Charles Douglas (1853-1943)

Tags

, , , ,

Eenige eigenaardigheden en typische merkwaardigheden, uit de geschiedenis van de planterij in Suriname, gedurende de vorige eeuwen tot heden. Charles Douglas (1853-1943). Paramaribo : ‘De Tijd” O.C. Marcus, 1936.

Mijn favoriete verhalen uit de Surinaamse geschiedenis zijn die verhalen die verteld worden door mensen die simplificatie van het zwart-wit denken overstijgen. In deze rubriek schreven we eerder over Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), een Surinaamse planter die niet ‘wit’ was maar juist, naar eigen zeggen, ‘zwart bloed’ door de aderen had stromen. De dominante gedachte is dat alle planters witte Europeanen waren. Maar in de 19e eeuw was de groep ‘kleurlingen’ aanzienlijk groter dan die van de witte Europeanen. Wie ook maar een klein beetje graaft in de archieven, literatuur en genealogieën zal ontdekken dat er veel gekleurde planters én gekleurde eigenaars van slaven waren.

Opnamedatum: 2017-09-11

Charles Douglas (1853-1943). Collectie Rijksmuseum.

Charles (Chas voor vrienden) Douglas was een veelzijdig man. Hij was planter, handelaar en handelsagent voor American Exploitation Company, een bedrijf dat zich bezighield met de exploitatie van balata en andere producten uit het binnenland van Suriname. In 1896 kreeg hij een concessie toegewezen van 5000 hectare in Nickerie om balata te winnen. Ook hield hij zich bezig met het de stoomvaartdienst die tussen Paramaribo en het binnenland van Suriname werd onderhouden. Op 17 september 1889 plaatste hij een advertentie dat de dienst voor 18 september niet zou plaatsvinden. Ook trad hij op als curator zoals bij het overlijden van Henry Ironside, gehuwd met zijn zus Mary, die op 24 augustus 1893 in Paramaribo was overleden.

Charles werd in 1853 in slavernij geboren op de aan de Surinamerivier gelegen suikerplantage De Goede Vrede. De vader én tevens eigenaar van Charles, zijn zusje en zijn moeder was James Douglas (1825-1874), eigenaar van plantage Nieuw Acconoribo (Matappica). In 1855 werd Charles samen met zijn moeder Dasiana (een huisslavin) en zus Margaret Ann (slavennaam Marguerite) gemanimutteerd. Zij kregen alle drie de familienaam Donglas die moest verwijzen naar de verwantschap met Charles Douglas. Bij manumissies was het niet toegestaan namen die al in de kolonie bestond te vergeven. In 1867 kregen Charles en zijn zus alsnog de familienaam Douglas mee. Hiervoor diende hun moeder een verzoek in. Zij bleef zelf Donglas heten. In 1880 trouwde Charles Douglas met Henriette Jacoba Arlaud (1860-1902) in Nickerie. Charles was vooral op latere leeftijd maatschappelijk actief. Hij fotografeerde stadsgezichten, schreef historische artikelen (o.a. voor de West-Indische Gids) en publiceerde over de plantage-economie. Hij schreef de Encyclopaedie der Guyana’s van 1492-1933. Deze verscheen echter nooit in druk.

Balata detail

Balata winning in Surinam (foto: Bromet, Paramaribo, ca. 1898)

In 1924 publiceerde hij Multum in Parvo (‘Alles in het kort’) waarin hij uitvoerig schreef over Paramaribo, het bestuur van de kolonie maar ook over de straten en de wijken in de stad. Ook voegde hij achterin een adreslijst toe (handig voor genealogisch onderzoek). In 1928 verscheen bij Oliviera in Paramaribo Aanteekeningen over allerlei in verband met de bevolking en den landbouw in het verleden en het heden van Suriname. Belangrijk was ook zijn bijdrage over de Hygienisch en Sanitaire toestanden van Paramaribo.

In 1936 schreef Douglas een alleraardigst boekje over de geschiedenis van de ‘planterij’. Geen lijvig wetenschappelijk werk met notenapparaat en literatuurverwijzingen. In het voorwoord schrijft hij zelf geen enkele aanspraak te maken op literaire of wetenschappelijke waarde. Alles wat hij vertelt komt voor uit wat hij uit zijn nog heldere herinnering kan putten. Hij belooft dat, als het Surinaams publiek genoeg exemplaren van dit boekje koopt, er nog een publicatie zal volgen omtrent de plantagedirecteuren en blank-officiers. Helaas is dat laatste is er nooit van gekomen. Op 19 februari 1943 overleed Chas Douglas in Paramaribo.

Douglas begint met de geschiedenis van Suriname vanaf het moment dat de Europeanen er vaste voet aan wal proberen te krijgen. Douglas heeft Wolbers en Stedman goed gelezen. Hij vertelt over het eerste ‘weglopersdorp’ aan de Bannisterkreek (Parakreek). Rond 1656 werd dit kamp door een ´Cormantijnse neger´ genaamd Jermes aangelegd. Vanuit deze plek werden ´rooftochten´ en aanvallen op de plantages uitgevoerd. Voor wie niet goed bekend is met de geschiedenis van Suriname biedt Douglas in een paar bladzijden een aardig historisch overzicht. Douglas verwijst naar Stedman´s Narrative (1796) en het feit dat de meesteressen in Suriname hun echtgenoten beschuldigen van onzedelijk gedrag. Tegelijkertijd stellen zij hun slavinnen in staat om de heren te bezoeken. De meesteressen waren volgens Douglas bijzonder ijdel en hielden van uitbundig vertoon. Vaak leefden zij met andere meesteressen in onmin. Zij vertelden dan aan hun vertrouwelingen onder hun slavinnen zaken waarmee deze liedjes maakten. De slavinnen werden vervolgens in mooie kleren gestoken en met gouden sieraden omhangen de straat opgestuurd. Zij moesten dan langs de huizen lopen om, al zingend, hatelijkheden over de meesteressen waarmee een conflict bestond te zingen.

Benoit slavinnen

Slavinnen in Suriname (detail uit litho van Benoit, 1839)

Hoe je het ook wendt of keert, Charles Douglas was een nazaat van een slaveneigenaar én van een slavin. Sterker nog, hij was zelf als slaaf geboren. Veel Surinamers stammen af van Europeanen en uit Afrika afkomstige slaven. Wat Douglas echt bijzonder maakt is dat hij de Surinaamse geschiedenis beoefende en zijn kennis aan het papier toevertrouwde. Daar mogen we best een beetje trots op zijn. In het Rijksmuseum in Amsterdam bevindt zich een foto die rond 1898 wordt gedateerd. Vermoedelijk is dit een cabinetfoto van onze Charles Douglas, die van slaaf tot planter werd.

Carl Haarnack

Boekje Douglas

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Frederik Andreas Kühn (1782-1828), chef van het Militair Hospitaal Suriname.

Tags

,

Frederik Andreas Kühn (1782-1828) Chef van de militaire geneeskundige dienst te Suriname, en Chef van het Militair hospitaal tussen 1820 en 1828.

door Philip Dikland

Frederik Andreas Kühn (1782-1828) [1] was Chef van de militaire geneeskundige dienst te Suriname, en Chef van het Militair hospitaal tussen 1820 en 1828. Over zijn persoonlijk leven is nog weinig bekend. Hij was gehuwd, maar de naam van zijn echtgenote moet nog worden achterhaald [1a]. In maart 1820 werd zijn zoontje Frederik Andreas begraven in de Oranjetuin, pas 4 maanden oud [2]. Hij heeft nooit huizen of plantages gekocht, en komt nauwelijks in de grondarchieven voor.

Benoit 1839-02 negerinnen op bezoek

Op bezoek, uit Voyage a Surinam. P. Benoit (1839)

Frederik overleed in 1828, 46 jaar oud, in de kracht van zijn leven. Zijn grafschrift vermeldt : Medicine Doctor Chirurgyn en Chef van Zijner Majesteits Troepen en Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw. Uit zijn overlijdensacte blijkt, dat hij tevens Stads Doctor was. Hij overleed aan de Keizerstraat L.C. no. 99, en zal daar wel hebben gewoond. [3]

In 1819 was hij Chef van de militaire geneeskundige dienst, en chef van het Militair Hospitaal (jaarboek 1819 ; almanak 1820). Hij maakte de pokken-epidemie van 1819 mee, en had de leiding bij de bestrijding ervan. Hij bestreed de ziekte door 3 maatregelen :

  • snelle grootschalige vaccinatie,
  • isolatie van de zieken,
  • en het blokkeren van alle verkeer tussen Paramaribo en de plantages.

Zijn strategie had deels succes. Ruim 5000 mensen werden in korte tijd gevaccineerd, slaven en vrijen. Maar de verspreiding van de ziekte kon hij niet voorkomen.

Kühn was Chef van het hospitaal in 1821, het jaar van de grote stadsbrand van Paramaribo, en ook het jaar waarin het hospitaal werd omgezet in een militair plus burger hospitaal. Hij gaf leiding aan de reorganisatie die daarvan het gevolg was.

ziek bray

Litho Theodore Bray. Plantage dokter (1850)

In 1828, het jaar van zijn dood, verscheen een goed en praktisch boek van zijn hand over de gezondheidszorg op de plantages : beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantageslaven. Kühn had het in 1827 geschreven, uit onvrede over de gezondheidszorg op het platteland. Maar er zijn enkele passages die doen vermoeden dat hij er al veel langer mee bezig was. Zo schrijft hij ergens, dat alleen militairen toegang hadden tot het Militair Hospitaal, terwijl vanaf 1821 ook vrije burgers konden worden opgenomen

Kühn’s boek is modern en logisch van opzet. Het geeft eerst een beschrijving van de levenswijze van de patienten, vervolgens van het bestaande systeem van gezondheidszorg op het platteland – waar de schrijver weinig goede woorden voor over heeft. Hij gaat in detail in op diverse behandelingen en nep-behandelingen. Zo beschrijft hij een veel toegepaste kwik-kuur, door het wrijven met een kwikzalf, of het innemen ervan. Het werd ook een kwijl-kuur genoemd (“driengie kwiri”) [4], omdat je er onophoudelijk van moest kwijlen. De hospitaaltjes op de Surinaamse plantages hadden er een aparte kamer voor : de kwijlkamer. De kuur werd gebruikt ter genezing van hardnekkige zweren, bv. ontstaan door syphilis of yaws. De kuur hielp weinig, maar was desondanks populair.

‘Merkuriaal- en quarantaine kuren [5] staan bij de Negers in groot aanzien, en het misbruik van allerhande kwikmiddelen is daarom zoo groot, dat niet zelden de merkuriaal-ziekte ergere gevolgen dan de primitive ziekte daarstelt.’

Als alternatief werd ook wel een quarantaine-kuur toegepast. Dit was een zuiveringskuur door middel van een streng dieet. De oorsprong was afrikaans, de westerse doktoren hadden er geen ervaring mee. Kühn schrijft :

‘Het gebruik eene quarantaine [6] bestaat in de toediening van zekere uit geneeskrachtige houten, wortels en suiker gekookte siroop ; het voedsel bestaat verder alleen uit drooge geroosterde bananen ; 4 a 5 weken duurt een kuur, en de lijders worden daarbij zeer mager. Het is echter niet te ontkennen, dat zeer dikwijls door een zoodanige kuur, de hardnekkigste zweren, huid-uitslagen, en beenpijnen herstellen. De patienten worden gewoonlijk, om te verhinderen, dat zij geen zout of eenige andere spijzen of dranken zullen genieten, opgesloten, en vandaar zal wel de naam van quarantaine ontleend zijn.’

Al met al had Kühn niet veel op met het plantage-gedokter. Hij schrijft :

‘Het is inderdaad een wonder Gods, als ik mij zoo mag uitdrukken, dat de patient de veelvuldige applicatiën behouden ontsnapt’. [7]

Kühn gaat verder, en geeft inzicht in de economie van de gezondheidszorg. Hij botst daarna tegen een van de basisproblemen : goede gezondheidszorg kost geld, en de planters waren niet bereid dat geld voor hun zieke slaven uit te geven. Liever rommelden ze zelf wat aan op hun plantages, dat kostte bijna niets.

Kühn gaat daarna over op het beschrijven van de plantage-apotheek. Gewoonlijk zijn de werkzame medicijnen er niet, en de kwakzalversmiddelen in overvloed.

Tenslotte beschrijft Kühn vele verbeteringen, die zouden kunnen worden toegepast. Hij droeg ideeen aan ter verbetering van de opleiding van “dresnegers “ en gekleurde vroedvrouwen. Hij stelde daartoe voor dat jonge intelligente plantageslaven ten minste 5 jaren in de leer werden gedaan bij de plattelandshospitalen.

In een tijd waarin nog weinig begrip was voor hygiene, schreef Kühn deze verplicht voor:

‘Bijzondere oplettendheid wordt gevorderd ten aanzien van algemeene reinheid, en vooral ook behoorde men te zorgen, dat de patienten zuivere en goede verbandstukken krijgen, en dat onreine door bijtende loog en de zure oranjes wèl worden gereinigd.’

Dat was toen nog geen algemeen gebruik, integendeel. De plantagehospitalen die Kühn inspecteerde waren zonder uitzondering donker en vervuild.

Hij ontwerpt zelfs een zuiveringstoestel voor vuil water, door middel van beenkool. Ook ontwerpt hij een standaard plantage-hospitaal.

modelhospitaal 1828-01 de Vroome

Ontwerp voor een standaard plantage-hospitaal

Maar, ook al noemt hij allerlei mooie ideeen om het systeem te verbeteren, hij besefte best dat dat allemaal niet vrijwillig zou worden ingevoerd. Daar zou dwang voor nodig zijn. Kühn pleit – vreemd genoeg – niet voor overheidsingrijpen, maar hij besefte wel dat er harde maatregelen nodig waren. Hij pleitte er daarom voor, om in het Militair Hospitaal een ruime centrale verpleegafdeling in te richten voor alle slaven :

‘Hoe wenschelijk, voordeelig en doelmatig zoude het zijn, wanneer het Land een lokaal tot zodanig een etablissement gunstig verleende ; het bestaan van eene civiele geneeskundige afdeeling in het in allen deele ruim ingerigte Militaire Hospitaal geeft, als van zelve, de beste gelegenheid daartoe aan de hand. Daar is lokaal genoeg om 200 a 250 zieke slaven, zonder eenigen hinder voor de gewone dienst, op te nemen. De behoeften tot verpleging en aan medicijnen enz. worden door het Gouvernement in het Moederland in massa aangekocht, en kunnen daarom veel goedkooper aan belanghebbenden worden afgestaan en geleverd, dan zulks door eenen partikulier kan geschieden, zoo dat, bij een goede administratie, de Schrijver aanneemt, iedere zieke, met alles wat hij noodig heeft, voor 40 a 45 centen daags te verplegen, welke kosten dus meer dan de helft minder zouden zijn, dan de wet daarvoor aan particulieren toekent.’

Kühn zegt niet met zoveel woorden, maar hij wilde het Militair Hospitaal gebruiken als breekijzer om de particuliere ziekenhuisjes aan te pakken. Hij schrijft echter heel diplomatiek het tegendeel:

‘Ten einde echter door een zoodanig Hospitaal den particuliere Chirurgijn niet van zijn bestaan te berooven, zoude men in hetzelve geene andere patienten behooren op te neemen dan die, welke reeds eenigen tijd zonder gunstig gevolg elders werden behandeld.’

Maar dat was zeker niet zijn achterliggende bedoeling. Hij wilde wel degelijk het Militair Hospitaal gebruiken als grote speler in de slavengezondheidszorg, en als de etablissementen zichzelf dan niet verbeterden, dan zou hij ze gewoon wegconcurreren. Dat lees je duidelijk tussen de regels door. Echter, Kühn’s idee is niet uitgevoerd. De reden daarvoor is niet bekend. Het is niet eens bekend of er een serieuze discussie over is gevoerd. Kühn zelf kon die discussie niet meer aanzwengelen, want hij overleed in het jaar dat zijn boek uitkwam. En laten we eerlijk zijn: zonder dwangmaatregelen van de Overheid zou Kühn’s idee niet levensvatbaar zijn geweest. Want het plantage-gedokter was nog steeds veel goedkoper dan Kühn’s alternatieve verpleging in het Militair Hospitaal. Het zou echter nog een halve eeuw duren eer de Overheid ging ingrijpen in de plattelands-gezondheidszorg. Kühn was zijn tijd ver vooruit.

kuhn1

Titelpagina Beschouwing van den Toestand der Surinaamsche Plantagie Slaven.  F.A. Kuhn.  Amsterdam, 1828.

Kühn stelde ook voor, om de vaste contracten tussen plantages en etablissementen af te schaffen, waarbij jaarlijkse geneeskundige behandeling werd gegarandeerd voor een vast bedrag per slaaf:

‘De Chirurgijn kan, met geene mogelijkheid, voor f 1,25 per kop in het jaar, eene doelmatige behandeling aan zieke plantaadje-negers verschaffen. Het noodzaakt in zeker opzigt den Chirurgijn tot knoeierij en slechte behandeling.’

Ook hier geldt, dat zijn idee alleen zou hebben gewerkt in combinatie met Overheidsmaatregelen. Want als de zorg – zoals Kühn voorstelt – duurder zou worden, dan zouden de planters er juist geen gebruik meer van maken, en was dus het tegengestelde bereikt van wat Kühn wilde.

militair-hospitaal-1885-kl

Militair Hospitaal Paramaribo

Gaan wij nu terug naar een gebeurtenis aan het begin van Kühn’s carriere : de pokken-epidemie van 1819. Het “jaarboek 1819” [8] van M. Stuart geeft een gedetailleerde beschrijving, overgenomen van het verslag van dr. Kühn:

‘De Heer F.A. Kühn, Chirurgijn en Chef van de Hospitalen, mitsgaders Stads Doctor te Paramaribo, maakte zich door zijnen ijver, zorg en oplettendheid bijzonder verdienstelijk bij het ontstaan der kinderziekte in de kolonie Suriname, zoodat men hieraan, vooral wanneer men het doodelijke der kinderziekte in warme landen in aanmerking neemt, het behoud van duizenden, en een groot aantal bezitters van plantagien de redding van geheelen of gedeeltelijken ondergang te danken hadden. De nadere omstandigheden deswegen, zooals dezelve in een eigenhandig berigt van den heer Kühn vervat zijn, komen hoofdzakelijk hier op neder. In het midden des vorigen jaars alles aangewend hebbende om de, in genoemde kolonie sedert lang veronachtzaamde koepok-inenting algemeen in gang te brengen, bleven deze pogingen echter zonder vrucht, daar het grootste gedeelte der ingezeetenen met het dom vooroordeel tegen dit behoedmiddel behept waren.’

Maart van dit jaar ontdekte de Heer Kühn, dat bij den Chirurgijn Servant la Faye de kinderziekte zich vertoond had, waarvan ook gemelde Chirurgijn aan hem verslag deed. Het gewigt van eene zoodanige ziekte overwegende, wier ruchtbaarheid eene geweldige ontsteltenis en ongerustheid in de kolonie veroorzaakte, werd het Gouvernement deswege geraadpleegd, en eene Kommissie bijeen geroepen. De pogingen om de oorzaak op te sporen bleven vruchteloos, hoewel men met zekerheid veronderstelde dat een Fransch matroos, in het hospitaal van den Heer Servant overleden, met de kinderziekte besmet geweest was. Het scheen den Heer Kühn toe, dat de afzondering het eenigst middel was, hetfeen de verspreiding, vooral op de Plantagien, konde verhinderen, en dien ten gevolge werd Paramaribo voor eenige daagen in staat van blokkade gesteld, en bepaald, dat een ieder, die door de kinderziekte besmet zoude worden, in het daartoe bestemd lokaal zoude worden afgezonderd, met welks bestuur de Heer Kühn belast werd. Deze met alle mogelijke zorg, volgens de gewone maatregelen, te werk gaande, had niet alleen denzelfden avond nog het lokaal in gereedheid, maar ook de met kinderziekte besmetten, ten getale van elf, op de doelmatigste wijze, derwaarts doen overbrengen. Echter oordeelde velen deze maatregelen willekeurig, hetgeen den Heer Kühn, volgens zijn zeggen, menige onaangenaamheid en zelfs gewelddadigheden berokkende ; ook wilden zich nu allen, uit hoofde dezer afzondering, laten vaccineren, waartoe het echter te laat was, daar de stof reeds te oud geoordeeld werd. Inmiddels was de luitenant Dockx en de Chirurgijn Visser, met eenige kinderen naar Cayenne gezonden, om van daar koepokstof over te brengen. Binnen veertien dagen waren dezelve met het gewenscht gevolg terug, en in weinige dagen was er een genoegzame voorraad van stof voorhanden, zoodat de Heer Kühn dagelijks, zoowel voor behoeftigen als anderen, in het hospitaal een tijd konde besteden om gratis te vaccineren. Hiervan werd nu zulk een gewenscht gebruik gemaakt door alle standen, dat in de eerste dagen zelden onder de drie honderd gevaccineerd werden. Van alle kanten werd om koepokstof gevraagd, zoodat, in vier en twintig dagen, twee honderd en vijftig paar glazen naar de rivieren en elders gezonden werden ; zelfs haalde de meergemelde Geneesheer een groot aantal Indianen tot de vaccine over, en ook verscheidene boschnegers maakten er gebruik van. – Op den eersten Mei was het lokaal, voor besmetten bestemd, reeds ledig, en tot vaccinatie niet veel aanvraag, waarop de Heer Kühn rapport inleverde, hetwelk hoofdzakelijk inhield dat tot den 1sten Mei in het Hospitaal, volgens een opgemaakt register, 2731 personen gratis waren gevaccineerd ; in deszelfs bijzondere praktijk waren door denzelven, de plantagie slaven meegerekend, 640, waarvan 200 in het lokaal gratis behandeld ; van 47 door de kinderziekte aangetast waren er 6 gestorven, de overigen hersteld. Door verschillende Chirurgijns waren, volgens hunne opgave (voor welker juistheid de berigtgever echter niet instond) 1900 inentingen gedaan, dus tezamen 5271. Ofschoon van de plantagien nog geene rapporten ingekomen waren, hield de mededeeler van dit verslag zich echter verzekerd, dat thans in de kolonie 9000 personen met goed gevolg gevacinneerd waren. – Overigens werd in het gemeld etablissement door het Gouvernement de vrije verpleging aan allen toegestaan, zooals ook de Officieren van Gezondheid, in hetzelve dienstdoende, geene de minste aanspraak op belooning maakten.

Niets aan de hand, zo lijkt het, alles is met een sisser afgelopen. Slechts 47 patienten, en maar 6 doden [9].

Maar nu gebeurt er iets vreemd. Dr. E.W. Horstmann, schreef in 1850 een boek “over de beschaving van de negers in Amerika”, waarin hij de epidemie van 1819 aanhaalt. Hij claimt, dat hij 30 jaar in Suriname heeft gewerkt, en dat er door ondeskundige behandeling destijds 10.000 doden waren gevallen ! Hij, Horstmann, had later persoonlijk in 1823 een kleinere epidemie bedwongen, waarbij door juiste behandeling slechts 1 dode was gevallen. Hij schrijft op p. 232 van zijn boek :

Zoo b.v. zoude men zich geenszins behoeven te verwonderen, dat bij het uitbarsten van eene pokken-epidemie onder de Negerbevolking van Suriname, deze in vier maanden tijds uitstierf, als men goed oordeelde, om de zieke Negers zoo warm mogelijk op te sluiten (waar zij naauwelijks te koel kunnen gehouden worden) ; als men hun niets anders dan laauw-warm water liet drinken (waar het koudste het beste zoude zijn), en camphor en moschus als geneesmiddelen gaf (die daar vergift zijn, waar salpeter en sal-amoniak het leven behouden). Op de eerste wijze is de pokken epidemie in 1819 behandeld, en men behoeft zich derhalve dan ook niet te verwonderen, dat er binnen weinige maanden 10,000 Negers aan de pokken of aan verkeerde behandeling gestorven zijn. Op de tussen twee haakjes aangeduide wijze, werd eene pokken-epidemie door mij in het jaar 1823 behandeld, waarvan uit eenige honderde gevallen, slechts een dodelijk afliep.

Als Horstmann gelijk heeft, dan zou Kühn in zijn officieele rapport tienduizend doden onder de tafel hebben geveegd. Dat lijkt onmogelijk, maar ja. Wie heeft nu gelijk, Horstmann of Kühn ?

Gelukkig is er nog een tweede getuigenverslag, van een persoon van onbetwiste integriteit. Dat was de rechter A.F. Lammens ; deze hield een dagboek bij. Hij was zelf in 1819 in Suriname, en beschrijft dat daar inderdaad een grote epidemie had geheerst [10]. Hij verdenkt de overheid ervan de berichtgeving te hebben gemanipuleerd. Er was n.l. geen enkele quarantainemaatregel voor inkomende schepen van kracht, en dat was een grove nalatigheid.

De achteloosheid was zo groot, dat men tegen het inbrengen van besmettelijke ziektens niet meer waakte, zo eene onverschilligheid was nimmer tevoren gezien.

Toen de ziekte werd ontdekt, werd er inderdaad een blokkade van Paramaribo ingesteld, maar die was niet te handhaven, omdat de voedselaanvoer naar de stad daarmee werd afgesloten. Het Gouvernement hief de blokkade op, maar vertelde de ware reden niet, en verkondigde in plaats daarvan de volgende blijde boodschap:

Paramaribo

Nademaal de oorzaak, waarom het nodig is geoordeelt geworden, de gemeenschap tusschen de Hoofdplaats en de Plantagien, voor een tijd lang, op te schorten, onder Gods Goedheid, zich thans zo gunstig laat aanzien, dat dezen stremming, zonder ogenschijnlijk gevaar, zoude kunnen worden opgeheven – zo wordt hiermede aan een iegelijk bekend gemaakt, dat de militaire wagten, die daartoe gestelt waren, zijn ingetrokken, en dat de vaart, als voorheen, voor een ieder weder openstaat.

Paramaribo den 17 Maart 1819

De Secretaris van het Gouvernement,

(get.) Ja.s. Pringle

 

Lammens veegt met die boodschap de vloer aan:

Wij zeggen, dat deze advertentie eene impertinente Godslasterende beestagtigheid is. Hoe stonden de zaken dan, zal men zeggen. Waarom herstelde men de gemeenschap ? Omdat de pokken zich wijd en zijd door de Colonie hadden verspreyd.

Hij gaat daarna door met een voorzichtige schatting van het aantal doden:

Hoeveel slagtoffers deze ziekte heeft medegesleept, weet men niet, men heeft daarnaar geen onderzoek gedaan ; er zijn deswegens geen berigten voorhanden. De Gouverneur had het grootste belang in, dat dit niet bekend werd.

De ziekte bleef grasseeren, en hield aan tot in het volgende jaar, en het verlies aan menschen was niet gering. Er waren er die stelden, dat de ingevoerde slaven uit de Eylanden, die een getal van bij de Twee duizend zullen belopen, maar naauwelijks voor de helft het geleden verlies dekte.

Al met al werpt de hele affaire een schel licht op de capaciteiten van Gouverneur Vaillant, en ook dokter Kuhn komt er niet best vanaf. Zijn fraaie rapport vertelt blijkbaar maar een klein deel van de waarheid. Hij heeft de grote epidemie niet kunnen voorkomen, en duidelijk blijkt dat hij niet in staat was om effectief leiding te geven in de noodsituatie. Ach, vermoedelijk was er ook weinig aan te doen. De mens wikt, maar God beschikt. Kuhn’s maatregel van grootschalige vaccinatie was ongetwijfeld verstandig. Jammer dat hij niet de moed heeft opgebracht om de epidemie eerlijk en wetenschappelijk te beschrijven.

Philip Dikland

 

boeken en artikelen :

Over de elephantiasis in Suriname, artikel in : Hippocrates magaz. Enz. D VII 1e st. blz. 12

Beschouwing van den Toestand der Surinaamsche Plantagie Slaven. F.A. Kuhn. Amsterdam, 1828.

[1] Niet te verwarren met : Frederik Andreas Kuhn jr. (1794-1823), voormalig off. v. gezondheid 2e klasse, later arts op etablissement Zorg en Hoop, overl. 1823, 29 jaar jong. (gegevens J.F. Sang-Ajang). Wie was hij ? Hij kan geen zoon van onze Frederik zijn geweest. Hij had Zorg en Hoop in 1820 gekocht van J.A. Bruns.

[1a] Dankzij een tip van de Stichting Charlotte van der Lith leerden we de interessante thesis van G.M.W. Acda kennen. Nu weten we inmiddels dat Kühn in 1808 in Hamburg met Catharina Sophia Maria Wilhelmi in het huwelijk trad. Ook is voor het eerst aangetoond dat de oorsprong van de familiegeschiedenis van Kühn in Saksen-Anhalt ligt:
Op de deining van de wetenschap. Leven en werk van Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939), zeeofficier en hydrograaf. G.M.W. Acda (Universiteit Leiden).
Op de deining van de wetenschap. Leven en werk van Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939), zeeofficier en hydrograaf. G. Acda.
Van Ank de Vogel ontvingen we een verwijzing naar het Suriname Oud Notarieel Archief waaruit blijkt dat Sophia Wilhelmina de weduwe en erfgenaam van Kühn was:
Kühn – Suriname Oud Notariëel Archief.
Tenslotte ontvingen we een interessante bijdrage over Kühn van Marjolijn Flobbe die ik op verzoek graag doorstuur. Plus deze link naar het Suriname Notariëel Archief .

[2] Gegevens C. Sang-Ajang – database overledenen 1800-1828, manyscript 2005

[3] Het was het huis van de uitlandige weduwe Planteau, dat door Kuhn werd gehuurd.

[4] Focke, H.C. – neger-engelsch woordenboek, 1855

[5] Kuhn, F.A. – …………………, p. 48

[6] Kuhn, F.A. – …………………, p. 48

[7] Kuhn, F.A. – beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantageslaven, uitg. 1828 – p. 49

[8]Jaarboek van 1819, dl. II p. 111 (uitgegeven 1823)

[9] F. Oudschans-Dentz volgde het rapport van Kuhn, en beschreef de epidemie als een “kleine uitbarsting”.

Artikel “maatregelen tegen de pokken” 1943.

[10] Lammens, A.F. – bijdragen aan de kennis van de kolonie Suriname, manuscript, deel XIV p. 77 e.v. Manuscript in de collectie van het Surinaams Museum, Paramaribo.

Consideratien der WIC over Suriname (1687)

Tags

, , , ,

Consideratien van bewinthebberen der generale geoctroijeerde West-Indische Compagnie deser landen over de directie van de colonie van Suriname ende het gouvernement van den heer Van Sommelsdijck aldaar (ca.1687)

De Sociëteit van Suriname was een particuliere Nederlandse koloniale onderneming in Amsterdam, opgericht in 1683 en opgeheven in 1795 die verantwoordelijk was voor de kolonie van Suriname. In mei 1683 werd de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname opgericht. Deze particuliere onderneming had als doel winst te maken met het beheer van de kolonie. Er waren drie aandeelhouders die elk voor een derde zeggenschap hadden: De West-Indische Compagnie (WIC), de familie Van Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. De aandeelhouders moesten de aanvoer van slaven, het werven van nieuwe planters én de bescherming en het bestuur van de kolonie garanderen.

Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck

Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck (uit: Geschiedenis van Suriname. J. Wolbers. Amsterdam, 1861)

In de Buku Bibliotheca Surinamica collectie bevindt zich een belangrijk boek dat een bijzonder licht werpt op het bestuur van Suriname in die vroege periode: Consideratien van Bewinthebbern der Generale Geoctroyeerde West-Indische Compagnie deser Landen over de Directie van de Colonie Surinam en het Gouvernement van den Heer van Sommelsdijck aldaar. In dit 17e eeuwse boek wordt het octrooi van de Sociëteit uit de doeken gedaan en worden de voorwaarden weergegeven waaronder de Heer van Sommelsdijck en de stad Amsterdam ‘in den eygendom van Suriname syn ingelaten door de West Indische Compagnie’. Het staat vol met bepalingen van de Sociëteit, mededelingen van Van Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. Een heel bijzonder licht op de vroege koloniale geschiedenis geeft de lijst van slaven die op 28 april 1683 zijn geleverd door het schip D’Orangeboom o.l.v. kapitein Cornelis Jansz. Pyl. Hier vinden we een opsomming van planters in Suriname die door de WIC slaven geleverd kregen voor hun plantages. Deze planters moesten de WIC betalen door suiker te leveren. Commandeur Laurens Verboom bijvoorbeeld heeft geleverd gekregen: Negentien zowel mannen als vrouwen tegen elk 3000 pond suiker. Hij moet dus in totaal 57.000 pond suiker leveren. Ook dominee Johannes Basseliers kocht slaven, zes in totaal voor 18.000 pond. De joodse planter Samuel C. Nassy kreeg er vijftien slaven, tegenwaarde 45.000 pond suiker. Aron de Silva nam er slechts één. Everhart van Hemert kocht ‘een jongen’ die slechts 2.600 pond moest opbrengen. In totaal werden er 155 slaven verkocht die tezamen 455.800 pond suiker moesten opbrengen.

Sommelsdijk

Gezicht op Sommelsdijk in Suriname. Bienfait, 1827. Het chirurgijnsetablissement Sommelsdijk lag op de splitsing van de Commewijne en de Cottica rivier. (collectie Rijksmuseum Amsterdam).

We vinden in deze publicatie ook een lijst van alle Nederlandse- en Engelse schepen die tussen januari 1685 en april 1687 Suriname aandeden. Dat het koloniale gezag grote moeite had om fraude met slaventransporten tegen te gaan blijkt uit de vele ‘missiven’ van ‘den Heer van Sommelsdyck’, de gouverneur. Zo had een zekere Engelse schipper, genaamd Hennery Fermes, twee ‘Negers’ naar Suriname gebracht die hij had gestolen op St. Jago. Er werd streng op toe gezien dat de slavenhandel volgens de regels van de WIC en de Sociëteit verliep. Veel kapiteins tilden nog wel eens de boel door een aantal slaven buiten de administratie te houden en die illegaal te verkopen.

Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijck (1637-1688), kocht voor fl. 86.666,- 33% van de aandelen van de Sociëteit van Suriname. Hij liet zich door de andere twee aandeelhouders tot onbezoldigd gouverneur van Suriname benoemen. Op 24 november zette de eerste gouverneur voet aan wal in Suriname. Hij verbeterde het beheer van de plantages door gebruik te maken van sluizen en het bouwen van dijken. Lang heeft hij niet kunnen genieten van zijn leven als planter en gouverneur. Op 19 juli 1688 werd hij door een groep ontevreden soldaten, die betere voeding en meer geld eisten, vermoord.

Dit boek helpt ons de vroegste geschiedenis van de kolonie Suriname een beetje beter te begrijpen. Het zal voor verzamelaars niet mee vallen een exemplaar van dit boek te vinden. Ik ben het in de afgelopen veertig jaar slechts één keer tegen gekomen. Dit exemplaar bevindt zich nu in de collectie Buku Bibliotheca Surinamica.

Carl Haarnack

zie ook:

Van Sommelsdijck en zijn Indiaanse vrouw

Joden in Suriname

 

WIC lijsten

 

 

Reize naar Suriname. Gerardus Bosch (1843)

Tags

, , , , ,

Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Amerika. Deel III: Suriname. Gerardus Balthazar Bosch. Utrecht: L.E. Bosch & Zoon, 1843.

Gerardus Balthazar Bosch (1794-1837) is één van de vele geestelijken die geschreven heeft over zijn verblijf in de ‘Nieuwe Wereld’. Al op 20 jarige leeftijd werd hij benoemd tot predikant op Curaçao. Vandaar uit reisde hij naar verschillende eilanden in het Caraïbisch gebied. Tijdens zijn verblijf daar schreef hij bijdragen in de Vaderlandsche Letteroefeningen. In 1829 publiceerde hij het eerste deel van zijn trilogie: Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Amerika. In 1836 volgde deel twee dat hoofdzakelijk gewijd was aan Aruba en Bonaire. Kort daarop, in 1839 overleed Bosch. Toch besloot zijn broer, de uitgever L.E. Bosch, het derde deel van de serie zes jaar na de dood van de auteur uit te geven.

InkedBosch Suriname detail_LI

Illustratie uit titelblad van G.B. Bosch Reize naar West-Indië. Gouvernementsplein, het paleis en Waterkant.

Dit derde deel gaat uitsluitend over Suriname. Het bestaat uit maar liefst 30 brieven waarin Bosch ons allereerst deelgenoot maakt van zijn overtocht. Vervolgens gaat hij uitvoerig in op de geschiedenis van Suriname beginnende bij de ontdekking door Ojeda, de Vrede van Breda in 1667 en vervolgens de aanvallen van de marrons die het voortbestaan van de kolonie in gevaar brengen. Bosch heeft de literatuur over Suriname goed bestudeerd. Hij vertelt het verhaal van de beroemde ´neger´ Baron, slaaf van de Zweed Dahlberg, die één van de grote aanvoerders werd van de marrons.

De auteur gaat ook in op de Joden in Suriname. De Jodensavanne is met een school en een synagoge het hoofdverblijf van de Joden. De Joden in Paramaribo wonen in de Savanastraat. Door de blanke bevolking in Suriname worden zij zoveel mogelijk uit alle gezelschappen en vergaderingen geweerd, schrijft Bosch. Maar het anti-semitisme blijft niet tot de blanke bevolking beperkt. Ook de ´Neger´ beschouwt de ´Jood´ als een geringer wezen dan een blanke Christen, zo schrijft Bosch.

marrons2

De marrons heten bij Bosch ‘Boschnegers’ (goeie woordgrap?). Maar hij gebruikt ook de term ‘sluipnegers’. Deze term ben ik nog niet eerder tegengekomen. De marrons drijven ook handel met de inheemsen (natuurlijk heeft Bosch het over ‘indianen’). Om de Akoesi te bereiken, die aan de Boven Lawa wonen, moet men maar liefst acht dagen varen naar een plaats die Kanuli heet. Van de daar wonende inheemsen ontvangen zij schoenen die van mos gemaakt zijn. Die hebben ze nodig omdat zij nog acht dagen over de weide en savanne moeten lopen waarvan het gras hard en scherp is.

indianen.jpg

Ook over de slavenbevolking schrijft Bosch uitvoerig. Op de vraag ‘Moet de slavenhandel worden afgeschaft’ antwoord hij volmondig ‘Ja!’. Het is een mensonterende daad stelt Bosch. Over de afschaffing van de slavernij adviseert hij voorzichtig te werk te gaan. Luiheid, losbandigheid, dronkenschap en wraaklust waren in Engeland het gevolg van het ‘onbekookt’ besluit om plotseling van slaven vrije mensen te maken.

Het boek beslaat maar liefst 424 pagina’s. Bosch’ schrijfstijl is prettig leesbaar. Maar het is vooral een belangrijk boek. Het boek wordt ook door raadsels omgeven. Allereerst is het extreem zeldzaam. Onlangs verwierf de Buku Bibliotheca Surinamica collectie een exemplaar. Dat was ook de eerste keer in de afgelopen 35 jaar dat dit boek voorbij kwam. Er is slechts één exemplaar bekend in een andere privé/collectie. Wie zoekt in de ’s werelds grootste catalogus van boeken (www.worldcat.org) vindt slechts twee exemplaren: één in de UB van de Universiteit van Amsterdam en één bij de Universiteit van Leiden. In 1985 gaf de antiquaar Simon Emmering deel 1 en deel 2 in facsimilé uit. Dat gebeurde in de serie Antilliaanse reeks (op initiatief van de Hogeschool van de Nederlandse Antillen). De vraag is of Emmering het Suriname-deel ooit in handen heeft gehad. Dan is er een gedigitaliseerde versie van een exemplaar dat ooit onderdeel uit maakte van de collectie van de bibliotheek van het Instituut voor de Tropen (ik neem aan dat dit exemplaar zich nu in in Leiden bevindt). Het titelblad geeft als jaar aan MDCCCXLIIII (1844?) maar het exemplaar in de Buku collectie is gedateerd 1843 (MDCCCXLIII). Er bestaan dus of twee drukken, of de UB Leiden maakte hier een typefout.

Carl Haarnack

Bosch Suriname titelblad klein klwin

 

 

 

Parasieten. Surinaamsche schetsen, ontsproten uit de vertellingen van een gewezen planter. H. van Berkum (1854)

Tags

, ,

Parasieten. Surinaamsche schetsen, ontsproten uit de vertellingen van een gewezen planter. H. van Berkum, in: Gelderland. Tijdschrift voor Nederlandsche Letterkunde (3e jaargang). Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1854.

Hendrikus van Berkum (1814-1871) was predikant in Friesland en Groningen Wolsum, Westhem, Stiens en Nieuw-Beerta. Deze dorpen liggen in de Nederlandse provincie Friesland, behalve Nieuw-Beerta, dat ligt in Groningen. In de Surinaamse bibliotheek vinden we veel publicaties van ‘Friese- en Groningse makelij’. Te denken van aan de boeken van Marten Teenstra (1795-1864) en de Tsjerne (1953). Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname van Herlein werd in 1718 in Leeuwarden uitgegeven; Geschiedenis der kolonie Suriname, door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen, werd in 1791 in Amsterdam én Harlingen gepubliceerd.

1713 Ottens

De predikant van Berkum schrijft over een logé die enige jaren als planter in Suriname had doorgebracht maar nu huiswaarts was gekeerd. Deze logé zat vol met verhalen uit het onbekende Suriname maar hoezeer Van Berkum hem ook verzocht om deze op te schrijven en uit te geven, dat werd lachend weggewuifd. Daarom besloot Van Berkum om de verhalen zelf maar op te schrijven. Hier is helaas slechts ruimte voor twee verhalen.

In het eerste verhaal vertelt de planter (helaas kennen wij zijn naam niet) over ‘de Bosch-Patrouille’, de jacht op weggelopen slaven (marrons). Uncle Tom’s Cabin heeft u allen hier in het moederland, het hoofd op hol gebracht, zo begint hij zijn relaas. Ook spreekt hij over het ‘nare boekje’ van mijnheer Wolbers en hij stelt dat Teenstra’s werk over Suriname van ‘onnaauwkeurigheden en onwaarheden’ krioelt. Hij haalt herinneringen op aan de tijd toen hij als jonge blankofficier op een plantage werkte. Door het gezag werd er een patrouille georganiseerd, een zg. ‘negerjagt’. Van alle plantages in de divisie werden mannen opgeroepen deel te nemen. Voorop liepen vier ‘negers’ die met hun houwers een pad door het dichtbegroeide bos kapten. Daarachter volgde de gids Simson, een weggelopen slaaf, die de weg zou wijzen naar het ‘negerkamp’. Toen een aantal marrons de plantage waar Simson werkte overvielen, namen zij zijn geliefde mee. Daarop besloot hij ook weg te lopen om zijn geliefde te vinden. Maar toen hij haar in een marrondorp vond zag hij dat zij reeds de geliefde van een ander was. Uit wraak trok Simson naar de gouverneur en bood zich als gids aan. Dan volgde de kommandant van de patrouille en de kompasdrager. Vervolgens de blanke schutters die bestonden uit directeuren en blankofficiers van de plantages uit de divisie; de ‘schutternegers’ die kommandogeweren; de lastdragers en tenslotte de achterpatrouille.

De tocht door de dichtbegroeide bossen en door zwampen en moerassen was zwaar. De wegbereiders staken lange stokken in de grond voor hen om niet in een zg. wolfskuil te stappen. De marrons probeerden hun dorpen te beschermen door diepe kuilen te graven en deze te voorzien van kruislings gestoken bamboestaken waarvan de scherpe punten in het vuur verkoold zijn en daardoor zo hard als ijzer. Toen ze het ‘negerkamp’ hadden bereikt was het geheel met palissaden van bamboe beschermd. Ze werden al snel opgemerkt: “Bakkra dé kom!” en de marrons vluchtten weg door een ondoorwaadbare zwamp. Ergens moest er een verborgen brug van gevlochten bostouw zijn maar die bleef voor de achtervolgers onvindbaar. Onze verteller eindigt zijn verhaal door te stellen dat het doel van de patrouilles niet zozeer het gevangennemen of doden van marrons. “…..maar een neger, die weggeloopen is, is een vijand’ van de kolonie geworden. Het doel was veel meer om de marrons dieper in de bossen te dringen en te voorkomen dat ze zich te dicht in de buurt van de plantages zouden gaan ophouden.

Huygens x

Plantage Jagtlust aan de Suriname rivier. Hendrik Huygens (collectie Rijksmuseum)

Het tweede verhaal gaat over een slaaf die de naam Lakei draagt. Deze slaaf moest met andere slaven zijn ‘meester’ van de plantage aan de Beneden-Commewijne naar Paramaribo roeren. Maar omdat hij te laat is laat de plantage-eigenaar hem 25 zweepslagen geven. Lakei kromp ineen van de pijn en riep: “Genade masra! Mi masra!”. Na deze marteling moest Lakei gewoon in de boot stappen en roeien, alsof er niets was gebeurd. Maar toen midden op de rivier de boot omsloeg zwommen de roeiers naar de kant. Lakei echter hielp zijn ‘meester’ bovenop de omgeslagen boot. Hij zwom naar de kant er redde hem door hem een ‘boschtouw’ aan te reiken. De andere slaven waren niet blij en vroegen zich af waarom Lakei de wrede directeur niet had laten verdrinken. De directeur bleef even ruw en wreed. Zelf een bedankje voor Lakei, zelfs geen extra ‘soopje dram’ kon er van af. Toch liep het verhaal goed af. Op een buitengewone vergadering van het departement in Paramaribo van de Maatschappij krijgt Lakei een zilveren gedenkpenning én de vrijheid. De koloniale autoriteiten hadden bepaald dat Lakei te goed is om de slaaf van een ondankbare meester te zijn.

Parasieten werd in 1854 gepubliceerd in Gelderland Tijdschrift voor Nederlandse Letterkunde (redactie W. van de Poll). In dat jaar verscheen Slaven en Vrijen onder de Nederlandse wet van Wolter Robert baron van Hoëvell (1812-1879), dé belangrijkste aanklacht tegen de slavernij in Suriname in het Nederlandse taalgebied. De discussie over de vraag óf en hoe de slavernij moest worden afgeschaft was één van de belangrijke thema’s in die tijd. Van Herkum is van mening dat het te vroeg is daarvoor. Eerst moet het Christendom hen leren de vrijheid te gebruiken. Toch spreekt hij de hoop uit dat dat moment spoedig zal komen. Maar misschien wil hij door zijn keuze voor deze titel, Parasieten, misschien toch, zij het verbloemd, zijn kritiek op de slavernij laten horen.

Het in rood linnen gebonden exemplaar van de tweede band van Gelderland Tijdschrift voor Letterkunde is met goudopdruk versierd. Het tijdschrift moet behoorlijk zeldzaam zijn. Fysieke exemplaren zijn slechts in een handvol bibliotheken te vinden. Over deze Surinaamsche Schetsen kon ik in de literatuur niets vinden.

Carl Haarnack

 

titelpagina

titelpagina

band Gelderland.jpg

Band

De Vraagbaak. Almanak voor Suriname (1917).

Tags

,

De Vraagbaak. Almanak voor Suriname 1917. Paramaribo: H. van Ommeren, 1917.

Het jaar 1917 zal in de wereldgeschiedenis voor altijd verbonden blijven met de Russische revolutie. Maar wat gebeurde er in 1917 in Suriname? Wie trok daar in politiek opzicht aan de touwtjes, wie gaven er toen les op de Hendriksschool of wie was toen eigenaar van plantage Mary’s Hope in Coronie? De antwoorden op dit soort vragen, en nog veel meer, vinden de in De Vraagbaak, de Almanak voor Suriname van 1917. Almanakken werden als sinds het einde van de 18e eeuw uitgegeven. Bijna elk jaar verscheen er één.

Coronie_preview.jpeg

Coronie rond 1920

Harry Johan Van Ommeren (1876-1923) was opgeleid als landmeter maar voelde zich meer aangetrokken tot de journalistiek en het boekenvak. Zijn grootmoeder, Elisabeth Merselina Petronella van Ommeren, leefde in slavernij en werd in 1827 gemanimutteerd door Johannes Francois Arnoldus van Ommeren. Harry Johan van Ommeren was behalve eigenaar en hoofdredacteur van het Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad ook lid van de Koloniale Staten. En hij was dus ook de uitgever van de Surinaamse Almanak.

Harry van Ommeren

De almanak begint met een uiteenzetting van de ligging, de grenzen en de geschiedenis van Suriname. De bevolking van Suriname is zeer schraal, zo lezen we. Het land telde slechts rond de 101.000 zielen. Interessant is dat vermeld wordt dat de bevolking sterk gemengd is en bestaat uit een klein aantal Europeanen en Creolen. Die laatste groep worden gevormd door afstammelingen van de joodse bevolking (Israelieten) en de afstammelingen ‘van de Europeanen en Israelieten in vereeniging met negers en indianen’. De overige bevolking bestaat uit Brits-Indiërs (22.000), Nederlands-Indiërs (Javanen) (8600), ‘negers’, ‘indianen’ en ‘boschnegers’. Dan volgt een opsomming over de economie, over de wetenschappelijk expedities in het binnenland en een uitgebreide verhandelingen over de districten. In het hoofdstuk over de stad Paramaribo wordt per wijk (A t/m F, en dan nog de twee buitenwijken). Iedere wijk heeft een aantal wijkmeesters. Zo is F.A.J. Spong, in Wijk B, wijkmeester van de Gravenstraat, Soldatenstraat, Klipsteenstraat en Heerenstraat. A.M. Samson (Wijk F) is dat o.a. voor de Zwartenhovenbrugstraat, Drambrandersgracht en Rust & Vredestraat.

Alle plantages die nog in bedrijf zijn worden opgesomd: de naam, de naam in het Sranan (‘Negernaam’), grootte, wat er werd verbouwd, hoeveel, de eigenaar, de beheerder, de beheerder en het aantal arbeiders. Hierdoor weten we dus dat D.N. Boldewijn en H.J. Feller toen eigenaar én beheerder waren van Mary’s Hope. De kans is groot dat als uw (over-) grootouders in 1917 in Paramaribo woonden u ze in deze almanak zult vinden. We vinden er namelijk een uitgebreide adreslijst van inwoners met vermelding van hun beroep en adres.

Groepsfoto Suriname 1909

Foto uit de collectie van het Rijksmuseum uit 1909 met opschrift:  ‘Pa in Suriname, Javanen’ (fotograaf anoniem)

Tevens is er een volledige lijst met alle politie-agenten gerangschikt naar hun nummers. Misschien is het laatste deel, bestaande uit advertenties gedrukt op gekleurd papier, het charmanst. Bij M.E.J. van Coblijn kan men terecht voor bouwmaterialen; Johns Simons levert het beste brood en een nieuwe fiets koopt men bij de 1e Hollandsche rijwielhandel van H. van der Voet in de Watermolenstraat.

Suriname leek in 1917, als we de almanak mogen geloven wel een klein paradijs. Zo weinig mensen in zo’n groot land. Maar een belangrijk deel van de mensen kende grote armoede en leefde onder zeer moeilijke omstandigheden. Met de Vraagbaak van 1917 in de handen krijgen we wel een soort dwarsdoorsnede van de samenleving toen. Daarom zijn deze naslagwerken van grote betekenis voor historici, genealogen en bibliofielen. De almanakken werden doorgaans in Suriname uitgegeven en waren vooral voor binnenlands gebruik. Dit betekende per definitie dat ze in kleine oplagen werden gemaakt. Ze zijn daarom bijzonder zeldzaam en, net als met andere oude boeken geldt, hoe ouder, hoe duurder.

Carl Haarnack

IMG_3934

Beknopte Geschiedenis der Kolonie Suriname voor de meer gevorderde jeugd. Maria Vlier (1862)

Tags

,

Beknopte Geschiedenis der Kolonie Suriname voor de meer gevorderde jeugd. M.L.E. Vlier. Amsterdam: H. de Hoogh, 1862.

Regelmatig krijg ik vragen van mensen die zich willen verdiepen in de geschiedenis van Suriname. Sommigen van hen vinden het belangrijk om een geschiedenisboek te lezen dat níet door een ´bakra´ is geschreven. Als ik hen dan vraag om namen te noemen van  Surinaamse historici, dan blijft het meestal stil. Ze zijn er natuurlijk wel. Bijna niemand kent Maria Vlier (1828-1908), geboren en getogen in Suriname. Zij schreef het eerste geschiedenisboek over Suriname dat in het onderwijs gebruikt werd.

Nieuwe Waag Paramaribo collectie Rijksmuseum

Nieuwe Waag aan de Waterkant te Paramaribo, anoniem, 1829 – 1830 (collectie Rijksmuseum)

Maria Vlier beschrijft de Surinaamse geschiedenis vanaf de eerste Europeanen die proberen vaste voet aan wal te krijgen. Dat was met de Engelse kapitein Marechal die met zestig landgenoten zich vestigden aan de Parakreek om daar tabak te teelen. Dan volgde in het midden van de 17e eeuw de gouverneur van Barbados Lord Willoughby en natuurlijk vanaf 1667, de komst van de Zeeuwen onder leiding van Abraham Crijnssen. Alle gouverneurs passeren de revue en bij elk geeft Vlier wat feitelijke informatie. Zo schrijft zij dat ten tijde van het bewind van gouverneur Hendrik Temming (1722-1728) marrons de aan de Commewijne gelegen plantage Kinderback overvielen. De plantageslaven die niet vrijwillig met hen mee wilden gaan werden omgebracht. Door de toenemende aanvallen van marrons verkeert de kolonie Suriname in gevaar. De overvallen, vooral die in het Cotticagebied, richtten veel schade aan. Het korps Koloniale Guides werd ter verdediging opgericht. Dit korps bestond uit de betrouwbaarste slaven die door het gouvernement van de verschillende plantages voor veel geld werden gekocht. Het is, zo vertelt Vlier ons, te danken aan de zwarte soldaten, de koloniale guides, dat de kolonie in 1772 overeind bleef.

Vlier schrijft over de slechte behandeling van slaven en over de wrede straffen. Veel 19e eeuwse auteurs die iets over Suriname te zeggen hebben spreken over de luiheid en onbetrouwbaarheid van de ´negers´. Ook worden we doorgaans getrakteerd op wankele betogen waarom de slavernij niet opgeheven moet worden. Niets van dit alles bij onze eerste Surinaamse historica. Eindelijk is in 1861 een voorstel gedaan voor de vrijlating van alle slaven schrijft met een nauwelijks onderdrukte geestdrift. Men koestert de hoop dat de afschaffing niet lang meer kan duren. Ze schrijft letterlijk: ‘De godsdienst en de menschelijkheid vorderen het. De noodzakelijkheid gebied het.’

Slaven Rijksmuseum detail

Slaven aan het werk op een plantage (detail), anoniem 1850 (collectie Rijksmuseum)

Maria Louisa Elisabeth Vlier was zelf een kind van een gemanimuteerde slavin. Haar moeder, Anna Elisabeth Heuland (1798- ca. 1887), was zelf een slavin die in 1816 haar vrijheid kreeg. Maar ook haar vader was geen ‘witte Europeaan’. Nicolaas Gerrit Vlier (1801-1852), was een ´kleurling´. Hij was volgens de almanak van 1837 administrateur van de suikerplantages Pieterszorg en Andresgift. Hij behoorde tot de gekleurde elite van Suriname waar Ellen Neslo in 2016 op promoveerde (´Een ongekende elite. De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800/1863’).

In het voorwoord laat Vlier weten waarom ze het boek schrijft: het doet haar pijn, zo schijft ze, dat de schoolkinderen van 14 jaar en ouder in Suriname jaren over de geschiedenis van vreemde volkeren leren maar niets over hun eigen land. Daarom schrijft ze dit geschiedenisboekje. Ze besluit haar boek met de wens dat de kinderen niet alleen hun kennis zullen vermeerderen maar dat daarnaast ook hun vaderlandsliefde zal worden aangewakkerd. Hier spreekt de echte patriot. Het wordt hoog tijd dat we voor Maria Vlier een ereplekje geven in de geschiedschrijving.

Dit boek is uitermate zeldzaam. In Nederlandse bibliotheken vinden we slechts acht exemplaren. De Buku collectie beschikt gelukkig over twee exemplaren. Eén daarvan maakte ooit deel uit van de bibliotheek van H.D. Benjamins (1850-1923), samensteller van de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1917).

Carl Haarnack

Zie ook:

Ellen Neslo. Een ongekende elite: De opkomst van een gekleurde elite in Koloniaal Suriname 1800-1863 (2016)

Steven Hagers over Maria Vlier

IMG_2833

Gegevens over land en volk van Suriname. C. van Coll (1903)

Tags

, ,

Gegevens over land en volk van Suriname. Door C. van Coll, Missionaris in West-Indië. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. KITLV. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1903

De auteur van dit boekje bracht zo’n vijftig jaar van zijn leven in Suriname door. Cornelius van Coll werd in 1842 in het Noord-Brabantse Nuenen geboren. Hij volgde een opleiding aan het Seminarie in Den Bosch. In 1869 trad hij toe tot Congregatie des Allerheiligsten Verlossers (Redemptoristen) te St. Truiden (België). In 1871 werd hij als missionaris naar Paramaribo uitgezonden. Daar werd hij in december 1871 tot priester gewijd. Van Coll was de auteur van Beknopte Geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname die in 1884 verscheen. Dat deed hij op basis van niet gepubliceerde aantekeningen van Adrianus Bossers. Twee jaar later schreef hij Zeden en Gewoonten der Indianen in onze Nederlandsche Kolonie Suriname (1886). Ook verschenen er in kranten en tijdschriften artikelen van zijn hand.

Katholieke Missie

Kaart met katholieke kerken in Suriname. Uit: Beknopte Geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname. Gulpen, 1884.

Van Coll werkte jarenlang onder de Inheemsen en de Marrons in de binnenlanden van Suriname. Dit in 1903 verschenen boek bestaat uit drie delen: ‘Suriname’s oorspronkelijke bewoners, De Boschnegers en Guiana en omwonende Bevolking. De auteur onderscheidt zich al direct van andere auteurs door de term ‘Indianen’ af te wijzen. De inheemsen beschouwen zichzelf helemaal niet als wilden en noemen zichzelf in het Caraïbisch eenvoudig Kalienja of in het Arrowaks Loekoenoe wat zoveel betekent als ‘mensen’. De Europeanen heeten paranokili wat zoveel betekent als ‘mannen van over het water.’

We leren van Van Coll dingen die we in andere publicaties over de oorspronkelijke bewoners van Suriname nauwelijks tegenkomen. Zo schrijft hij dat er onder de ´Indiaansche mannen´ er maar weinigen zijn die het ´Negerengelsch´ niet beheersen. Zij hebben die taal nodig om met de andere bevolkingsgroepen te communiceren maar ook om zich met de ´Indianen´ van andere stammen te onderhouden. De ´indiaanse´ talen verschillen onderling soms zoveel als het Nederlands van het Hebreeuws, stelt de auteur. We lezen verder interessante wederwaardigheden over de dorpen, huizen, huisraad, voeding, kleding en jacht. Er is ook aandacht voor de rol van de ´indiaanse´ vrouw.

Indiaansche kamp in de boven Para

Indiaansche kamp in de Boven Para. Ansichtkaart ca. 1902

Van Coll ondersteunt zijn beweringen door telkens te verwijzen naar literatuur. Auteurs zoals Kappler, Focke, Creveaux en zelfs Bonaparte worden aangehaald. Maar we zijn natuurlijk vooral geïnteresseerd in de daadwerkelijke interactie tussen onze missionaris en de bevolking van Suriname. De auteur verhaalt over een bezoek aan een Arrowakkendorp. Hoe doodeenvoudig deze goede mensen leven. Een 70 jaar oude vrouw zingt dan voor wat door een koor herhaald wordt. Het is 12 oktober 1892, herdenkingsjaar van de ontdekking van Amerika door Columbus. De meeste ‘indianen’ zijn bekeerd tot het Christendom. Zij brachten God dank voor die ontdekking! Hoe zeer wij Van Coll ook dankbaar moeten zijn voor alle informatie die hij voor ons heeft opgetekend, de dankbaarheid van de ‘indiaan’ door de Europeanen ontdekt te zijn is toch een gotspe van de buitencategorie?

Marrons voor 1900 (1)

Marrons in Suriname (ca. 1895)

Over de nazaten van de marrons leren we ook veel informatie uit eerste hand en uit de door Van Coll aangehaalde literatuur. Als het bijvoorbeeld gaat over het bijgeloof dan schroomt hij er niet voor terug om bijna vier pagina’s integraal over te nemen in het Engels uit ‘Sketches of African and Indian Life in Britisch Guiana (1885) van Ignatius Scoles (1834-1896), een Engelse priester die lange tijd in Suriname’s buurland doorbracht. Wij leren bij Van Coll veel over de geschiedenis en het leven van de marrons. Zo beschrijft hij het ‘negerdorp’, het Kamp van Broos. Dit dorp werd gesticht door Tata Koekoedabi, een slaaf van de plantage Rac-a-Rac. Maar wie heeft ooit van hem gehoord? Of van zijn geliefde, Alathia, die van plantage Chatillon gevlucht was en zaairijst meenam? Van Coll verwijst naar de publicatie van Maria Louisa Elisabeth Vlier (1828-1908), die het eerste schoolboek in Suriname schreef (Beknopte geschiedenis der kolonie Suriname, voor de meer gevorderde jeugd. Amsterdam, 1863). Maar dat boek kent bijna niemand meer.

katholieke-kerk-klein

Katholieke kerk in Paramaribo (Benoit, 1830)

Van Coll overleed in 1922 in Paramaribo. De uitvaart vond plaats in de Kathedraal in de Gravenstraat en hij werd op de R.K. begraafplaats begraven. Gegevens over Land en Volk van Suriname is een bijzonder aardig boek. Uiteraard is Van Coll gevormd door zijn katholieke achtergrond maar het is toch opvallend dat hij met respect over de oorspronkelijke bewoners van Suriname en de marrons praat. Voor een 19e eeuwse missionaris heeft hij toch een moderne blik op de mensen die vaak door zijn tijdgenoten als ‘minderwaardig’ en ‘achterlijk’ werden beschreven. Daar komt bij dat hij zich goed had ingelezen en bronnen had geraadpleegd die wij vandaag de dag eigenlijk niet nauwelijks nog kennen. Ook had hij zich het Sranan en de taal van de Karaïben eigen gemaakt. In 1887 liet hij een catechismus in die taal in Nederland drukken. Ook schreef hij artikelen over Suriname in Anthropos, een ethnologisch tijdschrift dat in Wenen werd uitgegeven, in het Frans en Duits. Van Coll schreef in zijn teksten steeds over ‘bij ons in Suriname’. De kranten schreven bij zijn heengaan dat pater Van Coll een ‘waar en oprecht vriend van Suriname’ was en een belangeloos werker ten bate van dit land (De Surinamer : nieuws- en advertentieblad, 20-04-1922).

Carl Haarnack

 

zie ook:

Katholieke missie in Suriname

Rooms-Catholieke missie in Suriname

 

 

 

 

An Impartial Description of Surinam. George Warren (1667)

Tags

, , , ,

An Impartial Description of Surinam Upon the Continent of Guiana America. George Warren. London: Printed by William Godbid for Nathaniel Brooke, 1667.

Er zijn in de Surinaamse boekenkast toch niet veel boeken te vinden die dateren uit de 17e eeuw. An Impartial Description of Surinam van George Warren verscheen in 1667, het jaar van de Vrede van Breda dat het einde van de Tweede Engels-Nederlandse oorlog markeerde. Bij die vrede werd afgesproken dat Nieuw-Amsterdam, het huidige New York, aan de Engelsen werd overgedragen en dat Suriname in Nederlandse handen bleef. Warren was een Engelsman die Suriname bezocht toen het nog in Engelse handen was.


1713 OttensDe auteur een belangrijke ooggetuige uit de beginjaren van Suriname. Hij verbleef naar eigen zeggen drie jaar in de kolonie en vertrouwt zijn ervaringen, niet zonder gevaar voor zijn eigen leven, aan het papier toe. In zijn voorwoord schrijft hij dat de geneugten van warme landen hand in hand gaan met vele gevaren. Suriname is een dapper land met een zeer vruchtbare grond en aardige vrouwen.

Het boek omvat slechts 28 pagina’s en in verdeeld in tien hoofdstukken: over de rivieren; het klimaat en het land in het algemeen; de flora; het fruit; de handelswaar; de plantages; de vogels; de slaven; giftige en gevaarlijke dieren; en over de ‘indianen’. Warren steekt zijn verbazing niet onder stoelen of banken en verhaalt over vreemde dieren en planten. Zo beschrijft hij de ‘camel-fly’ die nadat deze een tijdje heeft geleefd op de grond terecht komt, wortel schiet en in een plant verandert.

Warren titelpagina

titelpagina van 1e druk George Warren´s An Impartial Description of Surinam (1667)

Over de oorspronkelijke inwoners krijgen we een uitgebreide beschrijving voorgeschoteld. Misschien het meest opmerkelijk is de bereiding van een drank genaamd Perrinoe, die Warren omschrijft als , ‘truly good’. Deze ontstaat door cassavebrood zeer zwart te bakken. De oudste vrouwen en jonge kinderen (‘snotty nose Children’) kauwen dit en spugen het vervolgens uit in een kan. Dat laten ze even staan en zeven het brood er uit. Tenslotte worden gekauwde aardappelen toegevoegd en kan het na een aantal dagen gedronken worden.

Warren laat een bijzonder kritisch geluid horen over de behandeling van slaven. Van een goedkeurende of verzachtende toon als het gaat om slavernij, die we aan het eind van de 18e eeuw vaker tegenkomen, is hier geen sprake. Eerder getuigt zijn woordkeuze van cynisme (de slaven krijgen ‘as a great favour’ een beetje verrotte vis). Juist dit hoofdstuk over de slavernij in Suriname, speelt een belangrijke rol in de slechte reputatie die Suriname geniet als het om de behandeling van slaven gaat:

Of the Slaves: “Who are most brought out of Guinea in Africa to those parts, where they are sold like dogs, and no better esteem’d but for their work-sake, which they perform all the week, with the severest usages for the slightest fault, till Saturday afternoon, when they are allowed to dress their own gardens or plantations, having nothing but what they can produce from thence to live upon; unless perhaps once or twice a year, their masters vouchsafe them, as a great favour, a little rotten salt-fish: or if a cow or horse die of itself, they get roastmeat: their lodging is a hard board, and their black skins their covering.”

slave market.jpeg

Warren’s boek is door een groot aantal auteurs geplagieerd. Aphra Behn (Oroonoko, 1688), Adriaan van Berkel (Amerikaansche voyagien, 1695) en vele anderen maakten dankbaar gebruik van zijn beschrijvingen van het land en de oorspronkelijke inwoners. Alleen al daarom verdient hij een bijzonder plekje in de Surinaamse bibliotheek. Helaas weten we over George Warren behalve zijn naam verder eigenlijk niks. Het boek is zeer zeldzaam (net als de Nederlandse vertaling uit 1669; alleen de Duitse vertaling uit 1673 is nóg zeldzamer). Af en toe wordt er een exemplaar geveild maar voor minder dan €1500,-mag u nergens op hopen.

Carl Haarnack

Door Suriname. Reisherinneringen uit ons missiegebied. J. Kronenburg (1897)

Tags

 Door Suriname. Reisherinneringen uit ons missiegebied door J. Kronenburg. Redemptorist. Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897.

Joannes Antonius Franciscus Kronenburg (Zutphen 1853 – Nijmegen 1940) was een redemptorist. Dat betekent dat hij behoorde tot de katholieke internationale Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris – C.Ss.R.) opgericht in Napels in 1732. Het doel van deze congregatie was de evangelisatie onder de armste en meest hulpbehoevende in de wereld. Kronenburg was niet alleen kloosterling en priester maar ook een schrijver en zelfs lid van Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In 1896 bracht hij een bezoek aan Suriname waarvan dit boekje het verslag vormt.

majelaa

Gerardus Majella Stichting in Paramaribo (ca. 1910)

Na aankomst in Paramaribo werd het verblijf van de leprapatiënten (‘melaatschen’) van de Gerardus Majella Stichting bezocht. Kronenburg noteert: “Een klein meisje van 10 of 11 jaren komt uit haar kamertje, en lacht ons tegen en troont ons mede naar haar tuintje, waar zij haar groeten geplant heeft, en schatert het uit van vreugde, en klapt in de handen, nu wij de fijne bloesems bewonderen. Arm kind, zoo vroeg reeds tot een levenslang lijden veroordeeld; door allen, die haar moesten beminnen, verlaten, maar door christelijke liefde opgenomen, door de christelijke edelmoedigheid voor geheel haar leven verzorgd!”

Daarna vertrok Kronenburg per stoombootje samen met drie andere paters en frater Antonius naar Nickerie. Onderweg werd de lepra-opvang Batavia bezocht. In een brede nis gevormd door zeven palmen, zo schrijft Kronenburg. Daar liggen drie missionarissen die op Batavia gewerkt hebben begraven. Petrus Donders, die gedurende 25 jaren ´melaatschen´ heeft verpleegd, ligt daar begraven. Net als pater J. Bakker. Deze priester kreeg zelf lepra nadat hij zeven jaar op Batavia had doorgebracht. Maar wij worden als moderne lezer natuurlijk echt geprikkeld als onze chroniqueur schrijft dat daar ook een zekere geestelijke begraven ligt die Heininck heet, ´die hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van den haat eens Negers door vergif gevallen is (1850).´ Van de achtergrond van dat verhaal zouden we natuurlijk meer willen weten. *)

nickerie-1835

De reis naar Nickerie wordt voortgezet onder begeleiding van pater Houben en pater Nicasius. Om te gaan preken en de H.H. Sacramenten toe te dienen worden twee indianenkampen bezocht. Via de Coppename kwam de stoombarkas op de Wayombo. Aan weerszijden van de rivier de ´maagdelijke wouden met reuzenbomen van 30 of 40 meter hoog. Onze auteur is duidelijk onder de indruk van de natuurpracht en beschrijft dat haast op poëtische wijze. Het kamp van de Arrowakken is verlaten maar in de verte klinkt muziek. Pater Houben zocht de ‘indianen’ verderop in het bos op en sprak: “Mannen, het gaat niet aan te dansen en te drinken, nu zulk groot een groot gezelschap in het kamp in aangekomen”. Volgens Kronenburg hield de harmonica onmiddellijk op en werd de schaal met sterken drank opgeborgen en ging iedereen in stilte naar zijn hut. Jammer dat we geen beschrijving hebben van hoe onze Arrowakken dit ingrijpen van in zwart habijt geklede mannen beleefd hebben. Het zelfde geldt voor Napoleon, een ‘struische Indiaan van een jaar of dertig’. Napoleon is twee jaar eerder gedoopt maar heeft nog steeds zijn heilige Communie niet gedaan. De pater spoort de kapitein van de ‘indianen’ Cornelis aan om ervoor te zorgen dat Napoleon zijn catechismus leert. Behalve Nickerie werd ook Coronie bezocht en een tochtje gemaakt naar Marianella in het Paragebied.

kronenburg band

Dit mooie boekje van 92 pagina’s is niet bijzonder zeldzaam. Onlangs werd er op een internetveiling een exemplaar voor €65,– geveild. Maar het is een heel aardig ooggetuigenverslag van een Nederlandse katholieke geestelijke die even werd ondergedompeld in Suriname en die, voor hem, vreemde nieuwe wereld.

Carl Haarnack

 

*) Over Batavia schrijft August Kappler: ‘Het is niet alleen het gevaar van zijne gezondheid te verliezen en een offer der melaatschheid te worden, maar vooral het slechte karakter der negers zelve, dat hem het meest bedreigt. In October 1851 werd de priester van het gesticht Batavia, een man die op deze zoo afgezonderde plaats hen onvermoeid en ijverig in hun ligchaams- en zielelijden bijstond, door een dezer ellendigen uit wraak vermoord, omdat hij hem, ten einde dronkenschap voor te komen, eene kruik met dram afgenomen had.’ A. Kappler, Zes jaren in Suriname. Schetsen en tafereelen uit het maatschappelijke en militaire leven in deze kolonie (Utrecht 1854) 60.

 

zie ook:

Wilhelmus Dortants (1855-1906)

Katholieke Missie in Suriname

Een katholieke begrafenis in Suriname