Natural history of Guiana. Edward Bancroft (1769)

Tags

, , , , ,

An essay on the natural history of Guiana, in South America : containing a description of many curious productions in the animal and vegetable systems of that country. Together with an account of the religion, manners, and customs of several tribes of its Indian inhabitants. Interspersed with a variety of literary and medical observations. In several letters. London: Edward Bancroft. T. Becket and P. A. de Hondt, 1769.

Bancroft-pic

Edward Bancroft (1745-1821)

Eén van de belangrijke doelstellingen van deze rubriek is om u kennis te laten maken met onbekende boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Deze is uitgebreider en diverser dan doorgaans wordt aangenomen. An essay on the natural history of Guiana is zo’n titel die door wetenschappers en verzamelaars vaak over het hoofd wordt gezien. Edward Bartholomew Bancroft werd geboren in Westfield, Massachusetts, in 1745. Hij werd opgeleid tot arts en chemicus maar hij liep weg van zijn baantje als leerling-arts. Over zijn rol als dubbelspion voor de Amerikanen en Engeland is al veel geschreven. Wij beperken ons hier tot zijn tijd in Nederlands Guiana en zijn boek. Op 19 jarige leeftijd kwam hij in de Nederlandse koloniën terecht waar hij in 1763 als arts op een suikerplantage werd aangesteld. Hij verliet Zuid-Amerika weer in 1766. Drie jaar na zijn vertrek publiceerde hij in 1769 zijn boek An Essay on the Natural History of Guiana.

Marowijne

Bancroft schrijft over de Nederlandse bezittingen in Zuid-Amerika die zich uitstrekken van het stroomgebied van de rivier de Pomeroon, in het huidige Guiana, tot aan onze eigen Marowijnerivier. Het boek is een bundeling van vier brieven die Bancroft in 1766 stuurde aan zijn broer Daniël. In de eerste brief schrijft hij vooral over de bomen en gewassen (cacao, koffie, katoen, cassave en bananen bijvoorbeeld). In zijn tweede brief gaat hij vooral in op de fauna in het gebied. Hij schijft over de vogels zoals papagaaien en valken maar ook over tijgers en vleermuizen. Daar zullen vooral biologen, ornithologen en andere liefhebbers van genieten. Maar is de derde brief zijn de oorspronkelijke inwoners aan de beurt. Hij beschrijft de ‘indianen’ van de Guiana’s en onderscheidt vier stammen: de Carribbees, Accawaus, Worrows en Arrowauks. De indianen hebben vele weggelopen slaven gedood en werden rijkelijk beloond, door het koloniaal gezag,voor elke afgehakte hand die getoond kon worden. Daar aan voegt hij toe dat de indianen de gewoonte hadden om hun vijanden, die zij in de strijd gedood hadden, op te eten. Tot dan toe was er over het leven en gewoonten van indianen weinig geschreven. Bancroft weet veel te vertellen over de gebruiken en gewoonten van de inheemse bevolking.

Prent indianen Gallina 1825

‘Indianen’ door Gallina (1825)

De slavenopstand in Berbice in 1763 wordt uitvoering behandeld. Honderden van de opstandige slaven werden verbrand of geradbraakt met alle verschillende vormen van wreedheid waarvoor de Nederlanders bekend stonden, zo schrijft Bancroft. Net als in de andere West-indische koloniën neemt de slavenstand snel af als deze niet wordt aangevoerd met aanvoer van nieuwe slaven uit Afrika. De zware arbeid en de onderdrukking zijn de belangrijkste redenen daarvoor volgens de auteur. Als laatste gaat Bancroft in op verschillende ziekten die zich voor doen, zoals lepra.

Om de geschiedenis van Suriname te kunnen begrijpen is het belangrijk om het ook in de bredere context van de Nederlandse koloniale politiek in heel Guiana te bekijken. De geschiedenis van Demerara, Essequibo en Berbice (die nu tezamen buurland Guiana vormen) kunnen niet los worden gezien van die van Suriname.

Carl Haarnack

 

titelpagina Bancroft

?

 

 

 

De menschetende aanbidders der zonneslang. Gebr. Penard (1907)

Tags

, , , , ,

De menschetende aanbidders der zonneslang. F.P. Penard en A.P. Penard. Paramaribo: Heyde, 1907/1908.

De broers Frederik Paul Penard (1876-1909) en Arthur Philip Penard (1880-1932), behoorden tot een welvarende familie in Suriname. Vader, Frederik Paul Penard Sr. (1801-1849), maakte een fortuin in de handel in hout. Hun moeder, Philippa Salomons (1850-1926), was mogelijk een nazaat van Alexander Salomons, vendumeester in Paramaribo. De broers gingen van jongs af aan met hun vader mee op zijn tochten door de binnenlanden van Suriname. Op jonge leeftijd werden Frederik en Arthur echter getroffen door lepra waardoor zij aan huis gekluisterd waren. Door intensieve contacten met de Caraïben (ook wel Kalihna of Kari’na) konden zij een grote ornithologische verzameling aanleggen en de taal en cultuur van de oorspronkelijke bevolking van Suriname bestuderen. Door hun ziekte werden beide blind. Desondanks publiceerden Frederik en Arthur in 1908 De vogels van Guyana (Suriname, Cayenne en Demerara), dat jarenlang hét ornithologisch standaardwerk zou blijven.

penard cover

Originele papieren band van De Menschetende Aanbidders der Zonneslang (1907/1908)

Een jaar eerder verscheen De menschetende aanbidders der zonneslang, waarin de folklore en religie van de Caraïben centraal stond. In hun voorwoord schrijven de auteurs dat hun motivatie om over ‘de indianen’ te schrijven voorkomt uit het feit dat er tot dan toe alleen oppervlakkig over hen geschreven werd. Het is een ‘psychologische studie over de innerlijke gedachten, wereldbeschouwing en logica van een volk van dichters, van vrije mensen die ‘zullen uitsterven zonder ooit den blanken onderdanig te zijn geweest.’ Uitvoerig wordt stilgestaan bij de geschiedenis van de Caraïben sinds de ‘ontdekking’ van Amerika door Columbus. De Penards kennen hun klassiekers en noemen de werken van o.a. La Condamine, Von Humboldt, Brett, Schomburgck, Kappler, Van Coll en De Goeje.

indianen brits-guiana

Maar de echte toegevoegde waarde van de broers zit hem vooral in het feit dat zij veel verhalen die jarenlang door mondelinge overlevering bewaard bleven hebben opgeschreven. Zo kunnen wij nu lezen over de Legende van de Kanibaal-Priester, over het Gevecht van een Piaaiman met een Priestergeest, Legende van Onone, Legende van Jorobodie, Legende van den Bloeddrinkenden Neger. Deze laatste legende gaat over een zwarte man genaamd Boesibaroenoe. Hij was een verrader want hij gaf zijn ‘rasgenoten’ aan bij de blanken. Hij zoog het bloed uit zijn slachtoffers en gooide hun lichamen naar de slangengeest. Een Arrowakse piaiman, Joeni (de Geweldige) maakte hem onschadelijk door hem onderwater vast te binden. Dit verhaal, zo geven de Penards aan, gaat over Quassie van Timotibo. Deze had van de indianen de kruiden geleerd die ziekten zoals lepra konden genezen. Quassie speelde als vrijgemaakte slaaf een dubbelrol en hielp het koloniale gezag regelmatig van de plantages weggelopen slaven terug te vinden. Maar de naam Boesibaroenoe kan ook een verbastering zijn van Bos-Baron. Baron was één van de meest gevreesde leiders van de marrons in de 2e helft van de 18e eeuw.

quassia

Quassie van Timotibo 

Het boek staat boordevol met verhalen en anekdotes. We leren bijvoorbeeld ook over het voedsel, de jacht en de visserij. Het huwelijksleven van de Caraïben en  polygamie, liefde voor ouders en kinderen, opvoeding, hun drankgebruik en feesten, rituelen rond de dood, komen ook uitvoerig aan bod. Daarnaast vinden we er ook veel informatie en afbeeldingen van inheemsen en hun kunst- en gebruiksvoorwerpen zoals aardewerk en vlechtwerk. In 1908 verschenen deel II Het woord van den Indiaanschen Messias en deel III Neo-Sophia of de cirkelleer van tijd en ruimte. In 2013 werd in het Museum Volkenkunde in Leiden bij de verbouwing van de bibliotheek manuscripten bestaande uit 6500 handgeschreven fiches gevonden.  Deze bevatten waardevolle informatie over de geesteswereld van de Surinaamse ‘indianen’. De gebroeders Penard schreven in 1907 met eerbied over de geschiedenis en folkore van de oorspronkelijke inwoners van Suriname, iets wat tot dan toe ongebruikelijk was. Zij verdienen een ereplaatsje in het Surinaams museum én de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

 

titelblad

Titelblad

 

De Manja. C. van Schaick (1866)

Tags

, ,

De Manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven. C. van Schaick. Arnhem: D.A. Thieme, 1866.

Hoewel deze rubriek misschien anders doet vermoeden bestaat er eigenlijk relatief weinig Nederlandse literatuur waarin slavernij het thema is. Een bijzonder klein gedeelte daarvan is geschreven door auteurs die zelf in Suriname hebben geleefd en gewoond. Deze roman van Cornelis van Schaick, De Manja, verscheen precies 150 geleden, in 1866. Van Schaick heeft vanaf 1852 meer dan 10 jaar in Suriname geleefd. Hij werd geboren in 1808 in Amsterdam en werd in 1851 door de koning benoemd tot predikant in Suriname.

plantage commewijne

Plantage in de Commewijne (G. Voorduin ca. 1860)

Dat Van Schaick zich met opgave in het culturele leven van Paramaribo stortte mag blijken uit het feit dat hij voorzitter van de vrijmetselaarsloge Concordia werd, hij schreef gedichten en proza. Ook was hij betrokken bij de oprichting van het tijdschrift West-Indië. Mede vanwege zijn grote gezin had hij het niet breed en moest hij wel wat extra geld verdienen met het schrijven van stukken. In 1864 keerde hij met zijn vrouw en acht kinderen terug naar Nederland.

Gezelschap bij de Manjaboom op plantage Morgenstond, anoniem, ca. 1910  detail  collectie Rijksmuseum

Gezelschap bij de Manjaboom op plantage Morgenstond, Suriname. Anoniem, ca 1910 (collectie: Rijksmuseum)

Het verhaal in De Manja draait om de geschiedenis van de familie van de overste L. De slavin Rosalie speelt een belangrijke rol in deze familie. Zij genoot, als slavin van Missie Mathilda, een bevoorrechtte positie. Zij mocht in de ‘bottelarij’ eten wat van de tafel van de ‘Massera’ kwam. Zij hoefde niet te slapen in de ‘Negerhuizen’ maar sliep op de kamer van haar ‘pikien-Missie’ en ging als een halve dame gekleed. Ook hield Rosalie toezicht op de vrouwelijke bedienden in huis. Dit leidde natuurlijk tot afgunst en jaloezie bij andere slavinnen. De kokkin Maria heeft een plan bedacht om wraak te nemen op Rosalie. Zij heeft een plannetje om op ‘sokorati’ (chocola) die de familie iedere zondag na de kerk drinkt te vergiftigen. Rosalie moet dan, omdat zij als schuldige zal worden aangewezen, in ongenade vallen. Maar de oude slaaf James hoort toevallig van de snode plannen van Maria als zij zegt: “Kraboe-dagoe mi sa kiri joe! Joe Rosalie!” James vertelt van wat hij gehoord heeft aan zijn meester, de overste L. Hierop wordt Maria gestraft en James krijgt zijn vrijheid.

Als er tijdens een feest op de plantage ergens in de Commewijne geen champagne meer is, slaat de overste Rosalie in het gezicht. Ondanks het feit dat zij altijd heeft klaargestaan voor haar missie wordt zij door haar geminacht. Zij besluit om Mathilda uit wraak ziek te maken door haar manja’s voor te schotelen die besmet zijn. Rosalie had ze in doeken en verband van een met lepra besmette patiënt gewikkeld.  Mathilde raakte besmet met de ergste ‘boasie’ (lepra) die er was; de zogenaamde ‘natte melaatsheid’. Zij werd al snel naar de leprozenopvang Batavia gebracht waar zij snel overleed.

Lepra melaatsen kk

Verpleegden in leprozerie (ca. 1900)

De Manja is een zeer zeldzame 19e eeuwse roman. Het verscheen in Arhem bij D.A. Thieme als 64e deel van de Guldens-editie, een volksuitgave die voor 1 gulden werd verkocht. Maar weinig exemplaren hebben de tand des tijds overleefd. Slechts vier Nederlandse universiteitsbibliotheken hebben een exemplaar. In Suriname is er nooit een exemplaar opgedoken ( honderd jaar geleden was er zelfs niet in de Koloniale Bibliotheek een exemplaar te vinden). Het boek is bijzonder interessant omdat we er veel dialogen in tegenkomen die in het Sranan Tongo zijn weergegeven (met een Nederlandse vertaling in de voetnoot). Van Schaick heeft zich goed verdiept hebben in de taal en cultuur van de slavenbevolking. Hij geeft ons een inkijkje in het leven op de plantage, het leven van slaven, de feesten en de begrafenisrituelen. Misschien is deze roman nog wel het meest bijzonder vanwege haar kritische houding ten opzichte van slavernij. In de Nederlandse literatuur zijn dergelijk boeken maar dun gezaaid. Alleen al daarom verdiend het meer aandacht dan het de afgelopen 150 jaar heeft gekregen.

Carl Haarnack

 

de manja

Titelblad De Manja (collectie Buku BS)

Missions-Reise nach Suriname. Riemer (1801)

Tags

, , , ,

Missions-Reise nach Suriname und Barbice zu einer am Surinamflusse im dritte Grad der Linie wohenden Freinegernation, nebst einigen Bemerkungen über die Missionsanstalten der Brüderunität zu Paranaribo. Johann Andreas Riemer.  Zittau: 1801. 

Johann Andreas Riemer (1750-1786) werd geboren in het plaatsje Wespen, vlak onder Maagdenburg (Duitsland). In 1779 vertrok hij als missionaris van de Evangelische Broeder Gemeente (EBG) via Braunschweig, Hannover en Amsterdam naar Suriname. Eerst woonde hij bij de van de plantages weggelopen slaven, de marrons, in Bambey. Daar bestudeerde hij de taal van deze Saramaccaners. Riemer werkte hier aan zijn Saramaccaans woordenboek en zijn beschrijving van de grammatica van deze taal. Ook hield hij gedurende zijn verblijf in Suriname een dagboek bij. Hij schreef o.a. over de flora en fauna van Suriname maar ook over het leven van de slavenbevolking. Dat vinden wij natuurlijk veel interessanter. Wij weten eigenlijk nog maar weinig van het dagelijks leven in de slavenmaatschappij die Suriname lange tijd was. Maar dankzij reisverhalen van ooggetuigen, zoals deze van Riemer, krijgen we toch een klein inkijkje.

Riemer3

Courage! Masra, Courage! (Meester, wees dapper!). Illustratie uit Missions-Reise nach Surinam (1801)

Riemer beschrijft bijvoorbeeld een groep slaven die net uit Guinea was aangekomen in Paramaribo. De groep werd langzaam door de straten van Paramaribo geleid. Het was alsof het, zo schrijft Riemer, een groep verlaten schapen was; schuchter, bang en meelijwekkend, in afwachting van hun lot. Riemer was in het gezelschap van een aantal EBG missionarissen die een slaaf wilde kopen. Nadat zijn oog op een slaaf is gevallen wordt deze door een arts bekeken en goedgekeurd. Voor fl. 450,- wordt tot koop overgegaan. Riemer is zo geroerd door de blik vol verlangen van de Afrikaan (‘neger’) dat hij het schouwspel niet langer kan aanzien. Daaruit spreekt een zekere empathie uit die Riemer had voor de slaven. Hun lot is volgens hem treurig. De slaven, volgens Riemer door bedrog of valsheid van hun eigen verwanten in slavernij terechtgekomen, zweven tussen hoop en angst. Riemer geeft voorbeelden van verhalen van Afrikanen die man, vrouw, ouders en kinderen verraden en zelfs voor een kleine prijs verkopen zoals een rol tabak of een fles brandewijn. Maar Riemer haast zich om te melden dat slaven graag door de missionarissen gekocht worden omdat deze milder zijn en bescherming bieden. Het merendeel van de kopers van slaven is namelijk ronduit barbaars.

landingsplaats bij Fort Zeelandia Paramaribo k

Landingsplaats bij Fort Zeelandia (Paramaribo)

Riemer vertelt ons ook één en ander over de relaties tussen witte Europeaanse mannen en Afrikaanse vrouwen. Zo bezocht hij de scheepskapitein Kanz. Deze heeft in  Suriname een mulattin vrouw waar hij vier kinderen bij heeft. Zijn kinderen zijn gedoopt, gaan in Europese kleding door het leven en krijgen les van een dominee van de Evangelische kerk. De kapitein vertelt dat hij in Europa ook nog vrouw en kinderen heeft. Dat is, zo geeft hij aan, heel normaal. Ook zijn collega’s doen het net zo omdat zij soms jarenlang gescheiden van hun vrouwen moeten leven. Het is voor hem nobeler om zo te leven dan om hun vrouwen in Europa te bedriegen door vreemd te gaan of jonge meisjes te onteren. Wij weten nu inmiddels wel hoe Europese mannen zich in sexueel opzicht te buiten gingen aan Afrikaanse vouwen of hoe zij in een zg. ‘Surinaams huwelijk’ samenleefden. Maar in de 18e eeuw was het zeker niet gebruikelijk om daar zo open over te schrijven.

In juni 1780 verliet Riemer Suriname weer en keerde terug naar Duitsland. Zijn dagboekaantekeningen vormden de basis voor een boek dat pas vijftien jaar na zijn dood in 1801 verscheen. Riemer werd slechts 36 jaar oud. Zijn boek is uitermate zeldzaam maar boordevol informatie over het leven van alledag in Suriname rond 1780. Eigenlijk zou iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Suriname het moeten lezen. Voor het feit dat u er af en toe misschien een Duits woordenboek bij moet pakken, wordt u rijkelijk beloond.

Carl Haarnack

Zie ook:

Neger-Englische Gramatik

Vier Maanden in Suriname

Natalie Zemon Davis over taal en Riemer

 

titelblad riemer  k

Titelpagina Mission-Reise nach Suriname

Slaven en vrijen. Van Hoëvell (1854)

Tags

, , ,

Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. W.R. van Hoëvell. Zaltbommel: Joh. Noman en Zoon,  1854.

Wolter Robert baron van Hoëvell werd geboren in Deventer in 1812. Hij overleed in 1879 in Den Haag. Tussen 1837 en 1848 was hij predikant in Batavia, het huidige Jakarta in Indonesië. Van 1849 tot 1862 was hij lid van de Tweede Kamer. Na deze periode bleef hij tot zijn dood lid van de Raad van State, adviesorgaan van de regering en de hoogste bestuursrechter van Nederland.

directeur en foetoe boi web n

Litho uit Slaven en Vrijen (1854)

In 1854 verscheen zijn boek Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet. Dit is één van de belangrijkste boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Samen met de Max Havelaar (1860) vormt het de belangrijkste 19e eeuwse aanklacht tegen het Nederlandse beleid in de koloniën. Met zijn publicatie beïnvloedde Hoëvell in belangrijke mate het debat over de afschaffing van de slavernij in Suriname. Hij is zelf nooit in Suriname geweest maar heeft op basis van koloniale verslagen en informanten een boek samengesteld over de erbarmelijke levensomstandigheden van de slaven in Suriname (bijna 40.000 in aantal) en de marrons die zich in de binnenlanden ophouden. Die informanten worden niet bij naam genoemd omdat, zo geeft Hoëvell aan, de kans bestaat dat zij gevaar lopen door de acties van de tegenstanders van de afschaffing van de slavernij. Het boek biedt volgens de auteur ‘alléén waarheid en niets dan waarheid voor; dat wil zeggen: van den toestand der maatschappij in Suriname, voor zooveel de slavernij betreft, heb ik een waarachtig en getrouw tafereel trachten op te hangen’.

Plantage directeur en creolen mama web n

Plantage directeur met Creolenmama en slavenkinderen

Slavernij hoort volgens hem niet thuis in een land dat zegt christelijk te zijn. Zijn boek is doorspekt met verhalen over hoe slaven soms wreed gestraft werden om kleinigheden en vaak zonder enige reden. Op de vaak ver van Paramaribo afgelegen plantages is er nauwelijks toezicht door het koloniaal bestuur en spelen zich afschuwelijke taferelen af. Zo vertelt Hoëvell over een plantage waar een kalfje dood wordt geboren. De directeur is woedend en laat de slaaf Herman straffen. Hij wordt zonder eten en drinken op de zolder van de koffieloods opgesloten. De volgende dag wordt hij gedwongen toe te zien hoe de ‘creolen-mama’, en de kinderen die aan haar toevertrouwd zijn, spijzen nuttigen en water drinken. Als de vrouw en de dochter van Herman de plantage-directeur om vergiffenis vragen probeert deze zich aan de dochter te vergrijpen. De moeder smeekt hem dat niet te doen omdat zij te jong is. De directeur neemt wraak en laat Herman een zoute haring brengen. Hongerig als hij is verslindt Herman de haring. Maar het zout brandt in zijn mond en maag. “En zijne foltering werd heviger met ieder oogenblik; en al het bloed scheen zich in zijn hoofd te verzamelen; en zijne oogen puilden hem uit het hoofd; en zijn borst hijgde van benaauwdheid en angst…” Uiteindelijk verkiest Herman uit wanhoop de dood en springt uit het zolderraam.

Herman web n

Herman op de zolder van de koffieloods (zie links onder de graat van de haring)

Het is eigenlijk een wonder dat dit boek bij het grote publiek vrijwel onbekend is. Het boek is uitermate zeldzaam en is alleen in de 19e eeuw herdrukt. De litho’s in dit boek zijn van een zeldzame schoonheid. Alleen daarom al zou iedere Surinamica-verzamelaar, iedere bibliotheek, het Nationaal Archief in Suriname en ook het Ninsee in Amsterdam,  een exemplaar van dit iconische boek moeten bezitten. In alle jaren dat ik boeken over Suriname verzamel ben ik het slechts twee keer tegengekomen. Zelfs de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag beschikt niet over een eerste druk.

Carl Haarnack

 

titelblad Hoëvell n

Originele uitgeversomslag van de eerste druk van Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet (1854)

 

zie ook:

Geschiedenis van Suriname door J. Wolbers

Judges, Masters, Diviners: Slaves’ Experience of Criminal Justice in Colonial Suriname

 

Ma Kankantri. H.F. Rikken (1907)

Tags

, , , , ,

Ma Kankantri. Een verhaal uit de slaventijd rond 1800. Door François Henri Rikken (1907).

Het is nu meer dan 150 jaar geleden dat de slavernij werd afgeschaft. Dat betekent dat er geen mensen meer in leven zijn die de slavernij als ooggetuige hebben meegemaakt. Om ons een voorstellingen te kunnen maken van deze geschiedenis zijn er wel tal van historische bronnen. Er is opvallend weinig Nederlandstalige literatuur waarin het leven in een slavensamenleving centraal stond. Slechts weinig van deze bronnen werden opgeschreven door Surinamers. Ma Kankantri is een verhaal uit de slaventijd dat geschreven werd door een Surinamer.

Rikken

Pater Henri F. Rikken

Henri François Rikken werd een maand voor de afschaffing van de slavernij (mei 1863) geboren in Paramaribo. Zijn vader was Jacobus Henricus Rikken en zijn moeder was de ‘kleurling’ Elisabeth Maria Jantke die rond 1825 geboren is. In 1877 werd Rikken, toen 15 jaar oud, naar Nederland gestuurd om een priesteropleiding te volgen. Daar schreef hij onder andere voor de Katholieke Illustrator. In 1892 ging hij terug naar Suriname waar hij als redemptorist ging werken in Coronie, Para en Nickerie.

Rikken bestudeerde de geschiedenis en folklore van Suriname en verdiepte zich in het Sranan Tongo. In totaal schreef hij drie historische romans die als feuilleton verschenen in dagbladen en tijdschriften. In 1901 publiceerde hij Tokosì of Het Indiaansch meisje. Codjo, de brandstichter verscheen in 1902 en was het enige verhaal dat in boekvorm verscheen (in 1904, en een herdruk). Ma Kankantrie, een verhaal uit de Slaventijd rond 1800 verscheen in 1907 in de het Katholieke dagblad De Surinamer. Dankzij de onvolprezen Nel Sedoc, oprichter van de Stichting Rust en Troost, die zich ten doel stelt de Surinaamse cultuur te bevorderen, verscheen dit verhaal in 2007 alsnog in boekvorm.

ma kankantrie

Omslag Ma Kankantri

Vaak als we iets lezen over slavernij gaat het over het zware veldwerk op de plantages. De kracht van Ma Kankantri is dat het ook een andere kant van de slavernij laat zien. De nadruk ligt op mensen, die weliswaar in slavernij leefden, maar die ook een rijke cultuur, taal en gewoonten hadden. Zo begint het verhaal met een wedstrijd tussen de verschillende Doe-gezelschappen. De Doe’s van de mensen van de plantages (Pranasi-doe) concurreerden hevig met die Paramaribo (Foto-Doe). Deze laatsten beschikten vaak over meer geld en konden zich mooier kleden dan de slaven die op de plantages werkten. Zij tooiden zich met prachtige namen zoals Boen nem de gi grani (Een goede naam is eervol); Boen nem na wan sanni (Een goede naam is een goede zaak); Misgeene, (Afgunst); Falsi lobi (Valse liefde); Vertrouwminsisoema no de moro (Vertrouwde mensen bestaan er niet meer). De beschermvrouwen van deze Doe’s, zo schrijft Rikken, waren niet altijd gemanimutteerden (slaven die hun vrijheid kregen) maar soms ook afkomstig uit de vooraanstaanden van de stad.

benoit doe 1858

Doe op een plantage in Suriname (Benoit, Voyage a Surinam, 1839)

Rikken laat in het boek zien dat hij veel weet van het creoolse culturele leven. Ook begrafenis- en rouwrituelen komen uitvoerig aan bod. Bij het overlijden van Caro werd het lijk gereinigd met water waarin oranjebladeren waren gekookt omdat er geen zure oranje voorhanden was. Haar haar werd gewassen en gevlecht. Een oud gebruik schreef voor dat het lijk, in de beste witte kleding werd uitgedost, op een stoel geplaatst. Familieleden en vrienden namen in een kring om het lijk plaats. Papaja werd op de grond gelegd bij het lijk gelegd en er werd een kaars ontstoken die pas op de achtste dag om een uur of tien ’s avonds werd uitgeblazen. De schilderijen en spiegels aan de wanden werden omgedraaid zodat de geest zich daarin niet zou spiegelen. Vervolgens werd het lijk in een eenvoudige witte kist gelegd. Er werd gezongen en in de handen geklapt. Vooral voor de mannen, vooral de dragers van de kist, werd er rijkelijk dram geschonken.

begrafenis

Begrafenisprocessie Paramaribo (ca. 1910)

Vlak voor dat de kist dicht ging werden alle aanwezigen kinderen van het voorhoofd tot aan de punt van de neus met zwart roet bestreken. Eén van de volwassenen nam een kind op en sprak tot het lijk: “Joe sie na pikien? A de pratti nanga joe, jere! Effi wan maka de na hem passi, poeloe hem gi hem, opo passi gi hem” (Zie je het kind? Het neemt afscheid van je, hoor! Als een doorn op zijn weg ligt (als er gevaar dreigt), neem hem weg (wend het af), ga het op zijn wegen vooruit (baan ‘t de weg). Het kind werd drie maal over het lijk heen getild. Dat gebeurde met alle kinderen. Nu werd voor elk één een stuk katoen afgesneden dat net zo lang was als het kind, en in de kist gedaan. Twee slaven spijkerden de kist dicht en de stoet zette zich in beweging onder het zingen van: “Boko dede kom go beri man”. Op de hoek van de Watermolenstraat werd dram op de grond geplengd en werd er uitbundig gezongen en gedanst. De begraafplaats aan de Rust en Vredestraat, ook wel Savanne genoemd, was speciaal bestemd voor slaven. Daar werd de kist onder luid gezang in het graf neergelaten en werd op de weer aangestampte aarde gedanst. De voorman van de dragers riep: “No wan soema moe tjarie krei komopo ini a beripe” (Niemand mag wenend het kerkhof verlaten). In grote stilte ging men heen en iedereen keek strak voor zich uit. Omdat, als men om zou kijken, de jorka (geest) je voor je onbescheidenheid zou straffen.

Begrafenis Joannes Vitus Janssen

Het afgezonderde deel van de begraafplaats aan de Rust en Vredestraat waar slaven werden begraven (detail van schilderij De begrafenis van Joannes Vitus Janssen te Paramaribo in 1843 (collectie: Rijksmuseum)

Natuurlijk was Rikken een vertegenwoordiger van de katholieke kerk en had hij daardoor zo zijn bedenkingen over winti en bijgeloof. Maar hij getuigde van grote kennis van de Surinaamse cultuur van de ‘gewone mensen’ en van de Surinaamse geschiedenis. Hij schreef speciaal voor breed een Surinaams publiek, niet voor de koloniale bovenlaag. Henri François Rikken behoorde tot de kleine groep van Surinamers die de geschiedenis en cultuur vooral vanuit de eigenheid benaderden.

Carl Haarnack

zie ook:

De begrafenis van Joannes Vitus Janssen in Paramaribo (1843)

 

Suriname in Wolfenbüttel

Tags

,

In augustus 2015 bezocht ik het stadje Wolfenbüttel in Duitsland. Het doel van dit bezoek was tweeledig. Allereerst stond de 39e International Wolfenbüttel Summer School op het programma. Dit jaar was het thema van de Summer School: Early Modern European Black Studies. Daar mocht ik aan PhD-studenten een college geven met de titel Trans-Atlantic slavery in Early German Literature (1673-1797). Ten tweede wilde ik van de gelegenheid gebruik maken om in de Herzog August Bibliothek (HAB) te zoeken naar Duitse teksten waarin Suriname een rol speelt. Dit in het kader van mijn onderzoek naar de representatie van Suriname in vroege Duitse literatuur (1673-1893).

HAB buku

Herzog August Bibliothek (Wolfenbüttel)

Wolfenbüttel is een klein stadje in Neder-Saksen, vlak onder Braunschweig, en telt ca. 50.000 inwoners. Als je met de auto vanuit Amsterdam naar Berlijn rijdt (over Hengelo, Osnabrück, Hannover) kun je het eigenlijk niet missen. Niemand zou het toch kunnen verzinnen?: Wolfenbüttel ligt aan het riviertje de Oker. In zijn Over de geheimen van de liefde schrijft Edgar Cairo, één van de grootste Surinaamse schrijvers, hoe zeer Suriname en de oker met elkaar verbonden zijn (De Gids, Volume 153, 1990). Maar voor wie geïnteresseerd is in de link tussen Suriname en dit kleine stadje aan de Oker (en haar omgeving) hoeft niet lang te zoeken naar aanknopingspunten.

Wolfenbüttel

Wolfenbüttel

In de wijde omtrek van Wolfenbüttel vinden we veel plaatsnamen die direct of indirect verbonden zijn met Suriname. Zo ligt in het zuiden van Neder-Saksen het plaatsje Goslar. Het Duitse koopvaardijschip dat in 1940 tot zinken werd gebracht in de Surinamerivier, op de rede van Paramaribo (en er nog steeds ligt) ontleent haar naam aan deze stad. Maar er zijn ook Duitse gemeenten die een directe historische verbinding hebben met Suriname die teruggaat tot in de 18e eeuw.

In 1739 kreeg Nicolaas Horstmann de opdracht om, met vier ‘vrije Creoolen’, de binnenlanden te verkennen van Essequibo, een Nederlandse kolonie in Zuid-Amerika. Deze kolonie vormde tezamen met Suriname, Demerara en Berbice Nederlands Guyana. Horstmann ondernam een expeditie op de rivier de Essequibo en zakte de rivier de Branco af, tot aan de Rio Negro.[i] Hortsman was een Duitse chirurgijn die afkomstig was uit de stad Hildesheim. Hildesheim ligt op zo’n 40 kilometer ten westen van Wolfenbüttel.

Hildesheim_1729

Hoe de familieband er precies uitzag tussen deze Nicolaas Horstmann en de geneesheer Friedrich Wilhelm Rudolf Horstmann die zich in 1818 in Paramaribo vestigde, moet verder onderzoek nog aantonen. Dr. F.W.R. Horstmann was in 1794 geboren in Hildesheim en had ik Göttingen geneeskunde gestudeerd. In Suriname had hij een aanzienlijk fortuin verdiend door zijn medische praktijk.[ii] In 1836 trad hij op 41 jarige leeftijd in het huwelijk met Johanna Catharina Heidweiler die toen 19 jaar oud was (zij was een dochter van de weduwe Stuger).[iii] Het echtpaar woonde in de Heerenstraat A.72 tegenover de apotheek Van Amson. De plantage Hannover, genoemd naar de gelijknamige hoofdstad van Nedersaksen (niet ver van Wolfenbüttel) was eigendom van F.W.R. Horstmann.[iv]

Schloss_Salzdahlum

Schloss Salzdahlum

Een andere Surinaamse plantage die haar naam te danken heeft aan de directe omgeving van Wolfenbüttel is de plantage Saltzhalen. Deze koffieplantage, gelegen aan de Commetewanekreek, was eigendom van Frederick Coenraad Bossé. Hij was afkomstig uit Braunschweig. Interessant genoeg is dat Bossé door zijn huwelijk met de mulattin Maria Janz. in 1727 aan zijn rijkdom kwam. Zij was geboren op St. Christoper (het huidige St. Kitts) en was een slavin van Jan van Susteren die waarschijnlijk ook haar vader was. Hij nam haar mee naar Suriname waar zij in 1713 werd gemanimutteerd.[v] Elisabeth Samson, de beroemde rijkste vrije zwarte vrouw van Suriname uit de 18e eeuw, was een (half)zus van de kinderloos gebleven Maria Janz. Plantage Saltzhalen werd genoemd naar het het Lusthaus Salzthalen dat precies tussen Wolfenbüttel en Braunschweig lag. Op die plek werd later het Schloss Salzdahlum gebouwd.

Suriname kent ook een plantage met de naam Hildesheim (vernoemd naar de Duitse stad). Deze is gelegen aan de Saramaccarivier. In de Surinaamsche Almanak van 1825 vinden we Plantage Hildesheim als katoenplantage. De plantage is 1000 akkers groot. Uit een advertentie in de Geprivilegeerde Surinaamse Courant van 14 febrauri 1825 weten we dat er op deze plantage 91 slaven werkten. De eigenaar is Johan Julius Gottlieb Spilker, een kleurling. Hij was getrouwd met Anna Jacoba Helena Francina von Jeckel des Borgnes. Maar uit de Almanak van 1834 blijkt dat de plantage, nog steeds in handen van J.J.G. Spilker nog maar 500 akkers beslaat en men is overgestapt naar de verbouw van koffie. Datzelfde jaar verkoopt Spilker Hildesheim, zonder slaven, aan Jacoba Wilhelmina de Bye. In 1842 werken er nog 26 slaven op de koffieplantage Hildesheim.

Gepriv Sur Courant 14 feb 1825

Gepriviligeerde Surinaamsche Courant  14 februari 1825

Dankzij historisch onderzoek (vaak ook genealogisch onderzoek) weten we iets over de Duitsers die in de loop der eeuwen naar Nederland zijn gekomen. Veel van deze immigranten gingen een militair dienstverband aan voor uitzending overzee. Zo kwamen grote aantallen Duitse militairen terecht in het voormalige Nederlands-Indië en in Suriname. Veel van hen bleven na hun dienstverband hangen. In Suriname konden velen van hen aan de slag op de plantages. Eerst als blankofficier, waarna een aanstelling als directeur of zelfs administrateur tot de mogelijkheden behoorden.

Zo vinden we aan het einde van de 18e eeuw Suriname bijvoorbeeld Johann Heinrich Dietzel. Ergens tussen 1789 en 1799 verliet hij zijn geboorteplaats Gross-Schwülper. Schwülper maakt nu deel uit van de gemeente Papenteich, gelegen ten noorden van de stad Braunschweig. Dietzel ging via Amsterdam naar Suriname. Daar werd hij ingezet in de strijd tegen de weggelopen slaven, de marrons. Hij schopte het tot posthouder van Nickerie. Onlangs doken er brieven op die hij vanuit Suriname naar zijn familie in Duitsland stuurde. Naar deze brieven wordt op dit moment onderzoek gedaan. Meer informatie daarover volgt.

Maar niet alleen vinden we de ‘gewone man’ die dienst nam er naar Suriname vertrok. Ook op hoog adelijk/koninklijk niveau was er sprake van een directe band tussen het vorstendom Wolfenbüttel en Suriname. Op 23 februari 1763 begonnen slaven in Berbice een opstand die tot het voorjaar van 1764 duurde. Er was sprake van honger onder de slavenbevolking en de straffen waren bijzonder wreed. Berbice was toen een Nederlandse kolonie (nu Brits-Guyana) en telde 3833 Afrikaanse slaven, 244 indiaanse slaven en slechts 346 blanke Europeanen. De opstandige slaven, zo’n 3000 in getal, staken plantagehuizen in brand en namen bezit van het zuidelijk deel van de kolonie. De blanken vluchtten naar het noordelijke deel van Berbice. De hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel speelde een belangrijke rol bij de strijd tegen de rebellerende slaven.

Ludwig_Ernst_(1718-1788)_Herzog_zu_Braunschweig_-_Wolfenbüttel_-_Bevern

Lodewijk  Ernst Hertog van Braunschweig-Wolfenbüttel (1718-1788)

Hij was veldmaarschalk en commandant van de militie der Verenigde Nederlanden. Ook was hij voogd van stadhouder Willem V. Door de Staten-Generaal werd de hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel gevraagd een onderzoek in te stellen en met een plan van aanpak te komen. Dat plan bestond uit het sturen van zo’n 650 soldaten naar de Berbice. Met behulp van Franse- en Engelse troepen en de versterkingen uit Nederland werd de rebellie de kop ingedrukt. Bijna tweeduizend slaven en veertig blanke Europeanen werden gedood.

Wolfenbuttel Suriname

Nieuwe special kaart van de colonie Suriname met de tot culture gebragt zyn de landen en plantagien eerbiedigst opgedragen aan alle geinteresseerden op en ingezetenen der gemelde colonie (detail, 1801)

De meest in het oog springende band tussen Suriname en Wolfenbüttel in Duitsland is natuurlijk de plantage Wolfenbuttel. In 1737 werd voor het eerst melding gemaakt van de ‘coffiegrond Wolffenbuttel, gelegen aan het reypad’. Volgens de Surinaamsche Almanak van 1798 stond de boedel Hatterman als eigenaar van deze grond geregistreerd. De Administrateur was den Boedel Wiltens Andree. Ene Swenke was er op dat moment directeur.

Wasvrouwen op de plantage Wolfenbutel bij Paramaribo (KIT)

Wasvrouwen op plantage Wolfenbuttel bij Paramaribo (Foto: collectie KIT)

Op deze, vlakbij Paramaribo gelegen, plantage werd in 1895 een inrichting gebouwd voor psychiatrische patiënten. In de volksmond werd Wolfenbuttel ook wel ‘Colera’ genoemd. In vroeger tijden werden de psychiatrische patiënten opgesloten in barakken waar eerder cholerapatiënten in quarantaine werden gehouden. In 1953 werd de officiële naam ’s Lands Psychiatrische Inrichting (LPI).

Wolfenbüttel is een prachtig klein stadje. De kruidenlikeur Jägermeister komt hier vandaan. Maar de stad is natuurlijk veel belangrijker vanwege het feit dat de Herzog August Bibliotheek (HAB) er gevestigd is. Deze bibliotheek, gesticht in 1572, behoort tot één van de belangrijkste in Europa. De HAB kwam voort uit de hofbibliotheek van de hertog Julius von Braunschweig-Lüneburg (1528-1589).  De HAB bezit een grote hoeveelheid incunabelen en bijzondere handschriften, waaronder bijvoorbeeld de Codex Carolinus, met een fragment uit een vermoedelijke vijfde-eeuwse Gotische Bijbeltekst. Ook beschikt zij over twee Griekse handschriften van de Bijbel uit de vijfde en zesde eeuw. De HAB omvat naar schatting ca. 900.000 boeken.

WP_20150805_008

Eén van de vele zalen van de Herzog August Bibliotheek in Wolfenbüttel

Maar één van de redenen voor mij om af te reizen naar Wolfenbüttel was nu juist om te kijken welke Surinamica er in de HAB te vinden is. Het onderzoek ter plaatse is niet voor niets geweest. De HAB beschikt over een schat aan boeken over Suriname, koloniale geschiedenis en slavernij waar menige bibliotheek in Nederland jaloers op zou zijn. Zo bezit zij één van de vroegste en zeldzaamste teksten in het Duits over Suriname: Aussführliche beschreibung der insul Surinam (1763). Van dit bijzonder zeldzame boekwerkje zijn slechts een paar bewaard gebleven (naast HAB beschikt ook de Harvard College Library over een exemplaar).

Een andere vroege beschrijving van Suriname die we in Wolfenbüttel vinden is: Otto Keyens kurtzer Entwurff von Neu-Niederland Und Guajana : Einander entgegen gesetzt/ Umb den Un Mohren-Tauf…. (Leipzig, 1672). Maar natuurlijk ontbreekt ook Maria Sybilla Merian niet. Zij vertrok in 1699 samen met haar dochter naar Suriname om er planten en dieren te tekenen. Een kostbaar exemplaar van haar Dissertatio de generatione et metamorphosibus insectorum Surinamensium (Gosse, 1726) vinden we in de bibliotheek.

Merian banaan

Maria Sybilla Merian: bananenplant

Ook de eerste Duitse vertaling van Aphra Behn, de eerste roman die in Suriname speelt, behoort tot de HAB-collectie: Lebens- und Liebes-Geschichte des Königlichen Sclaven Oroonoko in West-Indien : Mit ihren wahrhafften und merckwürdigen Umständen (Hamburg,  1709). Voor de Surinamica-kenners noem ik verder Albert von Sack’s Beschreibung einer Reise nach Surinam und des Aufenthaltes daselbst in den Jahren 1805, 1806, 1807 (Berlin, 1818), verschillende titels van Philipp Fermin, de uit Berlijn afkomstige arts, die vele jaren in Suriname leefde.

Fermin detail titelvignet

Illustratie uit Fermin’s Histoire naturelle de la Hollande Equinoxale (1765)

Dit zijn slechts een paar Surinamica-titels die de HAB rijk is. De boeken en geschriften die over de Trans-Atlantische slavernij gaan, laat ik hier maar even buiten beschouwing. In dit artikel heb een indruk willen geven hoe rijk en divers het aandeel van dit stukje van Duitsland in de geschiedenis van Suriname is. Dat er een Surinaamse plantage Wolffenbuttel was is daar slechts één voorbeeld van. Het echte bewijs van die gedeelde geschiedenis blijkt uit het feit dat we in de Herzog August Bibliotheek belangrijke 17e en 18e eeuwse teksten vinden over Suriname. Voor wie iets wil leren over de geschiedenis van Suriname: op naar Wolfenbüttel!

Carl Haarnack

 

Noten:

[i] The Guiana Travels of Robert Schomburgk, 1835-1844: Explorations on behalf ..p. 274 en Hartsinck p. 266 + 267.

[ii] http://booksandjournals.brillonline.com/content/journals/10.1163/22134360-90000543?crawler=true  (zie artikel Oudschans Dentz  & Encyclopedie Nederlandsch West Indië.

[iii] idem

[iv] idem

[v] Deze informatie heb ik ontleend aan de De koffieplantage Salzhalen aan de Commetewanekreek. Philip Dikland, 2005

 

Zie ook:  Duitsers in Suriname

Overzicht der Geschiedenis van Suriname. J.R. Thomson (1902)

Tags

, ,

Overzicht der Geschiedenis van Suriname. Door J.R. Thomson. Den Haag: 1902.

Regelmatig ontvangen wij bij Buku Bibliotheca Surinamica verzoeken om informatie over geschiedenis boeken die niet door Nederlanders maar door Surinamers zijn geschreven. Bij het bestuderen van de Surinaamse geschiedenis kan het belangrijk zijn naar het perspectief te kijken van waaruit historische bronnen zijn gemaakt of beschreven. Het aantal historici van Surinaamse komaf dat zich met de Surinaamse geschiedenis bezighoudt is klein. Aan het eind van de 19e eeuw moeten deze historici met een vergrootglas gezocht worden. Maar ze waren er wel.

Kaart Suriname Thomson

Kaart van Suriname (1789)

J.R. Thomson was zo’n Surinaamse historicus. In 1894 was hij leraar op de Openbare School voor U.L.O. Volgens de Surinaamsche Almanak van 1906 was hij in dat jaar hoofd van de Emmaschool waar maar liefst 200 meisjes les kregen. Tien jaar later was hij hoofd van de openbare Willemschool. Aan het eind van zijn loopbaan werd hij benoemd tot voorzitter van de Koloniale Staten (1920-22).

Thomson werd geboren op 28 september 1853 in Paramaribo. Zijn ouders waren Zijn ouders waren Robert Thomson en Johanna Theresia Wilhelmina Eichel (*). Hij overleed op bijna 80 jarige leeftijd in mei 1933 in Nederland. Bij zijn overlijden schreef De banier van waarheid en recht : Surinaamsch nieuws- en advertentieblad van 6 mei 1933 dat John Robert Thomson echt een kind was van en uit het Surinaamse volk en een goede Surinamer.

Thomson

Cover van Thomson’s Overzicht der Geschiedenis van Suriname (1902)

Thomson publiceerde een behoorlijk aantal artikelen, pamfletten en lezingen. Eén daarvan was een Open brief aan Ds. A.E. Boers (1911). In 1909 verscheen Gouverneur Johan Jacob Mauricius op zijn lijdensweg. In 1906 hield hij een lezing met de titel Is ‘t in Suriname steeds een armoedige boel geweest? (1906).

In 1901 verscheen bij Martinus Nijhoff zijn Overzicht der geschiedenis van Suriname. In het voorwoord schrijft Thomson dat hij hoopt dat dit boek niet alleen voor schoolgebruik geschikt zal zijn maar dat ook de meer ontwikkelde lezer er aandacht voor zal hebben. Het boek is ingedeeld in vier tijdvakken: I) Van de ontdekkingen van Amerika tot den vrede van Breda  –  1492-1667; II) Van de vrede van Breda tot den Vrede van Amiens – 1667-1802; III) Vrede van Amiens tot de vrijverklaring der slaven – 1802-1863; IV) Van de vrijverklaring der slaven tot heden  – 1863 – heden.

Het boek zit vol met interessante historische feiten die de Surinaamse scholier vertrouwd moeten maken met het eigen verleden. Sommige wetenswaardigheden kwamen we niet eerder tegen in schoolboeken. In 1730, zo schrijft Thomson, bedroeg het aantal plantages ruim 400. De eerste koffiebomen werden in 1720 geplant daar een Duitser genaamd Hansbach. Volgens Thomson ontving hij ze van Gouverneur Coutier. De boompjes waren aangekweekt door de Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen. Dat werpt weer eens een ander licht op de zaak. Slechts vier jaar later arriveerde de eerste Surinaamse koffie in Amsterdam.

Koffie

Koffie wordt geserveerd (Paramaribo, 1899)

Maar als we een antwoord willen op de vraag óf het perspectief van Thomson nu daadwerkelijk anders was dan het dominante Nederlandse perspectief dan leent de Cojo Branti van 1832 zich daar misschien goed voor. In dat jaar brak in Paramaribo een grote brand uit. Alle gebouwen tussen de Waterkant, de Jodenbreestraat, de Maagdenstraat en de Steenbakkerijstraat, gingen in vlammen op. We kennen verschillende andere publicaties waarin de daders van deze brand, o.a. Codjo, Mentor en Present, er van werden beschuldigd chaos te creëren om zo de macht in de kolonie te grijpen. Thomson omschrijft de drie daders als ‘uit vrees voor hunnen meester ontvluchte slaven’. Daar klinkt toch iets van een verzachtende omstandigheid, zo lijkt het. Codjo, Mentor en Present hadden volgens Thomson met opzet een huis aan de Heiligenweg in brand gestoken, om zo de gelegenheid te krijgen, voedsel, ‘waaraan zij behoefte hadden’, te verkrijgen. Hij sprak ook van een ‘barbaarsch vonnis’ waarin de jeugdige brandstichters veroordeeld werden levend verbrand te worden.

Codjo M P  NZD

Present, Cojo, and Mentor, twee dagen voor hun executie voor de brandstichting in 1833. Gerrit Schouten, Present, Cojo, Mentor (1833), inkt  op papier (Surinaams
Museum Bibliotheek)

Tussen de regels door heeft Thomson begrip voor de brandstichters die in andere publicaties (vaak door Nederlanders geschreven) worden weggezet als oproerkraaiers die de kolonie in gevaar wilden brengen. Daarmee kiest hij een ander perspectief dan het tot dan toe gangbare. Thomson kwam voort uit de Surinaamse samenleving en was er natuurlijk door gevormd. Hij was gehuwd met een vrije gekleurde vrouw, te weten Caroline Julie Samson. De moeder van Caroline werd in 1826 gemanumitteerd en kreeg de naam Floortje Mercurina van ‘t Velde (van West). Dat zal ook een rol gespeeld hebben bij zijn visie op de geschiedenis van Suriname (*).

John Robert Thomson verdient een grotere plek in de Surinaamse geschiedschrijving. Het levend houden van zijn werk door het lezen van zijn teksten, is een goed begin.

Carl Haarnack

 

(*) met dank aan Denie Kasan

 

 

 

Jeronimy Clifford (1760)

Tags

, , ,

The conduct of the Dutch, relating to their breach of treaties with England: particularly their breach of the Articles of Capitulation for the surrender of Surinam in 1667, and their oppressions committed upon the English subjects in that colony. With a full account of the case of Jeronimy Clifford, etc.  Jeronimy CLIFFORD. London: C. Say for W. Bristow, 1760.

Hoe kon het gebeuren dat één van de rijkste 17e eeuwse planters van Suriname in armoede stierf op een kamertje die hij huurde bij een bakker in Londen? Met de Vrede van Breda in 1667 kwam een einde aan de Tweede Engels-Nederlandse oorlog. Afgesproken werd afgesproken dat de Engelsen Nieuw-Amsterdam (het huidige New York) kregen en dat Nederland Suriname mocht behouden. Kort daarvoor hadden de Zeeuwen onder leiding van Abraham Crijnssen Suriname op de Engelsen veroverd. De vrede had grote gevolgen voor de nog jonge kolonie Suriname.

Crijnssen

De vermeestering van Suriname door Abraham Crijnssen (1667)

Zo’n 80 Engelse families (volgens Hartsinck ging het om ‘twaalf honderd Zielen, zo Blanken als Negers’) besloten de kolonie te verlaten. Een andere bron spreekt van 250 blanken, 950 slaven en 31 indiaanse ‘bedienden’(!). Zij kregen de gelegenheid de spullen die zij niet konden meenemen te verkopen aan achterblijvers. Dat waren bijvoorbeeld Nederlanders, Joden (die aanvankelijk geen toestemming kregen te vertrekken) en Engelsen die meer schulden hadden dan bezittingen en daardoor in Suriname moesten blijven. Degenen die Suriname verlieten zochten hun heil in één van de Engelse koloniën Barbados, Antigua of Jamaica.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Oud kaart van Jamaica

Onder deze migranten bevonden zich ook Andrew Clifford en zijn familie. In 1675 verkocht hij zijn plantage aan een Engelsman, Rowland Simpson en vertrok naar Jamaica. Maar een jaar later keerden Andrew en zijn zoon Jeronimy (Jeronimo) terug naar Suriname omdat de betaling uitbleef. Hij trouwde in 1683 met een rijke weduwe, Dorothea Matson, die eigenaar was van de plantage Courcabo. Jeronimy Clifford deed verwoedde pogingen om zijn bezittingen mee te krijgen naar Jamaica. Maar in plaats van zijn recht te krijgen werd hij zeven jaar opgesloten op Fort Sommelsdijck. Na zijn vrijlating ging Clifford naar Amsterdam waar hij bij de Sociëteit van Suriname, tevergeefs, een schadevergoeding eiste. Hij stierf verarmd op een kamer in Londen vlakbij Charing Cross.

Fort Zeelandia  detail (G.W. Voorduin)

Fort Zeelandia (detail G.W. Voorduin)

In 1711 werd een 32 pagina’s tellend pamphlet gepubliceerd: The case of Jeronimy Clifford, merchant and planter of Surinam. Maar wij zouden het nu waarschijnlijk niet over de kwestie hebben gehad als de erfgenamen van Clifford in 1760 niet een boek over deze slepende zaak gepubliceerd hadden. Dit 220 pagina’s tellende boek geeft ons en passant ook meteen een beeld van Suriname in de vroege periode, aan het eind van de 17e eeuw. Zo leren we bijvoorbeeld over het dispuut tussen Clifford en Henry Mackintosh over de verkoop van een ‘negro slave’.

slave

Als gevolg van deze zaak oordeelde de gouverneur dat de bezittingen van Clifford geconfisqueerd dienen te worden en hij 68.000 kilo aan suiker als boete moet betalen. De slaaf wordt toegekend aan Mackintosh en Clifford wordt veroordeeld tot zweepslagen, tot de dood er op volgt. Deze laatste straf werd later omgezet in zeven jaar gevangenisstraf. De kwestie draaide om de verkoop van de slaaf Caesar aan Mackintosh in ruil voor 2000 kilo suiker. Maar toen de ruil moest plaatsvinden kon Clifford een hogere prijs voor Caesar krijgen en probeerde hij onder de deal uit te komen. Clifford ontkende dat en claimde dat hij toen hij de slaaf bij het huis van Mackintosh wilde afgeven deze hem niet wilde ontvangen omdat hij een ándere slaaf had gekocht die Caesar heette.

Uit publicaties van bijvoorbeeld George Warren weten we dat de behandeling van slaven in Suriname barbaars was. Onder de Europese kolonisten onderling waren list en bedrog eerder regel dan uitzondering.

Clifford

Titelblad The Conduct of the Dutch (1760)

 

De kwestie Clifford behoort tot de canon van de Surinaamse geschiedenis. Allereerst speelt de kwestie in die schimmige tijd waarin Suriname overging van Engelse- in Nederlandse handen. Wij weten eigenlijk maar bitter weinig over het leven in Suriname aan het eind van de 17e eeuw. Maar minstens zo belangrijk is het feit dat de kwestie Clifford de conflicten tussen Engeland en Nederland feilloos blootlegt. Dit iconisch boek uit 1760 behoort tot de belangrijkste uit de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

 

zie ook:

Hollands rijkdom

Outalissi

 

 

 

 

Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik (1854)

Tags

, , , ,

Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik. H.R. Wullschlägel. Bautzen: Ernst Moritz Monse, 1854.

Heinrich Rudolf Wullschlägel (1805-1864) werd uit Duitse ouders geboren in Sarepta, nu onderdeel van Volgograd in Rusland. De Moravische Broeders (Evangelische Broedergemeente of Herrnhutters) hadden Sarepta in 1765 opgericht. Wullschlägel werd opgeleid aan de opleidingsinstituten van de Evangelische Broedergemeente in Niesky (Saksen) en Gnadenfeld (Silezië). In 1844 vertrok hij als missionaris naar het Caraïbisch gebied. Eerst werkte hij van 1844 tot 1847 in Antiqua en vervolgens in Jamaica. Maar vanaf 1849 werkte hij in Paramaribo waar hij het hoofd werd van de Evangelische Broedergemeente (EBG) in Suriname.

Missie gebouw Paramaribo

Gebouwen van de Missie in Paramaribo (ansichtkaart ca. 1910)

Wullschlägel was behalve missionaris ook botanicus en taalkundige. Voor ons is vooral dat laatste interessant omdat we twee belangrijke Sranan Tongo taalboeken aan hem te danken hebben. In 1854 schreef hij Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik, waarin hij een overzicht geeft van de grammatica van het Sranan Tongo. Hij vergelijkt de regels van de taal met die van zijn eigen moedertaal het Duits. Het werd in 1965 door de Amsterdamse antiquaar Simon Emmering opnieuw in facsimile uitgegeven. Slechts twee jaar later publiceerde Wullschlägel een Duits-Sranan Tongo woordenboek: Deutsch-Negerenglisches Wörterbuch. In dit woordenboek neemt hij een lijst op met maar liefst 707 odo’s. Van deze lijst hebben latere odo-boeken dankbaar gebruik gemaakt.

Kurzgefasste

Titelblad Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik  (Bautzen: 1854)

De Surinaamse taal is, zo schrijft Wullschlägel, een mengeling van Engels, Nederlands, Portugees, Frans, Duits en enkele ‘Negerworten’. De taal leert men het beste door deze te spreken. Maar voor diegenen die hiervoor niet in de gelegenheid zijn (zoals missionarissen die zich in Duitsland voorbereiden op een verblijf in Suriname, ch) heeft hij dit boekje gemaakt. De R en de L worden, volgens Wullschlägel, voortdurend door elkaar gehaald en het is bijna onmogelijk het onderscheid in uitspraak tussen deze twee letters aan de bevolking van Suriname (‘Die Neger’) uit te leggen. Misschien dat we uit de zinnetjes die Wullschlägel gebruikt om de grammatiek uit te leggen iets kunnen leren uit het dagelijks leven in 1854?: ‘Da boi, disi no wan soema kan poeloe da stoutoe na hem hede’. Wat moeten we bijvoorbeeld denken van: ‘Da oema no de da soema, disi joe denke’?

Saron (meisjes in de bloementuin)

Meisjes in kindertehuis Saron van de Evangelische Broedergemeente Paramaribo (ca. 1920)

Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik is niet geschreven voor Surinaamse schoolkinderen. Het was echt bedoeld voor Duitsers die zich het Sranan Tongo eigen willen maken. Het ging hier natuurlijk niet om 19e eeuwse toeristen die naar Suriname gingen. Want dan zou een beetje kennis van het Nederlands of Engels ruim voldoende zijn om je in Suriname te redden. Het belang van de Duitse missionarissen om het Sranan Tongo te leren zat ‘m in het communiceren met de slavenbevolking van Suriname. De Herrnhutters, die al vanaf 1735 in Suriname actief waren, kregen pas aan het begin van de 19e eeuw mondjesmaat toestemming om de slavenbevolking van Suriname te kerstenen. Het onderwijs vormde natuurlijk een belangrijke stap in het emancipatieproces. Het begon met het vertellen van Bijbelverhalen in het Sranan Tongo. Daarna volgden de vertalingen van Bijbelteksten die de bevolking van Suriname zelf kon gaan lezen. Dit eenvoudige grammaticaboekje is uiterst zeldzaam. Het heeft een belangrijke rol gespeeld in het emancipatieproces van de slavenbevolking van Suriname.

Carl Haarnack

zie ook:

Boeken over taal

Tori vo da Santa Bybel

Tori vo wi Masra en Helpiman

Da tori vo Pina-Wiki

Tori vo wi Masra