts, sciences et usages de tous les peuples anciens et modernes d’après les monuments de l’antiquité et accompagné de dessins analogues au sujet par le Docteur Jules Ferrario.’

Guyana Slave Rebellion 1825 Ferrario & Bonatti Antique Print Guyana Slave Rebellion of 1823, Gladstone

Vermoedelijk is deze uitgave de grootste 19e eeuwse ‘beeldbank-encyclopedie’ van de wereld. Ferrario maakt in zijn werk ook direct duidelijk dat Suriname een belangrijke kolonie was. Niet zonder reden heeft hij er belangrijk gedeelte van zijn Amerika-verhaal en maar liefst acht platen aan gewijd. Zijn bewondering geldt voor de enorme bloei van de plantage-economie maar hij vergeet niet, zoals sommige reizigers in de 18e en 19e eeuw, te vermelden tegen welke prijs dat tot stand werd gebracht, namelijk het bloed, zweet en tranen van de slavenbevolking.

Vanwege de vele prachtige illustraties is een goede en complete set zeer zeldzaam en haast onbetaalbaar. Daarom zien handelaren er vaak brood in om de prenten los te verkopen. Voor het complete werk heeft u een paar duizend euro’s nodig. Maar met een beetje geluk kunt u misschien voor een paar tientjes één van de Surinaamse prenten op de kop tikken.

Carl Haarnack

 

 

zie ook:

Italiaanse Stedman

Troepenmacht in Suriname (1900)

Tags

,

De Troepenmacht in Suriname. Met platen en Teekeningen door F.G.J. Bosschart, Kapitein 6e Regt. Infie. Breda: Firma P.C.G. Peereboom, 1900.

Natuurlijk weet iedereen dat de geschiedenis van Suriname voor een belangrijk deel wordt gekenmerkt door de plantagesamenleving en de daarmee onlosmakelijk verbonden slavernij van Afrikanen. Maar al vóór de gedwongen komst van Afrikaanse slaven waren er militaire troepen. Begin 17e eeuw waren er natuurlijk de oorlogsschermutselingen tussen de Nederlanders, Engelsen, Fransen en Portugezen die allen zochten naar goud en andere bodemschatten maar ook naar geschikte gebieden om nederzettingen te bouwen.

troepen Suriname buku

Surinaamse krijgsmacht (1826)

Toen de Nederlanders zich vanaf 1667 heer en meester konden noemen over Suriname werden er gaandeweg steeds meer militairen ingevoerd om de kolonie te beschermen tegen aanvallen van marrons, de van de plantages weggelopen slaven. Het ging hierbij vaak om ongeregelde groepen huursoldaten die voor langere of kortere perioden werden ingezet. Het is eigenlijk vreemd dat er pas in 1900 een boek gewijd werd aan de troepenmacht in Suriname.

bosschart-francois-guill_1852

F.G.J. Bosschart

François Guilleaume Jacques Bosschart (1852-1926) werd geboren in Gorinchem. Hij begon zijn militaire carriére in Nederlands-Indië, eerst op Java (Magelang) en daarna in Atjeh. Maar in 1893 werd hij als kapitein naar Suriname uitgezonden. Daar verbleef hij tien jaar. Daar werkte hij aan dit boek. Het doel dat Bosschart er mee voor ogen had was vooral om Nederlandse officieren bekend te maken met Suriname. Voor zijn beschrijving van de geschiedenis van Suriname gebruikte de auteur een aantal belangrijke boeken zoals bijvoorbeeld Hartsinck (1770), Stedman (1796), Kappler (1887). Maar ook uit de journalen van de gouverneurs Nepveu, Texier, Wichers en Friderici, belangrijke historische bronnen, werd geput. Om de binnenlandse orde en veiligheid te handhaven waren de ingezetenen verdeeld in elf burger-Compagniën, bestaande uit planters en andere burgers, die er voor moesten zorgen dat in de verschillende districten de wetten werden nageleefd. Zo zorgden deze ervoor dat het aantal blanken en slaven boven de 12 jaar geteld werden, dat de slaven gebrandmerkt waren en dat de opbrengsten van de plantages gecontroleerd werden. Omdat in de 18e eeuw de ‘Marrons zoo geweldig te keer gingen’, zo schrijft Bosschart, werden de plantages door de compagnies-commandanten gesommeerd een aantal blanken en ‘commando-negers’ te leveren om z.g. ‘boschtochten’ te organiseren (op jacht naar marrons). Bosschart geeft veel informatie over de beloning van militairen en de rantsoenen. Voor een z.g. ‘timmer-neger’ (slaaf die als timmerman werkte) gold het volgende wekelijkse rantsoen: 2 pond vlees, 4 pond beschuit, 1 stoop gort. Dat werd nog aangevuld met twee zoopjes dram (slechte rum).

troepenmacht Suriname parbode

Koloniale Guides van Suriname.  Uit: Beschrijving hoedanig de Koninklijke Nederlandsche Troepen en alle in militaire betrekking staande personen gekleed, geëquipeerd en gewapend zijn … J.F. TEUPKEN. ‘s-Gravenhage en Amsterdam, Gebr. Van Cleef, 1823-26. 

Het ’s Lands Vrijkorps bestond uit kleurlingen (Creolen) en vrije of gemanimuteerde slaven. Iedereen tussen de 14 en 60 jaar was verplicht, indien opgeroepen, om dienst te doen. Per dag kregen ze 2 schilling soldij, provisie en kost. In geval van invaliditeit als gevolg van de dienst zou de Kolonie hen blijven verzorgen. De grootte van dit korps varieerde tussen de 125 en 150 personen. Gaandeweg werden er ook slaven gekocht voor dit korps. Bosschart geeft een schat aan informatie over de patrouilles die de verschillende troepen uitvoeren in de bossen, op jacht naar weggelopen slaven. Uit verschillende journalen blijkt hoe gruwelijk deze tochten waren. Zo ontdekte sergeant Ajax die met vier man op verkenning werd gestuurd in de bossen twee ‘negers’ die bezig waren een boom te vellen. Ajax, die al snel het nabijgelegen ‘weglopersdorp’ gevonden had, waarschuwde zijn detachement. Het dorp, bestaande uit negen huizen, werd omsingeld en aangevallen. Twee marrons werden gedood en één werd gevangen genomen; het dorp werd platgebrand. Twee handen van de gedode marrons werden als bewijs naar Paramaribo gestuurd in ruil voor het z.g. vanggeld.

troepenmacht

Titelblad De Troepenmacht in Suriname (1900)

We vinden in Nederlandse bibliotheken slechts zes exemplaren van dit uiterst zeldzame boek. De Buku Bibliotheca Surinamica collectie heeft een aantal jaar geleden een exemplaar op een veiling kunnen bemachtigen voor ca. €250,– (incl. opgeld). In 2008 verzorgde Batavia Publishing een herdruk van dit interessante boek.

Carl Haarnack

 

Herlein: Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname (1718)

Tags

, , ,

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname […] J.D. Herlein. Leeuwarden: Meindert Injema, 1718.

Volgend jaar is het precies driehonderd jaar geleden dat dit bijzondere boek werd gepubliceerd. We vinden hierin een gedetailleerde beschrijving van Suriname in een periode dat er eigenlijk nog nauwelijks over geschreven werd. Ook is het de eerste Nederlandse publicatie waarin we afbeeldingen van Afrikaanse slaven zien. Het boek bevat een gegraveerd titelblad en 4 gegraveerde uitslaande platen. De nauwkeurige uitslaande kaart, getekend door A. Maars, geeft ons een goed beeld van de kolonie Suriname. Zo worden de namen eigenaren van plantages gelegen aan de Surinamerivier, Commewijne en anderen rivieren vermeld. We komen daar o.a. tegen:  Samuel Nassy, Josef Nassy, Nunes, Abraham de Pina, Aron da Silva, Jan Veer, Jan Codery, de heer Vredeburg, Van Schendel, Adriaans, Bolle, de heer Verboom, de heer Norden, Jan Vlam, Cornelis Verhart, Frederik van Ryn, Anton Verschier, Gerry Coerts, Bruining, Wouters, Matthy, Rentshove, Bacheman, Frans Damas, Boogaart, Perduin.

Herlein Maars detail

Kaart van Suriname (detail):  door A. Maars, uit:  J. D. Herlein, Beschryvinge van de Volk- Plantinge Zuriname (Leeuwarden: Meindert Injema, 1718).

Over de auteur van dit boek weten we eigenlijk heel weinig. Jan (Jean) Herlein was een Hugenoot die een aantal jaar in de kolonie Suriname woonde (tot 1704). Pas nadat hij al weer jaren in Nederland woonde publiceerde hij zijn beschrijving van Suriname. De eerste druk verscheen in 1718 met daarin alleen de vermelding van de initialen J.D.HL. Maar in de tweede druk wordt zijn achternaam voluit geschreven: J.D. Herlein. De auteur schrijft dat hij in Suriname geweest is ten tijde van de regering van de Heer Van der Veen. Paul van der Veen was gouverneur van Suriname van 1695 tot 1706. Het boek werd opgedragen aan ‘de heeren directeuren van de Geoctroijeerde Societeit van Zuriname’ in het bijzonder aan gouverneur Van der Veen. Uit archiefstukken blijkt dat ‘Jan Herlin’ op 27 juli 1704 Suriname verlaat en terugkeert naar Amsterdam. In 1709 woont hij in Leeuwarden waar zijn boek wordt gepubliceerd.

Het boek begint met een uitvoerige beschrijving van de ontdekking van Amerika. Ook komt de ‘natuurlijke gesteltheid der Karibaansche kust’ aanbod, de lucht en de seizoenen ‘op de Zurinaamsche kust’. Herlein gaat ook in op de ligging van de stad die hij Parimaribo noemt (ook bekend als Nieuw-Middelburg). Op de aandoenlijke prent zien we dat Paramaribo toen slechts bestond uit Fort Zeelandia en een beperkt aantal huizen aan de Waterkant en de daarachter liggende percelen. Bijzonder is de verhandeling over de geschiedenis van het suikerriet en de manier waarop het suiker gewonnen wordt.

herlein

Slaven aan het werk op een suikerplantage. In Herleins gravure doet het zware plantagewerk eerder denken aan een picknick   (Herlein, 1718)

Het wordt vooral interessant wanneer Herlein ingaat op de ‘aard, natuur en eigenschappen der Swarte slaven’. Hij begint met een uiteenzetting hoe zij van de West-Afrikaanse kust naar Suriname zijn gebracht. De kleding van de slaven stelt niet veel voor, zo schrijft Herlein. Kinderen tot vijf jaar lopen naakt rond maar vanaf vijf jaar is de eigenaar verplicht kleding te verschaffen. Dan krijgen zij een stuk grijs of blauw Osnabrugs of Haarlems Bond om zich mee te bedekken. Tussen neus en lippen door zegt de auteur ook iets over seksueel verkeer tussen Europese mannen en Afrikaanse slavinnen. Het gebeurt, zo schrijft hij,  ook wel dat de ‘Negerinnen’ wat verdienen met het ‘venus-spel’ van een blanke. Hiervoor kopen zij een mooier stuk stof dat zij ‘Paantje’ noemen en een ‘borst-lap’ van gestreept bond waar de borsten in hangen. Maar de meeste lopen met de borsten bloot. Ook kopen zij tabak, pijpen, dram en koralen. Slaven verkopen ook spullen (zoals sieraden) onder elkaar.

slavin

Dan volgen er uitvoerige beschrijvingen van de inheemse bevolking, de flora en fauna. Ook wordt aandacht besteed aan de goederen die vanuit Europa naar Suriname worden gestuurd om daar te verhandelen. Het eindigt met een woordenboek van de taal van de Karaïben.  Herlein wijdt ook een aantal pagina’s aan de ‘Spraak der Swarten’ en is daarmee de vroegste geschreven bron van het Sranan Tongo.

Spraak der Negers Herlein c

Pagina 121 uit Herlein’s boek (detail)

 

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname is een zeldzaam boek. We vinden het in een aantal Nederlandse universiteitsbibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek heeft ook een exemplaar. De Buku-collectie  bezit gelukkig ook een exemplaar (in perkament gebonden). Zonder twijfel behoort Beschrijvinge van de Volk-Plantinge Zuriname tot de topstukken uit de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

herlein frontispiece

titelpagina Herlein

Titelpagina Herlein

 

 

Schetsen uit het leven in het kinderhuis te Alkmaar in Suriname. P. Legêne (1922)

Tags

, , ,

Lief en leed met onze kleinen : schetsen uit het leven in het kinderhuis te Alkmaar in Suriname. P.M. Legêne. IJmuiden: Van Dorp, 1922.

Het is volgend jaar precies honderd jaar geleden dat in Zeist dit kleine papieren boekje verscheen. Het is geschreven door Peter Martin Legêne (1885-1954). Aanvankelijk was hij boekdrukker en journalist maar, na een opleiding aan de zendingsschool van de Evangelische Broedergemeente (EBG) in Niesky, werd hij missionaris in Suriname. Maar voordat hij zich daar kon vestigen verbleef hij eerst in India om zich het Hindi en Urdu eigen te maken. Vervolgens trok hij naar Amsterdam om Nederlands te leren spreken. Tussen 1914 en 1930 werkte hij als zendeling onder Hindoestanen op Alkmaar. Vanaf 1935 was hij zelfs voorzitter van het Zeister Zendingsgenootschap dat de verantwoordelijkheid voor de Surinamezending van het EBG-bestuur in Herrnhut had gekregen.

plantage Alkmaar

Plantage Alkmaar aan de Commewijne

In 1916 had Legêne op Alkmaar, gelegen aan de Commewijnerivier, een kindertehuis opgericht. In dit tehuis, Sukh Dhaam (Huis van Geluk), werd onderdak en onderwijs geboden aan kinderen van ‘Brits-Indische’ kontraktarbeiders die op de plantage werkten. De arbeiders leefden onder erbarmelijke omstandigheden en er heerste grote armoede. In dit boekje, dat voor het eerst in 1918 verscheen, vertelt Legêne ons verhalen die hij als zendeling op Alkmaar had meegemaakt. Zo beschreef Legêne dat vanwege de Spaanse griep, een wereldwijde pandemie, er bijna elke dag een weeskind werd binnengebracht. Soomaria, een meisje van 9 jaar oud, had slechts één oog en ze was mager en zag er ellendig uit. Nadat haar ouders beiden aan de griep bezweken waren bleef zij met haar zusje Dhilwa alleen achter. Maar haar zusje werd de volgende dag door een man meegenomen en zij werd bij het tehuis afgeleverd. Soomaria huilde de hele dag en wilde, zolang zij niet verenigd was met haar zusje, niet eten of drinken. Legêne schreef brieven aan de Generaal-agent van de Immigratie, wendde zich tot de voogdijraad en zocht overal naar Dhilwa. Uiteindelijk werd ze na elf dagen gevonden maar niemand wist wat er met haar was gebeurd en waar ze was geweest. ‘Er zijn helaas mannen genoeg’, zo schrijft Legêne, die gaarne een mooi menschenkind met twee oogen hebben willen’. Zo’n meisje kan met gemak verkocht worden. Een meisje met slechts één oog wil niemand hebben. De meisjes werden herenigd en vielen elkaar huilend in de armen.

Kindertehuis Alkmaar Legene b

De kinderen uit het kinderhuis met hun verzorgers en verzorgsters

Het boekje bevat een aantal prachtige zwart-wit foto’s die bij het grote publiek vrijwel onbekend zijn. Zo vinden we er een aantal foto’s van de kinderen in het tehuis en hun verzorgsters. Maar de mooiste foto is natuurlijk die van  Sukhu. Paramaribo werd een tijdlang geplaagd door een zeer geraffineerde zakkenroller. In de stad leefde ook een ‘Brits-Indische’ jongen van een jaar of twaalf oud. Hij was vriendelijk en behulpzaam maar toch werd juist hij op een dag door de politie ontmaskerd als de gezochte zakkenroller. Hij werd gestraft maar iedere keer als hij weer op vrije voeten kwam begon het stelen opnieuw. Uiteindelijk werd hij door de politie naar het kindertehuis op Alkmaar gebracht. Daar ging het de eerste tijd uitstekend maar na verloop van tijd werden en steeds spullen gestolen. Sukhu werd op heterdaad betrapt en na een stevig gesprek met Legêne beloofde hij beterschap. Maar toch gebeurde het telkens opnieuw. Legêne stelde hem voor de keuze op te houden met stelen of hij zou anders op straat moeten leven. Nogmaals drukte Legêne hem op het hart dat hij alles zou kunnen krijgen wat hij maar nodig had, als hij niet zou stelen.

Sukhu Alkmaar.jpg

Sukhu

-‘Kan ik ook tabak krijgen?’, vroeg Sukhu. Nu kwam de aap uit de mouw. Als kleine jongen was hij al, net als zoveel andere Hindoestaanse kinderen, begonnen met roken. Hij was verslaafd aan nicotine; hij moest roken, en daarom had hij geld nodig. Iedere week kreeg hij van Legêne een pakje tabak en hij stal nooit meer. Sukhu was inmiddels 17 oud en was geliefd door iedereen. Hij hielp nu mee in het tehuis en rookte zelfs heel weinig. Hij vond het zonde van het geld en spaarde nu.

Dergelijke persoonlijke verhalen van lief en leed vinden we bijna nooit terug in de archieven. Hindoestaanse kontraktarbeiders waren doorgaans ongeletterd en schreven dus niets op. Dat maakt ooggetuigeverslagen, zoals deze van Legêne, des te belangrijker.

Het kwetsbare papier boekje is slechts in een handjevol bibliotheken te vinden. De Buku Bibliotheca Surinamica collectie beschikt sinds kort ook over een exemplaar. Vorige week opgepikt op een boekenmarkt in Amsterdam voor slechts €50,–.

Carl Haarnack

 

zie ook:

Indiase Diaspora

Vier Maanden in Suriname

 

 

 

 

Zonderlinge briev uit Surinaemen (1767)

Tags

, , ,

Zonderlinge briev, van een voornaem heer aen een zyner vrienden, geschreven uit Surinaemen… ‘s-Gravenhage: Johannes de Cros, 1767.

De Surinaamse bibliotheek zit vol met verrassingen. Onlangs bladerde ik in een oude catalogus uit 1862 (Catalogus der Surinaamsche Koloniale Bibliotheek verschenen bij Martinus Nijhoff in Den Haag). Onder sectie C werden alle boeken die onder de noemer Aardrijkskunde, Land-en Volkenkennis en Reisbeschrijvingen vallen  vermeld. Daar viel mijn oog op de even lange als intrigerende titel: Zonderlinge briev, van een voornaem heer aen een zyner vrienden, geschreven uit Surinaemen, waer in zeer naukeurig geantwoort word, op alle de bezondere vraegen aen hem uit het vaderland gedaen, nopens de uit-reize en ‘t climaet van die colonie; de besondere gesteldheyd van ’t Fort Paramaribo, Kerk-en-Burger-staat, alsmede de Coffy- en Zuikerplantagien, Gebouwen, Negers, Slaeven en Slavinnen, Levenwyzen, Gewoontens en Zeden, Vruchten, Vogelen, Vissen, Accynsen, Huishuur, Leevens-middelen enz.*)

Paramaribo haven Briev

Paramaribo, Waterkant en Fort Zeelandia (18e eeuw)

Er wordt helaas nergens auteursnaam vermeld. Het enige dat we weten is dat de auteur een ‘voornaem heer’ is die zich in Suriname bevindt. Dat hij voornaam is wordt ondersteund door de stelling dat zijn ‘Ampt’ van een ‘rijckelyk inkoomen’ is voorzien. Maar verder moeten we gissen naar de identiteit van de auteur. Eén mogelijkheid is dat er een link bestaat tussen de uitgever Johannes de Cros en  dominee J.C. de Cros die rond 1770 in Perica, Cottica en Paramaribo werkzaam was (zie: Geschiedenis van Suriname. J. Wolbers, 1871). Zou het kunnen dat de laatste in Suriname een brief schreef naar een familielid in Nederland?

Briev buku

Eén ding is duidelijk: degene die deze ‘brief’ schreef was in ieder geval een ingezetene van Suriname. Hierin werden antwoorden gegeven op vragen die één van zijn vrienden in Nederland aan hem stelde.  Uit eerste hand leren wij iets van hoe het leven er rond 1757 (datering aan het eind de tekst) er in Suriname uitzag. Informatie die ons nu soms triviaal voor komt maar wel kenmerkend is voor bijna alle reisliteratuur: de aandacht richt zich vooral op een vergelijking met de situatie in het moederland.

De eerste vragen hebben betrekking op het klimaat onderweg en in Suriname. De zonnestralen zijn er feller maar, zo schrijft de auteur, ‘dog met dit alles vinde ick het hier zoo benaauwt niet.’ Ook zijn er vragen die ons een beeld geven van wat de Europese 18e eeuwer zoal bezig hield. Bijvoorbeeld: ‘Of er ook Rytuygen zyn, en van wat fatzoen’; ‘Hoe is de Nederduitse Kerk daar is?’; ‘Hoe de Nederdytse Predikant bevalt en hoeveel tractement (salaris, ch) die heeft?’; ‘Wat het pond Boter daar kost’.

Voor wie bekend is met de lekkere Surinaamse groenten en vruchten doet de vraag welke Hollandse groenten er in de kolonie te vinden zijn zoals kropsalade, peulen, appelen, peren, pruimen of aalbessen, misschien een beetje lachwekkend aan. Maar de vraag wordt door de schrijver ook aangegrepen om iets over het lokale  tropische fruit te vertellen. De ananas is voor hem de aangenaamste maar deze is niet zo gezond. De watermeloenen zijn laf van smaak maar worden bij koorts als verkoeling gegeten. De ‘Bananes, Tyer en Patates die ‘alle min of meer de smaak van een Peer of Appel hebben zouden’ worden het meest door de slaven gebruikt. En over die slavenbevolking willen we natuurlijk meer horen.

bananen briev

Onze voorname heer heeft in ieder geval oog voor de slaven in de kolonie (in veel 18e eeuwse literatuur wordt er nauwelijks over gerept). Zo wordt volgens hem al het timmerwerk door ‘Negers’ gemaakt. Daaronder vindt men zeer capabele timmerbazen die een huis of plantage-gebouwen kunnen maken. Zij leren het ambacht weer aan anderen. Daarom is zo’n timmerbaas, als hij verkocht wordt vaak meer dan fl.2000,- waard. De slaven en slavinnen wonen in, wat hij noemt, ‘Negerhuyzen’: kleine houten huisjes die men achter de huizen vindt. Deze zijn met riet bedekt. Een goede kok bijvoorbeeld kan wel fl. 1000,- kosten. Een ‘Negerin’ die kan wassen en strijken of linnen kan naaien kan volgens de auteur wel fl600,- of fl.700,- opbrengen. Iedereen die in de kolonie arriveert dient zich van twee of drie slaven te voorzien die, als ze ‘eenigen bequaamheid hebben’ als snel fl.400,– of fl. 500,– per stuk kosten.

Ook krijgen we een uiteenzetting van de suikerproductie op de plantage. Dit is gevaarlijk werk. Vooral voor de slaven die het suikerriet tussen de door water aangedreven rollen moeten steken. Als men één vinger tussen de rollen krijgt kan alleen het afkappen van de hand of het snel laten vallen van de sluisdeur (waardoor het molenrad tot stilstand komt), voorkomen dat het hele lichaam door de rollen wordt geplet en het hoofd er af gerukt wordt. Eens was een zwangere (ongetwijfeld Europese) dame die het persen van het suikerriet in het ‘Moolenhuys’ ging bekijken en getuige was van zo’n vreselijk ongeluk. Dat heeft ook zij niet overleefd.

suikermolen briev

Suikermolen (Benoit, Voyage a Surinam, 1839 -collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Opvallend is dat, hoewel de briefschrijver oog heeft voor de slavenbevolking, hij met geen woord rept over de zware lijfstraffen en de vaak onmenselijke behandeling die slaven ten deel viel. Ook wordt er nergens melding gemaakt van de grote groep Joodse kolonisten, nog van de Synagoge. Terwijl hij wel schrijft over bijvoorbeeld de Gereformeerde- en de Lutherse kerk. Die groep ‘Lutheranen’ is vrij talrijk en bestaat het meeste uit Duitsers.

Over dit slechts 30 pagina’s tellende, in meerdere opzichten, curieuze boekje vinden we in de literatuur nauwelijks vermeldingen. Dat is misschien deels te verklaren uit het feit dat er wereldwijd slechts één exemplaar te vinden. Het bevindt zich in de bibliotheek van de Universiteit van Leiden. Gelukkig is het wel digitaal te lezen op internet. De geschiedenis van Suriname ligt soms verborgen in kleine kwetsbare boekjes waarvan er soms maar één enkel exemplaar bestaat.

Carl Haarnack

 

 

 

*) In de Haerlemse Courante  van 30 april 1767 vinden we een advertentie waarin de uitgever Johannes de Cros dit boekje voor 5 ½ stuiver aanbiedt.

 

Onze West in Beeld en Woord (1917)

Tags

, ,

Onze West in Beeld en Woord. Door Fred. Oudschans Dentz en Herm. J. Jacobs. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1917.

Het is precies honderd jaar geleden dat Onze West in Beeld en Woord verscheen. Daardoor komt het dus in aanmerking voor een plekje in deze rubriek. In het voorwoord spreken de auteurs de hoop uit dat het boek tot een vermeerdering van kennis zal leiden over ‘Onze West’ in gezinnen, leeszalen, bibliotheken en onderwijsinstellingen. Het zal u niet verbazen dat het boek vooral is bedoeld voor het Nederlandse publiek dat tot dan toe eigenlijk nauwelijks bekend was met Suriname. De term ‘Onze West’ benadrukt natuurlijk de koloniale verhoudingen tussen Nederland aan de ene kant, Suriname, Curaçao, Aruba, Bonaire, St. Maarten, St. Eustatius en Saba aan de andere kant. Wij zullen ons hier beperken tot Suriname.

koto missi

Koto Misie: Zoo worden de vrouwen genoemd die de inlandsche kleeding dragen.

 

De makers van dit fotoboek hebben lange tijd in Suriname doorgebracht. Fred. Oudschans Dentz arriveerde in 1902 in Suriname. Eerst werkte hij opzichter op de suikerplantage Zoelen en daarna op de koffieplantage Jagtlust. Kortstondig onderbrak hij zijn werkzaamheden in Suriname voor een verblijf in het buitenland maar keerde in 1906 weer terug. In 1910 werd hij benoemd tot administrateur van het Militaire Hospitaal in Paramaribo. Hij schreef een flink aantal artikelen en boeken over Suriname: o.a. Geschiedkundige aantekeningen over Suriname en Paramaribo (1911); De kolonisatie van de Portugeesch Joodsche natie in Suriname en de geschiedenis van de Joden Savanne (1927); Cornelis Van Aerssen Van Sommelsdijck (1938) en talloze artikelen die o.a. in  de West-Indische Gids werden gepubliceerd.

Hal van de Surinaamsche Bank buku

“Hal van de Surinaamsche Bank: De Surinaamsche Bank is de eenige instelling van dien aard te Paramaribo. Zij is in hoofdzaak een circulatiebank, doch tevens discontobank en heeft sedert 1923 een bijkantoor te Nickerie, hetwelk voor het steeds in beteekenis toenemende district van groot belang is”.

Hermen J. Jacobs arriveerde in 1911 in Suriname en werd benoemd tot hoofd van de Emmaschool. Omdat het lesmateriaal volledig Nederlands georiënteerd was (‘Bij Lobith stroomt de Rijn ons land binnen) besloot Jacobs zelf les- en leesboekjes voor de Surinaamse schoolkinderen te schrijven. Dat was aan het begin van de 20e eeuw revolutionair. Samen met de Surinaamse onderwijzer Julius W. Lobato schreef hij o.a. het vierdelig leesboek voor Surinaamse scholen Uit onze omgeving (1917-1920), Taaloefeningen voor Surinaamse scholen (1920-1923) en Suriname, Aardrijkskundig Leesboek (1916). Ook stelde Jacobs misstanden aan de kaak. Hij schreef over een moderne vorm van kinderslavernij in Suriname: de z.g. ‘kweekjes’. Het was gebruikelijk dat kinderen (meestal meisjes van een plantage) in de stad in huis werden genomen om allerlei werkzaamheden te verrichten.

mooi groepje meisjes

“Een aardig groepje: Drie rijk met sieraden (hoofdstel, oor- en armringen en halsketting) uitgedoste Brits-Indische meisjes. Een inlandsche vrouw in het midden en links een Javaansche vrouw in sarong en kabaai.”

In het boek vinden zo’n 120 afbeeldingen van stadsgezichten (Paramaribo), de bevolking, plantages, de districten, nijverheid, ‘indianen’ en ‘boschnegers’ plus een verklarende tekst. We zien o.a. mooie zwart-wit foto’s van marktvrouwen die zich op Koninginnedag feestelijk hebben uitgedost, een begrafenisstoet, de Combé-weg toen dit nog een zandpad was, boerderijen van boeroes, Hindoestaanse- en Javaanse arbeiders, veel plantages (o.a. Kroonenburg, Leonsberg, Vredenburg, Wederzorg en Waterland), prachtige kerkjes, scholen en heel veel foto’s die in het binnenland genomen zijn. De meeste van deze foto’s zullen bij het grote publiek onbekend zijn (wie heeft ooit een foto gezien van de hal van de Surinaamse bank in 1917?). Dit is geen wetenschappelijke verhandeling over de geschiedenis van Suriname. Oudschans Dentz en Jacobs hebben een prachtig fotoboek toegevoegd aan de Surinaamse bibliotheek. Fotoboeken zijn in zekere zin natuurlijk ook ‘literaire’ bronnen. De samenstellers zijn natuurlijk vertellers die vooral aan de hand van beelden hún verhaal vertellen over hoe Suriname er precies honderd jaar geleden uitzag.

Carl Haarnack

 

cover

Lydia Maria Child (1802-1880)

Tags

, , , ,

Narrative of Joanna, An Emancipated Slave, of Surinam. [Lydia Maria Child] Boston: Isaac Knapp, 1838

         &

The Oasis.  Mrs. Child, Published by Benjamin C. Bacon, Boston, 1834

Lydia_Maria_Child_engraving

Lydia Maria Child (1802-1880)

Onlangs werd er op een veiling in New York een bijzonder boek geveild: Narrative of Joanna, An Emancipated Slave, of Surinam (1838). Dit boek is gebaseerd op de liefdesgeschiedenis uit het bekende achttiende eeuwse standaard werk van John Gabriël Stedman: Narrative of an Expedition Against the Revolted Negroes of Surinam (1796). Deze ‘Narrative’ is hét belangrijkste ooggetuigenverslag van de slavernijgeschiedenis in Suriname dat Stedman schreef op basis van een dagboek dat hij tussen 1772 en 1777 bijhield. Stedman maakte deel uit van de troepen van kolonel Fourgeoud die, 800 man sterk, door stadhouder Willem V naar Suriname waren gestuurd, om de opstand van weggelopen slaven de kop in te drukken. Voor iedereen die de geschiedenis van Suriname wil bestuderen is dit boek verplichte kost. Voor verzamelaars vormen de verschillende edities van Stedmans verhaal (het werd vertaald in het Nederlands, Duits, Frans, Zweeds, Italiaans) én de boeken die hierop gebaseerd zijn (ik noem ze gekscherend Stedmania), dankbare verzamelobjecten.

Joanna c 1838

Joanna (uit: Narrative of Joanna, 1838)

Narrative of Joanna, An Emancipated Slave, of Surinam werd samengesteld door Lydia Maria Child (1802-1880). Child was een Amerikaanse abolitionist, streed voor vrouwenrechten maar ook een schrijfster en journalist. Zij wordt gerekend tot de meest invloedrijke 19e eeuwse Amerikaanse schrijfsters. In dit boek beschrijft zij de relatie tussen de Surinaamse slavin Joanna en Stedman die vijf jaar duurde. Zij gebruikte hiervoor stukken die Stedman over deze relatie schreef aangevuld met haar eigen commentaren. Het is één van de vroegste voorbeelden van een abolitionistische vertelling. Door deze publicatie werd de strijd voor afschaffing van de slavernij in de VS gekoppeld aan Suriname. Stedman veroordeelde zelf weliswaar de gruwelijke uitwassen van de slavernij maar was natuurlijk geen abolitionist. De Narrative of Joanna vormt volgens literatuurwetenschappers ook het begin van zg. ‘miscegenation literatuur’ waarin ‘inter-raciale’-huwelijken en sexuele relaties worden gevierd.

Medford birthplace Lydia Maria Child

Geboortehuis van Lydia Maria Child

Child erkent dat Stedman ‘extremely kind-hearted’ was en het goed voor had met de Afrikanen. Zo had Stedman een slavin zweepslagen bespaard door te betalen voor het servies dat zij per ongelijk had laten vallen. Maar Child ook grijpt op verschillende momenten haar kans om Stedman te bekritiseren en terecht te wijzen. Zo meld zij dat waar Stedman spreekt over ‘rebellerende negers’ zij zich haast te zeggen dat het hier, in de geest van de Amerikaanse revolutie, in feite gaat om een ‘independent republic of coloured citizens’ die dagelijks in omvang toeneemt door de aanwas van weggelopen slaven.

De feministische stellingname van Child blijkt uit het volgende: Zij schrijft dat Stedmans huwelijk met Joanna en Stedman een oprecht eerbetoon was aan haar karakter. Toch vind ze dat hij zich te vaak verontschuldigt voor zijn gevoelens en zijn handelen, en noemt hij Joanna nooit zijn vrouw. Over de kwestie dat Joanna niet met Stedman naar Engeland gaat speculeert zij dat ze mogelijk aanvoelde dat hij zich voor haar zou schamen. Als Stedman, zo schijft Child, aarzelt om zijn liefde, admiratie en dankbaarheid jegens Joanna in Engeland te tonen, dan is hij in ieder geval man genoeg om zich te schamen, dat toe te geven.

Dit curieuze boek waarin de strijd voor de afschaffing hand in hand gaat met die voor verbetering van de rechten van de vrouw is uitermate zeldzaam. Een paar Amerikaanse universiteitsbibliotheken hebben een exemplaar. In Europese bibliotheken kon ik niet één exemplaar lokaliseren. Het exemplaar dat bij Bonhams in New York geveild werd stond in de catalogus voor US$1000,- tot US$1500,– Omdat dit een slecht exemplaar was met scheuren en zelfs ‘loss of text’ zag ik van aanschaf af.

The Oasis titelblad

In 1834 verscheen hetzelfde verhaal in een bundel, ook van Lydia M. Child, onder de titel The Oasis (Boston: B.C. Bacon, 1834). In deze bundel staat de abolitionistische beweging centraal. Behalve het verhaal van Joanna vinden we in dit aan de voorvechter van de afschaffing van de slavernij opgedragen boek, William Wilberforce, nog meer over Suriname. Zoals bijvoorbeeld het hoofdstuk Three Coloured Republics of Guiana. Ze bedoelt daarmee de republiek van de Oukas (Aukaners) aan de Boven Marowijne, The Seramicas (de Saramaccaners) aan de Bovenloop van de Saramaccarivier en wat zij noemt The Cotticas. De bundel staat vol met illustraties, verhalen en gedichten. Zo vinden we er The History of James Bradley, an Emancipated Slave; Scipio Africanus; The Hottentots; The Slave Trade; The Infant Abolitionist; Cornelius of St. Croix; History of Thomas Jenkins en nog veel meer verhalen over slavernij en bevrijding. Een ‘must have’ iedereen die een slavernij-collectie wilt aanleggen. De collectie Buku Bibliotheca Surinamica heeft van deze nog zeldzamere 1834 bundel een exemplaar weten te bemachtigen.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/joana-stedman/

https://bukubooks.wordpress.com/2012/02/11/joanna2/

 

The Oasis Yamimba

 

The Oasis 3

 

Instructie voor de nieuwe weeskamer der colonie Surinaamen (1787).

Tags

,

Instructie en ordonnantie voor de nieuwe wees-, curateele-, en onbeheerde boedels-kamer der colonie Surinaamen, voor zo verre de onbeheerde boedels (&) weeskamers aanbetreft. Amstredam: Petrus Schouten (1787).

De moeilijkheid van het verzamelen van Surinamica zit hem niet zozeer in het bijeenbrengen van oude, dure boeken met rijkelijk versierde leren banden met goudopdruk. Het is voor een verzamelaar vaak veel moeilijker om eenvoudige, kleine, papieren publicaties te vinden. Dergelijke Surinamica is meestal extreem zeldzaam. Zo is het ook het geval met dit boekje met instructies en verordeningen voor wees- en onbeheerde boedelkamers van Suriname. Dit boekje telt slechts 12 tekstpagina’s. Het werd in 1787 in Amsterdam gedrukt bij Petrus Schouten, de drukker van de ‘Edele Groot Achtbare Heeren van de Colonie Suriname’. De drukkerij annex boekwinkel van Petrus Schouten was gevestigd in de Kalverstraat in Amsterdam.

boekverkoper kalverstraat

Boekhandel in de Kalverstraat Amsterdam (detail, naar schilderij van Isaac Ouwater, ca. 1758-1843) – collectie Rijksmuseum

 

In dit boekje maken de directeuren van de kolonie Suriname nieuwe regels bekend die de bestiering van de boedels, die onder het beheer van de Wees- en Boedelkamer vallen, moet verbeteren. Als er iemand overleed zonder dat er sprake van een testament was of zonder erfgenamen speelde deze Kamer een belangrijke rol.

Zo worden er twee weesmeesters aangesteld. Deze krijgen de voogdij over alle minderjarige wezen in de kolonie waarvoor de voogdij niet geregeld is en over de onbeheerde boedels. Verder worden er allerlei regels vastgesteld om de belangen van de wezen te beschermen. Zo moet een weduwe of weduwnaar binnen zes weken na het overlijden van de partner aan de weeskamer een overzicht overhandigen met een inventaris van alle goederen, effecten, aandelen, kredieten en schulden die de overledene heeft nagelaten. Zo kan de weeskamer er toezicht op houden dat de minderjarige kinderen hun deel van de erfenis zullen krijgen.

AfroSurinaams meisje Hendrik Dooyer 1906 - 1913

Afro-Surinaams meisje bij stuiverskerkhof (toegeschreven aan Hendrik Dooyer) 1906-1913  – collectie Rijksmuseum

In de 18e eeuw was Suriname een land waar het sterftecijfer hoog was. Dat gold natuurlijk de slavenbevolking vanwege het zware werk, de slechte voeding en de harde straffen. Maar ook de Europese kolonisten stierven bij bosjes. Dat kwam door de ongezonde leefwijze. Vooral de mannen dronken grote hoeveelheden alcohol, nuttigden te veel ongezond voedsel en gingen zich te buiten aan losbandigheid. Er werd wel gezegd dat Suriname het graf der mannen en het paradijs der vrouwen was. De 18e en 19e eeuwse Surinaamse kranten staan vol met overlijdensberichten van mannen die betrekkelijk vroeg overleden én met advertenties van de curatoren van onbeheerde boedels.

Een willekeurig voorbeeld: Thomas Arnoldus van Grasstek was geboren in 1785 in Warmenhuizen (NL). Vermoedelijk kwam hij na 1820 naar Suriname waar hij als gezworen klerk gaat werken bij het Hof van Civiele Justititie. Op 28-11-1828 overlijdt hij. De curator van de onbeheerde boedelskamer plaatst een advertentie in de Surinaamsche courant van 9 december 1828: “Kurators der Wees desolate de Onbeheerde Boedels Kamer dezer Kolonie, zullen op Woensdag den 10 dezer bij de Venduehouder J.E. Lyons publiek doen verkopen een Neger meisje genaamd Louisa, aankomende den Boedel T.A. van Grasstek. Paramaribo, den 9 December 1828 (J. de Heyder, gezworen Klerk)”.

Grasstek Gepriviligeerde Surinaamsche Courant 6 juni 1825

Advertentie uit de Gepriviligeerde Surinaamsche Courant van 6 juni 1825

In een land waar kolonisten, die vaak over grote rijkdommen beschikten, zo snel het tijdelijke voor het eeuwige inwisselden was het beroep van weesmeester een bijzonder lucratieve bezigheid. Zo werd als de waarde van de boedel boven de fl. 2000,- was fl.15, in rekening gebracht. Daaronder, maar boven de fl.1000,-  fl. 7,- en daaronder fl.2,-. Dit zeldzame kleine papieren boekje is een stille getuige van de eeuw waarin de slavenmaatschappij hoogtijdagen beleefde. Het is jammer dat we niet weten hoe het afgelopen is met de kleine Louisa en vooral dat we haar kant van het verhaal niet kunnen horen.

Carl Haarnack

 

wees kamer