Herlein: Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname (1718)

Tags

, , ,

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname […] J.D. Herlein. Leeuwarden: Meindert Injema, 1718.

Volgend jaar is het precies driehonderd jaar geleden dat dit bijzondere boek werd gepubliceerd. We vinden hierin een gedetailleerde beschrijving van Suriname in een periode dat er eigenlijk nog nauwelijks over geschreven werd. Ook is het de eerste Nederlandse publicatie waarin we afbeeldingen van Afrikaanse slaven zien. Het boek bevat een gegraveerd titelblad en 4 gegraveerde uitslaande platen. De nauwkeurige uitslaande kaart, getekend door A. Maars, geeft ons een goed beeld van de kolonie Suriname. Zo worden de namen eigenaren van plantages gelegen aan de Surinamerivier, Commewijne en anderen rivieren vermeld. We komen daar o.a. tegen:  Samuel Nassy, Josef Nassy, Nunes, Abraham de Pina, Aron da Silva, Jan Veer, Jan Codery, de heer Vredeburg, Van Schendel, Adriaans, Bolle, de heer Verboom, de heer Norden, Jan Vlam, Cornelis Verhart, Frederik van Ryn, Anton Verschier, Gerry Coerts, Bruining, Wouters, Matthy, Rentshove, Bacheman, Frans Damas, Boogaart, Perduin.

Herlein Maars detail

Kaart van Suriname (detail):  door A. Maars, uit:  J. D. Herlein, Beschryvinge van de Volk- Plantinge Zuriname (Leeuwarden: Meindert Injema, 1718).

Over de auteur van dit boek weten we eigenlijk heel weinig. Jan (Jean) Herlein was een Hugenoot die een aantal jaar in de kolonie Suriname woonde (tot 1704). Pas nadat hij al weer jaren in Nederland woonde publiceerde hij zijn beschrijving van Suriname. De eerste druk verscheen in 1718 met daarin alleen de vermelding van de initialen J.D.HL. Maar in de tweede druk wordt zijn achternaam voluit geschreven: J.D. Herlein. De auteur schrijft dat hij in Suriname geweest is ten tijde van de regering van de Heer Van der Veen. Paul van der Veen was gouverneur van Suriname van 1695 tot 1706. Het boek werd opgedragen aan ‘de heeren directeuren van de Geoctroijeerde Societeit van Zuriname’ in het bijzonder aan gouverneur Van der Veen. Uit archiefstukken blijkt dat ‘Jan Herlin’ op 27 juli 1704 Suriname verlaat en terugkeert naar Amsterdam. In 1709 woont hij in Leeuwarden waar zijn boek wordt gepubliceerd.

Het boek begint met een uitvoerige beschrijving van de ontdekking van Amerika. Ook komt de ‘natuurlijke gesteltheid der Karibaansche kust’ aanbod, de lucht en de seizoenen ‘op de Zurinaamsche kust’. Herlein gaat ook in op de ligging van de stad die hij Parimaribo noemt (ook bekend als Nieuw-Middelburg). Op de aandoenlijke prent zien we dat Paramaribo toen slechts bestond uit Fort Zeelandia en een beperkt aantal huizen aan de Waterkant en de daarachter liggende percelen. Bijzonder is de verhandeling over de geschiedenis van het suikerriet en de manier waarop het suiker gewonnen wordt.

herlein

Slaven aan het werk op een suikerplantage. In Herleins gravure doet het zware plantagewerk eerder denken aan een picknick   (Herlein, 1718)

Het wordt vooral interessant wanneer Herlein ingaat op de ‘aard, natuur en eigenschappen der Swarte slaven’. Hij begint met een uiteenzetting hoe zij van de West-Afrikaanse kust naar Suriname zijn gebracht. De kleding van de slaven stelt niet veel voor, zo schrijft Herlein. Kinderen tot vijf jaar lopen naakt rond maar vanaf vijf jaar is de eigenaar verplicht kleding te verschaffen. Dan krijgen zij een stuk grijs of blauw Osnabrugs of Haarlems Bond om zich mee te bedekken. Tussen neus en lippen door zegt de auteur ook iets over seksueel verkeer tussen Europese mannen en Afrikaanse slavinnen. Het gebeurt, zo schrijft hij,  ook wel dat de ‘Negerinnen’ wat verdienen met het ‘venus-spel’ van een blanke. Hiervoor kopen zij een mooier stuk stof dat zij ‘Paantje’ noemen en een ‘borst-lap’ van gestreept bond waar de borsten in hangen. Maar de meeste lopen met de borsten bloot. Ook kopen zij tabak, pijpen, dram en koralen. Slaven verkopen ook spullen (zoals sieraden) onder elkaar.

slavin

Dan volgen er uitvoerige beschrijvingen van de inheemse bevolking, de flora en fauna. Ook wordt aandacht besteed aan de goederen die vanuit Europa naar Suriname worden gestuurd om daar te verhandelen. Het eindigt met een woordenboek van de taal van de Karaïben.  Herlein wijdt ook een aantal pagina’s aan de ‘Spraak der Swarten’ en is daarmee de vroegste geschreven bron van het Sranan Tongo.

Spraak der Negers Herlein c

Pagina 121 uit Herlein’s boek (detail)

 

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname is een zeldzaam boek. We vinden het in een aantal Nederlandse universiteitsbibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek heeft ook een exemplaar. De Buku-collectie  bezit gelukkig ook een exemplaar (in perkament gebonden). Zonder twijfel behoort Beschrijvinge van de Volk-Plantinge Zuriname tot de topstukken uit de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

herlein frontispiece

titelpagina Herlein

Titelpagina Herlein

 

 

Schetsen uit het leven in het kinderhuis te Alkmaar in Suriname. P. Legêne (1922)

Tags

, , ,

Lief en leed met onze kleinen : schetsen uit het leven in het kinderhuis te Alkmaar in Suriname. P.M. Legêne. IJmuiden: Van Dorp, 1922.

Het is volgend jaar precies honderd jaar geleden dat in Zeist dit kleine papieren boekje verscheen. Het is geschreven door Peter Martin Legêne (1885-1954). Aanvankelijk was hij boekdrukker en journalist maar, na een opleiding aan de zendingsschool van de Evangelische Broedergemeente (EBG) in Niesky, werd hij missionaris in Suriname. Maar voordat hij zich daar kon vestigen verbleef hij eerst in India om zich het Hindi en Urdu eigen te maken. Vervolgens trok hij naar Amsterdam om Nederlands te leren spreken. Tussen 1914 en 1930 werkte hij als zendeling onder Hindoestanen op Alkmaar. Vanaf 1935 was hij zelfs voorzitter van het Zeister Zendingsgenootschap dat de verantwoordelijkheid voor de Surinamezending van het EBG-bestuur in Herrnhut had gekregen.

plantage Alkmaar

Plantage Alkmaar aan de Commewijne

In 1916 had Legêne op Alkmaar, gelegen aan de Commewijnerivier, een kindertehuis opgericht. In dit tehuis, Sukh Dhaam (Huis van Geluk), werd onderdak en onderwijs geboden aan kinderen van ‘Brits-Indische’ kontraktarbeiders die op de plantage werkten. De arbeiders leefden onder erbarmelijke omstandigheden en er heerste grote armoede. In dit boekje, dat voor het eerst in 1918 verscheen, vertelt Legêne ons verhalen die hij als zendeling op Alkmaar had meegemaakt. Zo beschreef Legêne dat vanwege de Spaanse griep, een wereldwijde pandemie, er bijna elke dag een weeskind werd binnengebracht. Soomaria, een meisje van 9 jaar oud, had slechts één oog en ze was mager en zag er ellendig uit. Nadat haar ouders beiden aan de griep bezweken waren bleef zij met haar zusje Dhilwa alleen achter. Maar haar zusje werd de volgende dag door een man meegenomen en zij werd bij het tehuis afgeleverd. Soomaria huilde de hele dag en wilde, zolang zij niet verenigd was met haar zusje, niet eten of drinken. Legêne schreef brieven aan de Generaal-agent van de Immigratie, wendde zich tot de voogdijraad en zocht overal naar Dhilwa. Uiteindelijk werd ze na elf dagen gevonden maar niemand wist wat er met haar was gebeurd en waar ze was geweest. ‘Er zijn helaas mannen genoeg’, zo schrijft Legêne, die gaarne een mooi menschenkind met twee oogen hebben willen’. Zo’n meisje kan met gemak verkocht worden. Een meisje met slechts één oog wil niemand hebben. De meisjes werden herenigd en vielen elkaar huilend in de armen.

Kindertehuis Alkmaar Legene b

De kinderen uit het kinderhuis met hun verzorgers en verzorgsters

Het boekje bevat een aantal prachtige zwart-wit foto’s die bij het grote publiek vrijwel onbekend zijn. Zo vinden we er een aantal foto’s van de kinderen in het tehuis en hun verzorgsters. Maar de mooiste foto is natuurlijk die van  Sukhu. Paramaribo werd een tijdlang geplaagd door een zeer geraffineerde zakkenroller. In de stad leefde ook een ‘Brits-Indische’ jongen van een jaar of twaalf oud. Hij was vriendelijk en behulpzaam maar toch werd juist hij op een dag door de politie ontmaskerd als de gezochte zakkenroller. Hij werd gestraft maar iedere keer als hij weer op vrije voeten kwam begon het stelen opnieuw. Uiteindelijk werd hij door de politie naar het kindertehuis op Alkmaar gebracht. Daar ging het de eerste tijd uitstekend maar na verloop van tijd werden en steeds spullen gestolen. Sukhu werd op heterdaad betrapt en na een stevig gesprek met Legêne beloofde hij beterschap. Maar toch gebeurde het telkens opnieuw. Legêne stelde hem voor de keuze op te houden met stelen of hij zou anders op straat moeten leven. Nogmaals drukte Legêne hem op het hart dat hij alles zou kunnen krijgen wat hij maar nodig had, als hij niet zou stelen.

Sukhu Alkmaar.jpg

Sukhu

-‘Kan ik ook tabak krijgen?’, vroeg Sukhu. Nu kwam de aap uit de mouw. Als kleine jongen was hij al, net als zoveel andere Hindoestaanse kinderen, begonnen met roken. Hij was verslaafd aan nicotine; hij moest roken, en daarom had hij geld nodig. Iedere week kreeg hij van Legêne een pakje tabak en hij stal nooit meer. Sukhu was inmiddels 17 oud en was geliefd door iedereen. Hij hielp nu mee in het tehuis en rookte zelfs heel weinig. Hij vond het zonde van het geld en spaarde nu.

Dergelijke persoonlijke verhalen van lief en leed vinden we bijna nooit terug in de archieven. Hindoestaanse kontraktarbeiders waren doorgaans ongeletterd en schreven dus niets op. Dat maakt ooggetuigeverslagen, zoals deze van Legêne, des te belangrijker.

Het kwetsbare papier boekje is slechts in een handjevol bibliotheken te vinden. De Buku Bibliotheca Surinamica collectie beschikt sinds kort ook over een exemplaar. Vorige week opgepikt op een boekenmarkt in Amsterdam voor slechts €50,–.

Carl Haarnack

 

zie ook:

Indiase Diaspora

Vier Maanden in Suriname

 

 

 

 

Zonderlinge briev uit Surinaemen (1767)

Tags

, , ,

Zonderlinge briev, van een voornaem heer aen een zyner vrienden, geschreven uit Surinaemen… ‘s-Gravenhage: Johannes de Cros, 1767.

De Surinaamse bibliotheek zit vol met verrassingen. Onlangs bladerde ik in een oude catalogus uit 1862 (Catalogus der Surinaamsche Koloniale Bibliotheek verschenen bij Martinus Nijhoff in Den Haag). Onder sectie C werden alle boeken die onder de noemer Aardrijkskunde, Land-en Volkenkennis en Reisbeschrijvingen vallen  vermeld. Daar viel mijn oog op de even lange als intrigerende titel: Zonderlinge briev, van een voornaem heer aen een zyner vrienden, geschreven uit Surinaemen, waer in zeer naukeurig geantwoort word, op alle de bezondere vraegen aen hem uit het vaderland gedaen, nopens de uit-reize en ‘t climaet van die colonie; de besondere gesteldheyd van ’t Fort Paramaribo, Kerk-en-Burger-staat, alsmede de Coffy- en Zuikerplantagien, Gebouwen, Negers, Slaeven en Slavinnen, Levenwyzen, Gewoontens en Zeden, Vruchten, Vogelen, Vissen, Accynsen, Huishuur, Leevens-middelen enz.*)

Paramaribo haven Briev

Paramaribo, Waterkant en Fort Zeelandia (18e eeuw)

Er wordt helaas nergens auteursnaam vermeld. Het enige dat we weten is dat de auteur een ‘voornaem heer’ is die zich in Suriname bevindt. Dat hij voornaam is wordt ondersteund door de stelling dat zijn ‘Ampt’ van een ‘rijckelyk inkoomen’ is voorzien. Maar verder moeten we gissen naar de identiteit van de auteur. Eén mogelijkheid is dat er een link bestaat tussen de uitgever Johannes de Cros en  dominee J.C. de Cros die rond 1770 in Perica, Cottica en Paramaribo werkzaam was (zie: Geschiedenis van Suriname. J. Wolbers, 1871). Zou het kunnen dat de laatste in Suriname een brief schreef naar een familielid in Nederland?

Briev buku

Eén ding is duidelijk: degene die deze ‘brief’ schreef was in ieder geval een ingezetene van Suriname. Hierin werden antwoorden gegeven op vragen die één van zijn vrienden in Nederland aan hem stelde.  Uit eerste hand leren wij iets van hoe het leven er rond 1757 (datering aan het eind de tekst) er in Suriname uitzag. Informatie die ons nu soms triviaal voor komt maar wel kenmerkend is voor bijna alle reisliteratuur: de aandacht richt zich vooral op een vergelijking met de situatie in het moederland.

De eerste vragen hebben betrekking op het klimaat onderweg en in Suriname. De zonnestralen zijn er feller maar, zo schrijft de auteur, ‘dog met dit alles vinde ick het hier zoo benaauwt niet.’ Ook zijn er vragen die ons een beeld geven van wat de Europese 18e eeuwer zoal bezig hield. Bijvoorbeeld: ‘Of er ook Rytuygen zyn, en van wat fatzoen’; ‘Hoe is de Nederduitse Kerk daar is?’; ‘Hoe de Nederdytse Predikant bevalt en hoeveel tractement (salaris, ch) die heeft?’; ‘Wat het pond Boter daar kost’.

Voor wie bekend is met de lekkere Surinaamse groenten en vruchten doet de vraag welke Hollandse groenten er in de kolonie te vinden zijn zoals kropsalade, peulen, appelen, peren, pruimen of aalbessen, misschien een beetje lachwekkend aan. Maar de vraag wordt door de schrijver ook aangegrepen om iets over het lokale  tropische fruit te vertellen. De ananas is voor hem de aangenaamste maar deze is niet zo gezond. De watermeloenen zijn laf van smaak maar worden bij koorts als verkoeling gegeten. De ‘Bananes, Tyer en Patates die ‘alle min of meer de smaak van een Peer of Appel hebben zouden’ worden het meest door de slaven gebruikt. En over die slavenbevolking willen we natuurlijk meer horen.

bananen briev

Onze voorname heer heeft in ieder geval oog voor de slaven in de kolonie (in veel 18e eeuwse literatuur wordt er nauwelijks over gerept). Zo wordt volgens hem al het timmerwerk door ‘Negers’ gemaakt. Daaronder vindt men zeer capabele timmerbazen die een huis of plantage-gebouwen kunnen maken. Zij leren het ambacht weer aan anderen. Daarom is zo’n timmerbaas, als hij verkocht wordt vaak meer dan fl.2000,- waard. De slaven en slavinnen wonen in, wat hij noemt, ‘Negerhuyzen’: kleine houten huisjes die men achter de huizen vindt. Deze zijn met riet bedekt. Een goede kok bijvoorbeeld kan wel fl. 1000,- kosten. Een ‘Negerin’ die kan wassen en strijken of linnen kan naaien kan volgens de auteur wel fl600,- of fl.700,- opbrengen. Iedereen die in de kolonie arriveert dient zich van twee of drie slaven te voorzien die, als ze ‘eenigen bequaamheid hebben’ als snel fl.400,– of fl. 500,– per stuk kosten.

Ook krijgen we een uiteenzetting van de suikerproductie op de plantage. Dit is gevaarlijk werk. Vooral voor de slaven die het suikerriet tussen de door water aangedreven rollen moeten steken. Als men één vinger tussen de rollen krijgt kan alleen het afkappen van de hand of het snel laten vallen van de sluisdeur (waardoor het molenrad tot stilstand komt), voorkomen dat het hele lichaam door de rollen wordt geplet en het hoofd er af gerukt wordt. Eens was een zwangere (ongetwijfeld Europese) dame die het persen van het suikerriet in het ‘Moolenhuys’ ging bekijken en getuige was van zo’n vreselijk ongeluk. Dat heeft ook zij niet overleefd.

suikermolen briev

Suikermolen (Benoit, Voyage a Surinam, 1839 -collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Opvallend is dat, hoewel de briefschrijver oog heeft voor de slavenbevolking, hij met geen woord rept over de zware lijfstraffen en de vaak onmenselijke behandeling die slaven ten deel viel. Ook wordt er nergens melding gemaakt van de grote groep Joodse kolonisten, nog van de Synagoge. Terwijl hij wel schrijft over bijvoorbeeld de Gereformeerde- en de Lutherse kerk. Die groep ‘Lutheranen’ is vrij talrijk en bestaat het meeste uit Duitsers.

Over dit slechts 30 pagina’s tellende, in meerdere opzichten, curieuze boekje vinden we in de literatuur nauwelijks vermeldingen. Dat is misschien deels te verklaren uit het feit dat er wereldwijd slechts één exemplaar te vinden. Het bevindt zich in de bibliotheek van de Universiteit van Leiden. Gelukkig is het wel digitaal te lezen op internet. De geschiedenis van Suriname ligt soms verborgen in kleine kwetsbare boekjes waarvan er soms maar één enkel exemplaar bestaat.

Carl Haarnack

 

 

 

*) In de Haerlemse Courante  van 30 april 1767 vinden we een advertentie waarin de uitgever Johannes de Cros dit boekje voor 5 ½ stuiver aanbiedt.

 

Onze West in Beeld en Woord (1917)

Tags

, ,

Onze West in Beeld en Woord. Door Fred. Oudschans Dentz en Herm. J. Jacobs. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1917.

Het is precies honderd jaar geleden dat Onze West in Beeld en Woord verscheen. Daardoor komt het dus in aanmerking voor een plekje in deze rubriek. In het voorwoord spreken de auteurs de hoop uit dat het boek tot een vermeerdering van kennis zal leiden over ‘Onze West’ in gezinnen, leeszalen, bibliotheken en onderwijsinstellingen. Het zal u niet verbazen dat het boek vooral is bedoeld voor het Nederlandse publiek dat tot dan toe eigenlijk nauwelijks bekend was met Suriname. De term ‘Onze West’ benadrukt natuurlijk de koloniale verhoudingen tussen Nederland aan de ene kant, Suriname, Curaçao, Aruba, Bonaire, St. Maarten, St. Eustatius en Saba aan de andere kant. Wij zullen ons hier beperken tot Suriname.

koto missi

Koto Misie: Zoo worden de vrouwen genoemd die de inlandsche kleeding dragen.

 

De makers van dit fotoboek hebben lange tijd in Suriname doorgebracht. Fred. Oudschans Dentz arriveerde in 1902 in Suriname. Eerst werkte hij opzichter op de suikerplantage Zoelen en daarna op de koffieplantage Jagtlust. Kortstondig onderbrak hij zijn werkzaamheden in Suriname voor een verblijf in het buitenland maar keerde in 1906 weer terug. In 1910 werd hij benoemd tot administrateur van het Militaire Hospitaal in Paramaribo. Hij schreef een flink aantal artikelen en boeken over Suriname: o.a. Geschiedkundige aantekeningen over Suriname en Paramaribo (1911); De kolonisatie van de Portugeesch Joodsche natie in Suriname en de geschiedenis van de Joden Savanne (1927); Cornelis Van Aerssen Van Sommelsdijck (1938) en talloze artikelen die o.a. in  de West-Indische Gids werden gepubliceerd.

Hal van de Surinaamsche Bank buku

“Hal van de Surinaamsche Bank: De Surinaamsche Bank is de eenige instelling van dien aard te Paramaribo. Zij is in hoofdzaak een circulatiebank, doch tevens discontobank en heeft sedert 1923 een bijkantoor te Nickerie, hetwelk voor het steeds in beteekenis toenemende district van groot belang is”.

Hermen J. Jacobs arriveerde in 1911 in Suriname en werd benoemd tot hoofd van de Emmaschool. Omdat het lesmateriaal volledig Nederlands georiënteerd was (‘Bij Lobith stroomt de Rijn ons land binnen) besloot Jacobs zelf les- en leesboekjes voor de Surinaamse schoolkinderen te schrijven. Dat was aan het begin van de 20e eeuw revolutionair. Samen met de Surinaamse onderwijzer Julius W. Lobato schreef hij o.a. het vierdelig leesboek voor Surinaamse scholen Uit onze omgeving (1917-1920), Taaloefeningen voor Surinaamse scholen (1920-1923) en Suriname, Aardrijkskundig Leesboek (1916). Ook stelde Jacobs misstanden aan de kaak. Hij schreef over een moderne vorm van kinderslavernij in Suriname: de z.g. ‘kweekjes’. Het was gebruikelijk dat kinderen (meestal meisjes van een plantage) in de stad in huis werden genomen om allerlei werkzaamheden te verrichten.

mooi groepje meisjes

“Een aardig groepje: Drie rijk met sieraden (hoofdstel, oor- en armringen en halsketting) uitgedoste Brits-Indische meisjes. Een inlandsche vrouw in het midden en links een Javaansche vrouw in sarong en kabaai.”

In het boek vinden zo’n 120 afbeeldingen van stadsgezichten (Paramaribo), de bevolking, plantages, de districten, nijverheid, ‘indianen’ en ‘boschnegers’ plus een verklarende tekst. We zien o.a. mooie zwart-wit foto’s van marktvrouwen die zich op Koninginnedag feestelijk hebben uitgedost, een begrafenisstoet, de Combé-weg toen dit nog een zandpad was, boerderijen van boeroes, Hindoestaanse- en Javaanse arbeiders, veel plantages (o.a. Kroonenburg, Leonsberg, Vredenburg, Wederzorg en Waterland), prachtige kerkjes, scholen en heel veel foto’s die in het binnenland genomen zijn. De meeste van deze foto’s zullen bij het grote publiek onbekend zijn (wie heeft ooit een foto gezien van de hal van de Surinaamse bank in 1917?). Dit is geen wetenschappelijke verhandeling over de geschiedenis van Suriname. Oudschans Dentz en Jacobs hebben een prachtig fotoboek toegevoegd aan de Surinaamse bibliotheek. Fotoboeken zijn in zekere zin natuurlijk ook ‘literaire’ bronnen. De samenstellers zijn natuurlijk vertellers die vooral aan de hand van beelden hún verhaal vertellen over hoe Suriname er precies honderd jaar geleden uitzag.

Carl Haarnack

 

cover

Lydia Maria Child (1802-1880)

Tags

, , , ,

Narrative of Joanna, An Emancipated Slave, of Surinam. [Lydia Maria Child] Boston: Isaac Knapp, 1838

         &

The Oasis.  Mrs. Child, Published by Benjamin C. Bacon, Boston, 1834

Lydia_Maria_Child_engraving

Lydia Maria Child (1802-1880)

Onlangs werd er op een veiling in New York een bijzonder boek geveild: Narrative of Joanna, An Emancipated Slave, of Surinam (1838). Dit boek is gebaseerd op de liefdesgeschiedenis uit het bekende achttiende eeuwse standaard werk van John Gabriël Stedman: Narrative of an Expedition Against the Revolted Negroes of Surinam (1796). Deze ‘Narrative’ is hét belangrijkste ooggetuigenverslag van de slavernijgeschiedenis in Suriname dat Stedman schreef op basis van een dagboek dat hij tussen 1772 en 1777 bijhield. Stedman maakte deel uit van de troepen van kolonel Fourgeoud die, 800 man sterk, door stadhouder Willem V naar Suriname waren gestuurd, om de opstand van weggelopen slaven de kop in te drukken. Voor iedereen die de geschiedenis van Suriname wil bestuderen is dit boek verplichte kost. Voor verzamelaars vormen de verschillende edities van Stedmans verhaal (het werd vertaald in het Nederlands, Duits, Frans, Zweeds, Italiaans) én de boeken die hierop gebaseerd zijn (ik noem ze gekscherend Stedmania), dankbare verzamelobjecten.

Joanna c 1838

Joanna (uit: Narrative of Joanna, 1838)

Narrative of Joanna, An Emancipated Slave, of Surinam werd samengesteld door Lydia Maria Child (1802-1880). Child was een Amerikaanse abolitionist, streed voor vrouwenrechten maar ook een schrijfster en journalist. Zij wordt gerekend tot de meest invloedrijke 19e eeuwse Amerikaanse schrijfsters. In dit boek beschrijft zij de relatie tussen de Surinaamse slavin Joanna en Stedman die vijf jaar duurde. Zij gebruikte hiervoor stukken die Stedman over deze relatie schreef aangevuld met haar eigen commentaren. Het is één van de vroegste voorbeelden van een abolitionistische vertelling. Door deze publicatie werd de strijd voor afschaffing van de slavernij in de VS gekoppeld aan Suriname. Stedman veroordeelde zelf weliswaar de gruwelijke uitwassen van de slavernij maar was natuurlijk geen abolitionist. De Narrative of Joanna vormt volgens literatuurwetenschappers ook het begin van zg. ‘miscegenation literatuur’ waarin ‘inter-raciale’-huwelijken en sexuele relaties worden gevierd.

Medford birthplace Lydia Maria Child

Geboortehuis van Lydia Maria Child

Child erkent dat Stedman ‘extremely kind-hearted’ was en het goed voor had met de Afrikanen. Zo had Stedman een slavin zweepslagen bespaard door te betalen voor het servies dat zij per ongelijk had laten vallen. Maar Child ook grijpt op verschillende momenten haar kans om Stedman te bekritiseren en terecht te wijzen. Zo meld zij dat waar Stedman spreekt over ‘rebellerende negers’ zij zich haast te zeggen dat het hier, in de geest van de Amerikaanse revolutie, in feite gaat om een ‘independent republic of coloured citizens’ die dagelijks in omvang toeneemt door de aanwas van weggelopen slaven.

De feministische stellingname van Child blijkt uit het volgende: Zij schrijft dat Stedmans huwelijk met Joanna en Stedman een oprecht eerbetoon was aan haar karakter. Toch vind ze dat hij zich te vaak verontschuldigt voor zijn gevoelens en zijn handelen, en noemt hij Joanna nooit zijn vrouw. Over de kwestie dat Joanna niet met Stedman naar Engeland gaat speculeert zij dat ze mogelijk aanvoelde dat hij zich voor haar zou schamen. Als Stedman, zo schijft Child, aarzelt om zijn liefde, admiratie en dankbaarheid jegens Joanna in Engeland te tonen, dan is hij in ieder geval man genoeg om zich te schamen, dat toe te geven.

Dit curieuze boek waarin de strijd voor de afschaffing hand in hand gaat met die voor verbetering van de rechten van de vrouw is uitermate zeldzaam. Een paar Amerikaanse universiteitsbibliotheken hebben een exemplaar. In Europese bibliotheken kon ik niet één exemplaar lokaliseren. Het exemplaar dat bij Bonhams in New York geveild werd stond in de catalogus voor US$1000,- tot US$1500,– Omdat dit een slecht exemplaar was met scheuren en zelfs ‘loss of text’ zag ik van aanschaf af.

The Oasis titelblad

In 1834 verscheen hetzelfde verhaal in een bundel, ook van Lydia M. Child, onder de titel The Oasis (Boston: B.C. Bacon, 1834). In deze bundel staat de abolitionistische beweging centraal. Behalve het verhaal van Joanna vinden we in dit aan de voorvechter van de afschaffing van de slavernij opgedragen boek, William Wilberforce, nog meer over Suriname. Zoals bijvoorbeeld het hoofdstuk Three Coloured Republics of Guiana. Ze bedoelt daarmee de republiek van de Oukas (Aukaners) aan de Boven Marowijne, The Seramicas (de Saramaccaners) aan de Bovenloop van de Saramaccarivier en wat zij noemt The Cotticas. De bundel staat vol met illustraties, verhalen en gedichten. Zo vinden we er The History of James Bradley, an Emancipated Slave; Scipio Africanus; The Hottentots; The Slave Trade; The Infant Abolitionist; Cornelius of St. Croix; History of Thomas Jenkins en nog veel meer verhalen over slavernij en bevrijding. Een ‘must have’ iedereen die een slavernij-collectie wilt aanleggen. De collectie Buku Bibliotheca Surinamica heeft van deze nog zeldzamere 1834 bundel een exemplaar weten te bemachtigen.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/joana-stedman/

https://bukubooks.wordpress.com/2012/02/11/joanna2/

 

The Oasis Yamimba

 

The Oasis 3

 

Instructie voor de nieuwe weeskamer der colonie Surinaamen (1787).

Tags

,

Instructie en ordonnantie voor de nieuwe wees-, curateele-, en onbeheerde boedels-kamer der colonie Surinaamen, voor zo verre de onbeheerde boedels (&) weeskamers aanbetreft. Amstredam: Petrus Schouten (1787).

De moeilijkheid van het verzamelen van Surinamica zit hem niet zozeer in het bijeenbrengen van oude, dure boeken met rijkelijk versierde leren banden met goudopdruk. Het is voor een verzamelaar vaak veel moeilijker om eenvoudige, kleine, papieren publicaties te vinden. Dergelijke Surinamica is meestal extreem zeldzaam. Zo is het ook het geval met dit boekje met instructies en verordeningen voor wees- en onbeheerde boedelkamers van Suriname. Dit boekje telt slechts 12 tekstpagina’s. Het werd in 1787 in Amsterdam gedrukt bij Petrus Schouten, de drukker van de ‘Edele Groot Achtbare Heeren van de Colonie Suriname’. De drukkerij annex boekwinkel van Petrus Schouten was gevestigd in de Kalverstraat in Amsterdam.

boekverkoper kalverstraat

Boekhandel in de Kalverstraat Amsterdam (detail, naar schilderij van Isaac Ouwater, ca. 1758-1843) – collectie Rijksmuseum

 

In dit boekje maken de directeuren van de kolonie Suriname nieuwe regels bekend die de bestiering van de boedels, die onder het beheer van de Wees- en Boedelkamer vallen, moet verbeteren. Als er iemand overleed zonder dat er sprake van een testament was of zonder erfgenamen speelde deze Kamer een belangrijke rol.

Zo worden er twee weesmeesters aangesteld. Deze krijgen de voogdij over alle minderjarige wezen in de kolonie waarvoor de voogdij niet geregeld is en over de onbeheerde boedels. Verder worden er allerlei regels vastgesteld om de belangen van de wezen te beschermen. Zo moet een weduwe of weduwnaar binnen zes weken na het overlijden van de partner aan de weeskamer een overzicht overhandigen met een inventaris van alle goederen, effecten, aandelen, kredieten en schulden die de overledene heeft nagelaten. Zo kan de weeskamer er toezicht op houden dat de minderjarige kinderen hun deel van de erfenis zullen krijgen.

AfroSurinaams meisje Hendrik Dooyer 1906 - 1913

Afro-Surinaams meisje bij stuiverskerkhof (toegeschreven aan Hendrik Dooyer) 1906-1913  – collectie Rijksmuseum

In de 18e eeuw was Suriname een land waar het sterftecijfer hoog was. Dat gold natuurlijk de slavenbevolking vanwege het zware werk, de slechte voeding en de harde straffen. Maar ook de Europese kolonisten stierven bij bosjes. Dat kwam door de ongezonde leefwijze. Vooral de mannen dronken grote hoeveelheden alcohol, nuttigden te veel ongezond voedsel en gingen zich te buiten aan losbandigheid. Er werd wel gezegd dat Suriname het graf der mannen en het paradijs der vrouwen was. De 18e en 19e eeuwse Surinaamse kranten staan vol met overlijdensberichten van mannen die betrekkelijk vroeg overleden én met advertenties van de curatoren van onbeheerde boedels.

Een willekeurig voorbeeld: Thomas Arnoldus van Grasstek was geboren in 1785 in Warmenhuizen (NL). Vermoedelijk kwam hij na 1820 naar Suriname waar hij als gezworen klerk gaat werken bij het Hof van Civiele Justititie. Op 28-11-1828 overlijdt hij. De curator van de onbeheerde boedelskamer plaatst een advertentie in de Surinaamsche courant van 9 december 1828: “Kurators der Wees desolate de Onbeheerde Boedels Kamer dezer Kolonie, zullen op Woensdag den 10 dezer bij de Venduehouder J.E. Lyons publiek doen verkopen een Neger meisje genaamd Louisa, aankomende den Boedel T.A. van Grasstek. Paramaribo, den 9 December 1828 (J. de Heyder, gezworen Klerk)”.

Grasstek Gepriviligeerde Surinaamsche Courant 6 juni 1825

Advertentie uit de Gepriviligeerde Surinaamsche Courant van 6 juni 1825

In een land waar kolonisten, die vaak over grote rijkdommen beschikten, zo snel het tijdelijke voor het eeuwige inwisselden was het beroep van weesmeester een bijzonder lucratieve bezigheid. Zo werd als de waarde van de boedel boven de fl. 2000,- was fl.15, in rekening gebracht. Daaronder, maar boven de fl.1000,-  fl. 7,- en daaronder fl.2,-. Dit zeldzame kleine papieren boekje is een stille getuige van de eeuw waarin de slavenmaatschappij hoogtijdagen beleefde. Het is jammer dat we niet weten hoe het afgelopen is met de kleine Louisa en vooral dat we haar kant van het verhaal niet kunnen horen.

Carl Haarnack

 

wees kamer

 

Leerrijke avond uren voor de jeugd (1819)

Tags

,

Leerrijke avond uren voor de jeugd. Amsterdam : W. Brave, 1819.

Onlangs verwierf Buku Bibliotheca Surinamica op een veiling in Amsterdam een bijna tweehonderd jaar oud kinderboek: Leerrijke avond uren voor de jeugd. Het boek is door een aantal raadsels omgeven. Zo is er bijvoorbeeld geen vermelding van het verschijningsjaar. Uit onderzoek weten we dat het voor het eerst verscheen in 1819 bij uitgever Wouter Brave in Amsterdam. Over Brave (familie van Iwan Brave?) weten we niet veel meer dan dat zijn drukkerij/uitgeverij op de Zeedijk was gevestigd. Op een wijkkaart (Burgerwijk no. 1) uit ca. 1795 vinden we het wapenschild van ene Wouter Brave. Nergens in het boek wordt een auteursnaam vermeld. Het lijkt erop dat de uitgever voor deze bundeling van korte verhalen geput heeft uit bestaande publicaties. Dat weten we in elk geval zeker voor het verhaal De Gedwongen Koop waarin een Lord Pelham gedwongen wordt een wit konijntje te kopen. Dit verhaal vinden we terug in verschillende Engelse, Duitse en Nederlandse tijdschriften.

wijkkaart-1

collectie:  Beeldbank Stadsarchief Gemeente Amsterdam

Maar onze belangstelling gaat uit naar slechts één verhaal uit de bundel. Het kreeg de titel mee De Tamboer. Hoofdpersoon is Koenraad Edelman die zich op twaalfjarige leeftijd vrijwillig aanmeldt bij een regiment dat op het punt staat om naar Suriname te vertrekken. Daar valt hij na aankomst direct op bij de gouverneur en vooraanstaande planters vanwege zijn levendigheid, vrolijkheid en beleefdheid (ook is hij zeer slim). Eén van de belangrijkste en welvarendste plantage-eigenaren neemt hem al snel in dienst. Hij leerde vervolgens Engels, Duits en Frans en over het reilen en zeilen van het werk op de plantage. Maar, misschien nog wel belangrijker, hij kon moeiteloos en bijzonder goed met de slaven omgaan. Als een groep opstandige weggelopen slaven de plantage overvalt, slaagt Koenraad erin zijn werkgever te beschermen door één van de slaven dood te schieten. Als beloning krijgt hij een stuk grond van de plantage waarop hij zijn eigen gewassen mag verbouwen. Als Koenraad vervolgens trouwt met de dochter van de rijke plantage-eigenaar, is zijn financiële toekomst verzekerd. Na terugkeer in Europa koopt Koenraad een ‘buitengoed’ voor zijn ouders.

koenraad-edelman

Een dergelijk avontuur komen we in verschillende soorten en maten tegen in de Surinaamse literatuur. Wie naar gelijkenissen zoekt, zal bijvoorbeeld veel herkennen in het levensverhaal van Joachim Nettelbeck, die in de achttiende eeuw eeuw een aantal reizen naar Suriname ondernam. Zo heet het schip van Nettelbeck Die Hoffnung en het schip van onze Koenraad De Hoop. Het probleem is echter dat Nettelbeck zijn biografie pas in 1823 publiceerde, terwijl De Tamboer in 1819 verscheen.

De Tamboer is een voorbeeld van hoe de verhalen over Suriname in de literatuur gebruikt werden. In dit geval staat het opvoedkundige aspect voorop. De kleine Koenraad sloeg de adviezen van zijn ouders in de wind en vroeg in een brief zijn ouders om vergeving. Uit dankbaarheid stuurde hij zijn ouders een baaltje koffie en later kocht hij zoals gezegd voor hen een buitenhuis. Natuurlijk leren we hier niets over de geschiedenis van Suriname. Dit is een schoolvoorbeeld van een verhaal uit het dominante Europese perspectief. Geen woord over het leven van de slaven die op de plantage het zware werk verrichten, noch over het waarom van het weglopen van slaven.

Maar voor bibliofielen is het natuurlijk een zeldzame parel. Nog steeds vinden verzamelaars oude en onbekende boeken die we aan de Surinaamse bibliotheek kunnen toevoegen. Dit boek verscheen in twee verschillende uitvoeringen: één met gekleurde platen die 18 cent kostte; en een exemplaar met platen in zwart-wit voor de prijs van slechts 15 cent. Er verschenen een tweede en een derde druk (in de jaren ’30 van de 19e eeuw). Toch is het boek vrij onbekend gebleven en is er niet eerder over het Surinaamse avontuur van Koen Edelman geschreven. Het aantal bibliotheken dat over een exemplaar beschikt, is op de vingers van één hand te tellen.

Carl Haarnack

 

Zie ook: Joachim Nettelbeck

 

 

 

Herinneringen mijner Reizen. Van Lennep Coster (1836)

Tags

, , ,

Herinneringen mijner Reizen naar onderscheidene Werelddeelen. G. van Lennep Coster. Amsterdam: J.F. Schleijer, 1836.

In de jaren 1819-1821 bezocht Van Lennep Coster, kapitein ter zee, de Nederlandse bezittingen in Afrika en het Caraïbisch gebied. In 1836 publiceerde hij het verslag van deze reis in Herinneringen mijner Reizen naar onderscheidene Werelddeelen. Hoewel Van Lennep Coster uitvoerig verhaalt over zijn avonturen in Afrika, de Nederlandse Antillen, de Noordzee en het Middellandse Zeegebied, zijn wij hier natuurlijk vooral geïnteresseerd wat hij over Suriname te vertellen heeft. Vooral de persoonlijke avonturen en observaties (zaken die we in de archieven niet terugvinden) hebben onze aandacht. Zo schrijft hij over een reisje in december 1819 met een groot gezelschap van dames en heren naar de plantage Geertruidenberg. Plantagedirecteur was ene heer Valkenaar en de administrateur was ene Veeckens. Hoewel de tentboot door zes ‘Negers’ werd geroeid, schrijft de auteur dat het gezelschap door het varen hongerig was geworden. Over het eten hoefde men niet te klagen. ’s Ochtends begon men met een kop thee om zes uur ’s morgens. Dan werd er gewandeld, gereden of gevaren om tegen 12 uur een déjeuner à la fourchette (brunch, ch) te genieten. Daarna werd er een pijp gerookt en gerust om zo de hitte voorbij te laten gaan. Om vier uur volgde dan een theetafel waarbij iedereen gekleed moest aanschuiven. Tenslotte volgde om acht uur het diner al dan niet gevolgd door dans.

geertruidenberg-van-lennep

Ansichtkaart plantage Geertruidenberg (ca. 1903)

Op oudejaarsdag kreeg de slavenbevolking bakkeljauw, pijpen, tabak en ‘eenige snuisterijen’, zodat ook zij nieuwjaar konden vieren, zo schrijft Van Lennep. Op nieuwjaarsdag verschenen de slaven en slavinnen, goed gekleed, en begonnen muziek te maken en te zingen en te dansen. Muziek werd gemaakt op holle boomstronken waarover een vel was gespannen, anderen sloegen met stokjes op een blok terwijl de vrouwen met kleine kalebassen schudden. De dames dronken punch gemaakt door het uitpersen van zure oranjes in een tobbe waarbij jonge rum of dram en water werden toegevoegd. De mannen dronken alleen dram. De huishoudster van de directeur trakteerde de ‘negerinnen’, zo schrijft Van Lennep, op een glas wijn en gaven zij elkaar geschenken. Hij kon de muziek en het gezang maar matig waarderen omdat hij het typeert als een ‘verschrikkelijk geraas’ dat men wel even kan aanhoren maar men er op den duur doof van kan worden.

muziek-focke

Op een volgend bootreisje naar het Commewijnegebied, de Cottica en Perica, werden verschillende plantages bezocht: o.a. Aconoribo, Onvergenoegd, Lugtenburg, Halle in Saxen, de Eendragt en plantage Kokswoud. Op deze laatste plantage heerste grote reinheid die geheel voor rekening kwam van de directeur Confalie (Comvalius?). Deze had, hoewel hij ‘mulat’ was (zo schrijft Van Lennep), grote orde op de plantage geschapen die met smaak was aangelegd. Op plantage Kweekhoven was een ‘ouderwetse’ Duitser genaamd Stabach directeur. Deze liet hem de boom zien waar enige dagen eerder een ‘Neger’ zich opgehangen had. De oorzaak was , zo veronderstelde men, verliefdheid of jaloezie.

Opvallend is dat de auteur schrijft dat er een ‘brik’ dat onder Hollandse vlag voer in Paramaribo aankwam. Het schip vervoerde maar liefst 478 slaven die afkomstig waren van St. Thomas. Officieel was de slavenhandel sinds 1818 al verboden. Er was in Paramaribo een Gemengd Gerechtshof ingesteld dat moet toezien op naleving van dit verbod. Maar de verkoop van slaven gewoon openlijk plaats. De slaven werden naar een loods gebracht waar zij gereinigd werden. Daarna kwamen particulieren en administrateurs de ‘koopwaar’ bezichtigen. De prijzen varieerden van fl. 800,- tot fl. 1000,- per slaaf. Maar klaarblijkelijk was er grote schaarste aan slaven want er werd geloot wie er mocht kopen. Degene die won gaf de slaven hun namen en zond ze naar zijn plantage.

slaven gaan aan het werk.jpg

Van Lennep Coster besteedt veel aandacht aan de rechtvaardiging van de slavernij. Deze typisch eind 18e/ begin 19e eeuwse begint met de bewering dat de slaven in Suriname het eigenlijk beter hebben dan in Afrika (misschien zijn  ze wel aan de dood ontsnapt) en eindigt met de stelling dat het nog vele jaren zal duren alvorens de Afrikanen een niveau van beschaving bereikt hebben om hun broeders als mensen te beschouwen. Maar ik zal u de rest besparen.

Wel in interessant dat de auteur vlak na de grote brand van 1821 in Paramaribo was. De brand van uitgebroken in het huis van ‘de ontvanger’ Thomas dat op het Gouvernementsplein stond. Meer dan 390 huizen gingen in vlammen op. Ook de Gereformeerde kerk en de Katholieke kerk, het Hof van Politie, de Weeskamer en de Waag bleven niet gespaard. De schade werd berekend op fl. 7 a fl. 8 miljoen guldens. Velen waren geruïneerd en er was een groot gebrek aan woonruimte. De vader van de auteur, die in Paramaribo woonde en wiens huis ook verloren was gegaan, had het geluk een kamer te vinden. Deze was, zo schrijft Van Lennep Coster, door een ‘kleurling’ afgestaan. Dit werd in deze tijden van schaarste beschouwd als een teken van goedheid en vriendschap.

Carl Haarnack

Van Lennep Coster.jpg

Fort Zealandia (gravure uit het boek van Van Lennep)

zie ook: Vier maanden in Suriname (1915)

Almanak van Vernuft en Smaak (1793)

Tags

,

Almanak van vernuft en smaak, voor het jaar MDCCXCIII (1793). Amsterdam: Wed. J. Doll. 

We hebben  het hier vaker gehad over de afwezigheid van een debat over de slavernij in de 18e eeuw. In Engeland, Frankrijk en Duitsland vinden we tal van auteurs, wetenschappers en filosofen die zich bogen over dit belangrijke vraagstuk. Ook in de 18e eeuwse Nederlandse literatuur moeten we met een vergrootglas zoeken naar teksten waarin de auteurs zich kritisch uitlieten over het systeem van slavernij.

20170101_142522

Maar als we dan dergelijke bronnen tegenkomen is het ook goed daarbij stil te staan en die voor een groter publiek toegankelijk te maken. Onlangs verwierf de collectie Buku Bibliotheca Surinamica op de veiling van veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem een exemplaar van de Almanak van vernuft en smaak uit 1793 (Amsterdam, Wed. J. Doll). In deze almanak vinden we twee prachtige kopergravures waarin de slavenhandel centraal staat.

Deze gravures zijn ‘bewerkingen’ van het bekende tweeluik over de slavernij dat George Morland (1791) een paar jaar eerder schilderde.  Beweerd Morland liet zich hiervoor inspireren door een gedicht van Williams Collins uit 1788 (maar anderen spreken dit tegen):

‘Two British captains with their barges came,
And quickly made a purchase of the young;
But one was struck with Ulkna, void of shame,
And tore her from the husband where she clung……’

Het eerste werk kreeg de titel mee Execrable Human Traffic or the Affectionate Slaves dat Morland in 1788 schilderde. Twee jaar later voege hij het schilderij African Hospitality  daar aan toe. In dit schilderij liet zien hoe Afrikanen een aantal Europeanen dat schipbreuk geleden had te hulp schoot. Dat schilderij moest het contrast met de brute onderwerping van Afrikanen tot slaven onderstrepen. Beide schilderijen werden regelmatig gecopieerd, ook in etsen en gravures, en werden ingezet om de abolitionistische beweging te ondersteunen.

800px-george_morland_by_henry_robert_morland

George Morland (1763-1804) door Henry Robert Morland in ca. 1780 geschilderd.

moreland-k

Gravure uit de Almanak van vernuft en smaak (1793); gemaakt naar het schilderij African Hospitality van George Morland.

In de almanak vinden we behalve de twee gravures ook het gedicht De Slavenhandel. Van dit gedicht dat ondertekend is met de initialen T.K. (wie hier achter schuilgaat is mij onbekend. Suggesties graag naar surinamica @ gmail. com) geven we hier het eerste en het laatste strofe weer:

De Slavenhandel 

Bataven in wier fiere harten,/ De vrijheids min haer zetel bouwt,/
Die ’t stael des wreedsten dwinglands tarten/
Zijn snoode borst doorboren zoudt!/
Heel de aerde roemt dat stout vermogen,
Maer ziet met neêrgeslagen oogen,
Dat de Indiaen uw kluisters draegt;
Kunt gij die vonk der vrijheid dooven-
Uw’ evenmensch een recht ontrooven,
Waer naer gij zelf zoo hevig jаеgt?…..

[….]

Kom droog de bron van zoo veel tranen,/Schoon de eigenaer van lafheid riep;
Vergruis den boei der Afrikanen,-
Maek hen zoo vrij als God hen schiep,
Dan zal geen slaaf zijn lot vervloeken,
In moord noch oproer redding zoeken,
Of vlugten naer een zandwoestijn;
Dan zullen allen wederkeren-
Met ons den waren God vereeren,
En Neerland eeuwig dankaar zijn.

T.K

moreland2-k

Gravure uit de Almanak van vernuft en smaak (1793), gemaakt naar het schilderij van George Morland Execrable Human Traffic of the Affectionate Slaves

 

george-morland-african-hospitality-1789-oil-on-canvas-houston-menil-foundation-collection

George Morland. African Hospitality (1789). Olie op doek. Menil Foundation Collection (Houston)

Op dit schilderij zien we hoe Europeanen die schipbreuk hebben geleden liefdevol worden opgevangen door Afrikanen. Dezelfde Afrikanen die later door Europeanen als slaven verkocht zullen worden en naar West-Indische plantages versleept zullen worden.

morland

George Morland. Execrable Human Traffick; or The Affectionate Slaves (1789). Olie op doek. Menil Foundation Collection (Houston)

Op dit schilderij zien we een tafereel, ergens op de Afrikaanse westkust, waarbij een Afrikaanse familie wordt gescheiden. Een Afrikaanse man die zijn handen gevouwen heeft wordt vastgehouden door twee Europese slavenhandelaren. Eén zwaait met een stok. De vrouw en kind van de Afrikaan worden door een andere Europeaan weggevoerd. Op de achtergrond zien we een slavenschip. Volgens Hugh Honour (The Image of the Black in Western Art, 1989, pp.181-9)  was Morlands schilderij de eerste waarop we een scene uit de slavenhandel zien. Onbekend is waar het schilderij zich bevindt maar een replica bevindt zich in de Menil Foundation (Houston, Texas).

Beide schilderijen zijn iconische beelden geworden voor de  strijd tegen de Trans-Atlantische slavenhandel. Zoals gezegd zijn deze beelden vaak bewerkt en gebruikt in anti-slavernij publicaties, zoals onze bijzondere almanak van 1793. De Nederlandse abolitionistische beweging was klein en weinigzeggend. Maar er waren desondanks, ook in de 18e eeuw tekenen van anti-slavernij krachten die weinig aan de oppervlakte komen. Dat de slavernij in Nederland pas relatief laat werd afgeschaft is waar. Maar een publicatie als deze (het gedicht De Slavenhandel en en gravures) in de Almanak voor vernuft en smaak uit 1793 is een vroege bijdrage aan het ontstaan van een abolitionistisch sentiment in Nederland dat in de 19e eeuw pas meer vorm kreeg.

Carl Haarnack

titelbald-k

 

Corantijn-expeditie door C.C. Käyser (1912)

Tags

, , ,

Verslag der Corantijn-expeditie. Door C.C. Käyser. Leiden: E.J. Brill, 1912.

Het is nu bijna niet meer voor te stellen maar zo’n honderd jaar geleden telde de kaart van Suriname nog tal van blinde vlekken. Aan het begin van de 20e eeuw werden er nog tal van expedities naar de binnenlanden van Suriname ondernomen. Zo had De Goeje in 1907 de Toemoek-Hoemak-expeditie, naar de Sipaliwini, uitgevoerd. Eilerts de Haan onderzocht in 1908 de bovenloop van de Suriname-rivier. Toen kon hij, door boven op een berg te klimmen, het stroomgebied zien van de Corantijn zien. In juni 1910 vertrok een expeditie onder leiding van dezelfde Eilerts de Haan (1865-1910) naar de bovenloop van de Corantijn. Andere leden van de delegatie waren K.M. Hulk, officier van gezondheid.  Besloten werd om die te bereiken via der Surinamerivier.

kamp-wonotobo

Collectie Surinaams Museum

De tocht via de monding van de Corantijn werd te moeizaam geacht vanwege de Wonotobo-vallen. Bijkomend voordeel om via de Surinamerivier te reizen was dat men de hulp van de ‘boschnegers’ (marrons), die daar aan de bovenloop woonden, kon inroepen. Maar liefst 32 ‘stadsnegers’, zo lezen we in het reisverslag,  maakten deel uit van de groep. Het grootste deel daarvan keert terug naar Paramaribo zodra het eerste deel van de reis er op zit en de Lucierivier bereikt wordt. Maar een aantal arbeiders blijft bij de groep. Käyser wil ook ‘de zwarte reisgenooten’ voorstellen:  Ch. Aken (voorman), H. Delprado (bootsman), M.W. Watson, J. Bruinendaal (timmerman), Ch. Kloppenburg, J. de Bis (Bes?), M. Appel (kok) en A. Dens . Normaliter bleven de arbeiders bij dergelijke ondernemingen onvermeld.

20161019_092125.jpg

Afbeelding uit Verslag der Corantijn expeditie

Eind augustus, toen de expeditie zich een weg probeerde te banen door de dichtbegroeide bossen van de Surinamerivier naar de Lucierivier overleed Eilerts de Haan aan malaria. Kort daarvoor was één van de arbeiders, genaamd Herder, aan dezelfde ziekte gestorven. Zij werden ter plekke begraven. De leiding van de expeditie wordt overgenomen door Conrad Carel Käyser (1876–1939), militair én ontdekkingsreiziger. Over de expeditie, die nog maar net begonnen was, schreef Käyser een verslag.

corantijn-kleur

Interessant is bijvoorbeeld dat overnacht wordt in het huis van de ‘leriman’ (de Herrnhutter missionaris) te Ganzee, een marrondorp dat helaas, inclusief de houten kerk met geveltoren, verdwenen is op de bodem van het stuwmeer. Ook de andere dorpen aan de bovenloop van de Surinamerivier zoals Goddo, Adawai, Fado, Aurora en Granmankondre worden bezocht. Na een moeizame tocht over de Lucierivier wordt eind december eindelijk de Corantijn bereikt. Verschillende dorpen van inheemsen (‘indianen’) worden bezocht waaronder Ajoewa. De Corantijn wordt door de inheemse bevolking Sipaliwini (Roggenrivier) genoemd. De naam Corantijn kenden zij niet. Aan de Sipaliwini wonen de Trio’s. Aan de rivier de Koetari wonen de Saloema’s. Vijf Trio’s vergezellen de expeditie-reizigers. Zij voeren zeer snel in lichte bootjes en altijd dicht tegen de oever aan, op zoek naar wild of vis. Deze worden met pijl en boog geschoten. Op 1 april 1911 kwam de expeditie bij de monding van de Corantijn aan. Vanuit Nickerie wordt per gouvernementsvaartuig “Albina” naar Paramaribo gereisd. Deze laatste ‘ontdekkingsreis’ duurde 8 ½ maand en was de zwaarste van allemaal. De laatste blinde vlekken op de kaart van Suriname waren nu ingevuld.

 

Het Verslag van de Corantijn-expeditie verscheen met verschillende illustraties, zwart-wit foto’s en een prachtige grote uitvouwkaart van de rivier. Ook is er een lijst opgenomen van woorden in de taal van de Trio’s en Saloema’s. In 1843 en 1871 voerden resp. Schomburgh en Brown al op de Corantijn, maar het duurde tot de Corantijn-expeditie van 1910-1911 dat het hele gebied in kaart werd gebracht.

 

Carl Haarnack

220px-eilerts_de_haan

Johan Eilerts de Haan (1865-1910)

2016-10-19-17-45-40