Herinneringen mijner Reizen. Van Lennep Coster (1836)

Tags

, , ,

Herinneringen mijner Reizen naar onderscheidene Werelddeelen. G. van Lennep Coster. Amsterdam: J.F. Schleijer, 1836.

In de jaren 1819-1821 bezocht Van Lennep Coster, kapitein ter zee, de Nederlandse bezittingen in Afrika en het Caraïbisch gebied. In 1836 publiceerde hij het verslag van deze reis in Herinneringen mijner Reizen naar onderscheidene Werelddeelen. Hoewel Van Lennep Coster uitvoerig verhaalt over zijn avonturen in Afrika, de Nederlandse Antillen, de Noordzee en het Middellandse Zeegebied, zijn wij hier natuurlijk vooral geïnteresseerd wat hij over Suriname te vertellen heeft. Vooral de persoonlijke avonturen en observaties (zaken die we in de archieven niet terugvinden) hebben onze aandacht. Zo schrijft hij over een reisje in december 1819 met een groot gezelschap van dames en heren naar de plantage Geertruidenberg. Plantagedirecteur was ene heer Valkenaar en de administrateur was ene Veeckens. Hoewel de tentboot door zes ‘Negers’ werd geroeid, schrijft de auteur dat het gezelschap door het varen hongerig was geworden. Over het eten hoefde men niet te klagen. ’s Ochtends begon men met een kop thee om zes uur ’s morgens. Dan werd er gewandeld, gereden of gevaren om tegen 12 uur een déjeuner à la fourchette (brunch, ch) te genieten. Daarna werd er een pijp gerookt en gerust om zo de hitte voorbij te laten gaan. Om vier uur volgde dan een theetafel waarbij iedereen gekleed moest aanschuiven. Tenslotte volgde om acht uur het diner al dan niet gevolgd door dans.

geertruidenberg-van-lennep

Ansichtkaart plantage Geertruidenberg (ca. 1903)

Op oudejaarsdag kreeg de slavenbevolking bakkeljauw, pijpen, tabak en ‘eenige snuisterijen’, zodat ook zij nieuwjaar konden vieren, zo schrijft Van Lennep. Op nieuwjaarsdag verschenen de slaven en slavinnen, goed gekleed, en begonnen muziek te maken en te zingen en te dansen. Muziek werd gemaakt op holle boomstronken waarover een vel was gespannen, anderen sloegen met stokjes op een blok terwijl de vrouwen met kleine kalebassen schudden. De dames dronken punch gemaakt door het uitpersen van zure oranjes in een tobbe waarbij jonge rum of dram en water werden toegevoegd. De mannen dronken alleen dram. De huishoudster van de directeur trakteerde de ‘negerinnen’, zo schrijft Van Lennep, op een glas wijn en gaven zij elkaar geschenken. Hij kon de muziek en het gezang maar matig waarderen omdat hij het typeert als een ‘verschrikkelijk geraas’ dat men wel even kan aanhoren maar men er op den duur doof van kan worden.

muziek-focke

Op een volgend bootreisje naar het Commewijnegebied, de Cottica en Perica, werden verschillende plantages bezocht: o.a. Aconoribo, Onvergenoegd, Lugtenburg, Halle in Saxen, de Eendragt en plantage Kokswoud. Op deze laatste plantage heerste grote reinheid die geheel voor rekening kwam van de directeur Confalie (Comvalius?). Deze had, hoewel hij ‘mulat’ was (zo schrijft Van Lennep), grote orde op de plantage geschapen die met smaak was aangelegd. Op plantage Kweekhoven was een ‘ouderwetse’ Duitser genaamd Stabach directeur. Deze liet hem de boom zien waar enige dagen eerder een ‘Neger’ zich opgehangen had. De oorzaak was , zo veronderstelde men, verliefdheid of jaloezie.

Opvallend is dat de auteur schrijft dat er een ‘brik’ dat onder Hollandse vlag voer in Paramaribo aankwam. Het schip vervoerde maar liefst 478 slaven die afkomstig waren van St. Thomas. Officieel was de slavenhandel sinds 1818 al verboden. Er was in Paramaribo een Gemengd Gerechtshof ingesteld dat moet toezien op naleving van dit verbod. Maar de verkoop van slaven gewoon openlijk plaats. De slaven werden naar een loods gebracht waar zij gereinigd werden. Daarna kwamen particulieren en administrateurs de ‘koopwaar’ bezichtigen. De prijzen varieerden van fl. 800,- tot fl. 1000,- per slaaf. Maar klaarblijkelijk was er grote schaarste aan slaven want er werd geloot wie er mocht kopen. Degene die won gaf de slaven hun namen en zond ze naar zijn plantage.

slaven gaan aan het werk.jpg

Van Lennep Coster besteedt veel aandacht aan de rechtvaardiging van de slavernij. Deze typisch eind 18e/ begin 19e eeuwse begint met de bewering dat de slaven in Suriname het eigenlijk beter hebben dan in Afrika (misschien zijn  ze wel aan de dood ontsnapt) en eindigt met de stelling dat het nog vele jaren zal duren alvorens de Afrikanen een niveau van beschaving bereikt hebben om hun broeders als mensen te beschouwen. Maar ik zal u de rest besparen.

Wel in interessant dat de auteur vlak na de grote brand van 1821 in Paramaribo was. De brand van uitgebroken in het huis van ‘de ontvanger’ Thomas dat op het Gouvernementsplein stond. Meer dan 390 huizen gingen in vlammen op. Ook de Gereformeerde kerk en de Katholieke kerk, het Hof van Politie, de Weeskamer en de Waag bleven niet gespaard. De schade werd berekend op fl. 7 a fl. 8 miljoen guldens. Velen waren geruïneerd en er was een groot gebrek aan woonruimte. De vader van de auteur, die in Paramaribo woonde en wiens huis ook verloren was gegaan, had het geluk een kamer te vinden. Deze was, zo schrijft Van Lennep Coster, door een ‘kleurling’ afgestaan. Dit werd in deze tijden van schaarste beschouwd als een teken van goedheid en vriendschap.

Carl Haarnack

Van Lennep Coster.jpg

Fort Zealandia (gravure uit het boek van Van Lennep)

zie ook: Vier maanden in Suriname (1915)

Almanak van Vernuft en Smaak (1793)

Tags

,

Almanak van vernuft en smaak, voor het jaar MDCCXCIII (1793). Amsterdam: Wed. J. Doll. 

We hebben  het hier vaker gehad over de afwezigheid van een debat over de slavernij in de 18e eeuw. In Engeland, Frankrijk en Duitsland vinden we tal van auteurs, wetenschappers en filosofen die zich bogen over dit belangrijke vraagstuk. Ook in de 18e eeuwse Nederlandse literatuur moeten we met een vergrootglas zoeken naar teksten waarin de auteurs zich kritisch uitlieten over het systeem van slavernij.

20170101_142522

Maar als we dan dergelijke bronnen tegenkomen is het ook goed daarbij stil te staan en die voor een groter publiek toegankelijk te maken. Onlangs verwierf de collectie Buku Bibliotheca Surinamica op de veiling van veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem een exemplaar van de Almanak van vernuft en smaak uit 1793 (Amsterdam, Wed. J. Doll). In deze almanak vinden we twee prachtige kopergravures waarin de slavenhandel centraal staat.

Deze gravures zijn ‘bewerkingen’ van het bekende tweeluik over de slavernij dat George Morland (1791) een paar jaar eerder schilderde.  Beweerd Morland liet zich hiervoor inspireren door een gedicht van Williams Collins uit 1788 (maar anderen spreken dit tegen):

‘Two British captains with their barges came,
And quickly made a purchase of the young;
But one was struck with Ulkna, void of shame,
And tore her from the husband where she clung……’

Het eerste werk kreeg de titel mee Execrable Human Traffic or the Affectionate Slaves dat Morland in 1788 schilderde. Twee jaar later voege hij het schilderij African Hospitality  daar aan toe. In dit schilderij liet zien hoe Afrikanen een aantal Europeanen dat schipbreuk geleden had te hulp schoot. Dat schilderij moest het contrast met de brute onderwerping van Afrikanen tot slaven onderstrepen. Beide schilderijen werden regelmatig gecopieerd, ook in etsen en gravures, en werden ingezet om de abolitionistische beweging te ondersteunen.

800px-george_morland_by_henry_robert_morland

George Morland (1763-1804) door Henry Robert Morland in ca. 1780 geschilderd.

moreland-k

Gravure uit de Almanak van vernuft en smaak (1793); gemaakt naar het schilderij African Hospitality van George Morland.

In de almanak vinden we behalve de twee gravures ook het gedicht De Slavenhandel. Van dit gedicht dat ondertekend is met de initialen T.K. (wie hier achter schuilgaat is mij onbekend. Suggesties graag naar surinamica @ gmail. com) geven we hier het eerste en het laatste strofe weer:

De Slavenhandel 

Bataven in wier fiere harten,/ De vrijheids min haer zetel bouwt,/
Die ’t stael des wreedsten dwinglands tarten/
Zijn snoode borst doorboren zoudt!/
Heel de aerde roemt dat stout vermogen,
Maer ziet met neêrgeslagen oogen,
Dat de Indiaen uw kluisters draegt;
Kunt gij die vonk der vrijheid dooven-
Uw’ evenmensch een recht ontrooven,
Waer naer gij zelf zoo hevig jаеgt?…..

[….]

Kom droog de bron van zoo veel tranen,/Schoon de eigenaer van lafheid riep;
Vergruis den boei der Afrikanen,-
Maek hen zoo vrij als God hen schiep,
Dan zal geen slaaf zijn lot vervloeken,
In moord noch oproer redding zoeken,
Of vlugten naer een zandwoestijn;
Dan zullen allen wederkeren-
Met ons den waren God vereeren,
En Neerland eeuwig dankaar zijn.

T.K

moreland2-k

Gravure uit de Almanak van vernuft en smaak (1793), gemaakt naar het schilderij van George Morland Execrable Human Traffic of the Affectionate Slaves

 

george-morland-african-hospitality-1789-oil-on-canvas-houston-menil-foundation-collection

George Morland. African Hospitality (1789). Olie op doek. Menil Foundation Collection (Houston)

Op dit schilderij zien we hoe Europeanen die schipbreuk hebben geleden liefdevol worden opgevangen door Afrikanen. Dezelfde Afrikanen die later door Europeanen als slaven verkocht zullen worden en naar West-Indische plantages versleept zullen worden.

morland

George Morland. Execrable Human Traffick; or The Affectionate Slaves (1789). Olie op doek. Menil Foundation Collection (Houston)

Op dit schilderij zien we een tafereel, ergens op de Afrikaanse westkust, waarbij een Afrikaanse familie wordt gescheiden. Een Afrikaanse man die zijn handen gevouwen heeft wordt vastgehouden door twee Europese slavenhandelaren. Eén zwaait met een stok. De vrouw en kind van de Afrikaan worden door een andere Europeaan weggevoerd. Op de achtergrond zien we een slavenschip. Volgens Hugh Honour (The Image of the Black in Western Art, 1989, pp.181-9)  was Morlands schilderij de eerste waarop we een scene uit de slavenhandel zien. Onbekend is waar het schilderij zich bevindt maar een replica bevindt zich in de Menil Foundation (Houston, Texas).

Beide schilderijen zijn iconische beelden geworden voor de  strijd tegen de Trans-Atlantische slavenhandel. Zoals gezegd zijn deze beelden vaak bewerkt en gebruikt in anti-slavernij publicaties, zoals onze bijzondere almanak van 1793. De Nederlandse abolitionistische beweging was klein en weinigzeggend. Maar er waren desondanks, ook in de 18e eeuw tekenen van anti-slavernij krachten die weinig aan de oppervlakte komen. Dat de slavernij in Nederland pas relatief laat werd afgeschaft is waar. Maar een publicatie als deze (het gedicht De Slavenhandel en en gravures) in de Almanak voor vernuft en smaak uit 1793 is een vroege bijdrage aan het ontstaan van een abolitionistisch sentiment in Nederland dat in de 19e eeuw pas meer vorm kreeg.

Carl Haarnack

titelbald-k

 

Corantijn-expeditie door C.C. Käyser (1912)

Tags

, , ,

Verslag der Corantijn-expeditie. Door C.C. Käyser. Leiden: E.J. Brill, 1912.

Het is nu bijna niet meer voor te stellen maar zo’n honderd jaar geleden telde de kaart van Suriname nog tal van blinde vlekken. Aan het begin van de 20e eeuw werden er nog tal van expedities naar de binnenlanden van Suriname ondernomen. Zo had De Goeje in 1907 de Toemoek-Hoemak-expeditie, naar de Sipaliwini, uitgevoerd. Eilerts de Haan onderzocht in 1908 de bovenloop van de Suriname-rivier. Toen kon hij, door boven op een berg te klimmen, het stroomgebied zien van de Corantijn zien. In juni 1910 vertrok een expeditie onder leiding van dezelfde Eilerts de Haan (1865-1910) naar de bovenloop van de Corantijn. Andere leden van de delegatie waren K.M. Hulk, officier van gezondheid.  Besloten werd om die te bereiken via der Surinamerivier.

kamp-wonotobo

Collectie Surinaams Museum

De tocht via de monding van de Corantijn werd te moeizaam geacht vanwege de Wonotobo-vallen. Bijkomend voordeel om via de Surinamerivier te reizen was dat men de hulp van de ‘boschnegers’ (marrons), die daar aan de bovenloop woonden, kon inroepen. Maar liefst 32 ‘stadsnegers’, zo lezen we in het reisverslag,  maakten deel uit van de groep. Het grootste deel daarvan keert terug naar Paramaribo zodra het eerste deel van de reis er op zit en de Lucierivier bereikt wordt. Maar een aantal arbeiders blijft bij de groep. Käyser wil ook ‘de zwarte reisgenooten’ voorstellen:  Ch. Aken (voorman), H. Delprado (bootsman), M.W. Watson, J. Bruinendaal (timmerman), Ch. Kloppenburg, J. de Bis (Bes?), M. Appel (kok) en A. Dens . Normaliter bleven de arbeiders bij dergelijke ondernemingen onvermeld.

20161019_092125.jpg

Afbeelding uit Verslag der Corantijn expeditie

Eind augustus, toen de expeditie zich een weg probeerde te banen door de dichtbegroeide bossen van de Surinamerivier naar de Lucierivier overleed Eilerts de Haan aan malaria. Kort daarvoor was één van de arbeiders, genaamd Herder, aan dezelfde ziekte gestorven. Zij werden ter plekke begraven. De leiding van de expeditie wordt overgenomen door Conrad Carel Käyser (1876–1939), militair én ontdekkingsreiziger. Over de expeditie, die nog maar net begonnen was, schreef Käyser een verslag.

corantijn-kleur

Interessant is bijvoorbeeld dat overnacht wordt in het huis van de ‘leriman’ (de Herrnhutter missionaris) te Ganzee, een marrondorp dat helaas, inclusief de houten kerk met geveltoren, verdwenen is op de bodem van het stuwmeer. Ook de andere dorpen aan de bovenloop van de Surinamerivier zoals Goddo, Adawai, Fado, Aurora en Granmankondre worden bezocht. Na een moeizame tocht over de Lucierivier wordt eind december eindelijk de Corantijn bereikt. Verschillende dorpen van inheemsen (‘indianen’) worden bezocht waaronder Ajoewa. De Corantijn wordt door de inheemse bevolking Sipaliwini (Roggenrivier) genoemd. De naam Corantijn kenden zij niet. Aan de Sipaliwini wonen de Trio’s. Aan de rivier de Koetari wonen de Saloema’s. Vijf Trio’s vergezellen de expeditie-reizigers. Zij voeren zeer snel in lichte bootjes en altijd dicht tegen de oever aan, op zoek naar wild of vis. Deze worden met pijl en boog geschoten. Op 1 april 1911 kwam de expeditie bij de monding van de Corantijn aan. Vanuit Nickerie wordt per gouvernementsvaartuig “Albina” naar Paramaribo gereisd. Deze laatste ‘ontdekkingsreis’ duurde 8 ½ maand en was de zwaarste van allemaal. De laatste blinde vlekken op de kaart van Suriname waren nu ingevuld.

 

Het Verslag van de Corantijn-expeditie verscheen met verschillende illustraties, zwart-wit foto’s en een prachtige grote uitvouwkaart van de rivier. Ook is er een lijst opgenomen van woorden in de taal van de Trio’s en Saloema’s. In 1843 en 1871 voerden resp. Schomburgh en Brown al op de Corantijn, maar het duurde tot de Corantijn-expeditie van 1910-1911 dat het hele gebied in kaart werd gebracht.

 

Carl Haarnack

220px-eilerts_de_haan

Johan Eilerts de Haan (1865-1910)

2016-10-19-17-45-40

Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten (1814)

Tags

Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten. Een St. Nikolaas-geschenkje voor de jeugd. Rotterdam, J. Hendriksen, [1814].

Kortgeleden werd er op een internetveiling van Catawiki een 19e eeuws kinderboek aangeboden. Het ging hier om een bijna 200 jaar oud boekje dat als Sinterklaasgeschenk voor de jeugd bedoeld was: Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten. Een St. Nikolaas-geschenkje voor de jeugd ( Rotterdam: J. Hendriksen, 1814). Nog in juni van dit jaar werd het zelfde exemplaar op de veiling van Zwiggelaar aangeboden maar bleef daar onverkocht. Het is soms onvoorspelbaar waarom een boekje op de ene veiling blijft liggen en het op de andere veiling een veelvoud opbrengt van de oorspronkelijke richtprijs. De verzamelaar van boeken heeft nu eenmaal te maken de wonderbaarlijke en soms onbegrijpelijke wegen die boeken nu eenmaal afleggen.

verzameling-van-aardige-en-het-verstand-opscherpende-anekdoten-titelblad

‘St. Nikolaas is een plegtige en vrolijke dag voor de kinderen in ons vaderland’, zo schrijft Hendriksen in zijn Voorberigt. Het is bedoeld ter uitspanning (vermaak) voor de jeugd hoewel de opscherping van het vernuft niet vergeten is. Dat laatste kunnen we in deze tijd natuurlijk goed gebruiken. In dit ‘Sinterklaasgeschenk’ is Zwarte Piet nog in geen velden of wegen te bekennen. Het boek bevat maar liefst 219 korte, vaak grappige, anekdotes. Maar om in de Buku-collectie te worden opgenomen moet een boek natuurlijk op zijn minst een link hebben met de koloniale geschiedenis in Suriname. In dit St. Nicolaasgeschenk vinden we onder een verwijzing naar Stedman, de belangrijkste 18e eeuwse chroniqueur van het leven in de kolonie Suriname. Het hoofdstukje heeft de titel ‘Soortgelijk’ omdat in het stukje ervoor het verhaal wordt verteld van een Doctor Wade uit Dublin. Iemand stal verschillende keren geld uit zijn kas. Hij kon de dader ontmaskeren door een geopende fles wijn tegen de deur van zijn kast te plaatsen zodat de degene die hem opendeed de wijn over zich heen kreeg.

Kapitein Stedman verzon ook een list om de dief te ontmaskeren die zijn suiker gestolen had. Daarbij maakte hij gebruik van het bijgeloof van de mensen die voor hem werkten. Suiker was in de 18e eeuw het belangrijkste product dat de plantagemaatschappij voortbracht. Het werd soms ook gebruikt als betaalmiddel. Hendriksen schrijft dat Stedman zijn ‘negers’ bijeen riep. ‘Daarna bromde hij eenige onverstaanbare woorden uit, en maakte zulke gebaren, alsof hij een matig toovenaar was’. Stedman vertelde dat er binnen enige minuten een papegaaienveer uit de neus van de suikerdief zou groeien. Hierop verborg hij zich in zijn tent en hield iedereen in de gaten. Iedereen hield zich kalm maar er was er één die van tijd tot tijd aan zijn neus voelde. De dief was ontdekt.

kapitein-stedman

John Gabriel Stedman die tussen 1772 en 1777 in Suriname verbleef. In 1796 publiceerde hij zijn Narrative of a Five Year Expedition Against the Revolted Negroes of Surinam.

Over het bijgeloof van de uit Afrika afkomstige slaven zijn veel interessante boeken geschreven. Dit boekje is zo leuk omdat hier om een adaptatie van Stedman gaat. Daarom komt dit boekje terecht in de deelcollectie van mijn verzameling die ik voor het gemak maar ‘Stedmania’ genoemd heb. Het belang van de publicatie van Stedman’s Narrative is groot. Er verschenen zoveel vertalingen en bewerkingen van dat deze nog lang niet allemaal in kaart zijn gebracht. Richard en Sally Price hebben een uitstekende poging gedaan alle edities van Stedman op te nemen in hun onvolprezen Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam, by John Gabriel Stedman, edited and with an introduction and notes by Richard Price and Sally Price (Johns Hopkins University Press, 1988). Maar de lijst van titels waarin stukjes uit Stedman bewerkt zijn is veel en veel langer.  De Verzameling van aardige en verstand opscherpende anekdoten van J. Hendriksen uit 1814 is er maar een voorbeeld van. In Engelse, Duitse, Franse, Zweedse, Italiaanse en Nederlandse teksten moeten er nog tientallen van soortgelijke adaptaties te vinden zijn.

Carl Haarnack

surinamica @ gmail.com

verzameling-van-aardige-en-het-verstand-opscherpende-anekdoten

zie bijvoorbeeld ook:

Stedman & Joanna

Reize naar Surinamen (1799)

Curious Adventures

Roomsch-Catholijke Catechismus (1847)

Tags

, ,

Roomsch-Catholijke Catechismus of Kort Begrip der Christelijke Leering in de Neger-Engelsche Taal voor de Kolonie Suriname met de Gebeden van den Nooddoop de Morgen en Avondgebeden [….] Amsterdam: C.L. van Langenhuysen, Singel, in den Berg Tabor, no. 465, 1847.

In het jaar 1735 kwamen de eerste Moravische Broeders, de Herrnhutters, aan in Suriname. Dat kon gebeuren omdat Graaf Nikolaus von Zinzendorff, de leider van deze piëtistische beweging, bevriende relaties had het bestuur van de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname. Kort daarna, in 1740, gaf de gereformeerde kerkenraad in Amsterdam toestemming voor de oprichting van een Lutherse gemeente in Paramaribo. Suriname werd door velen gezien als een protestantse kolonie en moest dat vooral blijven. Pas aan het eind van de 18e eeuw kreeg de Rooms-Katholieke kerk in Suriname voet aan de grond. Voorwaarden voor de vestiging van een katholieke gemeente waren dat hun kerk er niet als kerk uit mocht zien, zij uit de buurt van gereformeerden en luthersen moesten blijven én zij zich niet met de slaven mochten bemoeien.[i]

katholieke-kerk-klein

Katholieke Kerk in Paramaribo en een begrafenis processie (1839)

Op 21 november 1817, binnenkort 200 jaar geleden, arriveerde de Amsterdamse priester P. Wennekers in Paramaribo. Hoewel Wennekers al in 1823 in Suriname overleed heeft hij toch in belangrijke mate zijn stempel op de katholieke kerk in Suriname kunnen zetten. Hij richtte in Nederland een liefdefonds op om in Paramaribo een school te stichten en om slaven vrij te kopen. Ook leerde hij Sranan Tongo om met de slavenbevolking te kunnen communiceren. Aan hem hebben we dan ook dit prachtige Sranan Tongo-boekje te danken. Het is in een groen linnen bandje gevat en de bladsneden zijn verguld.

Zoals te verwachten vinden we in het boekje teksten als:

Mi Gado, mi Masra! Alla ogri disi mi ben doe, dee hatti mi foetroe, bikasi nanga datti mi ben trobbi joe, mi Gado!”

Maar het boekje bevat ook aanwijzingen voor de missionarissen die in het Nederlands zijn opgesteld:

“Indien het een nieuwe Neger is, die de taal nog niet goed verstaat, brengt men hem inde opene lucht, wijst men met hand naar den Hemel, om hem God in zijne groote werken te doen kennen …..”.

Dit maakt het boekje niet alleen interessant voor taalkundigen die het Sranan Tongo bestuderen maar ook voor historici die iets proberen te begrijpen van het leven in de slaventijd.

kankantrie

Kankantrieboom Suriname (Benoit, 1839)

Dat het katholicisme niet altijd door alle slaven met gejuich zal zijn ontvangen mag blijken uit het volgende. Op 24 juli 1821 werd op de plantage La Ressource een Kankantri omgehakt. Deze katoenboom (na Busi Gado) werd door slaven vereerd. Wennekers noemde deze boom een Afgoderij Boom. Op de plek waar de boom stond werd het Heilige Kruis geplant. In zijn boekje publiceerde hij Gezang ter Eere van het H. Kruis (Na Kownu fraga tiki), een vertaling van het Latijnse Vexilla Regis. Hij droeg dit lied op aan Mejufrrouw Anna Martina van Gelderland, eigenares van La Ressource aan de Saramacca.

de-berg-thabor-boekenwinkel-langenhuyzen-hoek-van-singel-434-en-de-beulingstraat-beeldbank-stadsarchief-amsterdam

In den Berg Tabor. De boekwinkel/uitgeverij van C.L. van Langenhuyzen op de hoek van de Singel (nu no. 434) en de Beulingstraat (Beeldbank Stadsarchief Gemeente Amsterdam)

Het boekje werd in 1847 uitgegeven door C.L. van Langenhuysen die gevestigd was aan het Singel 434 in Amsterdam (hoek Beulingstraat). Het is herdruk van het boekje dat Wennekers in 1822 bij Tetroode in Amsterdam liet verschijnen. Dit exemplaar uit de Buku-collectie werd, zo blijkt uit de handgeschreven ex-dono op het titelblad, geschonken door Jacobus Groof (die meer dan twintig jaar in  Suriname werkte) aan frater J. van Vree. Deze laatste was president van het seminarie van Warmond waar Grooff theologie gestudeerd had. Dat is ook direct het geheim hoe het kan dat dit boekje in zo’n goede staat bewaard is gebleven: het is nooit blootgesteld aan de Surinaamse klimatologische omstandigheden. Er zijn maar weinig gedrukte bronnen met teksten die in het Sranan Tongo zijn geschreven. Daar moeten we zuinig op zijn. In Suriname zijn de exemplaren die ooit door katholieke missionarissen zijn meegebracht allang verdwenen. In Nederland beschikken alleen de bibliotheken van de universiteit van Leiden en Maastricht over een exemplaar.

Carl Haarnack

[i] Zie: Joop Vernooij, De regenboog is in ons huis. De kleurrijke geschiedenis van de r.k. kerk in Suriname. p. 14 e.v.

titelblad

Iets over de Hindoe-vrouw door C. van Drimmelen (1912)

Tags

, , , ,

Iets over de Hindoe-vrouw: bijdrage tot de kennis van het leven, de zeden en de gewoonten van het volk, waartoe de Britsch-Indische immigranten in Suriname behooren. C. van Drimmelen. Paramaribo: Immigratie-Departement, 1912.

eunoobia

Eunoobia, Paramaribo (ca. 1908)

Misschien dat de term ‘boek’ voor deze titel enigszins overdreven is. Het werkje bestaat uit niet meer dan 15 pagina’s. Maar er zijn genoeg redenen om voor deze titel op deze plek aandacht te vragen. Doorgaans schrijven we hier over boeken die minimaal honderd jaar oud zijn. Dat betekent dat er relatief weinig aandacht is voor bijvoorbeeld de immigranten uit wat vroeger Brits-Indië heette. De vroegste titel die die betrekking heeft op de ‘Hindostanen’ in Suriname die we in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag vinden dateert van 1930 (De Britsch-Indiërs in Suriname: een korte schets benevens een handleiding voor de beginselen van het Hindi door Rudolf Karsten). Omdat er in Nederlandse bibliotheken slechts vier exemplaren van ‘Iets over de Hindoe-vrouw’ te vinden zijn mogen we dit boekje gerust zeldzaam noemen.

nickerie-1835

detail van kaart Generale Kaart van Suriname. M.D. Teenstra (Landbouw in de Kolonie Suriname, 1832)

Corstiaan van Drimmelen (1860–1935) leefde tussen 1884 en 1921 in Suriname. Hij kwam daar als luitenant en vervulde na zijn diensttijd verschillende bestuurlijke functies. Eerst was hij lange tijd districtscommissaris van Nickerie om vervolgens, in 1902,  hoofd van het departement Immigratie te worden. Hij nam deel aan een aantal wetenschappelijke expedities naar de binnenlanden van Nickerie. Hij vernoemde de waterval in de Boven-Nickerie naar zijn vrouw Blanche-Marie. In 1914 werd in Nickerie een polder aangelegd die haar naam aan hem ontleende: De Van Drimmelenpolder.

Tijdens zijn baan als agent-generaal voor de Immigratie schreef hij Iets over de Hindoe-vrouw. In Hindostan wonen, zo schrijft Van Drimmelen, niet minder dan 250 miljoen mensen. Men vindt er Hindoes, Mahomedanen, Budhisten, Animisten, Christenen en Joden. Maar meer dan drie-vierde van de bevolking belijdt de Hindoe-godsdienst. Zij geloven volgens de auteur in een opperste wezen die zij Paramatma noemen. Ook de onsterfelijkheid van de ziel maakt onderdeel uit van dit geloof. Ook het kaste-systeem (afgeleid van het Portugese ‘casta’) komt aanbod. Bovenaan de Brahmanen en de Kshattryas, gevolgd door de  Vaisyas (kooplieden en landbouwers en handwerkslieden).  De vierde groep werd gevormd door de ‘dienstbaren’, de Soedra’s. De laagste volksklasse waren de paria’s waar men straatvegers en vuilophalers.

janki-detail

Janki, ca. 1900

In het wetboek van Manoe staat dat een dochter gelijk is aan een zoon. Maar Van Drimmelen is er van overtuigd dat man en vrouw pas gelijk zijn als de vrouw een zoon heeft gebaard. Vaders wensen volgens hem geen dochters te bezitten omdat die later toch van iemand anders zullen zijn. Onvruchtbare vrouwen of vrouwen die alleen dochters konden baren kunnen soms verstoten worden. De opvoeding van vrouwen waarin geestelijke verzorging (onderwijs, ch) geen rol speelt vormt volgens onze auteur een obstakel op de weg naar beschaving. Ook de voorschriften met betrekking tot het huwelijk worden door hem bekritiseerd. Alle meisjes moeten worden uitgehuwelijkt, het liefst met iemand uit een hogere kaste maar in elk geval nooit met iemand van een lagere geboorte. In Noordoost-India trouwen Brahmanen uit de hoogste stand soms met tien, twintig of soms zelfs wel met honderd meisjes. En als de vrouw eindelijk getrouwd is dan is er een grote lijst met plichten en geboden. Zo eet zij nooit voor dat de man gereed is en als de ouders of familie van de man op bezoek zijn spreekt zij zeer zachtjes tegen hen. Bij het wandelen blijft zij op gepaste afstand achter haar man. Met de buitenwereld komt zij nog nauwelijks in aanraking. En als het allemaal nog niet erg genoeg is schrijft Van Drimmelen over het tragische lot van weduwen. Deze worden veracht en verwaarloosd en mogen slechts één keer per dag eten. Als gevolg van deze slechte behandeling zoeken weduwen soms hun heil in zelfmoord.

hindostaans-huwelijk-tafereel

Hindostaans huwelijksgebruik. Foto: Willem van de Poll (1949) – Geheugen van Nederland

Schrijft de auteur dan helemaal niets positiefs en opwekkendst over de rol van de Hindoe-vrouw in de samenleving? Nee, ik heb er echt naar gezocht maar kon niets opbeurends vinden. Laten we hopen dat hij schromelijk overdrijft en in hoge mate generaliseert. Is dit een eenzijdige visie van een Europese bestuurder op de ‘Ander’, in dit geval de migranten uit India, die naar Suriname gelokt werden?  Zijn boekje zegt helaas niets over de specifieke positie van de Hindostaanse vrouwen in Suriname. We leren niets over de emancipatie van de Hindostaanse vrouw die zich ook in Suriname heeft voorgedaan. Het zou interessant zijn als we verhalen zouden kunnen vinden van een Hindostaanse die aan het begin van de 20e eeuw verhalen over haar leven in Suriname aan het papier heeft toevertrouwd. Zoekt u naar dagboeken of brieven van uw Nani of uw  Adjie. En als die er niet zijn vraag ze dan het hemd van het lijf en schrijf het op: in het belang van de Surinaamse geschiedschrijving.

Carl Haarnack

koelivrouw-feestgewaad

Hindostaanse in Suriname, ca. 1907

 

 

surinamica @ gmail.com

Jacques Cassard (1679-1740)

Tags

, , , , ,

Vies du capitaine Cassard et du capitaine Paulin, con sous le nom de Baron de la Garde.  Adrien Richer. Paris, Chez Belin, 1789.

Geschiedschrijving is per definitie een subjectieve bezigheid. In het ene geschiedenisboek worden Codjo, Mentor en Present beschreven als gevaarlijke oproerkraaiers die de kolonie Suriname ten gronde wilden richten, in andere publicaties worden deze marrons, die verantwoordelijk waren voor de brand die Paramaribo in 1832 bijna geheel verwoestte, als verzetsstrijders en helden geroemd.

cassard-buku

In dit boekje wordt het leven beschreven van de Franse zeeman Jacques Cassard (1679-1740). Volgens de auteur van dit zeldzame boekje moet Cassard gerekend worden tot de grootste zeehelden die Frankrijk heeft voortgebracht. Vooral zijn grote successen in het Caraïbisch gebied worden daar bij geroemd. De Franse Marine heeft, naast een aantal gebouwen, wel tien schepen in haar vloot naar Cassard vernoemd. Zijn geboortestad Nantes heeft hem vereeuwigd met een eigen straat, de Allée Cassard. Nantes was in de 18e eeuw overigens belangrijkste haven in Frankrijk voor wat betreft de slavenhandel (gevolgd door  La Rochelle en Bordeaux). Over de Franse betrokkenheid bij de Trans-Atlantische slavenhandel kunnen we overigens een hele bibliotheek vol schrijven.

Tables de Honte.jpg

Les tables de honte, par Schneider et Langrand (Musée d’histoire de Nantes)

Maar wij zouden in deze rubriek nooit over deze Fransman geschreven hebben als hij niet op enige wijze verbonden zou zijn met Suriname. Daar herinnert men zich deze Cassard op een heel andere manier. In juni 1712 werd een aanval van een aantal Franse schepen onder leiding van Cassard nog afgeslagen. Maar op 8 oktober van hetzelfde jaar verscheen hij opnieuw op de Surinamerivier. Dit keer met acht grote oorlogsschepen dit gezamenlijk over 336 stukken geschut beschikten, zo’n dertig kleinere vaartuigen en in totaal zo’n 3000 soldaten. Paramaribo werd met kanonnen beschoten en Cassard nam zijn intrek op plantage Meerzorg. De plantage-eigenaar van Meerzorg, Paul Amsincq (een uit Rouen afkomstige Hugenoot), vluchtte bijna geheel ontkleed met vrouw en kinderen de bossen in.

Gezicht op plantage Meerzorg

Gezicht op de koffieplantage Meerzorg. Door Willem de Klerk (1876) – collectie Rijksmuseum

Cassard gaf vanuit zijn nieuwe hoofdkwartier opdracht aan een deel van zijn vloot om de Surinamerivier op te varen en de plantages te veroveren. Daar was weinig weerstand. Veel plantage-eigenaren, directeuren en opzichters hadden hun plantages verlaten om in Paramaribo te helpen de aanval af te slaan. Uit angst voor de roofzucht van de Fransen hadden veel planters hun slaven opdracht gegeven om zich in de bossen schuil te houden. Soms kregen die kostbare bezittingen mee zodat de troepen van Cassard deze niet konden roven. Ook zijn er gevallen bekend waar de vrouwen en kinderen van planters aan de slaven werden toevertrouwd en deze door kreken, moerassen en bossen uit de handen van de vijand probeerden te blijven.

Rij huizen op de plantage Palmeniribo te Suriname, Dirk Valkenburg, 1708.jpg

Plantage Palmeniribo in Suriname. Dick Valkenburg (1708) – collectie: Rijksmuseum

Suriname wordt in dit boekje de meest bloeiende kolonie in Amerika genoemd. Ze heeft haar weelde te danken aan de handel in suiker, tabak, koffie en katoen. De vruchtbare weilanden voeden talloze kuddes, de bossen zitten vol met uitstekend wild, de rivieren leveren alle soorten vis. Dat Paramaribo en de plantages niet werden platgebrand, zoals Cassard gedreigd had, was te danken aan het feit dat vertegenwoordigers van het Nederlandse koloniale gezag akkoord gingen met het betalen van een brandschatting. Op 2 oktober 1712 werd op plantage Meerzorg een overeenstemming hierover bereikt. In dit bijzondere Franse boekje wordt eufemistisch gesproken over een ‘contribution’ maar de kosten voor Suriname om van Cassard en zijn troepen af te komen waren hoog. Er wordt gesproken over een derde deel van alle bezittingen; fl. 747.350 Surinaamse guldens (fl. 682.800 Nederlands). Dit astronomische bedrag werd betaald met slaven, suiker, koperwerk, zilver, muntgeld en geldwissels (cheques) die in Amsterdam geïnd moesten worden. Zo’n 734 Afrikaanse slaven werden meegegeven en een flink aantal ‘roode slaven’ of ‘indianen’. Cassard verliet, twee maanden na met begin van zijn aanval, op 12 december met zijn geroofde buit de kolonie Suriname. Hij zette koers naar Curaçao waar hij in 1713 nog maals een forse brandschatting wist los te krijgen. De betalingen aan Cassard, die gelijkelijk over de kolonisten moesten worden omgeslagen, zorgden voor grote conflicten tussen de planters en het koloniale gezag. Maar misschien werd de grootste schade nog wel aangericht door het feite dat veel slaven, die de bossen in werden gestuurd, om ontvoering door te Fransen te voorkomen, niet naar hun plantages terugkeerden. Zij voegden zich bij de al eerder weggelopen slaven. De groep marrons was, als gevolg van de angst voor Cassard én door toedoen van de planters zelf, aanzienlijk gegroeid.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2015/05/10/luzac/

https://bukubooks.wordpress.com/2014/08/13/voltaire/

 

titelblad k.jpg

Natural history of Guiana. Edward Bancroft (1769)

Tags

, , , , ,

An essay on the natural history of Guiana, in South America : containing a description of many curious productions in the animal and vegetable systems of that country. Together with an account of the religion, manners, and customs of several tribes of its Indian inhabitants. Interspersed with a variety of literary and medical observations. In several letters. London: Edward Bancroft. T. Becket and P. A. de Hondt, 1769.

Bancroft-pic

Edward Bancroft (1745-1821)

Eén van de belangrijke doelstellingen van deze rubriek is om u kennis te laten maken met onbekende boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Deze is uitgebreider en diverser dan doorgaans wordt aangenomen. An essay on the natural history of Guiana is zo’n titel die door wetenschappers en verzamelaars vaak over het hoofd wordt gezien. Edward Bartholomew Bancroft werd geboren in Westfield, Massachusetts, in 1745. Hij werd opgeleid tot arts en chemicus maar hij liep weg van zijn baantje als leerling-arts. Over zijn rol als dubbelspion voor de Amerikanen en Engeland is al veel geschreven. Wij beperken ons hier tot zijn tijd in Nederlands Guiana en zijn boek. Op 19 jarige leeftijd kwam hij in de Nederlandse koloniën terecht waar hij in 1763 als arts op een suikerplantage werd aangesteld. Hij verliet Zuid-Amerika weer in 1766. Drie jaar na zijn vertrek publiceerde hij in 1769 zijn boek An Essay on the Natural History of Guiana.

Marowijne

Bancroft schrijft over de Nederlandse bezittingen in Zuid-Amerika die zich uitstrekken van het stroomgebied van de rivier de Pomeroon, in het huidige Guiana, tot aan onze eigen Marowijnerivier. Het boek is een bundeling van vier brieven die Bancroft in 1766 stuurde aan zijn broer Daniël. In de eerste brief schrijft hij vooral over de bomen en gewassen (cacao, koffie, katoen, cassave en bananen bijvoorbeeld). In zijn tweede brief gaat hij vooral in op de fauna in het gebied. Hij schijft over de vogels zoals papagaaien en valken maar ook over tijgers en vleermuizen. Daar zullen vooral biologen, ornithologen en andere liefhebbers van genieten. Maar is de derde brief zijn de oorspronkelijke inwoners aan de beurt. Hij beschrijft de ‘indianen’ van de Guiana’s en onderscheidt vier stammen: de Carribbees, Accawaus, Worrows en Arrowauks. De indianen hebben vele weggelopen slaven gedood en werden rijkelijk beloond, door het koloniaal gezag,voor elke afgehakte hand die getoond kon worden. Daar aan voegt hij toe dat de indianen de gewoonte hadden om hun vijanden, die zij in de strijd gedood hadden, op te eten. Tot dan toe was er over het leven en gewoonten van indianen weinig geschreven. Bancroft weet veel te vertellen over de gebruiken en gewoonten van de inheemse bevolking.

Prent indianen Gallina 1825

‘Indianen’ door Gallina (1825)

De slavenopstand in Berbice in 1763 wordt uitvoering behandeld. Honderden van de opstandige slaven werden verbrand of geradbraakt met alle verschillende vormen van wreedheid waarvoor de Nederlanders bekend stonden, zo schrijft Bancroft. Net als in de andere West-indische koloniën neemt de slavenstand snel af als deze niet wordt aangevoerd met aanvoer van nieuwe slaven uit Afrika. De zware arbeid en de onderdrukking zijn de belangrijkste redenen daarvoor volgens de auteur. Als laatste gaat Bancroft in op verschillende ziekten die zich voor doen, zoals lepra.

Om de geschiedenis van Suriname te kunnen begrijpen is het belangrijk om het ook in de bredere context van de Nederlandse koloniale politiek in heel Guiana te bekijken. De geschiedenis van Demerara, Essequibo en Berbice (die nu tezamen buurland Guiana vormen) kunnen niet los worden gezien van die van Suriname.

Carl Haarnack

 

titelpagina Bancroft

?

 

 

 

De menschetende aanbidders der zonneslang. Gebr. Penard (1907)

Tags

, , , , ,

De menschetende aanbidders der zonneslang. F.P. Penard en A.P. Penard. Paramaribo: Heyde, 1907/1908.

De broers Frederik Paul Penard (1876-1909) en Arthur Philip Penard (1880-1932), behoorden tot een welvarende familie in Suriname. Vader, Frederik Paul Penard Sr. (1801-1849), maakte een fortuin in de handel in hout. Hun moeder, Philippa Salomons (1850-1926), was mogelijk een nazaat van Alexander Salomons, vendumeester in Paramaribo. De broers gingen van jongs af aan met hun vader mee op zijn tochten door de binnenlanden van Suriname. Op jonge leeftijd werden Frederik en Arthur echter getroffen door lepra waardoor zij aan huis gekluisterd waren. Door intensieve contacten met de Caraïben (ook wel Kalihna of Kari’na) konden zij een grote ornithologische verzameling aanleggen en de taal en cultuur van de oorspronkelijke bevolking van Suriname bestuderen. Door hun ziekte werden beide blind. Desondanks publiceerden Frederik en Arthur in 1908 De vogels van Guyana (Suriname, Cayenne en Demerara), dat jarenlang hét ornithologisch standaardwerk zou blijven.

penard cover

Originele papieren band van De Menschetende Aanbidders der Zonneslang (1907/1908)

Een jaar eerder verscheen De menschetende aanbidders der zonneslang, waarin de folklore en religie van de Caraïben centraal stond. In hun voorwoord schrijven de auteurs dat hun motivatie om over ‘de indianen’ te schrijven voorkomt uit het feit dat er tot dan toe alleen oppervlakkig over hen geschreven werd. Het is een ‘psychologische studie over de innerlijke gedachten, wereldbeschouwing en logica van een volk van dichters, van vrije mensen die ‘zullen uitsterven zonder ooit den blanken onderdanig te zijn geweest.’ Uitvoerig wordt stilgestaan bij de geschiedenis van de Caraïben sinds de ‘ontdekking’ van Amerika door Columbus. De Penards kennen hun klassiekers en noemen de werken van o.a. La Condamine, Von Humboldt, Brett, Schomburgck, Kappler, Van Coll en De Goeje.

indianen brits-guiana

Maar de echte toegevoegde waarde van de broers zit hem vooral in het feit dat zij veel verhalen die jarenlang door mondelinge overlevering bewaard bleven hebben opgeschreven. Zo kunnen wij nu lezen over de Legende van de Kanibaal-Priester, over het Gevecht van een Piaaiman met een Priestergeest, Legende van Onone, Legende van Jorobodie, Legende van den Bloeddrinkenden Neger. Deze laatste legende gaat over een zwarte man genaamd Boesibaroenoe. Hij was een verrader want hij gaf zijn ‘rasgenoten’ aan bij de blanken. Hij zoog het bloed uit zijn slachtoffers en gooide hun lichamen naar de slangengeest. Een Arrowakse piaiman, Joeni (de Geweldige) maakte hem onschadelijk door hem onderwater vast te binden. Dit verhaal, zo geven de Penards aan, gaat over Quassie van Timotibo. Deze had van de indianen de kruiden geleerd die ziekten zoals lepra konden genezen. Quassie speelde als vrijgemaakte slaaf een dubbelrol en hielp het koloniale gezag regelmatig van de plantages weggelopen slaven terug te vinden. Maar de naam Boesibaroenoe kan ook een verbastering zijn van Bos-Baron. Baron was één van de meest gevreesde leiders van de marrons in de 2e helft van de 18e eeuw.

quassia

Quassie van Timotibo 

Het boek staat boordevol met verhalen en anekdotes. We leren bijvoorbeeld ook over het voedsel, de jacht en de visserij. Het huwelijksleven van de Caraïben en  polygamie, liefde voor ouders en kinderen, opvoeding, hun drankgebruik en feesten, rituelen rond de dood, komen ook uitvoerig aan bod. Daarnaast vinden we er ook veel informatie en afbeeldingen van inheemsen en hun kunst- en gebruiksvoorwerpen zoals aardewerk en vlechtwerk. In 1908 verschenen deel II Het woord van den Indiaanschen Messias en deel III Neo-Sophia of de cirkelleer van tijd en ruimte. In 2013 werd in het Museum Volkenkunde in Leiden bij de verbouwing van de bibliotheek manuscripten bestaande uit 6500 handgeschreven fiches gevonden.  Deze bevatten waardevolle informatie over de geesteswereld van de Surinaamse ‘indianen’. De gebroeders Penard schreven in 1907 met eerbied over de geschiedenis en folkore van de oorspronkelijke inwoners van Suriname, iets wat tot dan toe ongebruikelijk was. Zij verdienen een ereplaatsje in het Surinaams museum én de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

 

titelblad

Titelblad

 

De Manja. C. van Schaick (1866)

Tags

, ,

De Manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven. C. van Schaick. Arnhem: D.A. Thieme, 1866.

Hoewel deze rubriek misschien anders doet vermoeden bestaat er eigenlijk relatief weinig Nederlandse literatuur waarin slavernij het thema is. Een bijzonder klein gedeelte daarvan is geschreven door auteurs die zelf in Suriname hebben geleefd en gewoond. Deze roman van Cornelis van Schaick, De Manja, verscheen precies 150 geleden, in 1866. Van Schaick heeft vanaf 1852 meer dan 10 jaar in Suriname geleefd. Hij werd geboren in 1808 in Amsterdam en werd in 1851 door de koning benoemd tot predikant in Suriname.

plantage commewijne

Plantage in de Commewijne (G. Voorduin ca. 1860)

Dat Van Schaick zich met opgave in het culturele leven van Paramaribo stortte mag blijken uit het feit dat hij voorzitter van de vrijmetselaarsloge Concordia werd, hij schreef gedichten en proza. Ook was hij betrokken bij de oprichting van het tijdschrift West-Indië. Mede vanwege zijn grote gezin had hij het niet breed en moest hij wel wat extra geld verdienen met het schrijven van stukken. In 1864 keerde hij met zijn vrouw en acht kinderen terug naar Nederland.

Gezelschap bij de Manjaboom op plantage Morgenstond, anoniem, ca. 1910  detail  collectie Rijksmuseum

Gezelschap bij de Manjaboom op plantage Morgenstond, Suriname. Anoniem, ca 1910 (collectie: Rijksmuseum)

Het verhaal in De Manja draait om de geschiedenis van de familie van de overste L. De slavin Rosalie speelt een belangrijke rol in deze familie. Zij genoot, als slavin van Missie Mathilda, een bevoorrechtte positie. Zij mocht in de ‘bottelarij’ eten wat van de tafel van de ‘Massera’ kwam. Zij hoefde niet te slapen in de ‘Negerhuizen’ maar sliep op de kamer van haar ‘pikien-Missie’ en ging als een halve dame gekleed. Ook hield Rosalie toezicht op de vrouwelijke bedienden in huis. Dit leidde natuurlijk tot afgunst en jaloezie bij andere slavinnen. De kokkin Maria heeft een plan bedacht om wraak te nemen op Rosalie. Zij heeft een plannetje om op ‘sokorati’ (chocola) die de familie iedere zondag na de kerk drinkt te vergiftigen. Rosalie moet dan, omdat zij als schuldige zal worden aangewezen, in ongenade vallen. Maar de oude slaaf James hoort toevallig van de snode plannen van Maria als zij zegt: “Kraboe-dagoe mi sa kiri joe! Joe Rosalie!” James vertelt van wat hij gehoord heeft aan zijn meester, de overste L. Hierop wordt Maria gestraft en James krijgt zijn vrijheid.

Als er tijdens een feest op de plantage ergens in de Commewijne geen champagne meer is, slaat de overste Rosalie in het gezicht. Ondanks het feit dat zij altijd heeft klaargestaan voor haar missie wordt zij door haar geminacht. Zij besluit om Mathilda uit wraak ziek te maken door haar manja’s voor te schotelen die besmet zijn. Rosalie had ze in doeken en verband van een met lepra besmette patiënt gewikkeld.  Mathilde raakte besmet met de ergste ‘boasie’ (lepra) die er was; de zogenaamde ‘natte melaatsheid’. Zij werd al snel naar de leprozenopvang Batavia gebracht waar zij snel overleed.

Lepra melaatsen kk

Verpleegden in leprozerie (ca. 1900)

De Manja is een zeer zeldzame 19e eeuwse roman. Het verscheen in Arhem bij D.A. Thieme als 64e deel van de Guldens-editie, een volksuitgave die voor 1 gulden werd verkocht. Maar weinig exemplaren hebben de tand des tijds overleefd. Slechts vier Nederlandse universiteitsbibliotheken hebben een exemplaar. In Suriname is er nooit een exemplaar opgedoken ( honderd jaar geleden was er zelfs niet in de Koloniale Bibliotheek een exemplaar te vinden). Het boek is bijzonder interessant omdat we er veel dialogen in tegenkomen die in het Sranan Tongo zijn weergegeven (met een Nederlandse vertaling in de voetnoot). Van Schaick heeft zich goed verdiept hebben in de taal en cultuur van de slavenbevolking. Hij geeft ons een inkijkje in het leven op de plantage, het leven van slaven, de feesten en de begrafenisrituelen. Misschien is deze roman nog wel het meest bijzonder vanwege haar kritische houding ten opzichte van slavernij. In de Nederlandse literatuur zijn dergelijk boeken maar dun gezaaid. Alleen al daarom verdiend het meer aandacht dan het de afgelopen 150 jaar heeft gekregen.

Carl Haarnack

 

de manja

Titelblad De Manja (collectie Buku BS)