Amsterdamse uitgevers en de Surinaamse Bibliotheek

Tags

, , , ,

Een wandeling door Amsterdam en door de Surinaamse boekenkast

Wie een wandeling door Amsterdam maakt en goed om zich heen kijkt ziet dat Suriname altijd dichtbij is. Kijk maar naar de gevels van de  grachtenpanden of de gebouwen van de West-Indische Compagnie.

Oudezijds Voorburgwal 187

Maar er ligt natuurlijk ook een minder tastbare geschiedenis die de banden met de voormalige kolonie Suriname duidelijk maken. Het is opvallend dat op slechts één vierkante kilometer in het centrum van Amsterdam de voetsporen liggen van de uitgevers van de belangrijkste werken uit de Surinaamse bibliotheek die in Nederland zijn uitgegeven.  Deze uitgevers en de Surinaamse boekenkast staan in dit stuk centraal.

Aan het eind van de 18e eeuw telde de kolonie zo’n 50.000 inwoners waarvan er slechts 3000 tot de blanke Europese bevolking konden worden gerekend. Over de Europese bevolking van de kolonie werden in de regel weinig postieve verhalen verteld. Ze zou bestaan uit de grootste zuiplappen en de verachtelijkste wezens. Natuurlijk waren veel werklieden en soldaten in Europa geronseld uit arme, ongeletterde groepen. Een groot deel was naar de kolonie gekomen om galg en rad te ontlopen; mensen die hun schulden niet meer konden terugbetalen,  dieven, verkrachters en moordenaars. Daarnaast werd reeds in die tijd het immorele gedrag van de blanken scherp bekritiseerd (dominee J.G. Kals – 1733); behalve dat de kolonisten de negers mishandelen geven de kolonisten zich over aan dronkenschap en aan de zonde van “Hoerereije ende egtbreuk” met negerinnen en indiaanse vrouwen. Hij noemde de wijze waarop blanken mannen negermeisjes uitzoeken op de slavenmarkt, stuitend.

Dat beeld komt sterk overeen met dat wat in de andere West-Indische koloniale samenlevingen bestond. Zo werd er gezegd dat de Caraibische samenleving ongelooflijk materialistisch en geestelijk zeer leeg was.  Het vinden van een geletterd mens in Suriname was als het zoeken naar een speld in een hooiberg. Het klimaat in Suriname werd gekenmerkt door de ‚animus revertendi‘, het verlangen zo snel mogelijk, uiteraard vermogend, naar Nederland terug te keren. Opvallend vaak wordt het lage intellectuele niveau genoemd. Materialisme voerde in de kolonie de boventoon

Aan de andere kant kan daar tegenin gebracht worden dat onder de koloniale elite, de plantage-eigenaren, de bestuurders van de Kolonie er ook mensen waren metprive-bibliotheken Vooral in de 19e eeuw moet het boekenbezit sterk zijn toegenomen (Kempen: 171). Toen Gouverneur de Friderici (1751-1812) overleed  werd een grote collectie van ‘Engelsche, Fransche, Hoog- en Nederduitsche Boeken’ geveild. Maar ook van andere vooraanstaande kolonisten werden bij het veilen van hun boedel naast trekpaarden en slaven ook boeken geveild.

Wylen de Heer Gouverneur Texier, de Heer Wichers, de Heer Lieutenant Kollonel Fredrici, de Geneesmeester van Wiert, Wylen de Heer Meinertshagen, de Geneesmeester Schilling, wylen de Heer van Dam, en verscheiden andere liefhebbers, zo Christenen als Jooden, deeden in Suriname eene Bibliotheek oprechten, die zo groot en wel voorzien is van werken over allerhande soort van onderwerpen, dat ze voor geene in gansch Amerika behoeft te wyken, en verscheiden groote Bibliotheeken van Europa evenaart (Nassy: 1974, 69).

Om een beeld te krijgen welke boeken er in Suriname voorhanden waren kunnen we een kijkje nemen in de Catalogus der Surinaamsche Koloniale Bibliotheek (1862). Deze Catalogus verscheen in ´s-Gravenhage bij Martinus Nijhoff. We krijgen zo een beeld van welke boeken er in Paramaribo beschikbaar waren. Het gaat hierbij niet alleen om boeken over Suriname. We vinden hier ook een heuse sectie Bibliotheekwetenschap waarin titels als Katechismus der Bibliotheklehre- Anleitung zur Einrichtung und Verwaltung von Bibliotheken, van J. Petzholdt (1856).

Een van de oudste en m.i. belangrijkste titels uit de Surinaamse bibliotheek wordt hier natuurlijk ook in vermeld.

Een onpartydige Beschrijvinge van Surinam, gelegen op het vaste Landt van Guiana in Africa. Mitsgaders een Verhael van alle vreemde Beesten, Vogels, Visschen, Slangen ende Wormen. Gelijck mede van de Gewoonheden ende Manieren van dese Colonie.

George Warren, een Engelsman, bezocht Suriname toen de kolonie nog in handen van de Engelsen was. In het jaar waarin de Vrede van Breda werd gesloten, 1667, en Suriname geruild werd tegen New York verscheen zijn boek. Dit boek was oorspronkelijk in het Engels geschreven door George Warren (An impartial description of Surinam)  en verscheen in 1667, twee jaar later verscheen in 1669 de  in Amsterdam bij Pieter Arentsz., boekverkoper inde Beursstraat/ in de drie Rapen De Beursstraat is wat nu het Rokin heet.

Warren geeft ons, als ooggetuige, een beschrijving van de onmenselijke omstandigheden waaronder de slaven moeten leven. Een zekere empathie kan hem niet ontzegd worden. Warren schrijft:  De slaven worden als honden verkocht. Ze moeten de hele week werken tot zaterdagmiddag. Dan mogen ze op hun kostgrondjes werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Eén of twee keer per jaar krijgen ze wat geroosterd vlees als een koe of paard is doodgegaan. Of misschien een stuk verrotte vis. Zo’n miserabel leven drijft sommige slaven er toe te ontsnappen om hun vrijheid te zoeken. En als ze gevaar lopen te worden gevonden slaan zij soms de hand aan zichzelf. Want als ze weer in de macht van hun meesters  komen worden ze aan verschrikkelijke martelingen blootgesteld als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen. Warrens boek is belangrijk omdat het een vroeg beeld geeft van de situatie in de kolonie Suriname. En Warren heeft een flink aantal schrijvers na hem geinspireerd, om het zacht uit te drukken. Velen hebben het werk van Warren geplagieerd.

Niet zo ver hier vandaan, aan het eind van de O.Z. Achterburgwal, tegenover het Oude Heeren Logement, bevond zich boekverkoper Johan ten Hoorn. Hier verscheen in 1695;

Amerikaansche Voyagien, Behelzende een Reis na Rio de Berbice, Amsterdam, Johan ten Hoorn, 1695 ( first edition).  Adriaan van Berkel. “Gelegen op het vaste Land van Guiana, aande Wilde-kust van America, Mitsgaders een andere na de Colonie van Suriname, Gelegen in hetNoorder Deel van het gemelde Landschap Guiana”.  Adriaan van Berkel was een Nederlandse ontdekkingsreiziger. Hij reisde in de tweede helft van de Gouden Eeuw naar de Nieuwe Wereld. Zo leefde hij een aantal jaren onder de Arrowak indianen aan de rivier de Berbice. Van Berkel bleef bijna tien jaar in Suriname. Het eerste deel van zijn boek is gewijd aan het verblijf in Berbice, Demerara en Essequibo. Hij beschrijft de zeden en gewoonten van de indianen, zoals de Arrowakken, Warau en Caraïben.

Het tweede deel van zijn boek is gewijd aan Suriname. Opmerkelijk is dat zijn beschrijving van de rivieren, de flora en de fauna maar ook de behandeling van de slaven onbeschaamd overgenomen is uit George Warrens An impartial description of Surinam (1667). Alleen het eerste stuk over zijn reis naar Suriname en het laatste stuk komt waarschijnlijk uit de pen van Van Berkel. Hij beschrijft daarin de moord op de gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck in 1688. Kort daarop verlaat Van Berkel Suriname en zet hij in augustus 1689 voet aan wal in Middelburg (Zeeland). We zullen wel nooit weten waarom hij plagiaat pleegde en het werk van Warren klakkeloos overschreef. In elk geval zijn de beschrijvingen van zijn eigen hand zeer de moeite waard. Het boek behoort tot de zeldzaamste werken uit de Surinaamse bibliotheek.

Het waarschijnlijk meest kostbare boek uit de Surinaamse bibliotheek verscheen in 1705 bij Gerard Valk : Maria Sibylla Merian: Metamorphosis insectorum Surinamensium, Amsterdam. Valk was gevestigd op de Dam in De Wakende Hond. Deze bevond zich op de hoek van Beurssteeg en de Dam.

In 1699, op 53jarige leeftijd reisde Maria Sibylla in gezelschap van haar jongste dochter naar Suriname om daar in het regenwoud insecten te bestuderen. Ze keerde na twee jaar doodziek terug, maar mét honderden tekeningen en opgezette vlinders, hagedissen, slangen en leguanen. Het leverde de basis op voor het boek Metamorphosis Insectorum Surinamensis, Ofte Verandering der Surinaamse Insecten dat ze in 1705 in het Latijn en Nederlands uitgaf en dat haar wereldberoemd maakte. In dit prachtige boek (het mooiste en kostbaarste uit de Bibliotheca Surinamica ) liet zij afbeeldingen zien van planten en dieren die men in Europa nog nooit onder ogen had gekregen; bananen, cashew, pepers, markusa, vlinders en reptielen.

Merian wordt gezien als de belangrijkste en meest invloedrijke 17e eeuwse natuurhistorische tekenaar. Zonder twijfel is Merian ook de eerste kunstenaar die Suriname in cultureel opzicht op de wereldkaart heeft gezet. Vooraanstaande musea als het Rijksmuseum in Amsterdam, het Teylers in Haarlem maar ook het  British Museum in Londen bezitten kostbare werken van haar hand. Daarnaast heeft bijvoorbeeld de Engelse koningin Elizabeth II  in haar Royal Library op Windsor Castle een grote collectie Merian. Maar ook de Russische tsaar Peter de Grote kocht in 1717 een verzameling aquarellen op perkament en kopergravures ter waarde van drieduizend gulden. Merian woonde in de Kerkstraat in Amsterdam, tussen de Spiegelstraat en de Leidsestraat. Merian overleed in 1717 in Amsterdam waar zij in totaal zo’n 25 jaar had gewoond.

Als we het Rokin oversteken over het Spui lopen en dat steegje tussen Cafe de Zwart en Cafe Hoppe in lopen, over het Singel, dan komen we ergens op de hoek van de Herengracht op de plek waar in 1762 de ‘Boek- en Papierverkooper’  Theodorus Crajenschot gevestigd was, in den Berg Sinaï. Crajenschot was ook uitgever van Korte en Zakelyke Beschryvinge van de Colonie van Zuriname. Waar te vinden is Een omstandig Berigt van de gelegenmheid deezer Volkplantinge; derzelver Rivieren, Kreeken, Forten, Been, Plantagien, Water-Werken en Houtzageryen; opgemaakt volgens de nieuwste Land-Kaarten. Mitsgaders … Door de Heer Thomas Pistorius, lit van de Edele Achtbaare Raad van Policie en Crimineele Justitie op de Colonie van Zuriname (1763).

Pistorius beschrijft het leven in Suriname zoals hij dat waarnam en geeft ons een beeld van het leven op de plantages, de slaven en de flora en fauna. Ook geeft hij een gedetailleerd verslag van de moord op gouverneur Van Sommelsdijck. Ook is dit een belangrijk boek omdat we hier  voor het eerst bastiaan zien. Hij maakt met zijn zweep een slag in de lucht. Voor het eerst zien we een afbeelding waaruit blijkt dat er onvrije arbeid plaatsvindt.

Philip Fermin (1730-1813) was een belangrijke veelschrijver over het leven in Suriname in de tweede helft van de 18e eeuw. Fermin was geneesheer, tevens natuuronderzoeker. Hij woonde acht jaar in Suriname. In 1785 verscheen bij Jan Roos en Zoon, boekhandelaars te Amsterdam, een tweede druk van de Nieuwe algemeene beschryving van de colonie van Suriname. Behelzende al het merkwaardige van dezelve, met betrekking tot de historie, aardryks- en natuurkunde.

Jan Roos was gevestigd in de Hartenstraat (een van de 9 straatjes ; tussen de Herengracht en Keizersgracht). Eerder was in 1770 in Harlingen bij V.(Volkert) van der Plaats Junior de eerste druk verschenen. Lang daarvoor verscheen van dezelfde auteur Histoire naturelle de la Hollande Equinoxiale ou description des animaux, plantes, fruits, et autres curiosite’s naturelles, qui se trouvent dans la Colonie de Surinam. Dit boek verscheen bij M. (Martinus) Magerus in Amsterdam in 1765. In dit even curieuze als zeldzame boekje beschrijft Fermin de dieren en planten uit de kolonie. Op de frontispiece zien we o.a. wilde paarden en struisvogels. Magerus was gevestigd in de de Stilsteeg, wat nu de Paleisstraat is.

Het straatje tussen de Paleisstraat en de Hartenstraat heet de Gasthuismolensteeg. Op die plek was rond 1770 de boekverkoper  Gerrit Tielenburg gevestigd. Deze gaf in dat jaar uit Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust, in Zuid-America, Betreffende de Aardrykskunde en Historie des Lands, de Zeeden en Gewoontes der Inwooners, de Dieren, Vogels, Visschen, Boomen en Gewassen, als mede de eerste Ontdekking dier Kust, de Bezittingen der Spanjaarden, Franschen en Portugeezen en voornaamelyk de Volkplantingen der Nederlanderen, als Essequebo, Demerary, Berbice, Suriname, en derzelver Rivieren (…). Waarby komt eene Verhandeling over den Aart en de Gewoontes der Neger-Slaaven.Amst., G. Tielenburg, 1770.

Dit boek werd lang beschouwd als het beste boek ooit dat over de Guiana’s geschreven werd. Hartsinck’s vader was directeur van de West-Indische Compagnie. Hij is nooit in Suriname geweest maar had toegang tot documenten van de West-Indische Compagnie (WIC) die nu allang verloren zijn gegaan. Uitgebreid beschrijft Hartsinck de geschiedenis en de geografie van Suriname en haar buurlanden.

Eén van de belangrijkste chroniqueurs van de 18e eeuwse plantage-samenleving in Suriname was John Gabriël Stedman (1744-1797). Stedman was een zoon van een Schotse militair en een Nederlandse moeder. Hij nam dienst in het regiment van kolonel Fourgeoud dat door de Staten-Generaal naar Suriname werd gestuurd om de aanvallen van weggelopen slaven op de plantages, de kop in te drukken. Vijf jaren, van 1772 tot 1777, verbleef Stedman in de Nederlandse kolonie. Gedurende zijn verblijf hield hij nauwkeurig een dagboek bij. Dit dagboek vormt de basis van zijn in 1796 verschenen boek: “Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam, in Guiana, on the wild coast of South America; from the year 1772, to 1777: elucidating the history of that country, and describing its productions”[....] London: J. Johnson & J. Edwards, 1796.

Dankzij zijn dagboek weten wij veel over het alledaagse leven in 18e eeuws Suriname. Zonder twijfel is ‘de Narrative’ het belangrijkste verslag van de plantagesamenleving in de nieuwe wereld. We leren over de manier waarop de kolonisten met elkaar omgingen en hoe slaven behandeld werden. Dit boek heeft samen met o.a. Candide van Voltaire er voor gezorgd dat het idee ontstond dat de behandeling van slaven in Suriname onmenselijker was dan die in omringende landen. In Stedman lezen we en zien voor het eerst hoe gruwelijk de straffen waren die slaven soms ten deel vielen.

Het boek sloeg in Europa in als een bom. Niet eerder werd door een ooggetuige op zo’n levendige en soms schokkende wijze het leven in Suriname beschreven. Het boek bevatte ook 80 prenten (o.a. door de beroemde William Blake). Er verschenen vertalingen in het Frans, Duits, Nederlands, Italiaans, Zweeds. Het boek werd vele malen herdrukt en bewerkt tot toneelstuk of roman. Stedmans ooggetuigenverslag is vooral een succes geworden door zijn relatie met de slavin Joanna.

In 1799 verscheen de eerste Nederlandse vertaling van de eerste Engelse editie in Amsterdam bij Johannes Allart (1754 Windesheim–1816 Den Haag) : Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana; / door den capitain John Gabriël Stedman. ; met plaaten en kaarten. ; naar het Engelsch. John Gabriel Stedman (1744-1797). Amsterdam: Johannes Allart, 1799-1800.

Allart was rond 1800 een van de grootste en voornaamste uitgevers in Nederland. Hij was gevestigd op den Nieuwe Dyk byden Dam. In 1773 werd hij lid van het boekverkopersgilde te Amsterdam. Hij heeft naar verluidt een grote invloed gehad op tijd genoten en op zijn vak.

Ook in 1799 verscheen in Leiden Reize in de binnenlanden van Suriname. John Gabriël Stedman. Leyden : A. en J. Honkoop, 1799. Deze editie was vertaald uit de Duitse vertaling van Stedman. Uiteraard leidde dit tot ruzie tussen de Allert en de gebroeders Honkoops. Er was natuurlijke een enorme gretigheid om boeken uit te geven over zo’n onbekende nieuwe wereld. Indianen, negers, onbekende planten en dieren. Het boek van Stedman werd een enorm succes in heel Europa. Voor het kreeg men in Europa over de gruwelen van de slavernij in te lezen en te zien. En hierbij ging het niet alleen om een bastiaan en zweep zoals bij Pistorius.

Politiek Gevoelige Boeken : slavernij & emancipatie

Maar het uitgeven van boeken was niet altijd zonder gevaar. Vooral als het om politiek gevoelige onderwerpen ging. Voor de Surinaamse bibliotheek waren er natuurlijk verschillende gevoelige onderwerpen. Zo was Stedman zeer ontstemd toen hij voor het eerst zag wat de uitgever met zijn oorspronkelijk manuscript had gedaan. In een brief naar de broer van zijn Engelse vrouw schreef Stedman : « My book was printed full of lies and nonsens, without my knowledge…. I burnt two thousand vols and made them print it over again…. » De uitgever van de eerste Engelse editie Johnson had, buiten medeweten van Stedman, William Thompson (1746-1817) ingehuurd om de tekst te editen. Thompson was een afgestudeerd theoloog die zich had ontwikkeld tot een ‘man of letters’. Regel voor regel werd het manuscript herschreven. Van de zomer van 1795 tot begin 1796 was Stedman in onderhandeling met zijn uitgever over de tekst die hij in 1790 had ingeleverd en het uiteindelijke product van Thompson. Vanwege geldzorgen en gezondheidsproblemen stemde hij in met een ongelukkig compromis (Price : LV)

Afgezien van de vele stylistische aanpassingen waren er opvallende verschillen tussen Stedman’s oorspronkelijke manuscript en de uiteindelijke eerste editie uit 1796 waarop alle vertalingen gebaseerd waren. Vooral politiek gevoelige zaken zoals de kritiek die Stedman had op zijn meerderen in de krijgsdienst. Ook werden verschillende passages waarin ‘overgrown widows’ uit jaloezie hun slavinnen mishandelden verwijderd. Vooral de passages waarin de sexuele relaties tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen waren beschreven, werden systematisch aangepakt. Zowel de frequency en de importantie van dergelijke relaties werden afgezwakt. In het manuscript schrijft hij over een overnachting bij Mr. Lolkens : « I f—ck one of his negro maids. » Dat wordt iets van:  ‘the rest of the adventure can afford little entertainment to the reader. »

Ook de diepe emotionele band met zijn geliefde Joanna werd systematisch afgezwakt en werden passages herschreven om de ongelijkheid van de posities die zij in de samenleving bekleden te benadrukken (Price LX). Stedmans visie op slavernij, de slavenhandel, sociale rechtvaardigheid en religieuze kwesties werden constant veranderd. Stedman was geen abolitionist maar bekritiseerde de onmenselijke behandeling van slaven en had in zekere opzicht liberale opvattingen. In de uiteindelijke 1796 editie werd systematisch een poging gedaan om er een soort van pro-slavernij ideologisch boek van te maken. Alle cultuur relativerende passages waarin de gemeenschappelijke humaniteit tussen Afrikanen en Europeanen werden aangepast. Ondanks dit alles heeft het verhaal van Stedman toch een behoorlijke rol gespeeld in de abolotionistische beweging. Daarom was zijn boek in Suriname niet geliefd.

Eduard Beyer, winkelier te Paramaribo, is een boekenvriend. Hij is de auteur van Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand. Door eenen inwoner aldaar. Amsterdam : C.G. Sulpke, 1823. Sulpke was gevestigd in de Kalverstraat bij de Enge Kapelsteeg no. 192 (tussen Rokin en Kalverstraat). In 1816 woonde Eduard Beyer (Beijer)  in Amsterdam. In 1817 heeft hij blijkens Gouvernementsresolutie 6313 een admissie-paspoort gekregen om Suriname te betreden. Kort daarvoor had hij tezamen met de Nederlander Abraham Vinkeles de eerste Nederlandse steendrukkerij opgericht in 1816. Vinkeles was de zoon van de bekende graveur en tekenaar Reinier Vinkeles. Zij drukten muziek, prenten en handelsdrukwerk. In 1817 werd de zaak overgenomen door de boekhandelaar en uitgever C.G. Sulpke. Logisch dat Beyers boek ook bij Sulpke verscheen. Mogelijk verkeerde het bedrijf in financiële problemen en had Beyer schulden. Dit kan een motief zijn geweest de wijk te nemen naar Paramaribo. In de Surinaamse almanak van 1828 staat dat hij winkelier was te Paramaribo.

Hij begint hij met een uiteenzetting over welke boeken je zou moeten lezen als je iets over de geschiedenis van Suriname of het reilen en zeilen zou willen weten. Hij noemt Hartsinck, Fermin en Blom. Van Stedman heeft hij geen hoge pet op. Hij noemt Stedmans Reize naar Suirname (1796) niet meer dan ‘een hutspot zijner liefdesgeschiedenis, krijgsavonturen en twisten met zijn kolonel Fourgeoud.’ Het meeste daarvan is schromelijk overdreven en een deel onwaar, zo stelt Beyer. Het is trouwens interessant om de vraag te stellen waarom Beyers boek in de Nederlandse vertaling, in hetzelfde jaar,  wordt uitgegeven zonder vermelding van de auteursnaam terwijl de Duitse versie wel naam en toenaam vermeld (Beyträge zur Kenntniss der gegenwärtigen Zustandes der Colonie Surinam. Von Eduard Beyer. Nürnberg : Johann Leonhard Schrag, 1823).

Er zijn natuurlijk veel boeken die invloed hebben gehad op politieke ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de Emancipatie, de afschaffing van de slavernij in 1863. In 1796, hetzelfde jaar waarin Stedman voor het eerst in Engeland verscheen, werd De negers van de in Duitsland enorm populaire August von Kotzebue uitgebracht.

De Nederlandse vertaling van Die Negersklaven verscheen in 1796 bij Joannes Roelof Poster te Amsteldam (sic) (gevestigd bezijden de Beurs). Dit werk, vertaald door P.G. Witsen Geysbeek, gaat over een hardvochtige planter ten tonele die wordt afgezet tegen zijn goede broer. Kotzebue heeft zich gebaseerd op werk van Franse filosofen. In het voorwoord staat : « De schrijver schaamt zich niet te bekennen, dat hij, gedurende hij dit toneelspel schreef, duizend traanen vergoten heeft. Wanneer de traanen des aanschouwers zich met de zynen vermengen, dan is zijn moeite beloond. » Het is een aanklacht tegen de slavernij en niemand kan volgens Kotzebue door geboorte een slaaf zijn. Dit toneelstuk is dan ook nooit opgevoerd in Suriname. Ook vinden we het niet in de Catalogus der Surinaamsche Bibliotheek.

Er zijn ook in Nederland talloze toneelstukken maar ook romans en gedichten die kritisch stonden t.o.v. slavernij of de uitwassen daarvan. Een aantal voorbeelden:

Hassar of de negers van Edmond Willem van Dam van Isselt (1796-1860), verscheen in 1829 bij D.R. van Wermeskerken te Tiel. Dit gaat over de tragische geschiedenis van de prins Hassar die edelmoedig en opstandig is maar uiteindelijk gedood wordt door kogel uit een plantersgeweer.

Van Dam van Isselt was abolitionist en vond dat de negers wel degelijk open staan voor het christendom. Hoewel het verhaal in Jamaica wordt gesitueerd wilde de auteur wel degelijk met zijn gedicht aandacht vragen voor de slavenmisstanden in Suriname. In de ‘Aanteekeningen’ achterin waarin hij verwijst naar de afschuwelijke toestanden in Suriname.

Anna, Schaduwbeelden uit Suriname. Gebroeders Binger, Amsterdam 1858. Anna Adriana Everdina Henrietta AMPT (Nijmegen 1832 – Nijmegen 1885)  was geboren in Nijmegen. In 1858 verscheen haar gedicht  Schaduwbeelden uit Suriname. Zij was geinspireerd door Wolter Robert van Hoëvell, een abolitionist die zijn beroemde werk Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet, in 1855 bij Joh. Noman en Zoon (Zaltbommel) publiceerde.

In 1813 verscheen De geschiedenis van Simon Blaauwkool. C.G. Salzmann. Amsterdam: Johannes van der Hey, 1813. Van der Hey was boekverkooper op het ‘Rokkin’, by de beurs. Het boek werd gedrukt bij H. van Munster & zoon, op de Nieuwezijds Achterburgwal, no. 350.  Christian Gotthilf Salzmann (1744-1811) was een bekende Duitse pedagoog die veel opvoedkundige werken en romans op zijn naam heeft staan.

De geschiedenis van Simon Blaauwkool is één van zijn minder bekende romans. Maar daarom niet minder belangrijk. De Duitser Simon komt min of meer toevallig in Suriname terecht. Omdat hij groot en sterk is én omdat hij kan lezen en schrijven wordt hij door de plantage-eigenaar Jessen aangenomen als blankofficier. Op de plantage worden de slaven slecht behandeld. “Het zijn honden en kunnen alleen met de zweep beteugeld worden”, zegt Jessen. Simon Blaauwkool heeft hier hele andere gedachten over. Hij behandelt ze met respect en geeft ze af en toe een ‘mutsje rum’ en laat ze ook de ruimte op hun eigen kostgrondje te werken. De slaven dragen hem op handen en werken veel harder dan bij de andere opzichters. Dat zet natuurlijk kwaad bloed. Ze beramen een aanslag op Simon Blaauwkool. Maar de slaven krijgen lucht van deze plannen en redden zijn leven. De planter Jessen overlijdt en nu eisen de opzichters van de weduwe dat Blaauwkool de laan uit wordt gestuurd. De weduwe is eigenlijk zeer tevreden over hem maar is ook bang voor de wrede opzichters. Zij vraagt Simon ten huwelijk waardoor hij nu plantage-eigenaar is. Zo wordt het ‘humane’ regime voortgezet en mogen de slaven zelfs sparen om zich vrij te kopen en zich als vrije arbeider op de plantage te vestigen. Aan het eind van het verhaal, als zijn vrouw en dochter zijn overleden, keert Simon Blaauwkool terug naar Duitsland.

De auteur Salzmann is nooit in Suriname geweest. Toch heeft hij met zijn roman bijgedragen aan de beeldvorming in Europa (Nederland en Duitsland vooral) over de slavernij in Suriname. De behandeling van de slaven die Salzmann beschrijft is bijzonder slecht. Zo slechts zelfs dat de vertaler, de Nederlandse predikant Willem Ockerse (1760-1826), zich genoodzaakt voelt om in een voetnoot duidelijk te maken dat niet alle Hollandse planters zo zijn en dat de slechte reputatie niet alleen Hollandse planters geldt. De manier waarop de vertaler hier uit zijn, normaal gesproken toch anonieme, rol stapt is toch op zijn zachts gezegd opmerkelijk te noemen. Maar Salzmanns boeken werden in zeer brede kring gelezen. En na Oroonoko (Behn), Candide (Voltaire) en Stedman zou een ongenuanceerd negatief beeld van Salzmann van de behandeling van slaven in Suriname misschien net iets te veel zijn. In 1830 verscheen een 2e Nederlandse druk bij M. de Bleijker in Rotterdam.

Dit zijn slechts een aantal voorbeelden van boeken uit de Bibliotheca Surinamica die in het hartje van Amsterdam van de drukpersen rolden. Aan de ene kant was Amsterdam dus het centrum van de de koloniale mogendheid. Vele rijke plantage-eigenaren bouwden grote herenhuizen aan de Amsterdamse grachten met het vermogen dat zij mede vanwege de slavenhandel en slavernij in Suriname hadden verdiend. De Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname had haar hoofdzetel in Amsterdam. Meer dan de helft van de ca. 100 directeuren woonden op de Herengracht tussen de Leidsegracht en de Amstel.

Gerrit Adriaensz. Berckheyde – De bocht van de Herengracht 

In de Republiek bestond er een betrekkelijk grote vrijheid voor uitgevers. Er bestond geen staatscensuur en ook de kerkelijke macht was niet in staat haar macht aan uitgevers op te leggen. Dit in tegenstelling tot omringende landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland. De gilden hanteerden relatief soepele regels en lieten joden, vreemdelingen en vluchtelingen toe. Veel boeken die in dit vrije klimaat verschenen (waaronder ook boeken van uitgeweken Franse Hugenoten, joden of Duitse vluchtelingen) droegen bij aan het verspreiden van kennis over wat er in Suriname gebeurde; ook de onmenselijkheid van de slavernij. In zekere zin speelden boeken een belangrijke rol in het Emancipatie-proces. Amsterdam als stad van vrijheid en tegelijkertijd de hoofdzetel van de plantage- en slaven eigenaren die juist de onvrijheid van Afrikanen in de kolonie in stand hield. Is er een vreemdere paradox denkbaar?

Carl Haarnack

Bartelink & Zeezicht

Tags

, , ,

Hoe de tijden veranderen; herinneringen van een ouden planter. E.J. Bartelink. Paramaribo: H. van Ommeren, 1914.

Dit uiterst zeldzame boekje van Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919) is om twee redenen belangrijk. Allereerst omdat het één van de weinige publicaties is waarin de herinneringen van een Surinaamse planter zijn vastgelegd. Bartelink is dan 80 jaar oud en heeft zowel de periode van vóór de afschaffing van de slavernij als daarna meegemaakt. Maar wat hem echt uitzonderlijk maakt is dat hij, zoals hij zelf zegt, een ‘afstammeling van het zwarte ras’ is.

Diorama van Schouten met een voorstelling van plantage Zeezigt, detail  (collectie Rijksmuseum)

Bartelink was geboren op de plantage La Jalousie aan de Cottica. Hij was de zoon van een Nederlander die naar Suriname was gekomen. Op 21 jarige leeftijd werd hij door het administrateurskantoor Eyken Sluyters en Mollinger als opzichter geplaatst op de plantage Zeezigt, gelegen aan de Motkreek, een zijtak van de Cottica. Wij krijgen een inkijkje in het dagelijks leven op de plantage. Van de maaltijden werd veel werk gemaakt. Er waren jagers en vissers in dienst die voor wild, gevogelte en vis zorgden. Er werd twee keer per dag warm gegeten; speenvarkens, varkenscarbonade, duiven-, kippen- of garnalenpastei, verse vis of wilden stonden geregeld op het menu. De plantagewoningen waren rijk gestoffeerd. Er waren kostbare meubelen, zilverwerk, koper vaatwerk, porcelein en fijn tafellinnen. Op Zeezigt werd het huis van de directeur verzorgd door een huishoudster bijgestaan door acht meiden.

Diorama van Schouten met een voorstelling van plantage Zeezigt, detail  (collectie Rijksmuseum)

Op Zeezigt waren er 800 slaven waarover acht bastiaans toezicht moesten houden. De slaven hadden het er goed en dat was in het algemeen zo op alle plantages. De slaven kweekten zelf kippen en gingen uit vissen om in hun onderhoud te voorzien. De vloeren van de slavenwoningen werden met een steen geschuurd en waren heel net van binnen. Zwangere slavinnen voerden van de vierde tot de zevende maand slechts halve taken uit en na de zevende maand waren zij vrijgesteld van arbeid. In de negende maand werden zij naar een vroedvrouw in de stad gestuurd. Pas als het kind 1 jaar oud was gingen de moeders weer voltijds aan de slag. De kinderen werden dan toevertrouwd aan een zg. crioromama. Sommige mannen hadden een vrouw gekozen op andere plantages die soms op vier of vijf uren varen lagen. Van tijd tot tijd kregen zij verlof hun vrouwen te bezoeken. Lijfstraffen kwamen nauwelijks voor. Slechts driemaal heeft Bartelink in de acht jaar die hij ten tijde van de slavernij werkte meegemaakt dat er lijstraffen werden uitgedeeld. Telkens werden er vijftien zweepslagen uitgedeeld. De normale straf voor kleine vergrijpen was opsluiting in een donkere kamer en bananen en brood.

Diorama van Schouten met een voorstelling van plantage Zeezigt, detail  (collectie Rijksmuseum)

Bartelink was beslist niet de enige niet-blanke opzichter of directeur. Hij werd overgeplaatst naar plantage Wederzorg, een koffie-, cacao- en bananenplantage, waar Arnold Maynard (Papa Maynard)  directeur was. Hij had een goede reputatie en was, zo schrijft Bartelink, ‘één van die deftige kleurlingen’. Ook werkte hij op plantage Voorburg, gelegen aan de Surinamerivier. Dit was een suikerplantage met een stoommachine. Plantage Barbados, gelegen aan de Warappakreek, was volgens Bartelink de mooiste en rijkste landbouwstreek. Er waren prachtige woonhuizen, loodsen, drogerijen (voor katoen en koffie), majestueuze sluiswerken en stenen bruggen. Daar werkten 400 slaven en werden voornamelijk koffie- en bananen verbouwd. Op plantage Ornamibo was ene heer Blooker directeur. Zijn familie bezat het bekende cacao- en chocolademerk Blooker´s. Bartelink werd uiteindelijk zelf plantagedirecteur. Eerst op Geijersvlijt en later op plantage Reyndsorp, gelegen aan de Cottica, eigendom van de zusters Kreind. Maar ook werd hij directeur op  plantage Caledonia. Deze was eigendom van ene Carstairs, volgens Bartelink een fijn en beschaafd man. Hij was in Suriname geboren maar had vanwege zijn Engelse vader een Engelse opvoeding gekregen. Hij was getrouwd met mevrouw Hooykaas. Bartelijnk werd uiteindelijk zelfs mede-eigenaar van een plantage, namelijk Ornamibo.

Diorama van Schouten met een voorstelling van plantage Zeezigt, detail  (collectie Rijksmuseum)

Dankzij Bartelink krijgen wij een inkijkje in het dagelijks leven op de plantages. Plantagedirecteuren en slaven komen tot leven. Bartelink is vol begrip dat de slaven verlangden naar de afschaffing van de slavernij. Maar tegelijktijd stelt hij dat de slaven in materieel opzicht het voor de emancipatie beter hadden. De gastvrijheid was vroeger enorm en iedereen stelde zich belangeloos ten dienste van het algemeen, zo schrijft Bartelink. “Maar dat was in den goeden, ouden tijd.”

Carl Haarnack

Diorama van Schouten met een voorstelling van plantage Zeezigt, detail  (collectie Rijksmuseum)

Voor meer beelden en informatie over dit diorama van Gerrit Schouten (1779-1839) klik op de volgende link:

http://www.rijksmuseum.nl/collectie/aanwinsten2008/diorama?lang=nl

Lees verder:

Kijkkasten uit Suriname. De diorama’s van Gerrit Schouten. Clazien Medendorp en Eveline Sint Nicolaas. Amsterdam: KIT Publishers, 2008.

Gerrit Schouten,  zijn vader was Nederlander en zijn moeder een kleurlinge, was de belangrijkste kunstenaar in Suriname in de negentiende eeuw. Hij maakte diorama’s, kijkkasten, die een uniek beeld geven van de kolonie in de tijd vóór de fotografie. In papieren voorstellingen zijn plantagelandschappen, de architectuur van Paramaribo en de leefwijze van verschillende bevolkingsgroepen gedetailleerd uitgewerkt.

______________

Diorama met een voorstelling van plantage Zeezigt
Ongedateerd, ongesigneerd, NG-1983-1

door Eveline Sint Nicolaas (Curator Geschiedenis Rijksmuseum)

Toen het Rijksmuseum dit diorama in 1983 verwierf was niet langer bekend welke plantage Schouten portretteerde. Schouten heeft de naam van de plantage niet op de kast aangebracht, zoals hij dat deed bij de voorstelling van Visserszorg en Merveille, beide in de collectie van het Tropenmuseum, of wellicht is deze informatie in de loop der jaren verloren gegaan. Dat is jammer aangezien Schouten vaak waarheidsgetrouwe portretten van plantages maakte die daardoor belangrijke historische bronnen vormen. Maar misschien zijn er andere aanknopingspunten die identificatie van de plantage op dit diorama mogelijk maken.
Het grote plantershuis en de royale tentboot wekken de indruk dat het om een welvarende plantage gaat. Het huis is gebouwd in classistische stijl, vooral goed te zien in de uitbouw aan de voorzijde en de versiering van het balkon. Het zal in het laatste kwart van de 18e eeuw zijn gebouwd en vertoont een opvallende gelijkenis met het gouverneurshuis in Paramaribo dat in 1787 in dezelfde stijl werd verbouwd. Het plantershuis heeft een stenen onderbouw en een houten bovenbouw en afgaande op de ramen bestond het uit een souterrain, drie verdiepingen en een zolder. Voor een plantershuis royaal van omvang en opzet.

De eigenaar staat in de deuropening en kijkt toe hoe zeven slaven het terras voor het huis schoonvegen. Ook aan de achterzijde van het imposante huis wordt door slaven druk aan de tuin gewerkt. Om wat voor soort plantage het gaat – koffie, suiker, hout of katoen – is niet meteen duidelijk. Het voor suikerplantages kenmerkende stookhuis ontbreekt, waardoor dergelijke plantages afvallen. Rechts op de voorgrond zien we een loods waar slaven bezig zijn met het bewerken van hout. Veel plantages hadden een eigen houtwerkplaats of kuiperij, ook wanneer dit niet het belangrijkste product was. Zowel hout als mankracht was immers vaak ruim voorradig, zodat men op de plantage het verpakken en het vervoer van de producten zelf kon verzorgen. Zelfredzaamheid was belangrijk in de binnenlanden. Voor een bezoek aan Paramaribo was men minstens een dag onderweg, vaak langer. Dit betekende dat de planter en zijn familie ook voor hun dagelijkse maal afhankelijk waren van wat de plantage opleverde. Niet voor niets is er dan ook voor het grote huis een uitgebreide moestuin te zien, waar onder andere bonen en kool worden verbouwd. Voor luxegoederen, kleding en drank bleef men uiteraard afhankelijk van aanvoer uit de stad. Uiterst rechts, bij de timmerwerkplaats, arriveert zojuist een pondo, een klein vrachtscheepje met een dak van pinabladeren. De slaven brengen de kisten en vaten aan wal. We kunnen niet zien wat de inhoud van de kisten is, maar ze bevatten wel een andere belangrijk puzzelstukje. Op de kisten staan de letters PL (ineen) en Z. Op subtiele wijze heeft Schouten hier een aanwijzing gegeven voor de identiteit van de plantage (PL) die een naam moet hebben die begint met een Z. In de onregelmatig verschijnende Surinaamse Almanak staat een overzicht van alle plantages met hun locatie, het product dat wordt verbouwd en de namen van de eigenaar en de administrateur. Een aantal plantages met namen beginnend met een Z (o.a. Zeldenrust, Zomerzorg, Zorgvliet en Zonnebloem) valt af omdat ze suiker verbouwden en op dit diorama zoals gezegd geen stookhuis is te zien. Andere plantages vallen af omdat ze in de tijd dat Schouten actief was al verlaten waren, of vanuit Nederland werden beheerd wat geen reden was voor een royaal plantershuis. Er blijven twee kandidaten over: Zeewijk, een katoenplantage aan de Motkreek en Zeezigt, ook gelegen aan de Motkreek en een plantage waar katoen en koffie werd verbouwd. Zeewijk was een relatief kleine plantage, in 1793 in eigendom van Gouverneur Wichers. Zeezigt werd in 1785 aangelegd door Johannes Baak en in 1793 voor het eerst in de Surinaamse Almanak vermeld als een koffie en katoenplantage in eigendom van de boedel Meurs & Baak. Administrateur Baak woonde in Paramaribo aan de Waterkant no 12. Meurs & Baak was een handelshuis dat meerdere plantages bezat, bijvoorbeeld ook de katoenplantage Landzigt, even stroomopwaarts op de Motkreek.
Zeezigt lijkt dus de beste papieren te hebben. De stijl van het huis komt overeen met de stichtingsdatum van de plantage in het laatste kwart van de 18e eeuw en de omvang van de plantage en de inrichting van het terrein lijken goed te passen bij de grote katoenplantage Zeezigt.

In 1821 ging het eigendom van de plantage over op D. Holswilder. Mogelijk was dit de aanleiding voor de vervaardiging van het diorama, of gaven Meurs & Baak al eerder een opdracht aan Schouten. Veel later dan 1821 zal het waarschijnlijk niet zijn geweest. Vanaf de jaren ‘ 20 ging het steeds slechter met de plantage. De katoenprijzen schommelden flink in deze periode en tussen 1824 en 1844 werd Zeezigt bovendien driemaal overvallen door een katoenwormplaag, een keer geteisterd door een orkaan en kwam het door hevige regens ook nog een keer onder water te staan. Al met al geen ideale omstandigheden voor een opdrachtverstrekking aan Schouten. Of wilde men de glorietijd voor het nageslacht vastleggen?

Eveline Sint Nicolaas, Curator Geschiedenis Rijksmuseum

nagekomen bericht:

Inmiddels behoren de twijfels over de vraag of het hier nu plantage Zeezigt betreft tot het verleden. Voor curator Eveline Sint Nicolaas bestaat er inmiddels duidelijkheid.

Tenslotte nog onderstaand citaat :

“……. Wij telden van Monnikendam af eenendertig plantaadjen aan beide oevers der kreek, waaronder echter ook eenige zich bevinden, die alreeds verlaten zijn. Zoo voeren wij dan nagenoeg 2 ½ uur voort, toen eindelijk het schoone woonhuis der plantaadje Zeezigt zich aan ons vertoonde, op een afstand van slechts 10 a 15 minuten van de zee verwijderd. …. Verbeeldt u dan een ruim tweeverdiepings lusthuis, in den Italiaanschen smaak gebouwd, met eene vooruitstekende galerij van voren, waarboven een balkon geplaatst is, welke het verrukkelijkst uitzigt aan de linkerzijde op de kreek levert, terwijl men aan de regterhand van daar meer dan een half uur ver in zee ziet….”

(auteur anoniem, waarschijnlijk Mr. H.C. Focke, – verhaal van een togtje naar de plantaadje Zeezigt in : P. Ellerman, red. – Vaderlandsche letteroefeningen, 1826 , p. 270 e.v.)

J.J.A. Goeverneur (1883)

Tags

, , ,

De heele wereld rond. Een Leesboek tot bevordering van Natuur-, Landen- en Volkenkennis. Ten dienste der Volksschool. J.J.A. Goeverneur. Groningen: Noordhoff & Smit, 1883. 

Jan Jacob Antonie Goeverneur (1809-1889) was een Nederlandse letterkundige. Hij was een veelschrijver  en schreef gedichten en boeken en vertaalde veel literatuur in het Nederlands, Frans, Zweeds, Duits en Italiaans. Voor kinderen maakte hij fabels en liedjes, schoolboeken en boeken over de natuur.

Paramaribo, illustratie uit De heele wereld rond (1883)

Dit boekje is voor ons belangrijk omdat er een stuk in staat met de titel In de Hoofdstad van onze West. Goeverneur is nooit in Paramaribo geweest maar laat een schrijver aan het woord die voor de Nederlandse schooljeugd een gedetailleerd beeld van Suriname schetst. Wie wil weten wat Nederlandse kinderen aan het eind van de 19e eeuw over Suriname leerden doen er goed aan het boekje van Goeverneur te lezen.

Over de afschaffing van de slavernij is Goeverneur kort en zakelijk. Opmerkelijk is dat hij stelt dat veel slaven zich na het tienjarige staatstoezicht na afschaffing van de slavernij zich bij de ‘boschnegers’ voegden. Het grote gebrek aan werkkrachten is volgens hem de reden dat Suriname niet meer voorspoed heeft: “De neger is juist geen groote vriend van het werk: een kleine hoek gronds, met eene heel eenvoudige woning er op, levert voor zijne geringe behoeften genoeg, en als hij zich dat kan verschaffen zonder in dienst van een’ Europeaan te gaan, blijft hij liever zijne volle vrijheid genieten.” De straten zijn slecht onderhouden en de meeste huizen zijn zeer verveloos. De huizen hebben aan de achterkant een ‘tuin’ waar men een aantal kleine woningen vindt die waarschijnlijk een overblijfsel zijn uit de slaventijd toen iedere burger een ‘aanzienlijk getal slaven moest huisvesten en onderhouden’. Die arme burgers toch, zou je bijna denken.

In 1874 werd ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Koning Willem III prijzen uitgeloofd aan ‘negerwerklieden’ die zouden uitmunten in het aanleggen van wegen en het graven van sloten in het westelijke uitbreidingsgebied van de stad. Dit gebied kreeg de naam het Plein van 12 Mei mee (Van Idsingastraat, ch). De bewoners waren vrije en welvarende lieden die er ‘hunne hutten en tuinen netjes onderhouden’.

Goeverneurs’ boekje verscheen twintig jaar na de afschaffing van de slavernij. In Nederland wist men nauwelijk iets over Suriname. De schrijver blijkbaar ook niet want hij durft te beweren dat wie midden op de brede Surinamerivier vaart zich op een Hollandsche rivier zou kunnen wanen. Dit boekje past in een lange traditie van schrijfsels en napraterij over Suriname die op basis van verhalen uit derde hand tot stand kwamen. Maar wel één waar generaties scholieren mee werden opgezadeld.

Carl Haarnack

illustratie uit De Ooievaars

De Ooievaars.  J.J.A. Goeverneur. Leiden: A.W.  Sijthoff, ca. 1890(?)

Goeverneur vertaalde veel sprookjes en kinderverhalen. Mogelijk is dit een vertaling/bewerking van werk van H.C. Andersen. In De Ooievaars vinden we een verhaal met de titel ‘De Neger’. Het verhaal gaat over de kleine Otto wiens oom uit ‘Amerika’ terugkeert en een kleine ‘Moorenjongen’ meeneemt. Otto is bang voor de zwarte jongen. Maar deze stelt hem gerust: “Ik heb een vader en een moeder gehad, evenals gij. […] “Wij hebben één Vader in den hemel, en dat is de goede God.” Na korte tijd hadden de beide jongens ‘elkander zoo lief dat zij als broeders met elkaar omgingen.’

Der Pflanzer von Paramaribo (1833)

Tags

, , , , , ,

Der Pflanzer von Paramaribo. Uit: Aus fernen Welten. Geschichten und Bilder für die Jugend geschrieben. A.H. Fogowitz (1891).

Andrä Heinrich Fogowitz (1858-1909) was auteur van avonturenromans en sprookjes. Het verhaal gaat dat hij ook schreef onder de naam Max Wirth. Maar daar is geen zekerheid over te geven.

Dit verhaal gaat over een man genaamd Jansen Houtwijn (Hatwijn). Arm en zonder enige middelen van bestaan komt hij per schip uit Amsterdam in Suriname aan. Maar twaalf jaar later is hij een rijke planter met plantages aan de Commewijne (Canewine), bezit hij dan 1500 slaven en is hij lid van Hof van Justititie. Op een dag, het is oogsttijd voor het suikerriet, verlaat Jansen Houtwijn Paramaribo om zijn plantages te inspecteren. Een prachtige boot die rijk versierd is met gouden ornamenten, met acht sterke roeiers, trekt veel bekijks. Vier jonge slaven gestoken in de prachtigste livreien zitten bovenop de cabine en blazen op trompetten die tot ver in de bossen te horen zijn.

De volgende morgen zit Jansen Houtwijn op de veranda van zijn plantagehuis. De opzichter stapt naar voren en zegt dat de oogst nog maar net begonnen is en dat een slaaf al begint te klagen dat ze tijdens de oogst twintig uur per dag moeten werken. De opzichter wordt gemaand de opstandige slaaf honderd zweepslagen te geven. Een grote trotse zwarte man verschijnt voor Jansen Houtwijn. “De blanken noemen we Michael, maar in mijn land heet ik Faddalah.” Hij toont geen slaafse nederigheid maar kijkt zijn meester kalm aan. Faddalah zegt dat hij sterk genoeg is om hard te werken en weinig te slapen. Maar hij vraagt om zijn vrouw en kinderen te ontzien en hun iets meer slaap te gunnen. De hardvochtige planter geeft opdracht om de vrouw en kinderen van Faddalah de volgende ochtend in Paramaribo te verkopen. Een lange tijd gaat voorbij. Faddalah is krankzinnig geworden, zo denkt men. Hij werkt nu als visser bij de plantage en niemand slaat acht op hem.

Op een dag is Jansen Houtwijn weer op zijn plantage. Hij neemt zijn favoriet ‘foetoe boi’ mee en geeft aan een willekeurige slaaf opdracht hen in een boot naar een naburige plantage te roeien. Deze slaaf is toevallig Faddalah en op deze kans heeft hij gewacht.  Hij neemt wraak en roeit naar een afgelegen plek. Hier  gooit hij de planter in de rivier waar hij door kaaimannen wordt verslonden. Hij vlucht de bossen in. Maar jaren later komt een indiaan in Paramaribo de uitgeloofde beloning innen. In een zak heeft hij het hoofd van Faddalah meegenomen.

De vraag nu is wie dit verhaal geschreven heeft. Fogowitz kan nooit de echte auteur zijn geweest. In 1833 verscheen het verhaal al in een andere publicatie in Duitsland. In 1842 verscheen dit verhaal ook in ’Der Aufmerksame, ein Unterhaltungsblatt’. Hierin wordt gemeld dat dit gebaseerd is op een waar verhaal uit 1786. Verwezen wordt naar een Engels origineel van G.A. Dorn. Een mij tot nog toe onbekend gebleven auteur. In 1872 duikt het verhaal op in een krant in Nieuw-Zeeland onder de titel: Only a nigger.

Carl Haarnack

Otago Witness , Putanga 1062, 6 Paengawhāwhā 1872, Page 18

Maria Sibylla Merian (1647-1717)

Tags

, , ,

Maria Sibylla Merian (Frankfurt 1647 – Amsterdam 1717) vertrok in 1699 van Amsterdam naar Paramaribo. Merian wordt gezien als de belangrijkste en meest invloedrijke 17e eeuwse natuurhistorische tekenaar. Zonder twijfel is Merian ook de eerste kunstenaar die Suriname in cultureel opzicht op de wereldkaart heeft gezet. Vooraanstaande musea als het Rijksmuseum in Amsterdam, het Teylers in Haarlem maar ook het  British Museum in Londen bezitten kostbare werken van haar hand.

Daarnaast heeft bijvoorbeeld de Engelse koningin Elizabeth II  in haar Royal Library op Windsor Castle een grote collectie Merian. Maar ook de Russische tsaar Peter de Grote kocht in 1717 een verzameling aquarellen op perkament en kopergravures ter waarde van drieduizend gulden.

Merian werd geboren in een Duitse kunstenaarsfamilie van schilders, etsers en drukkers. Toen Merians vader overleed hertrouwde haar moeder met de Nederlandse schilder Jacob Marrel. Van hem leerde zij tekenen en schilderen. Tussen 1675 en 1680 verschenen van haar hand drie bloemenboeken. In 1684 vertrok zij met haar moeder en twee dochters naar Wieuwerd (Friesland) en sloot zich aan bij de Labadisten. Deze Labadisten vormden een sekte opgericht door Jean de Labadie. In 1699 vertrok Merian vanuit Amsterdam, 52 jaar oud, met haar dochter naar Paramaribo. Zij verbleef daar twee jaar, die zij grotendeels besteedde aan het bestuderen van planten en dieren (vooral rupsen en vlinders). Zij was van plan langer te blijven maar het klimaat speelde haar parten. Vóór Merian was in 1684 al een groep Labadisten naar Suriname vertrokken om daar hun geloof te verkondigen. Gouverneur Van Aerssen van Sommelsdijk sympathiseerde met hen omdat zijn zusters tot de sekte behoorden. Door aanvallen van ‘indianen’, het uitbreken van ziekten en vooral het zware werk is deze kolonisatiepoging geen lang leven beschoren geweest. Veel labadisten stierven in Suriname, anderen verlieten spoedig de kolonie.

In 1705 verscheen haar majestueuze boek Metamorphosis Insectorum Surinamensium in het Latijn (en later ook in het Nederlands: Verandering der Surinaamse Insecten). In dit prachtige boek (het mooiste en kostbaarste uit de Bibliotheca Surinamica ) liet zij afbeeldingen zien van planten en dieren die men in Europa nog nooit onder ogen had gekregen; bananen, cashew, pepers, markusa, vlinders en reptielen. Merian woonde in de Kerkstraat in Amsterdam, tussen de Spiegelstraat en de Leidsestraat. Zij overleed in 1717 in Amsterdam waar zij in totaal zo’n 25 jaar had gewoond.

 Histoire générale des insectes de Surinam et de toute l’Europe. Troisieme édition, revue, corrigée, & considerablement augmentée par M. Buchoz. Tome troisieme: Des plantes bulbeueses, liliacées, caryophyllées. Mit 69 kolorierten Kupfertafeln. Paris, Desnos, 1771. Titel, 69 Seiten, Tafeln. Groß-Folio (50 x 33 cm). Halbleinwandband des 19. Jahrhunderts Die dekorativen Blumentafeln meist mit mehreren Darstellungen, darunter Tulpen, Nelken, Narzissen, Krokus, Alpenveilchen, Iris etc. und nur teilweise mit Abbildungen von Insekten und Schmetterlingen.

verder lezen:

  • Chrysalis: Maria Sibylla Merian and the Secrets of Metamorphosis. Kim Todd. Hardcover. Annotated. Houghton Mifflin Harcourt, 2007. ISBN-13: 9780151011087 / ISBN: 0151011087
  • Maria Sibylla Merian & dochters. Vrouwenlevens tussen kunst en wetenschap.
    Ella Reitsma. Zwolle: Waanders, 2008

A Voyage to the Demerary (1807)

Tags

, , ,

A Voyage to the Demerary, Containing a Statistical Account of the Settlements There, and by those on the Essequibo, the Berbice, and other Contiguous Rivers of Guyana. By Henry Bolingbroke, Esq, Deputy Vendue Master at Surinam. London: Richard Phillips, 1807.

Wie belangstelling heeft voor de geschiedenis van Suriname moet vaak verder kijken dan de eigen landsgrenzen. Het buurtland Guiana (Brits-Guyana) behoorde vroeger ook tot het Nederlandse koloniale rijk. Tot 1814 was dit gebied in handen van Nederland. Het bestond uit Demerary, Essequibo en Berbice. Aan het eind van de 18e eeuw bezetten de Engelsen de Nederlandse kolonieën op het Zuid-Amerikaanse vaste land.

Henry Bolingbroke werd gedurende dit zg. Engelse Tussenbestuur in 1807 tot vendumeester in Paramaribo benoemd. Een vendumeester organiseerde en leidde openbare verkopingen van slaven.

(deze afbeelding komt niet uit het boek)

Bolingbroke heeft naar alle waarschijnlijkheid zo’n zeven jaar in Demerary geleefd. Gezien zijn werk als velingmeester was Bolingbroke geen voorstander van de afschaffing van de slavernij. Volgens Wolbers genoot hij een jaarsalaris van maar liefst fl. 10.000,–. Hij schrijft veel over de eigenaardigheden van Nederlandse planters in Demerary. Als de planter opstaat kleedt hij zich aan en vraagt hij zijn foetoe-boi om een washand om gezicht en handen mee te wassen. Bolingbroke schrijft dat hij in Nederlandse plantage-huizen vrijwel nooit een wasbak zag, ook als er blanke vrouwen woonden. Dit stond in schril contrast met de properheid van de huizen. Deze werden iedere morgen met citroen geschrobt wat een heerlijke geur verspreidde.

Interessant is ook zijn beschrijving van een markt waar ‘the negroes’ hun waren aanbieden zoals fruit, groente, gevogelte en eieren. Hij maakt melding van vrije zwarte vrouwen die naast zoutvlees, vis, varkensvlees, brood, kaas en tabak  ook Europese manifacturen in kleine hoeveelheden verkopen; ‘to enable the negroes to supply themselves agreeably to the length of their purse’. Deze vrouwen kopen hun waren weer in grotere hoeveelheden van kooplieden met een krediet van twee of drie maanden. Veel van deze vrouwen (hij spreekt over ‘hucksters’) zijn volgens Bolingbroke rijk en bezitten soms tien, vijftien of twintig slaven die ze allemaal in zetten bij de kleinverkoop. Het is gebruikelijk dat de verkopers gedurende een aantal weken van plantage naar plantage trekken om hun waren bij de ‘negerhuizen’ te verkopen. De goedkeuring van de plantage-directeur is hiervoor wel een vereiste.

Wie geen geld heeft kan via ruilhandel aan de spullen komen die men nodig heeft. Vooral de gekleurde vrouwen zijn dol op kleding. Het boek van Bolingbroke is met name interessant omdat het voor een belangrijk deel betrekking heeft op de veelal onbekende geschiedenis van Demerary, Essequibo en Berbice. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het leven aan het begin van de 19e eeuw in deze gebieden wezenlijk verschilt met dat van Suriname.

Carl Haarnack

verder lezen:

  • De Surinaamse pers gedurende het Engelse Tussenbestuur:

http://www.kitlv-journals.nl/index.php/nwig/article/viewFile/4976/5743

  • Suriname onder Engels bewind:

http://www.kitlv-journals.nl/index.php/nwig/article/viewFile/4525/5292

Van Breugel – Dagreis naar Paramaribo (1842)

Tags

, , ,

Dagverhaal van eene reis naar Paramaribo en verdere omstreken in de kolonie Suriname. G.P.C. van Breugel. Amsterdam: C.G. Sulpke, 1842.

Gaspard Philippe Charles van Breugel (1798–1888) is een bijzondere chroniqueur van het leven in Suriname in de eerste helft van de 19e eeuw. Allereerst was zijn familie, voornaam en aristocratisch, eigenaar van ondermeer de plantage Clifford Kokshoven, gelegen aan de Warrappakreek. De plantage Clifford Kokshoven was volgens de Surinaamse Almanak van 1827 500 akkers groot en produceerde koffie en katoen. Ene A.J. Comvalius jr. was directeur.

‘Twijfelt er nooit aan, mijne waarde vrienden, er zijn belooningen in den hemel, zoowel voor den slaaf als voor den vrijen man, die aanhoudend den weg der waarheid en der deugd hebben bewandeld.’

Veel 19e eeuwse plantage-eigenaren hadden nooit een voet op Surinaamse bodem gezet en lieten het besturen van hun plantages over aan hun directeuren. Breugel vertrok in 1823 naar Suriname om zelf de familie-bezittingen te inspecteren en de administrateurs te controleren. Gelukkig voor ons heeft hij zijn bevindingen en ervaringen in Suriname opgeschreven en gepubliceerd. Van Breugel stelt dat hij de slavenhandel beslist niet wil verdedigen of goedpraten. Hij wil de lezer op objectieve wijze een eerlijk beeld geven van Suriname. Uiteraard is ook Van Breugel gewoon een kind van zijn  tijd en zijn rol als plantage-eigenaar bemoeilijkt de objectieve blik behoorlijk. Maar zijn beschrijvingen geven ons een aardig inkijkje in het alledaagse leven. Zo leeft het grootste deel der mannen ‘op zijn Surinaamsch’. Dat wil zeggen dat zij met ‘hunne huishoudster’ leven als man en vrouw. Uiteraard verdient een wettig huwelijk volgens hem de voorkeur. Maar die vrouwen (lees: blanke vrouwen, ch) zijn niet makkelijk te vinden. De kinderen die uit zo’n Surinaams huwelijk zijn voortgekomen worden vaak naar Europa gestuurd om een goede opvoeding en opleiding te krijgen. Die mulattenkinderen hebben het vaak moeilijk. Ze worden door de blanken als minderwaardig gezien maar ook door de zwarte bevolking op de korrel genomen. Van Breugel haalt een liedje aan: “ De blanken hebben een Vaderland; de Zwarten hebben ook een vaderland; maar de Mulatten niet.” Dat Van Breugel tot een welgestelde rijke familie behoorde maar duidelijk zijn. Aan weinig luxe ontbrak het hem in Suriname. Voor een reisje buiten de stad nam hij o.a. mee: “Een vaatje saucijsjes, een halve ton bier, twaalf stoopen jenever, drie stoopen brandewijn, cognac, gerookte tongen, Leidsche kaas, stokvis, aardappelen,  appelen, soja, rode wijn en enige flessen fijne wijnen.”

Van Breugel was in de jaren 1823-1824 in totaal acht maanden in Suriname. Van Breugel was beslist niet een traditionele plantage-eigenaar. In 1824 woonde hij een winti-pre bij op zijn plantage; drie dagen en nachten werd er muziek gemaakt en gedanst. Ook nam hij voorwerpen mee naar Nederland zoals versierde kalebassen en andere religieuze voorwerpen. Na terugkeer in Nederland adviseerde hij zijn familie om hun plantageaandelen zo snel mogelijk te verkopen. Misschien dat zijn ervaring met de slavernij in Suriname daar in grote rol heeft gespeeld.  In 1840 werd Clifford Kocqs(Kocks)hoven door de familie Van Breugel verkocht aan de Amsterdamse koopman G. A. Kramer. In het emancipatie-register werd deze plantage al niet meer genoemd *). Van de buurplantage Kerkshoven aan de Warappakreek is in ieder geval een diorama van Gerrit Schouten bewaart gebleven :

http://www.rijksmuseum.nl/collectie/aanwinsten2008/diorama?lang=nl

Carl Haarnack

*) met dank aan Bernd Katt

Dit exemplaar werd verworven op de veiling van Amsterdam Bookauctions (2011)

Gaspard Philippe Charles van Breugel, C.G. Sulpke, 1842. IV, 122, (4)
p. Met 2 handgeschreven meegebonden pagina’s; de een met de uitleg van
een Surinaamsch Negerspel, de ander met verantwoording “In het jaar
1874 is door mij aan het Koloniaal Museum op het Pavillioen te Haarlem
ten geschenke gegeven (..) de publieke verkoopingen, die ik daar wel
bijwoonde van Inboedels: meubels, Vee, en Slaven en Slavinnen, daar
zulks na de afschaffing der Slavenstand thans steeds nog al curieus
blijft eens na te lezen”. Gebonden. Met stempel Boekenverzameling Willem Cornelis van Vollenhoven en ex-libris van  F.M. Wesenhagen met het motto “Recht door Zee”.

handgeschreven brief door Van Breugel

Literatuur:

  • Kijkkasten uit Suriname. De diorama’s van Gerrit Schouten. Clazien Medendorp en Eveline Sint Nicolaas. Tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum, Amsterdam, 2008. 
  • De bagage van Blomhoff en Van Breugel. Susan Legêne, Amsterdam 1998.

 

Adriaan van Berkel (1695)

Tags

, ,

Amerikaansche voyagien, behelzende een reis na Rio de Berbice, gelegen op het vaste land van Guiana, mitsgaders een andere na de colonie van Suriname, gelegen in het Noorder deel van het gemelde landschap Guiana. Ondermengd met alle de byzonderheden noopende de zeden, gewoonten, en levenswijs der inboorlingen, boom en aard gewassen, waaren en koopmanschappen, en andere aanmerkelijke zaaken. Adriaan van Berkel. Amsterdam : Johan ten Hoorn, 1695.

Het boekenplankje met 17e eeuwse boeken over Suriname is zeer  bescheiden. Amerikaansche Voyagien is zo’n zeldzame parel uit de vroege geschiedenis van Suriname. Adriaan van Berkel was een Nederlandse ontdekkingsreiziger. Hij reisde in de tweede helft van de Gouden Eeuw naar de Nieuwe Wereld. Zo leefde hij een aantal jaren onder de Arrowak indianen aan de rivier de Berbice. Van Berkel schrijft dat hij, terug in Europa, een verlangen had om meer buitenlandse reizen te maken. Maar in Berbice vond hij het te saai en te eenzaam. Een welvarende plantage-bezitter doet hem een voorstel om voor een periode van vier jaar het toezicht op zijn plantage in Suriname te houden. Op 17 april 1680 vertrekt hij met een zeilschip van kapitein Cornelis Blom naar Suriname. Na negen a tien weken varen bereikt het schip op 23 juni 1680 de monding van de Suriname rivier. Van Berkel bleef bijna tien jaar in Suriname. Het eerste deel van zijn boek is gewijd aan het verblijf in Berbice, Demerara en Essequibo. Hij beschrijft de zeden en gewoonten van de indianen, zoals de Arrowakken, Warau en Caraïben. Hij toont empathie wanneer hij beschrijft hoe twee slaven van de plantage Mierenberg, in de suikerpan zijn gevallen waarin zij juist aan het roeren waren. Ze zijn er slecht aan toe en Van Berkel zegt dat hij niet naar ze kon kijken zonder tranen te laten. Op de plantage was men druk met feesten, eten en drinken en keek men niet naar hen om. De blanken bekommeren zich volgens Van Berkel veel te weinig om de slaven en zouden meer medeleven moeten hebben.

Het tweede deel van zijn boek is gewijd aan Suriname. Opmerkelijk is dat zijn beschrijving van de rivieren, de flora en de fauna maar ook de behandeling van de slaven onbeschaamd overgenomen is uit George Warrens An impartial description of Surinam (1667). Alleen het eerste stuk over zijn reis naar Suriname en het laatste stuk komt waarschijnlijk uit de pen van Van Berkel. Hij beschrijft daarin de moord op de gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck in 1688. Kort daarop verlaat Van Berkel Suriname en zet hij in augustus 1689 voet aan wal in Middelburg (Zeeland). We zullen wel nooit weten waarom hij plagiaat pleegde en het werk van Warren klakkeloos overschreef. In elk geval zijn de beschrijvingen van zijn eigen hand zeer de moeite waard. Het boek behoort tot de zeldzaamste werken uit de Surinaamse bibliotheek.

Carl Haarnack

Baron van Raders

Tags

, ,

Geschiedkundige aanteekeningen, rakende proeven van Europeesche kolonisatie in Suriname. Bijeengebragt door R.F.  baron van Raders. ’s-Gravenhage: De Erven Doorman, 1860. 

Portret van de staatsman Reinier Frederik Baron van Raders (1794-1868) met handtekening in facsimile en met familiewapen.; vervaardiger: Berghaus, J. P. (1810-1870); 1860

Reinier Frederik baron Van Raders (1794- 1868) was gouverneur van Suriname van 1845 tot 1852. Tijdens zijn gouverneurschap vond de migratie van arme boerenfamilies uit Nederland naar Suriname plaats. Van Raders behandelt aan de hand van officiële stukken een aantal kolonisatiepogingen en doet hij een aantal aanbevelingen. Suriname telde op dat moment zo’n 60.000 inwoners maar volgens Van Raders kon het land wel 60 miljoen monden te voeden.

In 1747 vindt er ‘een proeve’ waarbij zeven boerenfamilies afkomstig uit het gebied dat nu deel uitmaakt van de Duitse deelstaat Rheinland-Pfalz, naar Suriname komen. Zes jaren later wordt de grond Victoria, waar zij zijn geplaatst, door marrons ‘geattakeerd’. In 1748 wordt er op voorstel van Louis du Bussy, een in Paramaribo praktiserende Zwitserse geneesheer, zeventien Zwitserse families naar Suriname gestuurd. De Zwitsers worden in ponten naar het Paragebied vervoerd waar ze op een oude kostgrond kunnen werken. Maar er is, vanwege de slechte omstandigheden, veel onvrede onder de Zwitsers. Velen van hen worden getroffen door ‘bloedloop en pleuris’. Ook zij werden slachtoffer van aanvallen van marrons die in november 1753 hun dorp overvallen. Velen vluchtten, dertig mensen worden gedood. Eén vrouw wordt ‘moedernaakt uitgekleed’ en aan een boom vastgebonden. De overvallers nemen alles mee wat ze konden uit de huizen waaronder zes snaphanen en munitie. Ook de kolonisatie aan het Oranjepad (Pad bij Rama) verloopt verre van succesvol. Deze missie onder leiding van Baron von Bulouw (Bülow) is al vanaf het begin gedoemd te mislukken. Het kost handenvol geld, er is gebrek aan soldaten en de post heeft geen enkel nut tegen de marrons.

De kolonisatiepoging die het meest tot de verbeelding spreekt is die aan de Saramacca in 1845. Het plan was om onderleiding van drie Hervormde predikanten, A. van den Brandhoff Ez,  J.H. Betting en D. Copijn zo’n tweehonderd huisgezinnen ‘uit de klasse verarmde landbouwers’ naar Suriname te halen. Met vier schepen arriveerden 384 kolonisten in Suriname. In eerste instantie werden zij op de grond Voorzorg ondergebracht, gelegen tegenover de post Groningen, aan de Saramaccarivier. Na een aantal maanden waren er zo’n tweehonderd overleden aan tyfus. Eén van de problemen was de grote afstand tot de stad. Velen trokken daarom weg en begonnen een boerenbedrijf dichter bij Paramaribo. De ‘boeroes’ vormen de nakomelingen van deze kolonisten.

Baron Van Raders was lid van de Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij. Hij zette zich als gouverneur ook in om de behandeling van slaven te verbeteren. Uiteindelijk werd hij in 1852 vanwege een diplomatieke rel met Oostenrijk ontslagen. Een jaar later werd hij benoemd als lid van de Staatscommissie die advies moest uitbrengen over de emancipatie van de slaven.

Carl Haarnack

verder lezen:

http://www.dbnl.org/tekst/wolb002gesc01_01/wolb002gesc01_01_0014.php

http://www.kitlv-journals.nl/index.php/nwig/article/viewFile/3896/4663

An impartial description of Surinam

Tags

,

An impartial description of Surinam upon the continent of Guiana in America. George Warren. 1667. 

George Warren, een Engelsman, bezocht Suriname toen de kolonie nog in handen van de Engelsen was. In het jaar waarin de Vrede van Breda werd gesloten, 1667, en Suriname geruild werd tegen New York verscheen zijn boek: An impartial description of Surinam upon the continent of Guiana in America. De Nederlandse vertaling die in 1669 verscheen kreeg de titel mee: Een onpartydige beschrijvinge van Surinam, gelegen op het vaste landt van Guiana in Afrika (1669). Hier werd Guiana verward met het Afrikaanse Guinea.


Warren geeft ons, als ooggetuige, een beschrijving van de onmenselijke omstandigheden waaronder de slaven moeten leven. Een zekere empathie kan hem niet ontzegd worden. Warren schrijft:  De slaven worden als honden verkocht. Ze moeten de hele week werken tot zaterdagmiddag. Dan mogen ze op hun kostgrondjes werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Eén of twee keer per jaar krijgen ze wat geroosterd vlees als een koe of paard is doodgegaan. Of misschien een stuk verrotte vis. Zo’n miserabel leven drijft sommige slaven er toe te ontsnappen om hun vrijheid te zoeken. En als ze gevaar lopen te worden gevonden slaan zij soms de hand aan zichzelf. Want als ze weer in de macht van hun meesters  komen worden ze aan verschrikkelijke martelingen blootgesteld als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen (vertaling ch).

Het werk van Warren is belangrijk omdat het een van de vroegste beschrijvingen is van Suriname. Opvallend is hoe vaak zijn werk door anderen is gebruikt. Adriaan van Berkel (Amerikaansche voyagien – 1695) heeft het grootste deel van zijn werk direct overgeschreven van George Warren. Herlein heeft voor zijn beschrijving over het leven in Suriname weer gretig gebruikt gemaakt van het relaas van Van Berkel. Plagiaat is dus in elk geval net zo oud als Suriname. Zowel de eerste Engelse- als de Nederlandse editie zijn praktisch onvindbaar. En als ze al eens op een veiling opduiken wordt de prijs nogal eens tot boven  de €1000,– opgedreven. Maar nu is een goedkope Amerikaanse print-on-demand editie beschikbaar en  kan iedereen deze dus redelijk eenvoudig verkrijgen.

Carl Haarnack

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 141 other followers