Reize naar Suriname. Gerardus Bosch (1843)

Tags

, , , , ,

Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Amerika. Deel III: Suriname. Gerardus Balthazar Bosch. Utrecht: L.E. Bosch & Zoon, 1843.

Gerardus Balthazar Bosch (1794-1837) is één van de vele geestelijken die geschreven heeft over zijn verblijf in de ‘Nieuwe Wereld’. Al op 20 jarige leeftijd werd hij benoemd tot predikant op Curaçao. Vandaar uit reisde hij naar verschillende eilanden in het Caraïbisch gebied. Tijdens zijn verblijf daar schreef hij bijdragen in de Vaderlandsche Letteroefeningen. In 1829 publiceerde hij het eerste deel van zijn trilogie: Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Amerika. In 1836 volgde deel twee dat hoofdzakelijk gewijd was aan Aruba en Bonaire. Kort daarop, in 1839 overleed Bosch. Toch besloot zijn broer, de uitgever L.E. Bosch, het derde deel van de serie zes jaar na de dood van de auteur uit te geven.

InkedBosch Suriname detail_LI

Illustratie uit titelblad van G.B. Bosch Reize naar West-Indië. Gouvernementsplein, het paleis en Waterkant.

Dit derde deel gaat uitsluitend over Suriname. Het bestaat uit maar liefst 30 brieven waarin Bosch ons allereerst deelgenoot maakt van zijn overtocht. Vervolgens gaat hij uitvoerig in op de geschiedenis van Suriname beginnende bij de ontdekking door Ojeda, de Vrede van Breda in 1667 en vervolgens de aanvallen van de marrons die het voortbestaan van de kolonie in gevaar brengen. Bosch heeft de literatuur over Suriname goed bestudeerd. Hij vertelt het verhaal van de beroemde ´neger´ Baron, slaaf van de Zweed Dahlberg, die één van de grote aanvoerders werd van de marrons.

De auteur gaat ook in op de Joden in Suriname. De Jodensavanne is met een school en een synagoge het hoofdverblijf van de Joden. De Joden in Paramaribo wonen in de Savanastraat. Door de blanke bevolking in Suriname worden zij zoveel mogelijk uit alle gezelschappen en vergaderingen geweerd, schrijft Bosch. Maar het anti-semitisme blijft niet tot de blanke bevolking beperkt. Ook de ´Neger´ beschouwt de ´Jood´ als een geringer wezen dan een blanke Christen, zo schrijft Bosch.

marrons2

De marrons heten bij Bosch ‘Boschnegers’ (goeie woordgrap?). Maar hij gebruikt ook de term ‘sluipnegers’. Deze term ben ik nog niet eerder tegengekomen. De marrons drijven ook handel met de inheemsen (natuurlijk heeft Bosch het over ‘indianen’). Om de Akoesi te bereiken, die aan de Boven Lawa wonen, moet men maar liefst acht dagen varen naar een plaats die Kanuli heet. Van de daar wonende inheemsen ontvangen zij schoenen die van mos gemaakt zijn. Die hebben ze nodig omdat zij nog acht dagen over de weide en savanne moeten lopen waarvan het gras hard en scherp is.

indianen.jpg

Ook over de slavenbevolking schrijft Bosch uitvoerig. Op de vraag ‘Moet de slavenhandel worden afgeschaft’ antwoord hij volmondig ‘Ja!’. Het is een mensonterende daad stelt Bosch. Over de afschaffing van de slavernij adviseert hij voorzichtig te werk te gaan. Luiheid, losbandigheid, dronkenschap en wraaklust waren in Engeland het gevolg van het ‘onbekookt’ besluit om plotseling van slaven vrije mensen te maken.

Het boek beslaat maar liefst 424 pagina’s. Bosch’ schrijfstijl is prettig leesbaar. Maar het is vooral een belangrijk boek. Het boek wordt ook door raadsels omgeven. Allereerst is het extreem zeldzaam. Onlangs verwierf de Buku Bibliotheca Surinamica collectie een exemplaar. Dat was ook de eerste keer in de afgelopen 35 jaar dat dit boek voorbij kwam. Er is slechts één exemplaar bekend in een andere privé/collectie. Wie zoekt in de ’s werelds grootste catalogus van boeken (www.worldcat.org) vindt slechts twee exemplaren: één in de UB van de Universiteit van Amsterdam en één bij de Universiteit van Leiden. In 1985 gaf de antiquaar Simon Emmering deel 1 en deel 2 in facsimilé uit. Dat gebeurde in de serie Antilliaanse reeks (op initiatief van de Hogeschool van de Nederlandse Antillen). De vraag is of Emmering het Suriname-deel ooit in handen heeft gehad. Dan is er een gedigitaliseerde versie van een exemplaar dat ooit onderdeel uit maakte van de collectie van de bibliotheek van het Instituut voor de Tropen (ik neem aan dat dit exemplaar zich nu in in Leiden bevindt). Het titelblad geeft als jaar aan MDCCCXLIIII (1844?) maar het exemplaar in de Buku collectie is gedateerd 1843 (MDCCCXLIII). Er bestaan dus of twee drukken, of de UB Leiden maakte hier een typefout.

Carl Haarnack

Bosch Suriname titelblad klein klwin

 

 

 

Parasieten. Surinaamsche schetsen, ontsproten uit de vertellingen van een gewezen planter. H. van Berkum (1854)

Tags

, ,

Parasieten. Surinaamsche schetsen, ontsproten uit de vertellingen van een gewezen planter. H. van Berkum, in: Gelderland. Tijdschrift voor Nederlandsche Letterkunde (3e jaargang). Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1854.

Hendrikus van Berkum (1814-1871) was predikant in Friesland en Groningen Wolsum, Westhem, Stiens en Nieuw-Beerta. Deze dorpen liggen in de Nederlandse provincie Friesland, behalve Nieuw-Beerta, dat ligt in Groningen. In de Surinaamse bibliotheek vinden we veel publicaties van ‘Friese- en Groningse makelij’. Te denken van aan de boeken van Marten Teenstra (1795-1864) en de Tsjerne (1953). Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname van Herlein werd in 1718 in Leeuwarden uitgegeven; Geschiedenis der kolonie Suriname, door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen, werd in 1791 in Amsterdam én Harlingen gepubliceerd.

1713 Ottens

De predikant van Berkum schrijft over een logé die enige jaren als planter in Suriname had doorgebracht maar nu huiswaarts was gekeerd. Deze logé zat vol met verhalen uit het onbekende Suriname maar hoezeer Van Berkum hem ook verzocht om deze op te schrijven en uit te geven, dat werd lachend weggewuifd. Daarom besloot Van Berkum om de verhalen zelf maar op te schrijven. Hier is helaas slechts ruimte voor twee verhalen.

In het eerste verhaal vertelt de planter (helaas kennen wij zijn naam niet) over ‘de Bosch-Patrouille’, de jacht op weggelopen slaven (marrons). Uncle Tom’s Cabin heeft u allen hier in het moederland, het hoofd op hol gebracht, zo begint hij zijn relaas. Ook spreekt hij over het ‘nare boekje’ van mijnheer Wolbers en hij stelt dat Teenstra’s werk over Suriname van ‘onnaauwkeurigheden en onwaarheden’ krioelt. Hij haalt herinneringen op aan de tijd toen hij als jonge blankofficier op een plantage werkte. Door het gezag werd er een patrouille georganiseerd, een zg. ‘negerjagt’. Van alle plantages in de divisie werden mannen opgeroepen deel te nemen. Voorop liepen vier ‘negers’ die met hun houwers een pad door het dichtbegroeide bos kapten. Daarachter volgde de gids Simson, een weggelopen slaaf, die de weg zou wijzen naar het ‘negerkamp’. Toen een aantal marrons de plantage waar Simson werkte overvielen, namen zij zijn geliefde mee. Daarop besloot hij ook weg te lopen om zijn geliefde te vinden. Maar toen hij haar in een marrondorp vond zag hij dat zij reeds de geliefde van een ander was. Uit wraak trok Simson naar de gouverneur en bood zich als gids aan. Dan volgde de kommandant van de patrouille en de kompasdrager. Vervolgens de blanke schutters die bestonden uit directeuren en blankofficiers van de plantages uit de divisie; de ‘schutternegers’ die kommandogeweren; de lastdragers en tenslotte de achterpatrouille.

De tocht door de dichtbegroeide bossen en door zwampen en moerassen was zwaar. De wegbereiders staken lange stokken in de grond voor hen om niet in een zg. wolfskuil te stappen. De marrons probeerden hun dorpen te beschermen door diepe kuilen te graven en deze te voorzien van kruislings gestoken bamboestaken waarvan de scherpe punten in het vuur verkoold zijn en daardoor zo hard als ijzer. Toen ze het ‘negerkamp’ hadden bereikt was het geheel met palissaden van bamboe beschermd. Ze werden al snel opgemerkt: “Bakkra dé kom!” en de marrons vluchtten weg door een ondoorwaadbare zwamp. Ergens moest er een verborgen brug van gevlochten bostouw zijn maar die bleef voor de achtervolgers onvindbaar. Onze verteller eindigt zijn verhaal door te stellen dat het doel van de patrouilles niet zozeer het gevangennemen of doden van marrons. “…..maar een neger, die weggeloopen is, is een vijand’ van de kolonie geworden. Het doel was veel meer om de marrons dieper in de bossen te dringen en te voorkomen dat ze zich te dicht in de buurt van de plantages zouden gaan ophouden.

Huygens x

Plantage Jagtlust aan de Suriname rivier. Hendrik Huygens (collectie Rijksmuseum)

Het tweede verhaal gaat over een slaaf die de naam Lakei draagt. Deze slaaf moest met andere slaven zijn ‘meester’ van de plantage aan de Beneden-Commewijne naar Paramaribo roeren. Maar omdat hij te laat is laat de plantage-eigenaar hem 25 zweepslagen geven. Lakei kromp ineen van de pijn en riep: “Genade masra! Mi masra!”. Na deze marteling moest Lakei gewoon in de boot stappen en roeien, alsof er niets was gebeurd. Maar toen midden op de rivier de boot omsloeg zwommen de roeiers naar de kant. Lakei echter hielp zijn ‘meester’ bovenop de omgeslagen boot. Hij zwom naar de kant er redde hem door hem een ‘boschtouw’ aan te reiken. De andere slaven waren niet blij en vroegen zich af waarom Lakei de wrede directeur niet had laten verdrinken. De directeur bleef even ruw en wreed. Zelf een bedankje voor Lakei, zelfs geen extra ‘soopje dram’ kon er van af. Toch liep het verhaal goed af. Op een buitengewone vergadering van het departement in Paramaribo van de Maatschappij krijgt Lakei een zilveren gedenkpenning én de vrijheid. De koloniale autoriteiten hadden bepaald dat Lakei te goed is om de slaaf van een ondankbare meester te zijn.

Parasieten werd in 1854 gepubliceerd in Gelderland Tijdschrift voor Nederlandse Letterkunde (redactie W. van de Poll). In dat jaar verscheen Slaven en Vrijen onder de Nederlandse wet van Wolter Robert baron van Hoëvell (1812-1879), dé belangrijkste aanklacht tegen de slavernij in Suriname in het Nederlandse taalgebied. De discussie over de vraag óf en hoe de slavernij moest worden afgeschaft was één van de belangrijke thema’s in die tijd. Van Herkum is van mening dat het te vroeg is daarvoor. Eerst moet het Christendom hen leren de vrijheid te gebruiken. Toch spreekt hij de hoop uit dat dat moment spoedig zal komen. Maar misschien wil hij door zijn keuze voor deze titel, Parasieten, misschien toch, zij het verbloemd, zijn kritiek op de slavernij laten horen.

Het in rood linnen gebonden exemplaar van de tweede band van Gelderland Tijdschrift voor Letterkunde is met goudopdruk versierd. Het tijdschrift moet behoorlijk zeldzaam zijn. Fysieke exemplaren zijn slechts in een handvol bibliotheken te vinden. Over deze Surinaamsche Schetsen kon ik in de literatuur niets vinden.

Carl Haarnack

 

titelpagina

titelpagina

band Gelderland.jpg

Band

De Vraagbaak. Almanak voor Suriname (1917).

Tags

,

De Vraagbaak. Almanak voor Suriname 1917. Paramaribo: H. van Ommeren, 1917.

Het jaar 1917 zal in de wereldgeschiedenis voor altijd verbonden blijven met de Russische revolutie. Maar wat gebeurde er in 1917 in Suriname? Wie trok daar in politiek opzicht aan de touwtjes, wie gaven er toen les op de Hendriksschool of wie was toen eigenaar van plantage Mary’s Hope in Coronie? De antwoorden op dit soort vragen, en nog veel meer, vinden de in De Vraagbaak, de Almanak voor Suriname van 1917. Almanakken werden als sinds het einde van de 18e eeuw uitgegeven. Bijna elk jaar verscheen er één.

Coronie_preview.jpeg

Coronie rond 1920

Harry Johan Van Ommeren (1876-1923) was opgeleid als landmeter maar voelde zich meer aangetrokken tot de journalistiek en het boekenvak. Zijn grootmoeder, Elisabeth Merselina Petronella van Ommeren, leefde in slavernij en werd in 1827 gemanimutteerd door Johannes Francois Arnoldus van Ommeren. Harry Johan van Ommeren was behalve eigenaar en hoofdredacteur van het Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad ook lid van de Koloniale Staten. En hij was dus ook de uitgever van de Surinaamse Almanak.

Harry van Ommeren

De almanak begint met een uiteenzetting van de ligging, de grenzen en de geschiedenis van Suriname. De bevolking van Suriname is zeer schraal, zo lezen we. Het land telde slechts rond de 101.000 zielen. Interessant is dat vermeld wordt dat de bevolking sterk gemengd is en bestaat uit een klein aantal Europeanen en Creolen. Die laatste groep worden gevormd door afstammelingen van de joodse bevolking (Israelieten) en de afstammelingen ‘van de Europeanen en Israelieten in vereeniging met negers en indianen’. De overige bevolking bestaat uit Brits-Indiërs (22.000), Nederlands-Indiërs (Javanen) (8600), ‘negers’, ‘indianen’ en ‘boschnegers’. Dan volgt een opsomming over de economie, over de wetenschappelijk expedities in het binnenland en een uitgebreide verhandelingen over de districten. In het hoofdstuk over de stad Paramaribo wordt per wijk (A t/m F, en dan nog de twee buitenwijken). Iedere wijk heeft een aantal wijkmeesters. Zo is F.A.J. Spong, in Wijk B, wijkmeester van de Gravenstraat, Soldatenstraat, Klipsteenstraat en Heerenstraat. A.M. Samson (Wijk F) is dat o.a. voor de Zwartenhovenbrugstraat, Drambrandersgracht en Rust & Vredestraat.

Alle plantages die nog in bedrijf zijn worden opgesomd: de naam, de naam in het Sranan (‘Negernaam’), grootte, wat er werd verbouwd, hoeveel, de eigenaar, de beheerder, de beheerder en het aantal arbeiders. Hierdoor weten we dus dat D.N. Boldewijn en H.J. Feller toen eigenaar én beheerder waren van Mary’s Hope. De kans is groot dat als uw (over-) grootouders in 1917 in Paramaribo woonden u ze in deze almanak zult vinden. We vinden er namelijk een uitgebreide adreslijst van inwoners met vermelding van hun beroep en adres.

Groepsfoto Suriname 1909

Foto uit de collectie van het Rijksmuseum uit 1909 met opschrift:  ‘Pa in Suriname, Javanen’ (fotograaf anoniem)

Tevens is er een volledige lijst met alle politie-agenten gerangschikt naar hun nummers. Misschien is het laatste deel, bestaande uit advertenties gedrukt op gekleurd papier, het charmanst. Bij M.E.J. van Coblijn kan men terecht voor bouwmaterialen; Johns Simons levert het beste brood en een nieuwe fiets koopt men bij de 1e Hollandsche rijwielhandel van H. van der Voet in de Watermolenstraat.

Suriname leek in 1917, als we de almanak mogen geloven wel een klein paradijs. Zo weinig mensen in zo’n groot land. Maar een belangrijk deel van de mensen kende grote armoede en leefde onder zeer moeilijke omstandigheden. Met de Vraagbaak van 1917 in de handen krijgen we wel een soort dwarsdoorsnede van de samenleving toen. Daarom zijn deze naslagwerken van grote betekenis voor historici, genealogen en bibliofielen. De almanakken werden doorgaans in Suriname uitgegeven en waren vooral voor binnenlands gebruik. Dit betekende per definitie dat ze in kleine oplagen werden gemaakt. Ze zijn daarom bijzonder zeldzaam en, net als met andere oude boeken geldt, hoe ouder, hoe duurder.

Carl Haarnack

IMG_3934

Beknopte Geschiedenis der Kolonie Suriname voor de meer gevorderde jeugd. Maria Vlier (1862)

Tags

,

Beknopte Geschiedenis der Kolonie Suriname voor de meer gevorderde jeugd. M.L.E. Vlier. Amsterdam: H. de Hoogh, 1862.

Regelmatig krijg ik vragen van mensen die zich willen verdiepen in de geschiedenis van Suriname. Sommigen van hen vinden het belangrijk om een geschiedenisboek te lezen dat níet door een ´bakra´ is geschreven. Als ik hen dan vraag om namen te noemen van  Surinaamse historici, dan blijft het meestal stil. Ze zijn er natuurlijk wel. Bijna niemand kent Maria Vlier (1828-1908), geboren en getogen in Suriname. Zij schreef het eerste geschiedenisboek over Suriname dat in het onderwijs gebruikt werd.

Nieuwe Waag Paramaribo collectie Rijksmuseum

Nieuwe Waag aan de Waterkant te Paramaribo, anoniem, 1829 – 1830 (collectie Rijksmuseum)

Maria Vlier beschrijft de Surinaamse geschiedenis vanaf de eerste Europeanen die proberen vaste voet aan wal te krijgen. Dat was met de Engelse kapitein Marechal die met zestig landgenoten zich vestigden aan de Parakreek om daar tabak te teelen. Dan volgde in het midden van de 17e eeuw de gouverneur van Barbados Lord Willoughby en natuurlijk vanaf 1667, de komst van de Zeeuwen onder leiding van Abraham Crijnssen. Alle gouverneurs passeren de revue en bij elk geeft Vlier wat feitelijke informatie. Zo schrijft zij dat ten tijde van het bewind van gouverneur Hendrik Temming (1722-1728) marrons de aan de Commewijne gelegen plantage Kinderback overvielen. De plantageslaven die niet vrijwillig met hen mee wilden gaan werden omgebracht. Door de toenemende aanvallen van marrons verkeert de kolonie Suriname in gevaar. De overvallen, vooral die in het Cotticagebied, richtten veel schade aan. Het korps Koloniale Guides werd ter verdediging opgericht. Dit korps bestond uit de betrouwbaarste slaven die door het gouvernement van de verschillende plantages voor veel geld werden gekocht. Het is, zo vertelt Vlier ons, te danken aan de zwarte soldaten, de koloniale guides, dat de kolonie in 1772 overeind bleef.

Vlier schrijft over de slechte behandeling van slaven en over de wrede straffen. Veel 19e eeuwse auteurs die iets over Suriname te zeggen hebben spreken over de luiheid en onbetrouwbaarheid van de ´negers´. Ook worden we doorgaans getrakteerd op wankele betogen waarom de slavernij niet opgeheven moet worden. Niets van dit alles bij onze eerste Surinaamse historica. Eindelijk is in 1861 een voorstel gedaan voor de vrijlating van alle slaven schrijft met een nauwelijks onderdrukte geestdrift. Men koestert de hoop dat de afschaffing niet lang meer kan duren. Ze schrijft letterlijk: ‘De godsdienst en de menschelijkheid vorderen het. De noodzakelijkheid gebied het.’

Slaven Rijksmuseum detail

Slaven aan het werk op een plantage (detail), anoniem 1850 (collectie Rijksmuseum)

Maria Louisa Elisabeth Vlier was zelf een kind van een gemanimuteerde slavin. Haar moeder, Anna Elisabeth Heuland (1798- ca. 1887), was zelf een slavin die in 1816 haar vrijheid kreeg. Maar ook haar vader was geen ‘witte Europeaan’. Nicolaas Gerrit Vlier (1801-1852), was een ´kleurling´. Hij was volgens de almanak van 1837 administrateur van de suikerplantages Pieterszorg en Andresgift. Hij behoorde tot de gekleurde elite van Suriname waar Ellen Neslo in 2016 op promoveerde (´Een ongekende elite. De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800/1863’).

In het voorwoord laat Vlier weten waarom ze het boek schrijft: het doet haar pijn, zo schijft ze, dat de schoolkinderen van 14 jaar en ouder in Suriname jaren over de geschiedenis van vreemde volkeren leren maar niets over hun eigen land. Daarom schrijft ze dit geschiedenisboekje. Ze besluit haar boek met de wens dat de kinderen niet alleen hun kennis zullen vermeerderen maar dat daarnaast ook hun vaderlandsliefde zal worden aangewakkerd. Hier spreekt de echte patriot. Het wordt hoog tijd dat we voor Maria Vlier een ereplekje geven in de geschiedschrijving.

Dit boek is uitermate zeldzaam. In Nederlandse bibliotheken vinden we slechts acht exemplaren. De Buku collectie beschikt gelukkig over twee exemplaren. Eén daarvan maakte ooit deel uit van de bibliotheek van H.D. Benjamins (1850-1923), samensteller van de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1917).

Carl Haarnack

Zie ook:

Ellen Neslo. Een ongekende elite: De opkomst van een gekleurde elite in Koloniaal Suriname 1800-1863 (2016)

Steven Hagers over Maria Vlier

IMG_2833

Gegevens over land en volk van Suriname. C. van Coll (1903)

Tags

, ,

Gegevens over land en volk van Suriname. Door C. van Coll, Missionaris in West-Indië. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. KITLV. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1903

De auteur van dit boekje bracht zo’n vijftig jaar van zijn leven in Suriname door. Cornelius van Coll werd in 1842 in het Noord-Brabantse Nuenen geboren. Hij volgde een opleiding aan het Seminarie in Den Bosch. In 1869 trad hij toe tot Congregatie des Allerheiligsten Verlossers (Redemptoristen) te St. Truiden (België). In 1871 werd hij als missionaris naar Paramaribo uitgezonden. Daar werd hij in december 1871 tot priester gewijd. Van Coll was de auteur van Beknopte Geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname die in 1884 verscheen. Dat deed hij op basis van niet gepubliceerde aantekeningen van Adrianus Bossers. Twee jaar later schreef hij Zeden en Gewoonten der Indianen in onze Nederlandsche Kolonie Suriname (1886). Ook verschenen er in kranten en tijdschriften artikelen van zijn hand.

Katholieke Missie

Kaart met katholieke kerken in Suriname. Uit: Beknopte Geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname. Gulpen, 1884.

Van Coll werkte jarenlang onder de Inheemsen en de Marrons in de binnenlanden van Suriname. Dit in 1903 verschenen boek bestaat uit drie delen: ‘Suriname’s oorspronkelijke bewoners, De Boschnegers en Guiana en omwonende Bevolking. De auteur onderscheidt zich al direct van andere auteurs door de term ‘Indianen’ af te wijzen. De inheemsen beschouwen zichzelf helemaal niet als wilden en noemen zichzelf in het Caraïbisch eenvoudig Kalienja of in het Arrowaks Loekoenoe wat zoveel betekent als ‘mensen’. De Europeanen heeten paranokili wat zoveel betekent als ‘mannen van over het water.’

We leren van Van Coll dingen die we in andere publicaties over de oorspronkelijke bewoners van Suriname nauwelijks tegenkomen. Zo schrijft hij dat er onder de ´Indiaansche mannen´ er maar weinigen zijn die het ´Negerengelsch´ niet beheersen. Zij hebben die taal nodig om met de andere bevolkingsgroepen te communiceren maar ook om zich met de ´Indianen´ van andere stammen te onderhouden. De ´indiaanse´ talen verschillen onderling soms zoveel als het Nederlands van het Hebreeuws, stelt de auteur. We lezen verder interessante wederwaardigheden over de dorpen, huizen, huisraad, voeding, kleding en jacht. Er is ook aandacht voor de rol van de ´indiaanse´ vrouw.

Indiaansche kamp in de boven Para

Indiaansche kamp in de Boven Para. Ansichtkaart ca. 1902

Van Coll ondersteunt zijn beweringen door telkens te verwijzen naar literatuur. Auteurs zoals Kappler, Focke, Creveaux en zelfs Bonaparte worden aangehaald. Maar we zijn natuurlijk vooral geïnteresseerd in de daadwerkelijke interactie tussen onze missionaris en de bevolking van Suriname. De auteur verhaalt over een bezoek aan een Arrowakkendorp. Hoe doodeenvoudig deze goede mensen leven. Een 70 jaar oude vrouw zingt dan voor wat door een koor herhaald wordt. Het is 12 oktober 1892, herdenkingsjaar van de ontdekking van Amerika door Columbus. De meeste ‘indianen’ zijn bekeerd tot het Christendom. Zij brachten God dank voor die ontdekking! Hoe zeer wij Van Coll ook dankbaar moeten zijn voor alle informatie die hij voor ons heeft opgetekend, de dankbaarheid van de ‘indiaan’ door de Europeanen ontdekt te zijn is toch een gotspe van de buitencategorie?

Marrons voor 1900 (1)

Marrons in Suriname (ca. 1895)

Over de nazaten van de marrons leren we ook veel informatie uit eerste hand en uit de door Van Coll aangehaalde literatuur. Als het bijvoorbeeld gaat over het bijgeloof dan schroomt hij er niet voor terug om bijna vier pagina’s integraal over te nemen in het Engels uit ‘Sketches of African and Indian Life in Britisch Guiana (1885) van Ignatius Scoles (1834-1896), een Engelse priester die lange tijd in Suriname’s buurland doorbracht. Wij leren bij Van Coll veel over de geschiedenis en het leven van de marrons. Zo beschrijft hij het ‘negerdorp’, het Kamp van Broos. Dit dorp werd gesticht door Tata Koekoedabi, een slaaf van de plantage Rac-a-Rac. Maar wie heeft ooit van hem gehoord? Of van zijn geliefde, Alathia, die van plantage Chatillon gevlucht was en zaairijst meenam? Van Coll verwijst naar de publicatie van Maria Louisa Elisabeth Vlier (1828-1908), die het eerste schoolboek in Suriname schreef (Beknopte geschiedenis der kolonie Suriname, voor de meer gevorderde jeugd. Amsterdam, 1863). Maar dat boek kent bijna niemand meer.

katholieke-kerk-klein

Katholieke kerk in Paramaribo (Benoit, 1830)

Van Coll overleed in 1922 in Paramaribo. De uitvaart vond plaats in de Kathedraal in de Gravenstraat en hij werd op de R.K. begraafplaats begraven. Gegevens over Land en Volk van Suriname is een bijzonder aardig boek. Uiteraard is Van Coll gevormd door zijn katholieke achtergrond maar het is toch opvallend dat hij met respect over de oorspronkelijke bewoners van Suriname en de marrons praat. Voor een 19e eeuwse missionaris heeft hij toch een moderne blik op de mensen die vaak door zijn tijdgenoten als ‘minderwaardig’ en ‘achterlijk’ werden beschreven. Daar komt bij dat hij zich goed had ingelezen en bronnen had geraadpleegd die wij vandaag de dag eigenlijk niet nauwelijks nog kennen. Ook had hij zich het Sranan en de taal van de Karaïben eigen gemaakt. In 1887 liet hij een catechismus in die taal in Nederland drukken. Ook schreef hij artikelen over Suriname in Anthropos, een ethnologisch tijdschrift dat in Wenen werd uitgegeven, in het Frans en Duits. Van Coll schreef in zijn teksten steeds over ‘bij ons in Suriname’. De kranten schreven bij zijn heengaan dat pater Van Coll een ‘waar en oprecht vriend van Suriname’ was en een belangeloos werker ten bate van dit land (De Surinamer : nieuws- en advertentieblad, 20-04-1922).

Carl Haarnack

 

zie ook:

Katholieke missie in Suriname

Rooms-Catholieke missie in Suriname

 

 

 

 

An Impartial Description of Surinam. George Warren (1667)

Tags

, , , ,

An Impartial Description of Surinam Upon the Continent of Guiana America. George Warren. London: Printed by William Godbid for Nathaniel Brooke, 1667.

Er zijn in de Surinaamse boekenkast toch niet veel boeken te vinden die dateren uit de 17e eeuw. An Impartial Description of Surinam van George Warren verscheen in 1667, het jaar van de Vrede van Breda dat het einde van de Tweede Engels-Nederlandse oorlog markeerde. Bij die vrede werd afgesproken dat Nieuw-Amsterdam, het huidige New York, aan de Engelsen werd overgedragen en dat Suriname in Nederlandse handen bleef. Warren was een Engelsman die Suriname bezocht toen het nog in Engelse handen was.


1713 OttensDe auteur een belangrijke ooggetuige uit de beginjaren van Suriname. Hij verbleef naar eigen zeggen drie jaar in de kolonie en vertrouwt zijn ervaringen, niet zonder gevaar voor zijn eigen leven, aan het papier toe. In zijn voorwoord schrijft hij dat de geneugten van warme landen hand in hand gaan met vele gevaren. Suriname is een dapper land met een zeer vruchtbare grond en aardige vrouwen.

Het boek omvat slechts 28 pagina’s en in verdeeld in tien hoofdstukken: over de rivieren; het klimaat en het land in het algemeen; de flora; het fruit; de handelswaar; de plantages; de vogels; de slaven; giftige en gevaarlijke dieren; en over de ‘indianen’. Warren steekt zijn verbazing niet onder stoelen of banken en verhaalt over vreemde dieren en planten. Zo beschrijft hij de ‘camel-fly’ die nadat deze een tijdje heeft geleefd op de grond terecht komt, wortel schiet en in een plant verandert.

Warren titelpagina

titelpagina van 1e druk George Warren´s An Impartial Description of Surinam (1667)

Over de oorspronkelijke inwoners krijgen we een uitgebreide beschrijving voorgeschoteld. Misschien het meest opmerkelijk is de bereiding van een drank genaamd Perrinoe, die Warren omschrijft als , ‘truly good’. Deze ontstaat door cassavebrood zeer zwart te bakken. De oudste vrouwen en jonge kinderen (‘snotty nose Children’) kauwen dit en spugen het vervolgens uit in een kan. Dat laten ze even staan en zeven het brood er uit. Tenslotte worden gekauwde aardappelen toegevoegd en kan het na een aantal dagen gedronken worden.

Warren laat een bijzonder kritisch geluid horen over de behandeling van slaven. Van een goedkeurende of verzachtende toon als het gaat om slavernij, die we aan het eind van de 18e eeuw vaker tegenkomen, is hier geen sprake. Eerder getuigt zijn woordkeuze van cynisme (de slaven krijgen ‘as a great favour’ een beetje verrotte vis). Juist dit hoofdstuk over de slavernij in Suriname, speelt een belangrijke rol in de slechte reputatie die Suriname geniet als het om de behandeling van slaven gaat:

Of the Slaves: “Who are most brought out of Guinea in Africa to those parts, where they are sold like dogs, and no better esteem’d but for their work-sake, which they perform all the week, with the severest usages for the slightest fault, till Saturday afternoon, when they are allowed to dress their own gardens or plantations, having nothing but what they can produce from thence to live upon; unless perhaps once or twice a year, their masters vouchsafe them, as a great favour, a little rotten salt-fish: or if a cow or horse die of itself, they get roastmeat: their lodging is a hard board, and their black skins their covering.”

slave market.jpeg

Warren’s boek is door een groot aantal auteurs geplagieerd. Aphra Behn (Oroonoko, 1688), Adriaan van Berkel (Amerikaansche voyagien, 1695) en vele anderen maakten dankbaar gebruik van zijn beschrijvingen van het land en de oorspronkelijke inwoners. Alleen al daarom verdient hij een bijzonder plekje in de Surinaamse bibliotheek. Helaas weten we over George Warren behalve zijn naam verder eigenlijk niks. Het boek is zeer zeldzaam (net als de Nederlandse vertaling uit 1669; alleen de Duitse vertaling uit 1673 is nóg zeldzamer). Af en toe wordt er een exemplaar geveild maar voor minder dan €1500,-mag u nergens op hopen.

Carl Haarnack

Door Suriname. Reisherinneringen uit ons missiegebied. J. Kronenburg (1897)

Tags

 Door Suriname. Reisherinneringen uit ons missiegebied door J. Kronenburg. Redemptorist. Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1897.

Joannes Antonius Franciscus Kronenburg (Zutphen 1853 – Nijmegen 1940) was een redemptorist. Dat betekent dat hij behoorde tot de katholieke internationale Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris – C.Ss.R.) opgericht in Napels in 1732. Het doel van deze congregatie was de evangelisatie onder de armste en meest hulpbehoevende in de wereld. Kronenburg was niet alleen kloosterling en priester maar ook een schrijver en zelfs lid van Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In 1896 bracht hij een bezoek aan Suriname waarvan dit boekje het verslag vormt.

majelaa

Gerardus Majella Stichting in Paramaribo (ca. 1910)

Na aankomst in Paramaribo werd het verblijf van de leprapatiënten (‘melaatschen’) van de Gerardus Majella Stichting bezocht. Kronenburg noteert: “Een klein meisje van 10 of 11 jaren komt uit haar kamertje, en lacht ons tegen en troont ons mede naar haar tuintje, waar zij haar groeten geplant heeft, en schatert het uit van vreugde, en klapt in de handen, nu wij de fijne bloesems bewonderen. Arm kind, zoo vroeg reeds tot een levenslang lijden veroordeeld; door allen, die haar moesten beminnen, verlaten, maar door christelijke liefde opgenomen, door de christelijke edelmoedigheid voor geheel haar leven verzorgd!”

Daarna vertrok Kronenburg per stoombootje samen met drie andere paters en frater Antonius naar Nickerie. Onderweg werd de lepra-opvang Batavia bezocht. In een brede nis gevormd door zeven palmen, zo schrijft Kronenburg. Daar liggen drie missionarissen die op Batavia gewerkt hebben begraven. Petrus Donders, die gedurende 25 jaren ´melaatschen´ heeft verpleegd, ligt daar begraven. Net als pater J. Bakker. Deze priester kreeg zelf lepra nadat hij zeven jaar op Batavia had doorgebracht. Maar wij worden als moderne lezer natuurlijk echt geprikkeld als onze chroniqueur schrijft dat daar ook een zekere geestelijke begraven ligt die Heininck heet, ´die hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van den haat eens Negers door vergif gevallen is (1850).´ Van de achtergrond van dat verhaal zouden we natuurlijk meer willen weten. *)

nickerie-1835

De reis naar Nickerie wordt voortgezet onder begeleiding van pater Houben en pater Nicasius. Om te gaan preken en de H.H. Sacramenten toe te dienen worden twee indianenkampen bezocht. Via de Coppename kwam de stoombarkas op de Wayombo. Aan weerszijden van de rivier de ´maagdelijke wouden met reuzenbomen van 30 of 40 meter hoog. Onze auteur is duidelijk onder de indruk van de natuurpracht en beschrijft dat haast op poëtische wijze. Het kamp van de Arrowakken is verlaten maar in de verte klinkt muziek. Pater Houben zocht de ‘indianen’ verderop in het bos op en sprak: “Mannen, het gaat niet aan te dansen en te drinken, nu zulk groot een groot gezelschap in het kamp in aangekomen”. Volgens Kronenburg hield de harmonica onmiddellijk op en werd de schaal met sterken drank opgeborgen en ging iedereen in stilte naar zijn hut. Jammer dat we geen beschrijving hebben van hoe onze Arrowakken dit ingrijpen van in zwart habijt geklede mannen beleefd hebben. Het zelfde geldt voor Napoleon, een ‘struische Indiaan van een jaar of dertig’. Napoleon is twee jaar eerder gedoopt maar heeft nog steeds zijn heilige Communie niet gedaan. De pater spoort de kapitein van de ‘indianen’ Cornelis aan om ervoor te zorgen dat Napoleon zijn catechismus leert. Behalve Nickerie werd ook Coronie bezocht en een tochtje gemaakt naar Marianella in het Paragebied.

kronenburg band

Dit mooie boekje van 92 pagina’s is niet bijzonder zeldzaam. Onlangs werd er op een internetveiling een exemplaar voor €65,– geveild. Maar het is een heel aardig ooggetuigenverslag van een Nederlandse katholieke geestelijke die even werd ondergedompeld in Suriname en die, voor hem, vreemde nieuwe wereld.

Carl Haarnack

 

*) Over Batavia schrijft August Kappler: ‘Het is niet alleen het gevaar van zijne gezondheid te verliezen en een offer der melaatschheid te worden, maar vooral het slechte karakter der negers zelve, dat hem het meest bedreigt. In October 1851 werd de priester van het gesticht Batavia, een man die op deze zoo afgezonderde plaats hen onvermoeid en ijverig in hun ligchaams- en zielelijden bijstond, door een dezer ellendigen uit wraak vermoord, omdat hij hem, ten einde dronkenschap voor te komen, eene kruik met dram afgenomen had.’ A. Kappler, Zes jaren in Suriname. Schetsen en tafereelen uit het maatschappelijke en militaire leven in deze kolonie (Utrecht 1854) 60.

 

zie ook:

Wilhelmus Dortants (1855-1906)

Katholieke Missie in Suriname

Een katholieke begrafenis in Suriname

 

 

 

 

 

 

 

De Bibliotheek van Henk Dijs

De Bibliotheek van Henk Dijs, een groot Surinamist.   

In deze rubriek schrijven we doorgaans over oude boeken die met Suriname te maken hebben. Deze keer wil ik graag stilstaan bij een belangrijke Suriname-bibliotheek en één van de meest gepassioneerde Surinamica-verzamelaars: Henk George Dijs (Paramaribo, 13 april 1961 – Amsterdam, 11 december 2018). Henk werkte als informaticus maar zijn echte passie was zijn enorme bibliotheek. Gedurende een periode van meer dan dertig jaar werkte hij aan het bijeenbrengen van een omvangrijke Surinamica-verzameling die bestond uit boeken, prenten, manuscripten, brieven, foto’s en efemera. Zijn huis was een waar pakhuis vol met boeken. Alles zorgvuldig geconserveerd en gedocumenteerd, met bijna militaire precisie.

Henk Dijs ssg

Henk in zijn element, als boekverkoper op de Konmakandra van de St. voor Surinaamse Genealogie (2015)

Al in de jaren ’90 kwamen we elkaar vaak tegen in het centrum van Amsterdam. We zochten beide naar nieuwe aanwinsten voor onze boekcollecties en legden min of meer een vast parcours af: het Antiquariaat van Wout Vuyk op de Singel, even verderop Antiquariaat Brinkman, de boekwinkels in de Spuistraat, de antiquariaten in de Rosmarijnsteeg zoals de Friedesche Molen, om de hoek op de Nieuwezijds de chique winkel van Simon Emmering (niet echt om te kopen, want dat konden we ons niet veroorloven, maar wel om ons te verlekkeren aan al het moois), bij de tweedehands boekhandel De Slegte in de Kalverstraat konden we vaak goede zaken doen, dan (op vrijdag) naar de boekenmarkt op het Spui. Iedere boekhandelaar daar kende Henk. De speurtocht ging verder in de Oudemanhuispoort waar je nog wel eens iets voor weinig kon vinden. De winkel van Putman op Rusland puilde altijd zo uit dat zoeken onbegonnen werk leek maar soms had je geluk en kwam er vanonder een stapel knipsels een 19e eeuws Surinaams drukwerkje tevoorschijn. Een vaste stop was altijd het boekenpaleis van De Kloof op de Kloveniersburgwal, om de hoek was daar Antiquariaat Kok. Vervolgens kon je via de boekwinkels in de Staalstraat doorsteken naar het Waterlooplein. Henk liep deze route vaak talloze malen af.

 

Brinkman

Antiquariaat Brinkman, Singel Amsterdam (foto: Mirjam Schiethart) http://www.photobiblio.nl 

Boekhandelaren hadden het internet toen nog niet ontdekt. Als je wat wilde vinden had je geen keus en moest je wel alle antiquariaten aflopen en de grote boekenmarkten bezoeken. Henk kon met een fonkeling in zijn ogen en een grote glimlach op zijn gezicht je zijn mooie aanwinsten laten zien. Zonder overdrijving kan ik zeggen dat de nieuw verworven trofeeën hem écht gelukkig maakten. Hij wist te vertellen wat er op het gebied van Surinamica bij de boekhandelaren in Amsterdam te vinden was maar ook wat er in  Haarlem, Utrecht, Leiden en Den Haag te krijgen was, ontsnapte niet aan zijn aandacht.

Henk was een actief lid van de Evangelische Broedergemeente in de Amsterdamse Bijlmermeer (‘Wi Eegi Kerki’). Hij was daar ook bijzonder trots op. In de collectie Dijs vond je dan ook bijzondere pareltjes die met de geschiedenis van de Herrnhutters samenhangen zoals een EBG bijbel ‘Dem Tori vo Ouroe Testament so leki wi finni den na ini da Santa Bijbel-boekoe’ (Suriname, 1886). Ook religieuze boeken uit andere geloofsrichtingen werden liefdevol gekoesterd zoals bijvoorbeeld ‘Passie foe Hemel, wan begi boekoe foe den Roomsoe Katholiki Soema’ (Gulpen, 1901). Belangrijke literaire en historische werken uit de Surinaamse bibliotheek ontbraken niet in zijn verzameling. Ik noem bijvoorbeeld Surinaamsche Mengelpoezij van Paul F. Roos (Amsterdam, 1804), Schaduwbeelden uit Suriname door Anna (Amsterdam, 1858), Wolbers’ Geschiedenis van Suriname (Amsterdam, 1861) of Elise, Uit Verre Landen en van Nabij, verhalen voor de jeugd (met daarin het verhaal De Jonge Boschneger. Amsterdam, 1858).

Sranan Bijbel

De collectie Dijs was vooral belangrijk vanwege de kleine kwetsbare papieren werkjes, waarvan de economische waarde misschien niet eens in geld viel uit te drukken, de zeldzaamheid echter des te meer. Bijna alle kasten in zijn huis stond vol met blauwe dozen van zuurvrij karton. Hier in zaten, in zuurvrije omslagen gewikkeld, manuscripten, prenten en drukwerk. Zo bezat hij een gedrukt verslag van een vergadering van de Bond van Surinamers in Nederland (voorloper van de Vereniging Ons Suriname) gehouden in het hotel Americain in Amsterdam in 1923. Maar ook een in de drukkerij van Ebenhäzer gedrukt dubbel vel met de EBG-tekst van Leune Tranga van ene Paul Pastnar. Je kunt geen Surinaams tijdschrift of krant verzinnen, hoe klein de oplage misschien ook was,  Henk bezat ze bijna allemaal: de Godsdienstvriend, Soela, Moetete, Teroenga en nog vele anderen. Kranten uit de tijd van voor de afschaffing van de slavernij behoren tot de topstukken. Van Surinaamse dichters en dichteressen zijn er meer dan tweehonderd bundels te vinden. Een aantal met opdracht en gesigneerd door de auteur (bijv. Edgar Cairo).  Van groot historisch belang is de verzameling 18e eeuwse drukwerken en handschriften; zoals die over plantage Laarwijk en die over plantage St. Eustatius. Daaronder ook een kloek drukwerk uit 1778 over plantage Tout-Lui-Faut en ene Edzart van Burmania van Bakkeveen. Er zijn ook vele bijzondere extracten te vinden uit de Staten Generaal, zoals het verzoek van ‘den vrije Neger Blondin, livrei bediende van Willem van Oldenbarnevelt gen. Tullingh, om met zijn wijf Sabina en hun zoon Cicero niet als slaven geconsidereert te zijn’ (1777). Er waren dozen vol met prenten variërend van Stedman tot Benoit, uit het 19e Leeskabinet en uit Franse tijdschriften. Topstukken uit zijn prentenverzameling zijn de litho’s gemaakt door Theodore Bray (1818-1887), eigenaar van de cacaoplantage Spieringshoek, van het Surinaamse plantageleven.

Deductie Tout lui Faut

Ik ken weinig mensen die zó gedreven waren in het verzamelen van Surinamica als Henk. Hij kende het historisch belang van zijn boeken en prenten als geen ander. Ook door zijn inzet voor de Stichting Surinaamse Genealogie (in het bijzonder het blad Wi Rutu) en Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS) en het tijdschrift Oso, en alle artikelen die hij geschreven heeft,  is hij van grote waarde geweest voor de Surinaamse geschiedkunde. Met zijn kennis en passie voor het verzamelen inspireerde en stimuleerde hij velen. Henk Dijs overleed op 11 december jl. op slechts 57 jarige leeftijd. Een groot Surinamist is niet meer, maar hij leeft voort in zijn boeken.

Carl Haarnack

Tru tru brudu

 

 

 

 

 

 

 

NEDERDUITSCHE ZAMENSPRAKEN (1864)

Tags

,

Nederduitsche Zamenspraken voor de Zendings-scholen in Suriname. Paramaribo, 1864.

Een jaar na afschaffing van de slavernij in 1863 verscheen dit taalboekje: Nederduitsche Zamenspraken voor de Zending-scholen in Suriname. Het werd in Paramaribo gedrukt en is alleen daarom al, vanwege de kleine oplage en de slechte klimatologische omstandigheden, zeldzaam. Er is geen auteursnaam bekend maar, zoals de titel al aangeeft, gemaakt voor het onderwijs op de zendingsscholen van de Evangelische Broedergemeente (Herrnhutters). Het exemplaar uit 1864 was de eerste druk van dit werk. Het bestaat uit slechts 53 pagina’s in klein octavo formaat.

cropped-paramaribo-postkantoor.jpg

In 1889, 1899, 1907 en 1918 verschenen er herdrukken die qua inhoud nauwelijks werden aangepast. De editie van 1899 kreeg een ietwat gewijzigde titel: Neger-Engelsch – Hollandsche samenspraken voor Suriname. In 1891 noemde Hermann Gustav Schneider (1842-1914) in zijn boek Ein Besuch in Paramaribo (uitgeverij R. Roth, Stuttgart 1891) de Nederduitsche Zamenspraken. Ook in de onvolprezen, en voor iedere Surinamica-verzamelaar onmisbare, Bibliographie du Négro-Anglais du Surinam van Jan Voorhoeve en Antoon Donicie (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde/ ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1963) wordt het boek besproken. Veelzeggend is dat de auteurs aangeven dat zij de 1899 editie niet konden vergelijken met eerdere edities. Dit was waarschijnlijk omdat ze toen geen enkele eerdere editie konden vinden.
Het bijzonder vroege boekje voor het taalonderwijs bestaat uit zestig gesprekken in het Sranan Tongo en parallel daaraan de Nederlandse vertalingen. Het is bedoeld om aan Surinaamse kinderen de Nederlandse taal te leren. Maar wellicht ook om buitenlanders iets van het Surinaams bij te brengen. Het kan niet voldoende worden benadrukt hoe groot de rol is die het taalonderwijs heeft gespeeld in het emancipatieproces in Suriname. De Herrnhutters, al sinds 1735 aanwezig in Suriname, waren al in de tweede helft van de 18e eeuw begonnen om de bijbel te vertalen in het Sranan Tongo. In het tweede kwart van de 19e eeuw volgden taalboekjes, woordenboeken en kwam het onderwijs aan slavenkinderen opgang. Lange tijd was het onderwijs aan slaven verboden. Lezen en schrijven werden door het koloniaal bestuurd als mogelijk gevaar voor de stabiliteit van de slavenmaatschappij gezien. Daarom is de elfde les voor mij van groot symbolisch belang:

-San joe wani doe?  

-Mi wani skrifi 

-San joe wani skrifi? 

-Mi sa skrifi wan brifi gi mi papa.

De conversaties vertellen ons indirect ook iets over het leven rond 1864. Zinnen zoals:

– Joe deki tafra kaba? Njanjam klari? / Ja, Missi! Njanjam klari kaba.

De slavernij was weliswaar net afgeschaft maar armoede en de sociale verhoudingen veranderden natuurlijk niet van de ene op de andere dag.

-Na Masra mi kom. Mi wani begi Masra wansani. Mi kom vo begi Masra, tangi tangi, efi Masra no wani joeroe mi.

bediende_1912

Bediende in Paramaribo, ca. 1907

Zoals gezegd is dit kleine boekje bijzonder zeldzaam. We vinden slechts op een paar plekken ter wereld enkele exemplaren, in De bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, Yale University en in de Sächsische Landesbibliothek – Staats- und Universitätsbibliothek in Dresden. De Buku Bibliotheca Surinamica collectie is de gelukkige bezitter van een exemplaar uit 1864 en van latere drukken. Je zou verwachten dat er ergens in Suriname, in particuliere collecties of misschien in het Surinaams Museum, zich nog exemplaren bevinden. Wij horen graag van onze lezers zodat we deze exemplaren in kaart kunnen brengen. Opmerkelijk is het dat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag geen exemplaar in haar collectie heeft. En als de KB het niet heeft dan weten we zeker dat het bijzonder zeldzaam is. Dat brengt maakt ook direct pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar het papieren culturele erfgoed van Suriname is. Veel is reeds verloren en wat er nog over is moeten we voor de generaties die na ons volgen zeer zorgvuldig bewaren.

Carl Haarnack

Zamenspraken titelpagina

Titelblad 

Tagebuch meiner Reise. M. Hufnagel (1822)

Tags

, , , ,

Tagebuch meiner Reise von Heidelberg über Kiel, Koppenhagen, nach Schweden, England und Westindien, so wie in das Innere des holländischen Guyana, und von da zurück nach Paramaribo. In den Jahren 1812 bis 1821. Michael Hufnagel. Ansbach, W.G. Gassert, 1822.

Regelmatige lezers van deze rubriek weten dat ik een zekere voorliefde heb voor Duitse auteurs die zich met Suriname hebben beziggehouden. Eén van de redenen daarvoor is dat deze teksten in Suriname of Nederland vaak onbekend zijn. Nog belangrijker is dat de meeste Duitse schrijvers niet of nauwelijks last hadden van de ‘censuur’ die in Nederland en Suriname vaak gevoeld werd. De meeste Duitsers die in Suriname geleefd hebben schreven namelijk vaak pas ná terugkeer in hun moederland hun memoires. Zo ook Michael Hufnagel die in 1812 zijn geboortedorp Möckenau (vlakbij Ansbach in Beieren) verliet om via Denemarken, Zweden en Engeland naar Suriname te reizen. Möckenau mag eigenlijk niet eens een dorp genoemd worden. Het bestaat eigenlijk (nog steeds) uit een paar boerenhoeves (er woont nu nog iemand die ook Hufnagel heet!). Hufnagel, zoon van een arme boer, werd missionaris.

moeckenau_ansicht

Gruss aus Moekenau, ansichtkaart (collectie Buku BS)

In een advertentie in een Duits tijdschrift in 1822 lezen we hoe Hufnagel zijn te verschijnen boek aanprijst: “Door interessante gebeurtenissen en waarheidsgetrouwe weergave van de merkwaardige natuur ter zee en op land, hoop ik mijn lezers in dit werk aangenaam en nuttig te onderhouden”.

Het boekje leest ook vlot weg en auteur geeft ook een aardig beeld van de ontberingen die met zo’n reis gepaard gaan. Steeds is er de angst voor Engelse oorlogsschepen en voor de woeste zeeën. Maar het overgrote deel van het boekje is gewijd aan Suriname. Hij geeft de lezers veel informatie over de inwoners, hun gebruiken, de taal, flora en fauna, het klimaat en de koffie- en suikerplantages. Ook gaat hij uitvoerig in op de oorspronkelijke inwoners van Suriname (vooral de Arrowakken) en de uit Afrika overgebrachte slaven.

Maria Sibylla Merian, Flamingo

Rode flamingo. Maria Sibylla Merian (1705)

Zijn bewondering steekt hij niet onder stoelen of banken. Aan beide zijden van de rivier, zo schrijft hij, zijn vele suiker- en koffieplantages te zien. Hij ziet ook citroenbomen, tamarinde- en ‘kokosbomen’, duizenden papegaaien en rode flamingo’s. In de stad beschrijft hij de houten kerk met een ronde koepel, gemaakt van bruinhart, die negen jaar eerder gebouwd is. In de kerk een grafzerk voor gouverneur Bentinck. Deze hervormde kerk brandde in 1821 af en stond op dezelfde plek waar de Hervormde Kerk zich nu bevindt. Er zijn slechts een paar afbeeldingen van deze ‘koepelkerk’.

Als het gaat om de beschrijving van de slavenbevolking wordt duidelijk dat Hufnagel niet zomaar een ooggetuige is maar een heel bijzondere. Als missionaris kiest hij toch een andere invalshoek dan bijvoorbeeld een plantagedirecteur of iemand die deel uit maakte van de koloniale elite. Hoewel niet duidelijk is of hijzelf een Herrnhutter is schrijft hij uitvoerig over de missie van de Moravische Broeders. Hij stelt dat God een eeuwige vriend is van het ‘morele goede’. En dat staat op gespannen voet met de behandeling van de slaven. Indirect bekritiseert hij de slechte behandeling die zij ondervinden: “Die Sclaven werden von gütigen Herren gelind, von unbarmhezigen oft wie Thiere behandelt; denn wie jede böse Einrichtung, so musste auch dieses nothwendig sich selbst strafen” (De slaven worden goed behandeld door welwillende meesters, door onbarmhartige meesters worden ze als beesten behandeld. Maar zoals met ieder slecht systeem zal dit uiteindelijk afgestraft worden).

Slaven en straf

Litho uit Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet – Wolter Robert baron van Hoëvell, 1854 (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

Wat het reisverslag van de missionaris uit Möckenau helemaal aardig maakt is dat Hufnagel de grootste 19e eeuwse Surinaamse kunstenaar Gerrit Schouten in Paramaribo heeft ontmoet. We kennen bij mijn weten nauwelijks publicaties van reizigers die schrijven over Schouten. Hij schrijft dat Schouten een zeer kunstzinnige boom heeft vervaardigd met 125 van de meest merkwaardige Surinaamse vogels. Hufnagel schrijft dat hij zal proberen dit kunstwerk voor het museum in München aan te schaffen. Of dat ooit ook daadwerkelijk gebeurd is weet ik niet. Het lijkt me toch zeker de moeite waard eens in de kelder en archieven van dat museum rond te gaan snuffelen.

Schouten diorama Zeezigt

Diorama van plantage Zeezigt, Suriname, door Gerrit Schouten (collectie Rijksmuseum)

Hunagel werkte na terugkeer in Duitsland als tolk/vertaler Nederlands en Engels in München. Hij overleed daar later op 54 jarige leeftijd. Dit in, vele opzichten bijzondere boek van Hufnagel, is zeer zeldzaam. Van de acht exemplaren die ik kon traceren bevonden zich er zes in Duitsland (o.a. de universiteitsbibliotheek van München en Staatsbiblioteek in Berlijn). De andere in de Deense Nationale Bibliotheek en in de universiteitsbibliotheek van Bern. In Nederlandse bibliotheken kon ik geen exemplaren vinden, buiten het exemplaar dat zich in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie bevindt. Voor de bibliofiele verzamelaars met smaak (én een gevulde beurs): er is één antiquariaat in Stockholm dat een exemplaar aanbiedt voor €600,–.

Carl Haarnack

 

hufnagel_titelblad

Titelblad boek van Michael Hufnagel (collectie Buku Bibliotheca Surinamica)