Slaven en ex-slaven aan het woord

Tags

, , ,

Slaven en ex-slaven aan het woord; een ander geluid

Teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw over slavernij en het leven in de koloniën zijn over het algemeen geschreven door blanke Europeanen. Het merendeel van deze ‘koloniale literatuur’ volstaat ermee ‘de Ander’ of de slaaf weer te geven in racistische stereotypen. Ondanks deze blanke overheersing in de letteren zijn er wel degelijk voorbeelden van geschriften waarin slaven of ex-slaven aan het woord komen. Enkele voormalige slaven uit de Engelse koloniën die de pen ter hand hebben genomen zijn zelfs beroemd geworden, zoals Olaudah Equiano, Phillis Wheatley en Frederick Douglass.

Phyllis Wheatley

Phillis Wheatley (1753 – 1784) dichteres. Titelgravure in Poems on Various Subjects, Religious and Moral (London, 1773)

Recentelijk is in het slavernij-onderzoek meer belangstelling ontstaan voor het perspectief van de ‘ander’, mensen die slavernij aan den lijve ondervonden hebben. Want, zoals de naar Canada gevluchte Amerikaanse slaaf John Little zei:

‘Tisn’t he who has stood and looked on, that can tell you what slavery is – ’tis he who has endured.’[1]

De dagelijkse praktijk van de slavernij kan het beste worden beschreven door degene die haar aan den lijve heeft ervaren. In de Verenigde Staten zijn de afgelopen decennia honderden ‘slave narratives’ gepubliceerd. The Library of Congress is in 1936 begonnen met het vastleggen van interviews met voormalige slaven. In dit ‘Federal Writers’ Project’ werden binnen twee jaar meer dan 2300 verslagen vastgelegd van mensen die de slavernij in de Verenigde Staten nog hadden meegemaakt. De ‘oral history’ van een verdwijnende generatie werd op de valreep geregistreerd.

Equiano (2)

Olaudah Equaino (1745-1797). Titelprent in The Interesting Narrative of the life of Olaudah Equiano, or Gustavas Vassa, the African (London, 1789)

 

Noord-Amerika: de eerste zwarte stemmen

Het oudst bekende gedicht van Afro-Amerikaanse origine is van Lucy Terry Prince (ca. 1730-1821) en dateert van 1746. Lucy Terry werd als kind gestolen in Afrika en verkocht aan een plantagehouder in Massachusetts. Later werd ze vrijgekocht door een vrije zwarte man die met haar trouwde. In haar jeugd werd het dorp in Massachusets waar ze woonde overvallen door Indianen, wat aan verscheidene inwoners het leven kostte. Ze schreef over die gebeurtenis het gedicht ‘Bars Fight’, dat mondeling werd overgeleverd en pas in 1855 in druk zou verschijnen.

Jupiter Hammon (1711-1806) wordt beschouwd als de eerste zwarte schrijver in de Verenigde Staten. In 1761 werd zijn gedicht ‘An Evening Thought: Salvation by Christ with Penitential Cries’ gepubliceerd – het eerste werk van een zwarte auteur dat in Noord-Amerika werd gedrukt. Naderhand verschenen van zijn hand meer christelijke gedichten en preken. Hammon was voorstander van een geleidelijke afschaffing van de slavernij. Hij was de overtuiging toegedaan dat zwarte slaven aanspraak konden maken op een plaats in de hemel, omdat ze op aarde al zo veel hadden geleden.

Bekender dan Terry en Hammon is de dichteres Phillis Wheatley (1753-1784), die in 1773 de bundel Poems on Various Subjects publiceerde. Wheatley was geboren in Senegal, gevangen genomen en op zevenjarige leeftijd als slavin verkocht aan een rijke koopman in Boston. Zij was de eerste Afro-Amerikaanse vrouw die een boek publiceerde en daarmee bekendheid verwierf in binnen- en buitenland. In 1775 schreef ze het gedicht ‘To His Excellency, George Washington’, opgedragen aan de zojuist benoemde bevelhebber van de Amerikaanse opstandelingen, die in 1789 de eerste president van de Verenigde Staten zou worden. Phillis Wheatley werd in 1776 door Washington bij hem thuis uitgenodigd als dank voor het gedicht.

Omdat blanke kolonisten betwijfelden of een Afrikaanse slavin zulke goede poëzie kon schrijven, moest ze zich in 1772 voor een rechtbank verdedigen. Het literaire tribunaal achtte bewezen dat zij inderdaad de auteur was van de gedichten die op haar naam stonden. In 1773 vergezelde zij de zoon van haar meester John Wheatley naar Londen, waar ze werd gefêteerd in het gezelschapsleven en waar haar dichtbundel werd gepubliceerd. In 1778, na de dood van haar meester, verkreeg Phillis Wheatley haar manumissie en was voortaan een vrije vrouw. Drie maanden later trouwde ze met een eveneens vrije zwarte man, die een winkel dreef. Het echtpaar verloor twee kinderen en raakte tot overmaat van ramp in financiële moeilijkheden. Phillis Wheatley overleed in 1784 op 31-jarige leeftijd in armoedige omstandigheden.

Engeland: ‘Black Britons’

De meest fameuze schrijvende (ex-)slaaf is Olaudah Equiano, die rond 1745 werd geboren in het huidige Nigeria.[2] Op elfjarige leeftijd werd hij gevangen genomen en aan Europese slavenhandelaren verkocht. Via Barbados kwam hij terecht in de toenmalige Britse kolonie Virginia in Noord-Amerika. In 1754 werd hij verkocht aan een kapitein bij de Britse marine, die hem voorzag van de fantasienaam ‘Gustavus Vassa’, naar de gelijknamige Zweedse koning uit de zestiende eeuw. Equiano bekeerde zich op aandringen van zijn meester tot het christendom en leerde lezen en schrijven. Uiteindelijk werd hij verkocht aan Robert King, een koopman uit Philadelphia die tot de Quakers behoorde. King bood Equiano in 1765 de mogelijkheid om voor £ 40 zijn vrijheid te kopen. Equiano vertrok rond 1770 als vrij man naar Londen en raakte daar bevriend met leden van de beginnende abolitionistische beweging.

Equiano (2)

Olaudah Equaino (1745-1797). Titelprent in The Interesting Narrative of the life of Olaudah Equiano, or Gustavas Vassa, the African (London, 1789).

In het begin van de jaren tachtig voorzag hij abolitionisten zoals Granville Sharp van informatie over de slavenhandel. De drijvende krachten van de beweging tegen slavernij en slavenhandel moedigden hem aan zijn levensverhaal op papier te zetten. Met financiële steun van rijke abolitionisten verscheen in 1789 The Interesting Narrative of the Life of Olaudah Equiano, or Gustavus Vassa, the African. Er volgde verschillende drukken en vertalingen. Reeds in 1790 verscheen een Nederlandse editie bij uitgever P. Holsteyn in Amsterdam: Merkwaardige levensgevallen van Olaudah Equiano of Gustavus Vassa, den Afrikaan. Door hem zelven beschreeven.

Equiano’s levensverhaal is één van de invloedrijkste ‘slave narratives’. Zijn levendige beschrijvingen van de wreedheid jegens slaven in het Caribisch gebied en Virginia leidden tot verontwaardiging en protesten tegen de slavernij. Hij gaf lezingen in Engeland, Schotland en Ierland. Naar verluidt was Equiano’s relaas ook van invloed op de totstandkoming van de ‘Act for the Abolition of the Slave Trade’ (1807), die de slavenhandel verbood.

sancho

Ignatius Sanco (1729-1780). Titelprent in The Letters of the late Ignatius Sancho, an African (London, 1784)

Ignatius Sancho (± 1729-1780) maakte in Engeland deel uit van de culturele elite van zijn tijd. Hij was niet alleen schrijver, maar ook componist en acteur. Hij was onder meer bevriend met Laurence Sterne, die in een ander artikel in deze Boekenwereld aan de orde komt. Mede dankzij zijn briefwisseling met de beroemde auteur van Tristram Shandy stond Sancho in literaire kringen te boek als de ‘African man of Letters’. Evenals Equiano was hij betrokken bij de abolitionistische beweging in Engeland.

Sancho was geboren aan boord van een slavenschip. Na de dood van zijn moeder en de zelfmoord van zijn vader werd hij op tweejarige leeftijd naar Engeland gebracht. Hij kwam later als bediende terecht in de huishouding van de hertog van Montagu en deze bevoorrechte omgeving stelde hem in staat onderwijs te volgen. Toen de hertogin in 1751 overleed, ontving Sancho een erfenis van £ 70 en een jaarlijkse toelage van £ 30. In 1774 begon hij een kruidenierswinkel in Mayfair in Londen, die een trefpunt werd voor zijn literaire, kunstzinnige en abolitionistische vrienden.

Hij publiceerde een Theory of Music en twee toneelstukken, correspondeerde met de kopstukken van zijn tijd en schreef ingezonden stukken in de kranten. Voor zover bekend is hij de eerste zwarte Engelsman die in parlementsverkiezingen zijn stem uitbracht. In 1782, twee jaar na zijn dood, verscheen een bundeling van 160 van zijn brieven onder de titel The Letters of the Late Ignatius Sancho, an African.

Life-of-James-Albert-Ukawsaw-Gronniosaw

A Narrative of the Most remarkable Particulars in the Life of James Albert Ukawsaw Gronniosaw, an African Prince, As related by himself  (Bath, 1772)

Een andere schrijvende zwarte Engelsman bezocht Nederland halverwege de achttiende eeuw. Ukawsaw Gronniosaw, ook bekend als James Albert, was rond 1705 geboren in het noordoosten van het huidige Nigeria. Naar eigen zeggen was hij de kleinzoon van de koning van Zaara. Op vijftienjarige leeftijd werd hij verkocht aan een Nederlandse scheepskapitein, die hem doorverkocht aan een Amerikaan in Barbados. Deze verkocht hem op zijn beurt aan een dominee in New York. Na diens overlijden raakte Gronniosaw op drift als kok op een kaperschip en soldaat in het Engelse leger. Hij diende op verschillende plaatsen in het Caribisch gebied, maar kreeg genoeg van het soldatenleven en besloot naar Engeland te vertrekken.

Daar publiceerde hij in 1772 zijn Narrative of the Most remarkable Particulars in the Life of James Albert Ukawsaw Gronniosaw, an African Prince. Uit de avontuurlijke autobiografie blijkt dat Gronniosaw rond 1750 enige tijd in Amsterdam heeft gewoond. Hij werkte daar als butler bij een rijke koopman, die hem meer als een vriend dan als een bediende behandelde. De familie probeerde Gronniosaw over te halen langer in Amsterdam te blijven, maar het verlangen naar zijn geliefde in Londen was te sterk.

Suriname: brieven van (ex-)slaven

Ook voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis geldt dat de meeste schriftelijke bronnen afkomstig zijn van de blanke koloniale elite. Wel vinden we in verslagen van de Evangelische Broedergemeente regelmatig beschrijvingen van individuele slaven of bosnegers.[3] Er zijn echter weinig verhalen bekend van slaven of voormalige slaven die zelf de pen ter hand hebben genomen. De eerste echte aanklacht tegen slavernij door een Afro-Surinamer is Wij Slaven van Suriname van Anton de Kom (1898-1945). Dit boek werd in 1934 in Nederland uitgegeven, meer dan zeventig jaar na de afschaffing van de slavernij. De Kom was weliswaar een nazaat van slaven, maar had de slavernij niet meer aan den lijve ervaren.

cover_wij_slaven_van_suriname_1edruk

Anton de Kom, Wij slaven van Suriname. Eerste druk (Amsterdam, 1934)

Pas de afgelopen jaren komen dankzij wetenschappelijk onderzoek bronnen aan het licht die zijn geschreven door (ex-)slaven. Een van hen is Boston Band, die rond 1750 vanuit Jamaica naar Suriname kwam en daar in 1766 overleed.[4] Waarschijnlijk kwam hij mee met David Dandiran, die directeur werd van de houtplantage Beerenburg. De slaaf Boston Band moet een geprivilegieerde positie hebben ingenomen in het bedrijf van Dandiran, want hij kon lezen en schrijven. Toch ontvluchte hij in 1757 de plantage en ontwikkelde zich tot een van de aanvoerders van de rebellerende slaven in de grote Tempati-opstand in Oost-Suriname.

Direct na zijn vlucht schreef Boston Band verscheidene Engelstalige brieven aan het gouvernement in Paramaribo. Helaas zijn de originele brieven – minstens achttien stuks – niet bewaard gebleven, maar van elf zijn Nederlandse vertalingen teruggevonden. Bands brieven waren erop gericht om vrede te bewerkstelligen tussen de Marrons en de troepen van het koloniale gezag die jacht op hen maakten.

Hij was niet de enige Marron die via brieven van zich deed horen. Een andere Marronleider die zijn visie op de slavernij aan het papier toevertrouwde was Quakoe van Sara de la Para (zijn achternaam geeft aan dat hij een slaaf was van de joodse Sara de la Para). Quakoe had een goede reden om naar de ‘Boschnegers’ te vluchten – zijn meesteres Sara was van plan hem de neus en oren af te snijden.[5]

Quassie in Eugene Sue

Granman Quassie. Handgekleurde gravure uit J.G. Stedman, Narrative of a Five Years’ Expedition against the Revolted Negroes of Surinam (London, 1796)

Niet alle schrijvende (ex-)slaven in Suriname streefden naar afschaffing van de slavernij of een betere behandeling van slaven. Sommige briefschrijvers kozen (ook) de kant van het koloniale gezag, zoals Quassie van Nieuw Timotibo (met het voorbehoud dat hij wellicht zijn brieven dicteerde omdat hijzelf niet kon schrijven). Quassie werd geboren rond 1692 in West-Afrika,  en als slaaf naar Suriname gebracht. Hij nam deel aan de strijd tegen de weggevluchte slaven en werd als beloning daarvoor in 1755 vrijgemaakt. In 1776 ging hij op audiëntie bij stadhouder Willem V. Het bezoek aan de Republiek leverde de gezagsgetrouwe ex-slaaf vele eerbewijzen op: een rotting met zilveren knop, een ringkraag met het wapen van de Sociëteit, een gepluimde hoed, een degen en een zware vergulde plaat met de toepasselijke inscriptie: ‘Quasje getrouw voor de blanken’.[6]

Er waren ook slaven die zich om religieuze redenen wilden onttrekken aan de slavernij. Kwakoe – niet dezelfde als de eerder genoemde Quakoe – was een slaaf die zich tot het christendom had bekeerd en als kok voor het gouvernement werkte. Dankzij zijn bekering had hij de gelegenheid gehad te leren lezen en schrijven. In 1740 schreef hij drie brieven naar de ‘Edele Grootachtbare heren van de Sociëteit van Suriname’. Hij verzocht daarin om zijn vrijlating, omdat hij het als christen niet verdroeg nog langer tussen de heidense slaven te verkeren. Een jaar later verkreeg hij inderdaad zijn vrijheid en vanaf dat moment ging hij door het leven als Cornelis van Maarssen.

DSC00855

Slavin uit Benoit’s Voyage a Surinam (Brussel, 1839)

Onlangs kwam een bijzondere brief aan het licht. Op 14 maart 1795 schreef Wilhelmina van Kelderman uit Paramaribo een brief aan Engelbertus Kelderman in Amsterdam. De bejaarde Wilhelmina was vermoedelijk een (voormalige) slavin van Kelderman. Zij schrijft: ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan, verhoort teevens ook mijn smeeken, verwerpt mij niet […].’ Ze ontvangt een toelage van haar meester en heeft de beschikking over een slavinnetje dat haar moet verzorgen. Kelderman zelf woont in Amsterdam en laat zijn zaken in Suriname beheren door een zekere Wijne.

Wilhelmina heeft het verzoek gekregen de zorg op zich te nemen voor de zuigeling van een nicht van Kelderman, die in het kraambed is gestorven. Zij heeft daarin toegestemd en is ingetrokken bij de weduwnaar, die na verloop van tijd hertrouwt. Dan blijkt Wijne opeens van mening dat zijn zorgplicht voor Wilhelmina is afgelopen: zij heeft zolang bij haar nieuwe meester verkeerd, dat deze maar voor haar moet zorgen. Hij weigert Wilhelmina onderdak te verschaffen en stuurt haar slavinnetje terug naar de plantage. Wilhelmina heeft geen inkomsten meer en staat op straat. In haar brief verzoekt ze Kelderman ervoor te zorgen dat ze haar huisje en toelage terugkrijgt. Haar jammerklacht heeft Amsterdam nooit bereikt, want hij is onlangs gevonden in de Britse National Archives in Kew bij Londen. Hier liggen ca. 38.000 Nederlandse brieven en documenten die in de zeventiende en achttiende eeuw door de Engelsen werden buitgemaakt bij het kapen van Nederlandse schepen.[7]

 Gelaagdheid

Het zoeken naar uitingen van zwarte of halfbloed (ex-)slaven wordt bemoeilijkt doordat – in tegenstelling tot de gangbare opvatting – huidskleur niet in alle opzichten bepalend was voor de koloniale samenleving. Al in de achttiende eeuw kende Suriname vele ‘vrije zwarten en kleurlingen’, die in het onderzoek vaak worden verwaarloosd. In 1811 overstijgen ze de blanke Europese kolonisten in aantal. Van beroep zijn ze kantoorklerk, ambtenaar, koopman, onderwijzer of vervullen ze administratieve functies op de plantages en in het koloniaal bestuur. Van veel mensen die documenten hebben nagelaten in de archieven weten we eenvoudig niet welke huidskleur ze hadden.

Soms kunnen we dat door genealogisch onderzoek vaststellen. Zo is Albertus Craamer een mulat, want zijn moeder wordt omschreven als de ‘christene neegerin’ Albertina Maria.[8] Albertus is een slaaf van de Sociëtiet van Suriname en werkzaam bij de ‘guarnisoenschrijverij’. In 1783 verkrijgt hij zijn vrijheid. Daartoe leent de raad-fiscaal Cornelis Karsseboom hem het geld om twee slaven te kopen, die hij in ruil voor zijn eigen vrijheid aan de Sociëteit overhandigt. Craamer, die in dienst treedt bij Karsseboom, schrijft in een brief aan de directeuren van de Sociëteit dat het een schande is voor het ‘gansch christelijke geslachte’ dat slaven als beesten verkocht worden. Zijn pogingen om zijn eveneens gedoopte broers in 1784 vrij te krijgen mislukken.

RP-T-1959-120

Gezicht op de plantage Cornelis Vriendschap in Suriname, anoniem, 1700 – 1800. Collectie Rijksmuseum.

Om een juist beeld te krijgen van de slavensamenleving en het slavenleven zijn zulke verhalen van (voormalige) slaven onontbeerlijk. En wat te denken van zwarte of gekleurde plantagedirecteuren? Die waren er in de negentiende eeuw namelijk volop. Een van hen was Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), die bovendien schreef. In 1914, op tachtigjarige leeftijd, publiceerde hij Hoe de tijden veranderen: herinneringen van een ouden planter.[9] Bartelink had de periode vóór de afschaffing van de slavernij meegemaakt. Interessant voor ons is natuurlijk dat hij het leven op de plantage en de slavernij van nabij kende. Hij was, zoals hij zelf zegt, een ‘afstammeling van het zwarte ras’.

Tot voor kort was er weinig belangstelling voor het zwarte perspectief op de slavernij. Lezen en schrijven was lange tijd aan slaven verboden. De angst voor de kracht van de pen en de macht van het geschreven woord speelden bij het koloniale gezag een grote rol. De slaven konden beter dom worden gehouden, geletterdheid en slavernij gingen niet samen. Nu blijkt uit recent onderzoek dat schrijvende (ex-)slaven vaker voorkwamen dan we tot nu toe aannamen. Het maakt nieuwsgierig naar meer. Voor wie de complexiteit en de gelaagdheid van de slavernij wilt begrijpen zijn deze ooggetuigen, die de slavernij aan den lijve ondervonden, van onschatbare waarde.

Carl Haarnack

 

(Dit artikel verscheen eerder onder de titel Schrijvende (ex-) slaven in het Themanummer Slavernij Verbeeld van De Boekenwereld, jaargang 29,  nr 4, 2013)

 

Noten

[1] Library of Congress, Federal Writers´ Project 1936-1938.

[2] Equiano’s geboorteplaats is onderwerp van discussie. Vincent Carretta heeft gesuggereerd dat hij in Carolina geboren is en niet in Afrika. Dan zou het eerste deel van zijn autobiografie gebaseerd zijn op verhalen die hij heeft gehoord of op boeken die hij heeft gelezen. Vanaf 1754 zijn de gebeurtenissen verifieerbaar en kunnen we aannemen dat zijn levensverhaal waar en accuraat is. Mogelijk dat hij zijn strijd voor afschaffing van de slavernij kracht wilde bijzetten door Nigeria te kiezen als geboorteland. Het doet m.i. ook weinig af aan de overtuigende wijze waarop hij de ontberingen en de onmenselijkheid van de slavernij blootlegt. Brycchan Carey gaat in op de discussie rond de geboorteplaats van Equiano: http://www.brycchancarey.com/equiano/nativity.htm.

[3] Johannes King (1830-1898) schreef tussen 1864 en 1895 ruim duizend pagina’s over de geschiedenis van de Marrons, zijn familie en zijn ervaringen als zendeling van de Evangelische Broedergemeente: dagboeken, reisverslagen en verhalen over visioenen die hij kreeg. Hij leerde zichzelf schrijven met behulp van bijbelvertalingen en liedboeken, toen hij ongeveer 32 jaar oud was. King behoorde tot de Matawai (Matoewari) en was de eerste belangrijke schrijver in het Sranan Tongo. Zie: https://bukubooks.wordpress.com/2012/05/27/king.

[4] Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede. De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 (Amsterdam/Den Haag 2010).

[5] Jan Jacob Hartsinck, Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust… (Amsterdam 1770), p. 795.

[6] Frank Dragtenstein, ‘Trouw aan de blanken’ Quassie van Nieuw Timotibo, twist en strijd in de 18de eeuw in Suriname (Amsterdam 2004).

[7] Dirk Tang vond deze brief. Zie idem en Jean Jacques Vrij, ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan….’, in: Geschiedenis Magazine 44/5, juli-augustus 2009. Een transcriptie is te lezen op www.sailingletters.nl.

[8] Jean Jacques Vrij, ‘Suriname. Archiefervaring 9’. In: De Bovenkamer, magazine van het Algemeen Rijksarchief (1998), nr. 2.

[9] Zie https://bukubooks.wordpress.com/2012/01/09/bartelink.

 

 

Eduard en Tony. Moritz Thieme (1830)

Tags

, , , ,

Eduard en Tony, of de De Kleine speelgenooten: een onderhoudend leesboekje voor kinderen van beiderlei sekse. door Moritz Thieme. Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1830.

Kinderboeken zijn rijkelijk vertegenwoordigd in de Surinaamse bibliotheek. Vooral vanaf het begin van de 19e eeuw komt er een behoorlijke stroom kinderboeken opgang waarin vaak historische- en aardrijkskundige onderwerpen een belangrijke rol spelen. Door de verbeterde technische drukmogelijkheden konden boeken goedkoper gemaakt worden en van mooiere illustraties voorzien worden.

Dit kinderboekje van Moritz Thieme is één van best bewaarde geheimen uit de Surinaamse boekenkast. Dat kan er ook mee te maken hebben dat men hier tevergeefs zoekt naar de naam Suriname in de tekst. Toch is het niet moeilijk om tussen de regels door te lezen en te zien dat Thieme uit verhalen over Suriname heeft geput.

suikerriet tony en eduard

Illustratie uit Eduard en Tony: Suikerriet 

Moritz Thieme (1799-1849) werd geboren in Löbau, precies in de driehoek Bautzen, Herrnhut en Görlitz. Trouwe en oplettende lezers van deze rubriek zullen deze plaatsnamen bekend voor komen. In dit gebied zagen vele Suriname-publicaties het licht. Zo werd in 1856 in Löbau het Deutsch-Negerenglisches Wörterbuch van Wullschlägel gepubliceerd. In Bautzen zag de Kurzgefasste Neger-Englische Grammatik van dezelfde auteur in 1854 het licht. En in Görlitz had de Duitse missionaris Christlieb Quandt, die tussen 1768 en 1780 in Suriname verbleef, zijn Nachricht von Suriname und seine Einwohnern in 1807 uitgegeven. En iedereen weet dat Herrnhut de bakermat is van de Evangelische Broedergemeente (EBG) die al vanaf 1735 actief is in Suriname. Thieme studeerde rechten in Berlijn en Leipzig maar werkte als boekhandelaar en auteur van kinderboeken. In 1818, hij was toen 19 jaar, debuteerde hij met Dramatische Spiele für die Jugend bei festlichen Gelegenheiten. Ein Weihnachtsgeschenk. Daarna volgde een lange lijst met kinderboeken, theaterstukken en ‘Bilderbücher’. In 1829 verscheen Edmund und Tony, die treuen Spielgefährten dat een jaar later in het Nederlands vertaald werd als Eduard en Tony, of de De Kleine speelgenooten.

aapje

Illustratie uit Eduard en Tony

In dit verhaal ontmoet de kleine Eduard, hij is twaalf jaar, Tony, de dochter de heer Brinken. Deze is onlangs teruggekeerd uit ‘Amerika’. Hij heeft daar een groot fortuin vergaard. Hij heeft ook zijn ‘zwarte knecht’ meegenomen, een aapje en een papagaai. Tony is een lief en klein meisje van tien jaar oud, schrijft Thieme, en zij is ‘een weinig bruin van gelaatskleur’. Misschien is ze niet alleen maar lief want als zij Eduard haar aapje wilt laten zien trekt zij aan het schelkoord om een bediende te roepen. Zij sprak ‘ernsthaftig’ tot de bediende, dat Jacques (de bejaarde ‘neger’) moet komen met het aapje Dupp, alsof zij tot één van haar slaven sprak in Amerika. Deze Jacques had ooit eens het leven gered van Tony toen ‘eenige weggeloopene en in het wild levende negers’ hun huis overvielen en ‘moorden en plunderen wilden’.

Dat waren de zg. ‘Maroni-negers’ wist Eduard (Maroni is de Franse benaming voor Marowijne). De heer Brinken vertelt aan Eduard en Tony dat de wreedheden waaraan de slaven worden blootgesteld niet de schuld is van de plantage-eigenaren want die zijn eigenlijk nooit aanwezig.[i] Het zijn de opzichters die zich hier aan schuldig maken. Tony’s vader vertelt de kinderen vervolgens vele verhalen over uiteenlopende plekken op de wereld. Het hele boekje heeft een duidelijke agenda om kinderen iets van de wereld bij te brengen. Over Suriname zelf leren we eigenlijk weinig. Maar het is natuurlijk interessant om te zien dat de schuldvraag over de slechte behandeling van slaven uitsluitend bij de opzichters wordt gelegd. En misschien is de grootste verdienste nog om te zien dat een tienjarig meisje met een ‘bruine gelaatskleur’ bedienden commandeert alsof ze haar slaven in West-Indië toespreekt. Is dat niet een beetje het mysterie van die bizarre geschiedenis van Suriname?

Carl Haarnack

 

20180215_001454

Titelpagina Eduard en Tony 

 

[i] “Niet de eigenaars der plantaadjen zijn gewoonlijk aan de wreedheid, welke daar gepleegd wordt, schuldig: deze zijn den meesten tij in ‘t geheel niet op hunne plantaadjen; en bovendien zijn dezelven zoo uitgebreid, dat zij onmogelijk met de slechte behandeling, waaraan hunne negers zijn blootgesteld, bekend kunnen worden: maar de opzigters zijn het, die zoo onbarmhartig met de slaven omgaan.”

 

De Lepra Commentationes. G.W. Schilling (1778)

Tags

, ,

De Lepra Commentationes. Recensuit J.D. Hahn. Gottfried Willem Schilling. Leiden/Utrecht: Luchtmans/ Paddenburg, 1778. 

De Surinaamse bibliotheek kent een bescheiden aantal boeken die in het Latijn zijn geschreven. Zo verscheen in 1763 in Uppsala Dissertatio Botanico-Medica Sistens Lignum Quassiae, een proefschrift van Carolus Blom over het Quassie-hout in Suriname. Het is geen toeval dat juist de medische literatuur in het Latijn geschreven werd. Zo konden wetenschappers uit verschillende taalgebieden toch elkaar informeren over hun onderzoek en nieuwe inzichten.

 

final Schilling

Titelblad van De Lepra Commentationes (1778)

In 1778 verscheen De Lepra Commentationes van de hand van Gottfried Willem Schilling; één van de zeldzaamste Surinamica.  Over de auteur Schilling weten we niet veel. Lange tijd dacht men dat hij geboren was in Priegnitz in Brandenburg. Vervolgens ontdekte historica prof. dr. Natalie Zemon Davis dat hij volgens de akte van zijn verloving, met Elisabeth Diderica Baldina de Graaff, rond 1733 in Wijk bij Duurstede geboren is. Dankzij uitstekend speurwerk van Philip Dikland weten we nu dat er twee personen waren met de naam Gottfried Schilling in Suriname die bovendien in dezelfde tijd leefden. Dit waren Godfried Wilhelm Schilling, chirurgijn, later Doctor Medicinae (de auteur van ons boek) én Godfried Schilling, kapitein, later Raadsheer van het Hof van Politie. In 1766 komen we de Duitse chirurgijn Gottfried Wilhelm Schilling tegen en wel in een Amsterdanse acte uit 1766 (GAA) waarin wordt vermeld dat een bemanningslid van een schip werd behandeld door “dokter G.W. Schilling”.*)

Als scheepsarts (mogelijk op een slavenschip) kwam hij in 1757 in Suriname terecht. Hij werkte er behalve als arts ook als luitenant in het koloniale leger.  Na zijn terugkeer naar Nederland behaalde hij in 1769 aan de Universiteit van Utrecht een doctorsgraad en schreef een proefschrift over lepra in Suriname (Dissertatio medica inauguralis de lepra. Trajecti ad Rhenum, : ex officina Joannis Broedelet, 1769).

Na verschillende reizen in Europa keerde Schilling in 1772 weer terug naar Suriname. Hij vervulde een aantal belangrijke posities. Zo was hij geneesheer in het militair hospitaal in Paramaribo dat in 1760 werd geopend. In 1781 wordt Schilling benoemd tot de president van het Collegium Medicum, het hoogste medische orgaan in Suriname. Hij werkte in totaal bijna 20 jaar lang in Paramaribo.

Militair Hospitaal 1885 kl

Militair Hospitaal Paramaribo

Het boek bestaat uit drie delen. Schilling begint met een verhandeling over de verschillende vormen en de symptomen van lepra. Ook de besmettelijkheid en de behandelmethoden komen in de eerste deel aan de order. Het tweede deel gaat over de dissertatie uit 1709 van Philip Ouseel, een Duitse wetenschapper (Dissertatio de lepra cutis Herbraeorum) en het commentaar van Schilling hier op. In het laatste deel tenslotte gaat hij in op de nieuwe behandelmethoden en het gebruik van planten uit ‘de Nieuwe Wereld´.Mijn medische kennis nagenoeg nul. Laat ik me voorzichtigheidshalve beperken door te melden dat Schilling geloofde dat de ziekte lepra veroorzaakt werd door een combinatie van weersomstandigheden, klimaat, voeding en de leefomstandigheden. Schilling ging er van uit dat de huidziekte lepra (of boasi) door Afrikaanse slaven in Suriname was geherintroduceerd. Als gevolg van hun ontucht en losbandigheid waren zij een makkelijke prooi voor de ziekte. Toen ook Europeanen hieraan ten prooi vielen werd het seksuele verkeer met Afrikaanse slavinnen als oorzaak aangewezen. Schilling probeerde wel verschillende behandelmethoden maar vond isolatie van de zieken noodzaak. Daarom droeg hij bij aan de totstandkoming van opvang van leprozen op Voorzorg aan de Saramaccarivier. Iedere slaaf, vrije zwarte en vrije kleurlingen werd gedwongen de rest van zijn of haar leven daar te slijten. Witte Europeanen met boasi mochten met beperkte bewegingsvrijheid thuis blijven wonen.

img445

Koor van melaatse zangers. Gerardus Majella Stichting. Paramaribo, Suriname (ca. 1902)

Slechts weinig particuliere verzamelaars zullen dit in hun verzameling hebben. Vanwege de taal is dit niet een boek dat men aanschaft om te lezen. Het is voor verzamelaars eerder een object van begeerte vanwege zijn zeldzaamheid én vanwege de macabere illustratie, ‘Horridior Morte’, op de titelpagina. Het exemplaar in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie is afkomstig van de bibliotheek van de Boston Medical Library.  Gelukkig bezit Suriname sinds kort ook een exemplaar. Professor Derk Bruynzeel, oud hoogleraar dermatologie aan de medische faculteit van de Vrije Universiteit schonk een exemplaar aan Suriname. Henk Menke, dermatoloog en medisch historicus  die onderzoek doet naar de Surinaamse leprageschiedenis, heeft het boek op het medisch historisch congres in januari 2017 overhandigd aan  het Nationaal Archief in Paramaribo.                                                                                                                                        Op dit moment wordt er wereldwijd slechts één exemplaar van dit boek te koop aangeboden. Wie zijn boekenkast met deze trofee wilt verrijken moet wel diep in de buidel tasten; het boek kost €1200,–.

 

Carl Haarnack

*) met dank aan Philip Dikland. Zie zijn Biografie van Gottfried Wilhelm Schilling (1724-1804)

 

Aventures d’Hercule Hardi. Eugene Sue (1840)

Tags

, , ,

Aventures d’Hercule Hardi, ou, La Guyanne en 1772. Paris: C. Gosselin, 1840.

In deze rubriek zijn we altijd gek op wat we ‘Stedmania’ zijn gaan noemen: verschillende edities en vertalingen van Stedman’s Narrative against the Revolted Negroes of Surinam (1796) maar ook toneelstukken, kinderboeken en romans die gebaseerd zijn op het belangrijke boek van John Gabriël Stedman. Regelmatig vinden we nieuwe afbeeldingen die geïnspireerd zijn op de prachtige gravures van o.a. Blake en Bartholozzi uit de eerste Engelse editie.

GabrielLepaulle EugeneSue

Eugene Sue (1804-1857). Schilderij van François-Gabriel Lépaulle (1835)

Weinig mensen zijn nog bekend met de grote 19e eeuwse Franse romanschrijver Eugène Sue. Sue, die eigenlijk Marie-Joseph Sue heette, werd geboren in Parijs in 1804. Hij volgde een medische opleiding en werkte korte tijd als chirurg bij de marine. Dankzij zijn werk op Franse oorlogsschepen reisde hij in Azië, Amerika en het Caraïbisch gebied. Maar al snel legde Sue zich toe op een carrière in de journalistiek. Dankzij de snel groeiende groep van mensen die kon lezen en de goedkope publicaties van zijn verhalen die in afleveringen verschenen, werd Eugene Sue beroemd. Zijn eerste succesvolle romans waren vooral geïnspireerd op zijn zeereizen. In 1830 verscheen Kernock le pirate, gevolgd door Atar-Gull (1831) en La Salamandre (1832). Maar het grote succes kwam met de publicatie van Les Mystères de Paris dat tussen 1842 en 1843 als feuilleton verscheen. Hierin beschreef hij de ellende van de Parijzenaars die in grote armoede leefden. Beweerd wordt dat Victor Hugo voor het schrijven van zijn succesvolle sociale roman Les Misérables (1862) op het werk van Sue heeft geleund.

kappler eugene sue

Fort Zeelandia in Paramaribo omstreeks 1850

In 1840 publiceerde Eugene Sue Deux Histoires 1772-1810 met daarin Aventures d’Hercule Hardi. Hij baseerde deze novelle op de ‘Narrative’ van Stedman. Er verschijnen vele herdrukken (de laatste in 2016!) en ook werd het vertaald in het Engels (The adventures of Hercules Hardy; or, Guiana in 1772. New-York: J. Winchester, 1844) en in het Duits (Die Abenteuer des Hercules Kühn oder Guyana im Jahre 1772. Leipzig : Wigand, 1844). Sue laat slechts zijdelings blijken dat Stedman zijn inspirator is. Zo wordt er ergens een slager Stedman opgevoerd en in een voetnoot beveelt hij het boek van Stedman aan.

Hercule gaat als vrijwilliger naar Suriname om te helpen in de strijd tegen de van de plantages ontvluchtte slaven en de indianen. De gevluchte slaven worden overigens marrons genoemd. We herkennen verschillende bekenden uit de geschiedenisboeken. Zo is er een slaaf, genaamd Cupidon, die een armband draagt waarin gegraveerd staat ‘trouw aan de Europeanen’ (Granman Quassie kreeg in 1730 een zilveren borstplaat met daarop de tekst ‘Quassie, trouw aan de blanken’).  Het kost ook weinig moeite om in Major Rudchop  kolonel Fourgeoud te herkennen. De geliefde van Stedman, Joanna, heet bij Sue,  Jaguarette. De indianen komen er weer niet goed vanaf. Ze zijn wild, gevaarlijk en een aantal er van zijn kannibalen.

Quassie in Eugene Sue

The celebrated granman Quacy (detail uit gravure uit Stedmans Narrative, 1796)

De Aventures d’Hercule Hardi behoort misschien niet tot de grote wereldliteratuur zoals enkele andere boeken van Eugene Sue dat doen. Maar het onderstreept nogmaals het belang van de Narrative van Stedman. De publicatie in 1796 sloeg in als een bom. Voor het eerst in de geschiedenis kon de Europese bevolking gedetailleerd kennisnemen van de slavernij in een Europese kolonie in woord én beeld. Maar het waren vooral alle toneelstukken, romans en poëzie die van Stedmans boek (én het liefdesverhaal met de slavin Joanna) afgeleid waren die hét verhaal van de Surinaamse geschiedenis als een inktvlek verder verspreidden in het Europese collectieve bewustzijn. Vooral bij Franse antiquariaten komen we de boeken van Eugene Sue in grote getalen tegen. Gek genoeg valt het nog niet mee om vroege edities van Hercule Hardi op de kop te tikken. Mocht u er één tegenkomen weet dat u een bijzondere en zeldzame bewerking van de Narrative van Stedman in handen heeft.

Carl Haarnack

zie ook:

Joanna & Stedman

Andere Franse titels uit de Surinaamse bibliotheek

 

Hercule Hardy

Titelblad Engelse vertaling van Aventures d’Hercule Hardi.

WE LOVE BOOKS – Buku Bibliotheca Surinamica en de kunst van het verzamelen

Tags

,

Onlangs verscheen We love Books – Boekenliefhebbers in woord en beeld gemaakt door Johanna Kessler. Voor dit boek schreef ik een essay dat de titel mee kreeg Buku Bibliotheca Surinamica of de kunst van het verzamelen. 

een pak papier

Johanna Kessler, We love Books – Boekenliefhebbers in woord en beeld

Fotograaf Johanna Kessler (1954) werkte ruim 25 jaar als psychoanalyticus. In 2014 gooide zij het roer rigoureus om. Sindsdien is zij fulltime met fotografie bezig. Haar belangstelling voor wat mensen bezielt en drijft is echter onverminderd gebleven.
Als fotograaf maakt ze graag ‘totaalportretten’ van opmerkelijke en eigenzinnige mensen; hoe zij bezijden de massa leven. Zij kiest het liefst onderwerpen of thema’s die ook een bepaalde maatschappelijke relevantie of urgentie hebben; rondlopen met een fototoestel is niet vrijblijvend.

Kessler cover

In haar boek We love Books komen deze aspecten samen. In een periode van twee jaar portretteerde zij tientallen boekenliefhebbers uit Nederland en België, van 19 tot 101 jaar, en tekende zij hun verhalen op. Dit deed ze omdat boekenverzamelingen steeds vaker in papiercontainers verdwijnen en er door de overheersende digitale beeldcultuur anno 2018 zorgwekkend minder van papier wordt gelezen, terwijl wetenschappelijk onderzoek uitwijst uit dat papierlezen essentiële voordelen heeft boven schermlezen. Treedt er werkelijk cultuurverlies of –verarming op, waarvoor wordt gevreesd, en is dat een reëel gevaar?

Johanna Kessler wilde dat zo veel mogelijk verschillende mensen – potentieel nieuwe lezers en boekenverzamelaars – zich aangesproken zouden kunnen voelen door We love Books. Om die reden heeft zij gestreefd naar een evenwichtige leeftijdsopbouw en heeft ze zich bewust niet willen beperken tot bijvoorbeeld bibliofielen of Büchianen, of tot bekende schrijvers of alleen grote verzamelaars e.d. Die zitten er zeker ook tussen, maar minstens zo veel ruimte krijgen de ‘gewone bijzondere’ man en vrouw die toegewijd en gedreven met hun boekencollecties bezig zijn, of die nu groot, klein, heel gewoon of zeldzaam en bijzonder zijn.

Deze insteek heeft ertoe geleid dat We love Books een dwarsdoorsnede biedt wat boekenliefde in de digitale tijd anno 2018 behelst. Het boek is rijkgeschakeerd en maakt levendig invoelbaar waarom boeken begeerlijk zijn en welke betekenis het verzamelen en lezen van tastbare boeken heeft.

We love books bevat naast de foto’s en verhalen ook vijf boeiende essays van gezaghebbende schrijvers over het raadsel van de eeuwenoude liefde voor boeken.

  • Michel Krielaars, chef Boeken bij NRC Handelsblad verzorgde de inleiding;
  • Lisa Kuitert, Hoogleraar Boekwetenschap schrijft over de psychologie van boekengekte;
  • Carl Haarnack, oprichter van Buku –Bibliotheca Surinamica, schrijft over de Kunst van het verzamelen;
  • Serge Morren, huisarts, helpt bij de bouw en inrichting van je ideale boekenkast;
  • Gerrit Jan Zwier, reisjournalist en schrijver, verhaalt over ‘de dood van een boekenwurm’;
  • Peter de Rijk, hoofdredacteur bij Uitgeverij In de Knipscheer geeft een overzicht van bibliomanie door de eeuwen heen.
We Love Books – Boekenliefhebbers in woord en beeld
Door Johanna Kessler
Formaat: 190×270 mm staand
Omvang: 160 pagina’s
Uitvoering: hardcover
Nota bene: Bij dit boek is gekozen voor de Zwitserse bindwijze: het boekblok is gelijmd op  de binnenkant van het achterplat. Voordeel daarvan is dat het mooi openligt.

Johann Clemen: Der glückliche Tuchmacher (1859)

Tags

, ,

Der glückliche Tuchmacher oder Von Döbeln bis nach Surinam. Theodor Drobisch. In: Ameisen-Kalender aus das Schaltjahr 1860. Nebst Deutschem Disteli-Kalender. Gotha: Verlag Comptoir (Storch & Klett), 1859.

Suriname komen we in de 18e – en 19e eeuw op de meest onverwachte plekken tegen. Enige tijd terug kocht ik in een antiquariaat in Duitsland een kalender uit 1860. Deze Ameisen-Kalender was nogal vlekkig en de rug was half vergaan. Ondanks de slechte staat waar in het verkeerde was het toch een object van grote waarde voor de Surinaamse bibliotheek. Ik vond in deze kalender namelijk een stuk over een belangrijke Surinaamse geschiedenis: Der glückliche Tuchmacher oder von Döbeln nach Surinam (De gelukkige textielfabrikant of van Döbeln naar Suriname).

Johann Gottfried Clemen (1727 Döbeln-1785 Paramaribo)

Johann Gottfried Clemen (1727 Döbeln-1785 Paramaribo).  Privé collectie (zie voor meer informatie onderstaand stuk van  Ralph Gundram in “Neues Archiv für sächsische Geschichte”).

Het verhaal is geschreven door Gustav Theodor Drobisch (1811-1882). Drobisch was een Duitse schrijver, journalist en toneelspeler in Dresden. Gedurende achtentwintig jaar schreef hij de Ameisenkalender vol met onderhoudende teksten en humoristische kwesties.

Het verhaal begint rond het jaar 1745 waarin een doekmaker (‘Tuchmacher’) genaamd Clemen zich het hoofd brak over de vraag hoe hij zijn gezin moest onderhouden. De zaken gingen slecht en er was een voortdurende dreiging van oorlog. Clemen had zeven kinderen. De oudste zoon was Johann Clemen die heel graag had willen doorleren maar, vanwege geldgebrek, zich in het vak van zijn vader en opa moest bekwamen: het maken van doek. Toch droomde hij er van de wijde wereld in te trekken en iets meer van zijn leven te maken. En toen Johann 19 was besloot hij op pad te gaan. Hij ging te voet eerst richting Leipzig maar besloot als gauw zijn geluk in Amsterdam te zoeken. Maar hij kon nergens werk vinden. In een café ontmoette hij mannen die op zoek waren naar rekruten. Johann was een makkelijke prooi: zijn tenen staken uit zijn kapotte schoeisel, hij had nauwelijks kleding om het lijf en hij had honger. Nu kreeg hij een soldatenuniform en een behoorlijke zak met handgeld. In 1749 brak er in Suriname een opstand uit onder de slavenbevolking. Er werd een expeditie op touw gezet en Johann Clemen meldde zich vrijwillig om naar Suriname te gaan. Na zijn dienstverband werd hij door een rijke planter als opzichter ingehuurd. Johann was sterk en kon ook nog lezen en schrijven. Hij was niet meedogenloos en onmenselijk als zijn voorgangers en had zodoende een ‘goede band’ met de slaven op de plantage, zo schrijft de auteur.

Kaart uf

“Caerte van de rivieren van Suriname en Commowine met derselver uytstroomende Creecken met alle de landen soo verre deselve bewoonde worden. Verschillende mijlschalen.” – ca. 1730.  Collectie Nationaal Archief.

Toen zijn ouders in Döbeln na al die jaren er eigenlijk van uit gingen dat Johann al was overleden, stuurde hij fl. 200,– naar zijn familie. Toen de rijke planter overleed trad Johann in het huwelijk met de weduwe. Zo werd hij eigenaar van vier plantages en ca. vierhonderd slaven. In 1771 bezocht Johann Clemen met zijn gevolg, waaronder één van zijn slaven, zijn ouderlijk huis in Döbeln. Zijn ouders waren allang de tachtig jaar gepasseerd. De hele stad was uitgelopen. In heel Saksen heerste hongersnood. Johann Clemen gaf veel geld uit om zijn familie, vrienden en oud-stadsgenoten te ondersteunen. Uiteindelijk keerde hij weer terug naar zijn nieuwe vaderland Suriname.

Anna Julien (5 april 1705 te Paramaribo gedoopt - overleden 9 oktober 1779 te Paramaribo

Anna Julien (5 april 1705 te Paramaribo gedoopt – overleden 9 oktober 1779 te Paramaribo). Privé collectie (zie voor meer informatie onderstaand stuk van  Ralph Gundram in “Neues Archiv für sächsische Geschichte”).

Clemen trouwde op 4 februari 1763 huwde met Anna Julien. Zij was een mulattin en dochter van de uit Italië afkomstige Bartholomeus Julien en de Surinaamse kleurlinge Elisabeth Dobinson. Het was haar derde huwelijk. Zij was meer dan 20 jaar ouder dan hij. Het verhaal over het leven van Johann Clemen (1727-1785) vinden we in een groot aantal boeken terug. Daar over een andere keer meer. Dit is het klassieke verhaal over de arme soldaat die met een paar stuivers in Suriname aankomt maar zich uiteindelijk een zeer aanzienlijke positie en grote rijkdommen verwierf.

Carl Haarnack

 

*) met dank aan Ralph Gundram en Bernd Katt

verder lezen:

Ralph Gundram Sächsische Kolonialherren in Übersee? Eine Spurensuche am Beispiel des Johann Gottfried Clemen aus Döbeln

Joachim Nettelbeck

Clemen Schokolade

 

 

Basterd of Neger-Engelsch. G.C. Weygandt (1798)

Tags

,

Gemeenzaame leerwyze om het Basterd of Neger-Engelsch op een gemakkelyke wyze te leeren verstaan en spreeken. [G.C. Weygandt]. Paramaribo: gedrukt by W.W. Beeldsnyder, 1798.

Dat we vroeger de Sranan Tongo ‘Neger-Engels’ noemden komt omdat, toen deze taal ontstond, Suriname nog een Engelse kolonie was. Voor de Europeanen die in de kolonie kwamen was het noodzakelijk zich deze taal enigszins eigen te maken om met de slavenbevolking te kunnen communiceren. Dat kon men eigenlijk alleen leren in de dagelijkse praktijk. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw verschenen er taalboekjes voor Nederlanders, die zich het ‘Neger-Engelsch’ wilden bekwamen.

voorduin weygandt

Rond 1765 verscheen allereerst Nieuwe en nooit bevoorens geziene Onderwyzinge in het Bastert, of Neeger Engels, zoo als het zelve in de Hollandsze Colonien gebruikt word… door Pieter van Dyk. Dit boekje was gedrukt bij de Erven de Weduwe Jacobus van Egmont in Amsterdam. Maar in 1798 verschijnt er een boekje om het ‘Neger-Engelsch’ te leren dat in Paramaribo gedrukt is: Gemeenzaame leerwyze om het Basterd of Neger-Engelsch op een gemakkelyke wyze te leeren verstaan en spreeken. Dit boekje werd gedrukt in de drukkerij van W.W. Beeldsnyder. Wolphert Weijer Beeldsnyder (1764-18??) was ook de uitgever van de Weeklyksche Surinaamsche Courant. Dit taalboekje verscheen met alleen de vermelding van de initialen G.C.W. op het titelblad. Maar er bestaat geen twijfel dat de auteur van het tweede instructieboekje voor het Sranan G.C. Weygandt is.

Weygandt titelpagina 2

Over de auteur weten we weinig. In de Surinaamsche Courant van 20 januari 1821 vinden we een advertentie waarin het publiek wordt geattendeerd op een openbare verkoop van boeken in het huis van wijlen Mr. P.J. Changuion. G.C. Weygandt heeft de advertentie geplaatst en is vermoedelijk dus de ‘vendumeester’. Er zijn ook aanwijzingen dat Weygandt (onmiskenbaar een Duitse familienaam) verbonden was aan de Evangelische Broedergemeente (ook wel Herrnhutters genoemd). Zijn leerboekje voor het Sranan was er op gericht om beter met de slavenbevolking te kunnen communiceren en op Europese handelaren die naar Suriname kwamen om zaken te doen. In het voorwoord stelt Weygandt dat het hem ook te doen is om de taal weer te geven zoals die in Paramaribo wordt gesproken in tegenstelling tot het Sranan van de plantages.

tekening_van_heerendijk_in_suriname_-_paramaribo_-_20419986_-_rce

Duidelijk is dat Weygandt voortborduurde op het boek van Pieter van Dyk dat hij tot zijn beschikking had. Maar hij zal ongetwijfeld ook gebruik hebben gemaakt van de kennis van de  vrije ‘mulattin’ Dressje van Princes van Heel met wie hij samenwoonde en kinderen had.[i] Ook Dressjes moeder, een vrije zwarte vrouw en een slavin maakten deel uit van het huishouden. De Surinaamsche Staatkundige Almanach voor den Jaare 1796 (en ook die van 1798) vinden we ene J.S. Weygand als broodbakker. In 1825 vinden we een verzoek tot manumissie voor ‘den Neger’ Martinus die ooit eigendom was van de ‘vrije Jaba van J.S. Weygandt’. Zou de boekbinder Manheim van Weygandt die voorkomt in de Surinaamsche Almanak van 1828 en 1836 één van de kinderen kunnen zijn van onze G.C. Weygandt? Van deze Manheim wordt het huis en erf gelegen op Combé, aan de Wichersstraat (toevallig ook de straat waar de redactie van de Parbode nu gevestigd is) bij executie publiekelijk verkocht. Dankzij de Volkstelling van 1811 weten we dat deze Manheim Weygandt (ook wel Manheim van Weygandt genoemd) als ‘kleurling’ wordt bestempeld.[ii]

De woordenlijst is bijzonder uitgebreid en interessant. De ‘Samenspraken’ (dialogen) geven een goed beeld hoe gesprekken tussen een plantagedirecteur en een ondergeschikte zou hebben kunnen verlopen. U moet de digitaal beschikbare versie er maar eens op na slaan. Het originele boekje zult u alleen in universiteitsbibliotheken aantreffen. Het is uitermate zeldzaam. Ook de Buku-collectie moet het helaas zonder doen.

Carl Haarnack

 

[i] Met dank aan Natalie Zemon Davis: Origins and uses of the creole languages in 18th century Suriname (https://bukubooks.wordpress.com/davis/creolelanguages/)

[ii] In de Volkstelling van 1811 vinden we een overzicht van de vrije gekleurde en zwarte bevolking van Suriname. Hier in komen we M. Weygandt tegen (volgnr. 781 / folio 762  / inventaris 278/25). Met dank aan Denie Kasan: (https://deniekasan.wordpress.com/familieberichten-suriname/volkstelling-1811-suriname/)

Zie ook:

Boeken over Taal

 

Il Costume Antico e Moderno. Giulio Ferrario (1831)

Tags

, , ,

Il costume antico e moderno ovvero storia del governo, della milizia, della religione, delle arti, scienze ed usanze di tutti i popoli antichi e moderni provata coi monumenti dell’antichita’ e rappresentata con analoghi disegni. Terza edizione. America. Door Giulio Ferrario. Luogo di stampa: Torino: Fontana, 1831.

We hebben het in deze rubriek vaker gehad over Suriname-boeken die in een vreemde taal verschenen. In de regel ging het hierbij om boeken die in het Engels, Duits of Frans verschenen. Het Italiaanse taalgebied kwam er tot nu toe karig vanaf. Toch zijn er in de 18e en 19e eeuw belangrijke titels waarin Suriname een rol speelt. Zo verscheen er in 1818 in Milaan bij Sonzogno een Italiaanse vertaling van de Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam (1796) van kapitein John Gabriel Stedman. Deze publicatie kreeg de titel mee Viaggio al Surinam e nell’interno della Guiana.

Quacy Ferrario parbode

Giulio Ferrario (1767-1847) was een intellectueel, uitgever, drukker en bibliothecaris uit Milaan. Hij studeerde rechten maar verlegde zijn aandacht en toewijding naar de literatuur en de bestudering van de oude Griekse en Romeinse culturen. In 1802 werkte hij als bibliothecaris bij de Biblioteca di Brera, één van de grootste bibliotheken van Italië. Aan het eind van de 19e eeuw kreeg deze bibliotheek de status van staatsbibliotheek. In deze bieb vinden we veel belangrijke 18e en 19e eeuwse boeken over Suriname. In 1834 werd Ferrario directeur van deze bibliotheek. In deze rol was hij verantwoordelijk voor aantal belangrijke publicaties over graveerkunst, theater, architectuur en kostuums van het beroemde Scala theater. Tussen 1817 en 1834 publiceerde hij zijn monumentale werk Costume antico e moderno. Dit encyclopedisch werk bevatte oorspronkelijk maar liefst 21 banden en bevat meer dan 1500 handgekleurde platen van modern en antieke kleding en architectuur. Later werden er nog delen toegevoegd en kwam het totaal op 37. Ferrario schrijft over de geschiedenis, politiek, krijgsmacht, godsdienst, kunst, wetenschap van álle mensen en culturen in de hele wereld. Inderdaad geen sinecure maar aan het begin van de 19e eeuw ontstond er in Europa een grote behoefte aan kennis en onderwijs vooral over verre volken en culturen.

Het gedeelte over Amerika beslaat vier banden. De vierde band daarvan schrijft Ferrario over Brazilië, de Guyana’s, de kleine en grote Antillen en ook nog iets over Buenos Aires. Wij concentreren ons maar vooral op wat de auteur over Suriname (‘La Gujana Olandese’) te vertellen heeft. Hij is er weliswaar nooit geweest maar zijn kennis over deze Nederlandse kolonie is bijzonder groot. Dat is vooral te danken aan de enorme bibliotheek die hij tot zijn beschikking had. Zo maakt hij gebruik van literatuur van 16e en 17e eeuwse ontdekkingsreizigers zoals Walther Raleigh en Robert Harcourts (1613). Ferrario geeft een lijst van auteurs wiens boeken die hij gebruikt heeft: Herlein (1718), Maria Sybilla Merian (1705), Pistorius (1763), alle werken van Fermin (1765-1770), Bancroft (1769), Hartsinck (1770), Stedman (1796), Riemer (1803) en nog een berg aan Franse cartografen, reizigers en wetenschappers. Uitvoerig gaat hij in op de ligging van het land, het klimaat en de vegetatie. Ook de medicinale werking van gewassen ontbreekt niet. Ferrario geeft hoog op over de werking van het koortswerende middel ‘Quassia’ (kwasibita). Hij noemt hierbij ook de ‘ontdekker’ de granman Quassie. De in Suriname voorkomende vissen, bomen  en rivieren passeren de revue. Verder gaat de auteur in op de ‘indianen’; hun wapentuig, oorlogsvoering, godsdienst, religie, huwelijk, begrafenisrituelen maar ook de beroepen die vrouwen uitvoeren. Die houden zich o.m. bezig met het planten van manioc, bananen, yams en andere knolgewassen. Daarnaast knopen zij de bedden (hangmatten) en maken ze keukengerei. Ook gaat hij uitvoerig in op de stad Paramaribo. De straten en tuinen doen, volgens Ferrario, niet onder voor die van de elegantste in Europa.

negri_sotto_ferrario_1826

Als het over de slechte behandeling van de zwarte bevolking gaat windt hij er geen doekjes om. De Europeanen drinken het regenwater dat in reservoirs wordt opgevangen. Het water uit de putten is voor het vee en de ‘Negri’ (‘negers’). Iedereen slaapt in hangmatten maar de ‘negers’ slapen op de grond. Er zijn in de kolonie 2029 ‘witten’ (Bianchi), 3075 mulatten en ‘vrije zwarten’ en bijna 52.000 slaven. De rijkdom van de Europese families is groot en kan ook afgemeten worden aan het aantal slaven dat in hun huishouden werkt; soms wel tot 20 of 30. Hij schrijft verder over het zware leven op de plantages. Aan de wrede behandeling van de slaven wijdt Ferrario een apart hoofdstuk. Ik zal u hier de gruwelijke verhalen over zweepslagen die het vlees openrijten besparen.

Het omvangrijke werk van Ferrario is vooral zo succesvol geworden door de vele (vaak handgekleurde) gravures die er in voorkomen. Als we de afbeeldingen tellen die specifiek betrekking hebben op Suriname dan komen we op minimaal acht stuks. Daaronder zijn er een aantal van de inheemse bevolking. Ook is er een mooi gezicht op de Waterkant van Paramaribo (Citta di Paramaribo) en één van de muziekinstrumenten van Afrikaanse slaven.

piantatori stedman

Intrigerend zijn de afbeeldingen die zijn ontleend aan Stedmans ‘Narrative’. Die bestaan vooral uit samenstellingen van verschillende gravures die we uit Stedman kennen. Zo is er één waarop we Stedman zelf zien, terwijl een aantal slaven een Aboma in de boom hebben gehesen. In dezelfde afbeelding zien we granman Quassie die wijst op een gewas, het quassiehout. Ook is er één afbeelding waarin we een pijprokende planter zien en een slavin die hem koffie schenkt (‘Piantatori di Suriman’- sic). Daarnaast zien we twee basja’s die een slaaf geselen (in de originele Stedman gravure ligt de slaaf: ‘The Execution of breaking on the rack’). Links daarvan herkennen we de bekende Stedman prent die in de eerste Engelse editie heet ‘Flagellation of a Female Samboe Slave’ heet. Tenslotte zien we een afbeelding die geïnspireerd is op ‘A female Quadroon slave of Surinam’.

Van dit omvangrijke werk van Giulio Ferrario verscheen gelijktijdige een editie in het Frans: ‘Le Costume Ancien et Moderne ou Histoire du gouvernement, de la milice, de la religion, des arts, sciences et usages de tous les peuples anciens et modernes d’après les monuments de l’antiquité et accompagné de dessins analogues au sujet par le Docteur Jules Ferrario.’

Guyana Slave Rebellion 1825 Ferrario & Bonatti Antique Print Guyana Slave Rebellion of 1823, Gladstone

Vermoedelijk is deze uitgave de grootste 19e eeuwse ‘beeldbank-encyclopedie’ van de wereld. Ferrario maakt in zijn werk ook direct duidelijk dat Suriname een belangrijke kolonie was. Niet zonder reden heeft hij er belangrijk gedeelte van zijn Amerika-verhaal en maar liefst acht platen aan gewijd. Zijn bewondering geldt voor de enorme bloei van de plantage-economie maar hij vergeet niet, zoals sommige reizigers in de 18e en 19e eeuw, te vermelden tegen welke prijs dat tot stand werd gebracht, namelijk het bloed, zweet en tranen van de slavenbevolking.

Vanwege de vele prachtige illustraties is een goede en complete set zeer zeldzaam en haast onbetaalbaar. Daarom zien handelaren er vaak brood in om de prenten los te verkopen. Voor het complete werk heeft u een paar duizend euro’s nodig. Maar met een beetje geluk kunt u misschien voor een paar tientjes één van de Surinaamse prenten op de kop tikken.

Carl Haarnack

 

 

zie ook:

Italiaanse Stedman

Troepenmacht in Suriname (1900)

Tags

,

De Troepenmacht in Suriname. Met platen en Teekeningen door F.G.J. Bosschart, Kapitein 6e Regt. Infie. Breda: Firma P.C.G. Peereboom, 1900.

Natuurlijk weet iedereen dat de geschiedenis van Suriname voor een belangrijk deel wordt gekenmerkt door de plantagesamenleving en de daarmee onlosmakelijk verbonden slavernij van Afrikanen. Maar al vóór de gedwongen komst van Afrikaanse slaven waren er militaire troepen. Begin 17e eeuw waren er natuurlijk de oorlogsschermutselingen tussen de Nederlanders, Engelsen, Fransen en Portugezen die allen zochten naar goud en andere bodemschatten maar ook naar geschikte gebieden om nederzettingen te bouwen.

troepen Suriname buku

Surinaamse krijgsmacht (1826)

Toen de Nederlanders zich vanaf 1667 heer en meester konden noemen over Suriname werden er gaandeweg steeds meer militairen ingevoerd om de kolonie te beschermen tegen aanvallen van marrons, de van de plantages weggelopen slaven. Het ging hierbij vaak om ongeregelde groepen huursoldaten die voor langere of kortere perioden werden ingezet. Het is eigenlijk vreemd dat er pas in 1900 een boek gewijd werd aan de troepenmacht in Suriname.

bosschart-francois-guill_1852

F.G.J. Bosschart

François Guilleaume Jacques Bosschart (1852-1926) werd geboren in Gorinchem. Hij begon zijn militaire carriére in Nederlands-Indië, eerst op Java (Magelang) en daarna in Atjeh. Maar in 1893 werd hij als kapitein naar Suriname uitgezonden. Daar verbleef hij tien jaar. Daar werkte hij aan dit boek. Het doel dat Bosschart er mee voor ogen had was vooral om Nederlandse officieren bekend te maken met Suriname. Voor zijn beschrijving van de geschiedenis van Suriname gebruikte de auteur een aantal belangrijke boeken zoals bijvoorbeeld Hartsinck (1770), Stedman (1796), Kappler (1887). Maar ook uit de journalen van de gouverneurs Nepveu, Texier, Wichers en Friderici, belangrijke historische bronnen, werd geput. Om de binnenlandse orde en veiligheid te handhaven waren de ingezetenen verdeeld in elf burger-Compagniën, bestaande uit planters en andere burgers, die er voor moesten zorgen dat in de verschillende districten de wetten werden nageleefd. Zo zorgden deze ervoor dat het aantal blanken en slaven boven de 12 jaar geteld werden, dat de slaven gebrandmerkt waren en dat de opbrengsten van de plantages gecontroleerd werden. Omdat in de 18e eeuw de ‘Marrons zoo geweldig te keer gingen’, zo schrijft Bosschart, werden de plantages door de compagnies-commandanten gesommeerd een aantal blanken en ‘commando-negers’ te leveren om z.g. ‘boschtochten’ te organiseren (op jacht naar marrons). Bosschart geeft veel informatie over de beloning van militairen en de rantsoenen. Voor een z.g. ‘timmer-neger’ (slaaf die als timmerman werkte) gold het volgende wekelijkse rantsoen: 2 pond vlees, 4 pond beschuit, 1 stoop gort. Dat werd nog aangevuld met twee zoopjes dram (slechte rum).

troepenmacht Suriname parbode

Koloniale Guides van Suriname.  Uit: Beschrijving hoedanig de Koninklijke Nederlandsche Troepen en alle in militaire betrekking staande personen gekleed, geëquipeerd en gewapend zijn … J.F. TEUPKEN. ‘s-Gravenhage en Amsterdam, Gebr. Van Cleef, 1823-26. 

Het ’s Lands Vrijkorps bestond uit kleurlingen (Creolen) en vrije of gemanimuteerde slaven. Iedereen tussen de 14 en 60 jaar was verplicht, indien opgeroepen, om dienst te doen. Per dag kregen ze 2 schilling soldij, provisie en kost. In geval van invaliditeit als gevolg van de dienst zou de Kolonie hen blijven verzorgen. De grootte van dit korps varieerde tussen de 125 en 150 personen. Gaandeweg werden er ook slaven gekocht voor dit korps. Bosschart geeft een schat aan informatie over de patrouilles die de verschillende troepen uitvoeren in de bossen, op jacht naar weggelopen slaven. Uit verschillende journalen blijkt hoe gruwelijk deze tochten waren. Zo ontdekte sergeant Ajax die met vier man op verkenning werd gestuurd in de bossen twee ‘negers’ die bezig waren een boom te vellen. Ajax, die al snel het nabijgelegen ‘weglopersdorp’ gevonden had, waarschuwde zijn detachement. Het dorp, bestaande uit negen huizen, werd omsingeld en aangevallen. Twee marrons werden gedood en één werd gevangen genomen; het dorp werd platgebrand. Twee handen van de gedode marrons werden als bewijs naar Paramaribo gestuurd in ruil voor het z.g. vanggeld.

troepenmacht

Titelblad De Troepenmacht in Suriname (1900)

We vinden in Nederlandse bibliotheken slechts zes exemplaren van dit uiterst zeldzame boek. De Buku Bibliotheca Surinamica collectie heeft een aantal jaar geleden een exemplaar op een veiling kunnen bemachtigen voor ca. €250,– (incl. opgeld). In 2008 verzorgde Batavia Publishing een herdruk van dit interessante boek.

Carl Haarnack

 

Herlein: Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname (1718)

Tags

, , ,

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname […] J.D. Herlein. Leeuwarden: Meindert Injema, 1718.

Volgend jaar is het precies driehonderd jaar geleden dat dit bijzondere boek werd gepubliceerd. We vinden hierin een gedetailleerde beschrijving van Suriname in een periode dat er eigenlijk nog nauwelijks over geschreven werd. Ook is het de eerste Nederlandse publicatie waarin we afbeeldingen van Afrikaanse slaven zien. Het boek bevat een gegraveerd titelblad en 4 gegraveerde uitslaande platen. De nauwkeurige uitslaande kaart, getekend door A. Maars, geeft ons een goed beeld van de kolonie Suriname. Zo worden de namen eigenaren van plantages gelegen aan de Surinamerivier, Commewijne en anderen rivieren vermeld. We komen daar o.a. tegen:  Samuel Nassy, Josef Nassy, Nunes, Abraham de Pina, Aron da Silva, Jan Veer, Jan Codery, de heer Vredeburg, Van Schendel, Adriaans, Bolle, de heer Verboom, de heer Norden, Jan Vlam, Cornelis Verhart, Frederik van Ryn, Anton Verschier, Gerry Coerts, Bruining, Wouters, Matthy, Rentshove, Bacheman, Frans Damas, Boogaart, Perduin.

Herlein Maars detail

Kaart van Suriname (detail):  door A. Maars, uit:  J. D. Herlein, Beschryvinge van de Volk- Plantinge Zuriname (Leeuwarden: Meindert Injema, 1718).

Over de auteur van dit boek weten we eigenlijk heel weinig. Jan (Jean) Herlein was een Hugenoot die een aantal jaar in de kolonie Suriname woonde (tot 1704). Pas nadat hij al weer jaren in Nederland woonde publiceerde hij zijn beschrijving van Suriname. De eerste druk verscheen in 1718 met daarin alleen de vermelding van de initialen J.D.HL. Maar in de tweede druk wordt zijn achternaam voluit geschreven: J.D. Herlein. De auteur schrijft dat hij in Suriname geweest is ten tijde van de regering van de Heer Van der Veen. Paul van der Veen was gouverneur van Suriname van 1695 tot 1706. Het boek werd opgedragen aan ‘de heeren directeuren van de Geoctroijeerde Societeit van Zuriname’ in het bijzonder aan gouverneur Van der Veen. Uit archiefstukken blijkt dat ‘Jan Herlin’ op 27 juli 1704 Suriname verlaat en terugkeert naar Amsterdam. In 1709 woont hij in Leeuwarden waar zijn boek wordt gepubliceerd.

Het boek begint met een uitvoerige beschrijving van de ontdekking van Amerika. Ook komt de ‘natuurlijke gesteltheid der Karibaansche kust’ aanbod, de lucht en de seizoenen ‘op de Zurinaamsche kust’. Herlein gaat ook in op de ligging van de stad die hij Parimaribo noemt (ook bekend als Nieuw-Middelburg). Op de aandoenlijke prent zien we dat Paramaribo toen slechts bestond uit Fort Zeelandia en een beperkt aantal huizen aan de Waterkant en de daarachter liggende percelen. Bijzonder is de verhandeling over de geschiedenis van het suikerriet en de manier waarop het suiker gewonnen wordt.

herlein

Slaven aan het werk op een suikerplantage. In Herleins gravure doet het zware plantagewerk eerder denken aan een picknick   (Herlein, 1718)

Het wordt vooral interessant wanneer Herlein ingaat op de ‘aard, natuur en eigenschappen der Swarte slaven’. Hij begint met een uiteenzetting hoe zij van de West-Afrikaanse kust naar Suriname zijn gebracht. De kleding van de slaven stelt niet veel voor, zo schrijft Herlein. Kinderen tot vijf jaar lopen naakt rond maar vanaf vijf jaar is de eigenaar verplicht kleding te verschaffen. Dan krijgen zij een stuk grijs of blauw Osnabrugs of Haarlems Bond om zich mee te bedekken. Tussen neus en lippen door zegt de auteur ook iets over seksueel verkeer tussen Europese mannen en Afrikaanse slavinnen. Het gebeurt, zo schrijft hij,  ook wel dat de ‘Negerinnen’ wat verdienen met het ‘venus-spel’ van een blanke. Hiervoor kopen zij een mooier stuk stof dat zij ‘Paantje’ noemen en een ‘borst-lap’ van gestreept bond waar de borsten in hangen. Maar de meeste lopen met de borsten bloot. Ook kopen zij tabak, pijpen, dram en koralen. Slaven verkopen ook spullen (zoals sieraden) onder elkaar.

slavin

Dan volgen er uitvoerige beschrijvingen van de inheemse bevolking, de flora en fauna. Ook wordt aandacht besteed aan de goederen die vanuit Europa naar Suriname worden gestuurd om daar te verhandelen. Het eindigt met een woordenboek van de taal van de Karaïben.  Herlein wijdt ook een aantal pagina’s aan de ‘Spraak der Swarten’ en is daarmee de vroegste geschreven bron van het Sranan Tongo.

Spraak der Negers Herlein c

Pagina 121 uit Herlein’s boek (detail)

 

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname is een zeldzaam boek. We vinden het in een aantal Nederlandse universiteitsbibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek heeft ook een exemplaar. De Buku-collectie  bezit gelukkig ook een exemplaar (in perkament gebonden). Zonder twijfel behoort Beschrijvinge van de Volk-Plantinge Zuriname tot de topstukken uit de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

herlein frontispiece

titelpagina Herlein

Titelpagina Herlein