Slavernij verbeeld

Verbeelding Nederlandse slavernijgeschiedenis

Tentoonstelling bij Bijzondere Collecties UvA

Dit jaar is het 150 jaar geleden dat in de Nederlandse koloniën de slavernij werd afgeschaft. Met de tentoonstelling Slavernij verbeeld sluiten de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam aan bij de officiële herdenking van het Nederlandse slavernijverleden. De tentoonstelling schetst een historisch beeld van de slavernij in West-Indië, met name in de voormalige kolonie Suriname.

De tentoonstelling geeft een indrukwekkend beeld van de slavernij in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in Nederland en Suriname. De geschiedenis van de slavernij wordt zichtbaar aan de hand van unieke kaarten, boeken, manuscripten, documenten, prenten en andere objecten uit de Bijzondere Collecties van de UvA. Dit materiaal maakt deel uit van de omvangrijke collectie over de geschiedenis van Suriname en West-Indië van de UvA. Het is aangevuld met belangrijke bruiklenen uit andere openbare en particuliere verzamelingen.

viool benoit

Afbeelding uit: Voyage a Surinam. Door P.F. Benoit (Brussel, 1839)

Uit de rijke particuliere collectie van Kenneth Boumann komen onder meer een schitterend exemplaar van de beroemde Voyage à Surinam (1839) van Pierre Jacques Benoit en een ivoren beeldje van een bevrijde slaaf met verbroken ketenen, door Boumann ‘Sjorie’ (George) genoemd.

Ivoren beeldje van een bevrijde slaaf met gebroken ketenen, door Kenneth Boumann ‘Sjorie’ (George) genoemd. Mogelijk gebruikt als knop op een wandelstok, vermoedelijk eerste helft negentiende eeuw. Collectie Boumann. 

Een pronkstuk uit de Bijzondere Collecties is de Algemeene kaart van de Colonie of Provintie van Suriname uit 1737, waarop de honderden plantages langs de rivieren zichtbaar zijn. Aansprekend is ook het schilderij van het fort Elmina, voor de kust van het huidige Ghana, afkomstig uit het bezit van de laatste gouverneur van deze Nederlandse kolonie. Het schrikwekkende beeld dat de beroemde Engelse graveur William Blake van de behandeling van Surinaamse slaven schetste is te zien in fel-realistische etsen.

fort elmina met lijst

Gezicht op Elmina. Willlem Troost (1812-1893). Elmina was de poort waardoor veel tot slaaf gemaakte Afrikanen naar de Nieuwe Wereld (en dus ook Suriname) werden vervoerd. Elmina ligt in het huidige Ghana. Toen heette het nog Goudkust, een lang vergeten Nederlandse kolonie.

De tentoonstelling, mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Mondriaan Fonds, is samengesteld door de gastconservatoren Carl Haarnack, particulier verzamelaar en bekend van zijn blog Buku – Bibliotheca Surinamica, Elmer Kolfin, kunsthistoricus bij de Universiteit van Amsterdam, en historicus Dirk J. Tang.

Raymanns keuze

Een bijzondere bijdrage aan de expositie leveren Jörgen Raymann en zijn dochter Melody, studente geschiedenis aan de UvA. Zij presenteren Raymanns keuze: een selectie van tien spraakmakende objecten uit de tentoonstelling die in een compilatie van video-interviews worden toegelicht. Daarvoor bezochten zij de verzameling van Kenneth Boumann. Ook gingen zij de straat op om Amsterdammers te bevragen over hun kennis over het slavernijverleden.

Publicaties

Bij de tentoonstelling verschijnt de publicatie Slavernij. Een geschiedenis (Walburg Pers) van de hand van Dirk J. Tang. Hij schetst de lange wordingsgeschiedenis van slavernij en slavenhandel, hoe deze zich over de wereld verspreidden en uiteindelijk moeizaam verdwenen.

Ook verschijnt een themanummer van het tijdschrift De Boekenwereld (Vantilt / Bijzondere Collecties UvA), met onder meer bijdragen van Kenneth Boumann en Carl Haarnack.

Banierententoonstelling

Parallel aan de expositie bij de Bijzondere Collecties is in de Amsterdamse Openbare Bibliotheek een banierententoonstelling te zien, die daarna op reis gaat langs een aantal grote openbare bibliotheken in Nederland. In tien banieren wordt een beknopt historisch overzicht geboden van de geschiedenis van de slavernij. Een tweede reeks banieren toont Raymanns keuze, met persoonlijke teksten van Melody Raymann. Op www.bibliotheek.nl wordt een ‘digitale etalage’ ingericht met aanvullende informatie over het slavernijverleden.

‘Ik ben bijzonder gelukkig met de steun die we hebben gekregen van het Sector Instituut Openbare Bibliotheken en van NBD Biblion om met deze banierententoonstelling ook een jonger en breder publiek aan te spreken’, zegt Garrelt Verhoeven, hoofdconservator Bijzondere Collecties. ‘Het papieren erfgoed van het slavernijverleden dat wij beheren weerspiegelt een belangrijk deel van onze geschiedenis; het vertelt een verhaal dat iedereen moet kennen.’

Tentoonstelling Slavernij verbeeld

16 juni t/m 22 september 2013

Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam

Oude Turfmarkt 129 (Rokin)

Open: di–vr 10–17 uur en za–zo 13–17 uur

www.bijzonderecollecties.uva.nl

Publicatie Slavernij. Een geschiedenis

Dirk J. Tang

224 pagina’s, genaaid gebonden, rijk geïllustreerd in kleur, € 34,50

Walburg Pers, ISBN 978-90-5730-905-2

verkrijgbaar in de boekwinkel van de Bijzondere Collecties en via de webwinkel op: https://bijzonderecollecties.hexspoorwms.nl

Banierententoonstelling OBA

16 juni t/m 26 augustus 2013

Openbare Bibliotheek Amsterdam

Oosterdokskade 143

Open: zo–za 10–22 uur

www.oba.nl

Digitale etalage Slavernij verbeeld

www.bibliotheek.nl

Afbeelding 5 Slavernij verbeeld

 

Johann Wilhelm Kals (1700-1781)

Tags

,

Neerlands hooft- en wortelsonde.  Jan Willem Kals. Leeuwarden: Pieter Koumans, 1756.

Slavernij was in het  18e eeuwse Suriname een alledaags verschijnsel. Maar wie goed zoekt zal ontdekken dat er al vanaf het begin van de invoering van de slavernij er ook critici waren. Eén van hen was  Johann Wilhelm Kals (1700-1781). Kals werd geboren in Düren in Duitsland, gelegen ten westen van de stad Keulen. Op 22 jarige leeftijd vertrok hij naar Amsterdam waar hij als koopman probeerde de kost te verdienen. Maar zijn hart lag bij de zending. Nadat hij in Utrecht theologie had gestudeerd vertrok hij in 1731, samen met zijn vrouw Anna Twisker, naar Suriname met het voornemen de heidense slaven te bekeren. Daar werd hij tot predikant benoemd in het veraf gelegen Cottica-Perica gebied. De planters en de koloniale elite in Paramaribo zaten niet te wachten op een predikant die hen de les kwam lezen. En nog erger, Kals riep de witte koloniale bovenlaag op om met hun zwarte broeders en zusters in vrede te leven.

Kerk van Betania

Kals stelt dat de planters de bekering van slaven en vrije zwarten stelselmatig trachten te belemmeren. Zo schrijft hij over de slavin Isabella die gedoopt was en later zelfs gemanumitteerd. Maar al snel bleef zij weg uit de kerk. Isabella zegt: “… de Blankken hebben my veragt en bespot, wanneer ik mede ter Kerke kwam en ten Avondmaal ging.” Ook dwongen ze haar om het hun in ontucht te leven en wanneer zij weigerde scholden zij haar uit voor een ‘swart Beest’.  Dankzij Kals horen we een Surinaamse vrije zwarte vrouw aan het woord. Daar zijn begin 18e eeuw maar weinig gevallen van bekend. Volgens Kals  mishandelen de kolonisten de slaven en geven ze zich over aan dronkenschap en aan de zonde van“hoerereije ende egtbreuk” met negerinnen en indiaanse vrouwen. Hij noemde de wijze waarop blanken mannen negermeisjes uitzoeken op de slavenmarkt, stuitend.

Creoolsche vrouw

Kals wordt binnen twee jaar Suriname uitgezet. In Amsterdam diende hij een klacht bij het kerkbestuur over de bedorven zeden van de kerkelijke voorgangers en koloniale bestuurders. In 1756 publiceert hij ‘Neerlands Hooft- en Wortel-sonde, het verzuym van de bekeringe der Heydenen’. Deze publicatie bestond uit een verzameling geschriften, preken, brieven en voordrachten waarin hij het Nederlandse publiek informeerde over de wantoestanden in Suriname. Kals sprak zich misschien niet expliciet uit tegen de slavernij  maar hij was bijzonder fel gekant tegen de manier waarop slaven werden behandeld.  En hij veroordeelde de veelwijverij, een alledaags onderdeel van die slavenmaatschappij, in zeer scherpe bewoordingen. Uiteindelijk vluchtte hij in 1749 naar Engeland toen een verhouding met een jonge vrouw, die in zijn huishouding werkte, aan het licht kwam.

bijbel

Het boek van Kals is uitermate zeldzaam. Er zijn slechts drie exemplaren bekend: één bij de Koninklijke Bibliotheek, één bij de universiteitsbibliotheek in Leiden en één in Amsterdam. Het anti-koloniale erfgoed is kwetsbaar.

Carl Haarnack

————————————
De foetoe-boi

Door Henny Molhuysen

‘s-Hertogenbosch is altijd al een stad geweest die kennis heeft gemaakt met vreemdelingen. Lombarden, huursoldaten en vluchtelingen; velen hebben een gastvrij onderdak gevonden in de Hertogstad. Al wil dat natuurlijk niet zeggen dat vreemdelingen niet opvielen. Neem bijvoorbeeld Duren, de zwarte voetbode (foetoe-boi) van dominee Kals.
Jan Willem Kals was in 1702 in Duren geboren. Oorspronkelijk was hij katholiek, later ging hij naar het protestantisme over. In 1730 vertrok hij naar Suriname. Hij had daar geen gemakkelijk leven, omdat hij zich keerde tegen het materialisme, de machtswellust en de verachting die er tegen kleurlingen bestond. Regelmatig had hij daarover sterke meningsverschillen met de koloniale autoriteiten en andere dominees. Zij waren het niet die hem de bijnaam de advocaat van indiaan en neger gaven. Tenslotte moest hij Suriname verlaten… Dominee Kals kwam met zijn vrouw in ‘s-Hertogenbosch.
Kals had een huisknecht bij zich, die hij Duren (naar zijn geboorteplaats) noemde. Duren was vroeger in Suriname een slaaf geweest en kennelijk door de dominee bevrijd of misschien zelfs vrijgekocht. Omdat Kals geen vast inkomen had, kon hij zijn ‘foetoe-boi’ niet meer onderhouden. Daarom ging Duren over in dienst van de Bossche gouverneur, de prins van Holstein.
Opmerkelijk was, dat toen pas bleek dat de advokaat van indiaan en neger zijn eigen huisgenoot Duren niet had gedoopt. Daar kwam verandering in. De gouverneur stuurde Duren naar katechisatie en kennelijk leerde hij vlug, want al binnen een jaar zou hij gedoopt worden.
Duren gaf zich bij de kerkeraad aan als iemand, afkomstig uit het Afrikaanse Angola! Hij wist zeer zeker dat hij geboren was in Suriname, maar hij had daar gehoord dat in Angola de jongeren veel eerbied hadden voor de ouden van dagen. Duren besefte kennelijk dat daar zijn roots lagen. Op 5 januari 1742 werd hij in de Sint-Jan – die toen in hervormde handen was – gedoopt. Duren kreeg toen ook een andere naam; voortaan Kristiaen Steinholt. Enkele dagen later werd hij tevens ingeschreven in het lidmatenregister.
In het doopboek van de Nederlands Hervormde gemeente kwam te staan: Gedoopt door de Prof. Clemens een swarte uit Angola, in dienst van zijn Hoogheid Antoni G. Prins van Holstein, gouverneur alhier, die als Gevader (= peetvader) over den doop heeft gestaan, gepresenteerd door den Heer Daniel Mobachius Quaat, M.D. en Prof. in de Illustere School, mitsgaders Oud-scheepen dezer stadt. Hij is genoemd door zijn Hoogheid Kristiaen Steinolt.
Drie dagen later wordt hij officieel lidmaat en in de notulen van de Kerkeraad lezen we daarover: die Moor (een veel voorkomende naam in de 18e eeuw voor Afrikanen en Surinamers) is door dominee Clemens gedoopt en is nu ingelijfd in deze christelijke gemeente.
Brabants Dagblad donderdag 15 november 1990
Bossche Encyclopedie | A.F.A.M. (Ton) Wetzer © 2003-2013 versie 9.0

Theodor Cordua (1796-1857)

Tags

, ,

Von Mecklenburg nach Uebersee, Mitteilungen aus meinem Leben als Kaufmann und Reeder 1796 bis 1857. 

Theodor Cordua verliet zijn geboortestad Lübeck (Duitsland) in 1820 en zeilde via Amsterdam naar Paramaribo. Zijn doel was om een voorraad glaswerk die hij meebracht in Paramaribo te verkopen en om zich daar als koopman te vestigen. Omdat Cordua een dagboek bijhield kunnen we nu, bijna honderd jaar nadat hij voor het eerst voet op Surinaamse bodem zette, een beeld krijgen van het leven in Suriname in de eerste helft van de 19e eeuw.

cordua in denver

Theodor Cordua, 2e van rechts

Cordua beschrijft hoe slaven vanuit Afrika in kleine schepen naar de kolonie werden gebracht. Na aankomst werden de slaven in de rivier gewassen. Daarna werden ze gedroogd en ingesmeerd met olie of vet, zodat ze er goed en gezond uitzagen. Moeders werden gescheiden van hun kinderen en echtgenoten van hun vrouwen. Sterke mannen en vrouwen werden verkocht aan de plantages en de overigen kwamen in de stad terecht. Mannen en vrouwen werden over het algemeen verkocht voor fl. 600,- a 700,-. Cordua verbergt zijn empathie met de slaven niet en is kritisch over het gedrag van de Europeanen in Suriname.

cojo mentor present klein

Er spelen zich hartverscheurende taferelen af, zo vertelt Cordua. Dergelijke omstandigheden zorgen ervoor dat slaven elk menselijk gevoel verliezen en daden begaan die vervolgens leiden tot straffen die we alleen kennen uit de donkere middeleeuwen. Zo is hij ooggetuige van de executie van Codjo, Mentor en Present die op gruwelijke wijze aan hun einde kwamen. Zij hadden in 1832 brand gesticht die een groot deel van de stad in de as legde. Ook vertelt hij het verhaal van een mooi 17 jaar oude mestieze meisje dat gewurgd is terwijl ze was vastgebonden aan een paal. Zij had geprobeerd haar meester met loodwit te vergiftigen. Deze man, Van Ham genaamd, was bijzonder goed voor zijn slaven. Hij had in zijn testament vast laten leggen dat alle slaven die hem dierbaar waren, waaronder ook de jonge mestiezin, na zijn dood hun vrijheid zouden verkrijgen. Maar de jonge slavin wilde graag trouwen maar dat was voor slaven verboden. Daarom probeerde ze haar meester, die al behoorlijk op leeftijd was maar nog niet wilde sterven, een handje te helpen.

Cordua kreeg kinderen met de gekleurde Katharina Höft, een creoolse Surinaamse die hij omschreef als ‘mijn goede trouwe vrouw’. Als hij na een verblijf van meer dan 20 jaar Suriname weer verlaat blijven zijn drie jongste kinderen en vrouw achter. Zijn drie oudste kinderen had hij al eerder naar Europa gestuurd om daar te studeren.

Carl Haarnack

zie ook:

http://www.corduan.com/images/Ted_Cordua_Memoirs.pdf

Toe – tron feifitentin na toe. Tori vo da Santa Bybel – boekoe

Tags

, , ,

Toe – tron feifitentin na toe. Tori vo da Santa Bybel – boekoe, vo gebruike dem na hoso en na skolo.  Nanga foeloe pikin printje. Calw: F. Steinkopf, 1852.

Wie Surinamica verzamelt doet er goed aan te beginnen met oude boeken en prenten. Boeken uit de 18e of 19e eeuw die betrekking hebben op Suriname zijn vrijwel onvindbaar geworden. Zo af en toe duikt er iets op bij antiquaren of veilingen maar dit is slechts mondjesmaat. Suriname is, voor wat betreft de totale hoeveelheid boeken die er in de loop der eeuwen over zijn gepubliceerd, natuurlijk een relatief klein gebied. Er is groeiende belangstelling voor boeken uit de Surinaamse bibliotheek. Niet alleen van verzamelaars en bibliotheken in Suriname en Nederland maar ook in de rest van Europa en de VS. De afgelopen jaren is het besef gegroeid dat Suriname een bijzondere plaats inneemt als het gaat om de Europese expansie in de Nieuwe Wereld en de Afrikaanse- en joodse diaspora  bijvoorbeeld.

Toe – tron feifitentin na toe. Tori vo da Santa Bybel – boekoe (1852)

Boeken zijn kwetsbaar en vergankelijk, zeker als ze bloot worden gesteld aan de klimatologische omstandigheden in de tropen. Een goed voorbeeld daarvan is dit bijzondere boekje: Toe-tron feifitentin na toe tori vo da Santa Bybel-boekoe, vo gebruike dem na hoso en na skolo : nanga foeloe pikin printje. Calw: F. Steinkopf, 1852. In 2006 kocht ik dit boek bij Antiquariaat Peter Hassold in Dinkelscherben. Dinkelscherben is een dorpje onder de rook van Augsburg (Beieren) dat ergens tussen Stuttgart en München ligt. Op mijn vraag aan de antiquaar of hij misschien ook boeken over Suriname had antwoordde hij ontkennend. Maar na lang peinzen vertelde hij me dat hij wel iets had in één of andere ‘Afrikanische Sprache’. In de omschrijving in zijn catalogus stond dit boekje als volgt vermeld:

Roter Leinwand der Zeit mit reichem Goldschmuck. Gut erhalten. 2 mal 52 Biblische Geschichten mit vielen Abbildungen in Holzstich. Übersetzung in eine Afrikanische Sprache. Das schöne Buch in sehr gutem Zustand, mit Buchschnitt in Gold. 16,5 x 11 cm. VI, 284 S.

Aspirant-kopers van antieke boeken en prenten doen er goed aan altijd ‘cool’ te blijven om zo de prijs van de te aan te schaffen objecten niet onnodig op te drijven. Maar toen ik dit boekje open sloeg en las tori vo da Santa Bybel-boekoe, vo gebruike dem na hoso en na skolo’ en toen ook nog het jaar 1852 zag staan, moet ik merkbaar even naar adem gehapt hebben. Dit was een bijbel-boekje met 52 vertellingen en afbeeldingen (houtsneden). Deze oorspronkelijke Duitse teksten waren niet vertaald in één of andere Afrikaanse taal maar in het Sranan Tongo. Er zijn sowieso weinig publicaties in het Sranan Tongo van vóór 1900 (vrijwel allemaal gerelateerd aan de Evangelische Broedergemeente) maar zulke vroege teksten hebben eigenlijk allemaal grote museale-, taalwetenschappelijke- en bibliofiele waarde.

Titelblad

In de belangrijke Bibliographie de Négro-Anglais de Surinam (avec une appendice sur les langues creoles parleesa l’interieur du pays)  van Jan Voorhoeve en Antoon Donicie (KITLV Bibliographical Series 6, Martinus Nijhoff, 1963) vinden we een beschrijving van dit boek. De auteurs geven met een asterisk (*) aan dat zij dit boek niet in handen hebben gehad (‘pas eu en mains’). Dat is heel begrijpelijk want als we nu vijftig jaar later naar deze titel zoeken in de bibliotheken over de hele wereld dan blijkt dat we één exemplaar vinden van de 1852 editie in de Staatsbibliotheek in Berlijn. Daar wordt het aangemerkt als ‘Preussischer Kulturbesitz’. In de British Library in Londen vinden alleen een exemplaar van een latere editie uit 1856 (onder vermelding van het trefwoord ‘Negro-English’). Maar in Nederlandse bibliotheken vinden we alleen bij de bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden een exemplaar van een nog latere editie uit 1865. Ook de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam heeft alleen één exemplaar van 1865 editie. Zelfs in Suriname konden we geen enkel exemplaar traceren

calwCalw

Het boek was een geschenk van het “Calwer Verlagsverein”. Calw is een mooie kleine stad,  vlakbij Stuttgart. Calw is de geboortestad van Hermann Hesse. Aan het hoofd van de Calwer Verlagsverein stond dr. Barth. De tekst werd in het Sranan Tongo vertaald door de missionaris Cranz. Het boekje verscheen in een oplage van 1000 exemplaren. Wüllschlagel schrijft in het tijdschrift West-Indië (1856) dat ‘de geheele oplage, daar de prijs zeer matig was (25 cents), in veel minder dan een jaar uitverkocht was’. Het boekje was vooral bedoeld voor missionarissen om de Creoolse bevolking van Suriname te onderwijzen in het christendom. Dat betekende dat het papieren boekje regelmatig werd gebruikt voor voorlezing en studie. De exemplaren die aan slijtage door het intensieve gebruik en de geseling door het tropenklimaat wisten te ontsnappen waren die exemplaren die in Europa door bibliofielen werden gekoesterd. Veel van deze boekjes zullen in de loop der jaren ook gewoon zijn weggegooid. In Europa kon vrijwel niemand het lezen.  In Suriname beginnen we nu pas de belangrijke rol te begrijpen die dergelijke teksten in het Sranan Tongo bij de emancipatie van de slaven hebben gespeeld. Het exemplaar uit de Buku – Bibliotheca Surinamica collectie (aangeschaft dus in Dinkelscherben in 2006) is afkomstig uit de bibliotheek van de kroonprins van Hannover. Die zorgde goed voor zijn boeken. Het is gebonden in rood linnen met goudopdruk en goud op snee.

Carl Haarnack

Beautiful contemporary red linen binding with rich gilt decoration. Very good condition. 16,5 x 11 cm. 284 pages. This is one of my favorite books. Partly because it was printed in Calw, not too far from Stuttgart where I spent a few years. Calw is also the birthplace of Hermann Hesse, the German writer and poet. Another reason why this book is special to me is because the antiquarian bookseller recommended it to me saying it was a translation of religious texts translated into ‘some sort of African language’.  But, most importantly, books like this have played a major role in the emancipation of the Afro-Surinamese people.

Clearly this is a very early text (1852!) in Sranan Tongo, the lingua franca of Suriname. It contains 52 biblical stories from the Old Testament and 52 from the New Testament. With many woodcut illustrations. It is very very rare. It was published by F. Steinkopf  a well known bookseller and publisher in Stuttgart which still exists.

Jan Voorhoeve and Antoon Donicie have described this book in their in Bibliographie du Negro-Anglais du Suriname (1963). They stated that this book was made By Cranz. I believe my claim that this is a rare book is also supported by that fact that Voorhoeve and Donicie have marked this book with ‘pas eu en mains’. They haven’t had this book in their hands because it is almost impossible to find.

West-Indië: bijdragen tot de bevordering van de kennis der Nederlandsch West-Indische koloniën (1856)

Tags

, , ,

West-Indië: bijdragen tot de bevordering van de kennis der Nederlandsch West-Indische koloniën. Haarlem:  A.C. Kruseman, 1856.

Dit tijdschrift werd opgericht door C. van Schaick, H.C. Focke, Ch. Landré, C.A. van Sypesteyn en F.A.C. Dumontier. Zij bekleedden allen vooraanstaande posities in het maatschappelijke leven in Paramaribo halverwege de 19e eeuw en drukten hun stempel op het culturele klimaat van de hoofdstad. Cornelis van Schaick was een predikant uit Amsterdam die in 1852 naar Suriname vertrok. Hij publiceerde ook gedichten in de Surinaamsche Courant en was voorzitter van de vrijmetselaarsloge Concordia. Hendrik Charles Focke, geboren in Suriname, was advocaat en speelde ook een grote rol in het culturele leven van  Paramaribo.

Paramaribo Gouvernementsplein

Zo publiceerde hij in 1855 het Neger-Engelsch woordenboek. Landré was stadsgeneesheer en nam het initiatief De Koloniale Bibliotheek in Paramaribo op te richten. F.A.C. Dumontier was ook arts en hoofd van de Geneeskundige Dienst in Suriname. Cornelis Ascanius van Sypesteyn kennen we natuurlijk vooral als de latere gouverneur van Suriname (1873-1882). Hij voerde in 1876 de algemene leerplicht voor kinderen van zeven tot twaalf jaar in, 25 jaar voordat deze in Nederland werd ingevoerd.

west indie 2

Omslag tijdschrift West-Indië

De oprichters van dit tijdschrift hebben voor ogen ‘het heil, den bloei en den welvaart der kolonie te bevorderen’. Daarnaast hopen zij dat het vergoten van de bekendheid van Suriname er toe zal leiden dat degene die in ‘bekrompen omstandigheden’ in Nederland leven naar Suriname zullen komen om een beter leven te vinden. Het tijdschrift is breed van opzet, de artikelen van hoog niveau en zou best de vergelijking met het moderne tijdschrift OSO kunnen doorstaan.

Mission kind

Wullschlägel, hoofd van de Evangelische Broedergemeente (EBG), schreef ‘Iets over de Neger-Engelse Taal en de bijdragen tot hare ontwikkeling en literatuur.’ “De Neger-Engelsche taal wordt gewoonlijk voor zeer arm gehouden”, zo schrijft hij. Hij is het daar echter niet mee eens. Wullschlägel: “In het gewone leven weten de Negers zich vloeiend en bondig genoeg uit te drukken, dikwijls met verrassende naauwkeurigheid, somtijds zelfs korter en kernachtiger dan wij Europeanen.” Waardevol is zijn beschrijving van de belangrijkste gedrukte teksten van EBG zendelingen. Deze Moravische broeders begonnen met het vertalen van bijbelteksten in het Sranan Tongo en vervolgens met het leren lezen en schrijven aan de Creoolse bevolking van Suriname. Dit was voor groot belang voor de emancipatie van de zwarte bevolking van Suriname die nog in slavernij leefde.

???????????????????????????????

Focke schreef het artikel ‘De Surinaamsche negermuzijk’. Focke is niet overal even complimenteus over de muzikale kwaliteit van de ‘op Surinaamschen bodem overgeplanten Afrikaan’. Het gezang verdient nauwelijks deze naam en is volgens hem bijzonder eentonig. Toch moeten we dit ongenuanceerde oordeel maar door de vingers zien want we krijgen er een prachtige beschrijving van zang, muziek en dans voor terug. Zo heeft hij maar liefst vier pagina’s met tekst en muziekbalken opgenomen. Hier zou een Surinaamse musicoloog toch van moeten gaan watertanden? Deze Banja-zang begint met:

“Arabi, na Pambo ben sennni njoesoe (2x). Soesoe tei! No broko hatti o: alla joe kondre de na reti ka-ba”. 

Focke: “De vrouwen vormen het koor; eene harer is de trokí-man, d.i. de toongeefster. Zij zingt de strophe eerst alleen en vervolgens herhaalt het koor het door haar gezongene, en zoo gaat het honderde malen voort…. De zangsters schudden met de Sakà’s en geven daarmede de achtsten der maat aan, of rammelen met de Joro-joro. Ook wuiven zij met doeken, en zijn daarbij in eene voortdurende golvende of heen en weer zwaaijende beweging, wanneer zij namelijk niet dansen. Het dansen geschiedt paarsgewijze, meestal één man en ééne vrouw te gelijk, bij welke zich nu en dan een derde, hetzij man of vrouw, voegt, om de dansenden eens aan te moedigen of een bewijs van goedkeuring en toejuiching te geven, en dan weder onder de omstanders terug te keren.”

???????????????????????????????

Titelblad West-Indië

Andere artikelen gaan over landbouw, de kolonisatie pogingen, geneeskunde, voeding en taalkunde. Zo vinden we stukken over o.a. de Arrowakken, de geschiedenis van de Hervormde Kerk, lepra in Suriname, over De La Condamine in Suriname, houtsoorten, slangen, suikerfabricage, pinda, en nog veel meer. Het tijdschrift kende ook interessante rubriek ‘Boekaankondiging’ waar nieuw verschenen boeken werden besproken. In de rubriek ‘Aantekeningen’ was ruimte voor vragen van lezers en mededelingen en opmerkingen. In de rubriek ‘Berigten’ lezen we bijvoorbeeld dat aan de monding van de Warappa-kanaal de plantages Bremen en La Rochechateau en een militaire post en stuk van plantage Alsimo zijn weggespoeld.

West-Indië: bijdragen tot de bevordering van de kennis der Nederlandsch West-Indische koloniën heeft maar korte tijd bestaan. Tussen 1854 en 1858 verschenen acht afleveringen. De exemplaren die zich bevinden in de collectie Buku Bibliotheca Surinamica zijn gebonden in twee banden met op het titelblad 1856 en 1858. Maar in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bevinden zich exemplaren die gebonden zijn met de jaartallen 1855-1858. Van 19e eeuwse boeken is het al bijzonder als we ze anno 2013 nog op onze boekenplank hebben staan maar voor tijdschriften (en kranten) is dat bijna onmogelijk. Vandaar dat dit 19e eeuwse tijdschrift uitermate zeldzaam is. Het is aannemelijk dat vrijwel alleen de ingebonden exemplaren de tand des tijds hebben doorstaan. Bijzonder aan de exemplaren in de Buku – Bibliotheca Surinamica collectie is dat deze uit de bibliotheek van C.A. van Sypesteyn afkomstig zijn. Van een gouverneur van Suriname mag natuurlijk wel verwacht worden dat hij netjes op zijn boeken, ons erfgoed, past.

Carl Haarnack

???????????????????????????????

De Boschnegers in de Kolonie Suriname. A.M. Coster (1866)

Tags

, , ,

De Boschnegers in de Kolonie Suriname: Hun Leven, Zeden en Gewoonten. A.M. Coster. Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië.  ‘s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1866.

Dit werkje van A.M. Coster telt slechts 36 pagina’s. Toch vormt het een belangrijke publicatie uit de Surinaamse Bibliotheek. Dat komt vooral door het feit dat de schrijver, A.M. Coster, ons een beeld schets van de wereld die hij met eigen ogen waarnam. Coster was bovendien een ingezetene van Suriname, niet iemand die slechts op basis van een kortstondig verblijf over Suriname schrijft. Hij was getrouwd met P. Abrahams die in januari 1862, volgens een advertentie in de Surinaamsche Courant, ‘voorspoedig bevallen is van een welgeschapen zoon’. Hij schrijft dat hij na ‘het plantageleven in de kolonie Suriname verlaten te hebben’ besloot om hout naar Nederland en België te sturen. In 1857 kocht Coster een houtzaagmachine die werd aangedreven door stoom op Combe. In krantenadvertenties adverteert hij met zijn ruime aanbod van planken van kopie-, wane-, ceder, bruinhart-, purperhart-, groenhart- en bolletriehout, dat gratis in de stad wordt bezorgd.

Bosnegers in Kolonie Suriname A.M. Coster 1866

Coster maakt deel uit van de joodse gemeenschap in Paramaribo. Hij is voorzitter van het ‘kerkbestuur der Nederlandsche Israëlitische gemeente’ in Paramaribo. Coster heeft zich ook verkiesbaar gesteld voor de verkiezingen voor de Koloniale Staten in 1856 maar kreeg slechts drie stemmen. Coster is overleden voor 12 januari 1872 omdat dan bekend wordt gemaakt dat de 250 akkers aan de Coppenamerivier, weer door het domein worden teruggenomen

Advertentie Surinaamsche courant  6 april 1865Advertentie Surinaamsche Courant 6 april 1865

Coster probeerde, zo schrijft hij, het vertrouwen van de ‘boschnegers’ te winnen door geschenken uit te delen en hen te laten delen van zijn drankvoorraden zoals wijn, bier, brandewijn, jenever en dram (‘inlandsche rum, zg. suiker-spiritus’). Aan de vrouwen en kinderen gaf hij vaak beschuit, koek of ‘eenige geldstukken’. Zonder enige bescheidenheid schept Coster op dat er voor hem geen enkele blanke was die zozeer het vertrouwen van de ‘boschnegers’ genoot: “Is er iets geheimzinnigs onder hen, dat ik gaarne wensch te weten, zoo zullen zij het mij op mijn verzoek dadelijk zonder eenige beschroomdheid mededeelen.”

Maar als we even deze dikdoenerij door de vingers zien dan blijf er een bijzonder aardig verhaal over de marrons van Suriname. Coster schrijft over hoe deze groepen zijn voortgekomen uit de slaven die van de plantages wegvluchtten. Hij schrijft over de wetgeving, wapens, huisvesting, zeden en gebruiken, voedsel, drank, feesten, godenrijk, huwelijksleven, deugden en ondeugden, ziekten, odo’s en vertellingen, reizen, sieraden en tatoeages. Dit alles gebeurt zonder de afstandelijke neerbuigendheid die vaak zo kenmerkend is voor 19e eeuwse reisverslagen. De ‘boschneger’ heeft, zo schrijft Coster, veel eerbied voor de ouderdom, zij zijn eerlijk, ze zijn niet lui maar werken onvermoeid wanneer het moet en ze zijn gul. Coster ondernam vele reizen naar de binnenlanden en verbleef o.a. in de marrondorpen Sparri Passi en Manjaondro als gast van Kwassi Jenni. Zijn nauwe contacten met de marrons hebben natuurlijk een belangrijke rol gespeeld in zijn beschrijvingen. Die contacten beperkten zich niet tot het binnenland. Zo trok een Aucaanse vrouw, na het overlijden van haar man, in bij Coster en zijn vrouw in Paramaribo. Toen een granman in het binnenland kwam te overlijden bleef zijn echtgenote ook bij het gezin van  Coster wonen, zo schrijft hij. Zij verrichtte allerlei huishoudelijke diensten maar ‘weigert uit liefde voor ons elke geldelijke belooning’.

Advertentie De Kolonist 4 februari 1866

Advertentie uit De Kolonist, 4 februari 1866

Ook de litho (steendruk) die de tekst begeleidt draagt bij aan het bijzondere karakter van deze publicatie (zie illustratie). De litho werd gemaakt door Wed. E. Spanier & Zn. in Den Haag. Er bestaan tenslotte maar weinig 19e eeuwse afbeeldingen van marrons in Suriname. Deze prachtige ingekleurde litho behoort zeker tot de fraaiste.

Carl Haarnack

Geschiedenis der kolonie Suriname (1791)

Tags

, , , ,

Geschiedenis der kolonie Suriname. Geheel op nieuw samengesteld door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen aldaar.  Amsterdam – Harlingen:  Allart Van der Plaats, 1791.

synagoge

Eén van de belangrijkste boeken over de geschiedenis van Suriname verscheen in 1788, in het Frans geschreven, onder de titel Essai historique sur la colonie de Surinam. Het werd geschreven door een gezelschap van geleerde joodse mannen in Suriname bestaande uit S.H. Brandon, M.P. de Leon, S.J.V. de la Parra en J. de la Parra en David de Ishac Cohen Nassy. Deze Nassy, geboren op de Joden Savanne in 1747, was eigenaar van de koffieplantage Tulpenburg en de belangrijkste auteur van dit boek. In 1776 echter moest hij om schuldeisers te ontlopen naar de Jodensavanne vluchten waar hij secretaris van de Sefardische gemeenschap werd. In 1791 verscheen de Nederlandse vertaling die als titel mee kreeg Geschiedenis der kolonie van Suriname.

jodensavanne collectie Edwin van Drecht

     Gesigt van de Jooden Savane, in de Colonie van Surinamen                                    (collectie  Edwin van Drecht – Amsterdam)

Voor wie de essentie van Suriname in de 18e eeuw wil begrijpen is dit boek een must. Volgens Nassy telt de stad Paramaribo slechts tweeduizend blanke inwoners waarvan er meer dan de helft joods is (615 Portugese joden en 430 Duitse joden). Daarnaast zijn er zo’n 650 mulatten en ‘vrije negers’ in de stad, terwijl de hoeveelheid slaven ca. 50.000 bedraagt. Eén van de belangrijkste vragen die men zich bij de bestudering van de geschiedenis van Suriname moet stellen is hoe het mogelijk was dat zo weinig Europeanen zoveel slaven van Afrikaanse komaf onder de duim konden houden. Dat systeem kon natuurlijk niet alleen maar door repressie en onderdrukking standhouden. Er waren ook Afrikanen die het systeem actief ondersteunden. Zo werd er in 1772 werd het ‘korps der vrygemaakte Negers’ opgericht. Dit korps, bestaande uit tweehonderd man, bestond, zo schrijft Nassy, uit de beste slaven die gekocht waren van alle plantages in de kolonie. Voor een kleine bezoldiging en andere voordelen namen deze vrijgemaakte slaven succesvol deel aan de tochten om tegen de weggelopen slaven te vechten.

Joodse_mannen2

Nassy, die later zelf de titel van doctor medicinae zou verwerven, vraagt zich af waarom men in Suriname niet meer gebruikt maakt van de grote kennis van geneeskundige planten bij de Afrikanen. Want als deze ‘houten en kruiden’  in handen zouden komen van ervaren geneesheren zou er een ‘schat voor het menschdom’ van te maken zijn. Rond 1782 keert Nassy weer terug naar Paramaribo waar hij een apotheek begint. In 1806 overlijdt hij en wordt hij begraven op de Jodensavanne.

synagoge3

De Geschiedenis der kolonie van Suriname van Nassy is naast Stedmans Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam (1796) het belangrijkste boek over de geschiedenis van Suriname.  Het is een uitermate zeldzaam boek. In 2004 brachten de originele Franse editie en de eerste Nederlandse editie op een veiling bij Sotheby’s in New York gezamenlijk US$18.000,– op.

Carl Haarnack

Joodse_mannen

Gesmokkelde slaven

Tags

, , , ,

Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën, bijzonder betrekkelijk de vrijlating der slaven. Utrecht : C. van der Post, 1844-1847.

slave chains

In 1844 werd het tijdschrift ‘Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën bijzonder betrekkelijk de vrijlating der slaven’ opgericht. Een groep notabelen rond de advocaat en hoogleraar mr. Jan Ackersdijk (1790-1861) pleitte onder invloed van Engelse abolitionisten voor afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën. Het tijdschrift kende maar vier jaargangen en moest door gebrek aan lezers in 1847 worden opgeheven.

Jan Ackersdijck2

Het debat over de afschaffing van de slavernij kwam in Nederland maar moeizaam en laat op gang. Met name onder druk van Engeland werd in 1818 een verdrag met Engeland gesloten om de illegale handel in slaven te bestrijden. Maar door hebzucht van de Nederlandse regering en door corruptie werd zeker tot halverwege de 19e eeuw hier de hand mee gelicht.

In de eerste jaargang van het tijdschrift wordt o.a. aandacht besteed aan het gesjoemel met slaven. Het Gemengde Gerechtshof in Paramaribo moest toezien op naleving van het verdrag tussen Nederland en Engeland dat de slavenhandel verbood en de smokkel van slaven moest tegen gaan. Zij was bevoegd om slavenschepen in beslag te nemen en de slaven vrij te laten. In 1823 werd een slavenschip Las Niveas voor de kust van Suriname in beslag genomen en naar Paramaribo opgebracht.  Aan boord waren 49 slaven waarvan enkelen zeiden uit Sierra Leone te komen anderen uit St. Helena. De slaven werden weliswaar verklaard vrij te zijn maar werden door het koloniale bewind nog twintig jaar als slaven te werk gesteld.

La Legere

La Légère, bij de tewaterlating bij Duinkerken op 16 maart 1797 

Eveneens in 1823 werd een schip dat onder Franse vlag voer, La Légère, onderschept. Hoewel de gouverneur de toezegging deed de slaven hun vrijheid te geven werden zij naar de Gouvernementsinrichtingen vervoerd. De meesten van hen werden te werk gesteld op de houtgronden aan de Coppename rivier. Geschat wordt dat er sinds het verdrag van 1818 zo’n 700 à 800 Afrikanen door het Gouvernement in slavernij gehouden worden.

Uit onderzoek*) weten we dat Francina Arnhem afkomstig was van de brik La Légère. Zij vormt een uitzondering op deze groep slaven. Zij komt voor in de manumissie-registers. Francina had kinderen en leefde samen met de in 1834 gemanimuteerde Richard Spaarzaam aan de Gemeenelandsweg in Paramaribo. In 1863 ontving Francina (‘die lezen noch schrijven kon en met een kruisje ondertekende’) 300 gulden als schadeloosstelling bij de emancipatie in 1863 voor de 26 jarige slaaf Charles (deze kreeg de naam Charles Richards).

GemeenelandswegGemeenelandsweg, Paramaribo (1900)

De Surinaamse geschiedenis is gecompliceerd en vaak bizar. Mede dankzij publicaties als dit tijdschrift worden we daar aan herinnerd. Dat de overheid een dubbelrol speelde bij de bestrijding van illegale slavenhandel vraagt om verder onderzoek.

Carl Haarnack

*) Onderzoek van Okke ten Hove

Bijdrage tot de kennis der Kolonie Suriname. W.H. Lans (1842)

Tags

, ,

Bijdrage tot de kennis der Kolonie Suriname. W.H. Lans. ’s Gravenhage: Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten, 1842.

Over het leven van W.H. Lans is niet veel bekend. In de Surinaamsche Almanak voor het jaar 1842 wordt hij genoemd als Kurator en Weesmeester van het Departement der Onbeheerde Boedels der Weezen. Daarbij staat vermeld dat hij zich met verlof in Nederland bevindt. Lans is eerder langere tijd uit de kolonie geweest. Uit een bericht van de Gouvernements Secretarie van 28 juni 1828 wordt melding gemaakt van een speciaal verlof voor Lans voor een periode van twaalf maanden voor verblijf in het buitenland.

In zijn voorwoord schrijft Lans dat hij vierentwintig jaar met de kolonie bekend is en gedurende die tijd enige jaren in Europa heeft vertoefd. Met zijn boek doet hij een poging ‘den lande nuttig te zijn’ en mengt zich in wat toen de ‘Surinaamsche quaestie’ heette. Eén van de belangrijke vraagstukken daarbij was hoe de kolonie vooruit te helpen. Tussen neus en lippen door stelt Lans dat de blanken wel tussen de keerkringen kunnen leven maar, vanwege het klimaat, niet werken. De indianen zijn vrijwel uitgestorven dus moet volgens Lans het ‘negerras’ het vruchtbare land bewerken. Voor wat betreft verstandelijke vermogens staan zij ver onder de Europeaan. Zo zullen de ‘boschnegers’ als zij geld verdiend hebben dit slechts gebruiken voor opschik zoals ‘fraaije glansrijke hoeden, parapluies, zelfs lakensche rokken en zwarte zijden broeken.’ Deze lieden zijn, zo schrijft Lans, ‘gewoonlijk zeer listig en en vol kwade trouw’. Er bestaat bij de slaven ook groot wantrouwen en haat jegens de ‘boschnegers’.

De vrije bevolking bestaat volgens Lans uit Europeanen, de in de kolonie vrij geborenen (‘van alle kleuren’) en de gemanimuteerden. De eerste groep bestaat uit ambtenaren, militairen en kooplieden. Allen hebben ze gemeen dat ze het voornemen hebben weer teug te keren naar Europa. De tweede groep is het grootst. Onder hen bevinden zich ook plantage-eigenaren maar ook velen die leven zonder middelen van bestaan. Lans geeft een voorbeeld van twee gezonde jonge mannen die in hun hangmat luieren: “Wij zijn zelven dood arm, wij hebben niets om te geven, en zelfs geen bananen om te eten.” Op de vraag waarom hun tuin verwilderd is antwoorden zij: “Wel, omdat wij geene slaven bezitten.” Het bewerken van het land wordt gezien als slavenarbeid.

Lans geeft ook adviezen over hoe de opbrengsten van de plantages verbeterd kunnen worden. Maar ook gaat hij in op de vraag waarom het aantal slaven jaarlijks afneemt. Dat heeft volgens hem niets te maken de klimatologische omstandigheden waaronder de slaven hun werk moeten doen maar met hun arbeid, de huisvesting, voeding, medische zorg en de straffen. Maar Lans stelt dat het werk van de slaven minder zwaar is dan dat van de Europese arbeiders. Ook de zweepslagen hebben volgens hem geen nadelige invloed op de gezondheid. De huisvesting van de slaven laat zeer te wensen over en men ziet er op de houtgronden ‘niets dan ellendige hutten’ waarin zijn aan wind en regen worden blootgesteld. Dit heeft in de eerste plaats te maken met de onachtzaamheid en onverschilligheid ‘der meeste negers’, stelt Lans. Uit eigen beweging doen zij ‘niets om hun huiselijk leven gemakkelijk, gezond en aangenaam te maken’: “Dit is hun aard; zij zorgen niet voor de toekomst.” Het voedsel heeft twee grote gebreken: het is bijna geheel plantaardig en kent weinig variatie. Dit is volgens Lans de belangrijkste reden voor de achteruitgang van het aantal slaven. Ook het overvloedig gebruik van dram (‘een zoopje’ = sopi, ch)  is schadelijk voor de gezondheid. Vooral de in de stad wonenende slaven kunnen vanwege de lage prijs zich in de vele kroegen of verborgen schenkhuizen zich ‘smoor zat’ drinken.

Los van de verwerpelijke ideeën van Lans over de gekleurde bevolking van Suriname doet hij een serieuze poging de economische problemen van de kolonie vanuit Surinaams perspectief te bespreken. In veel 19e eeuwse literatuur over Suriname is het dominante perspectief Nederlands.

Carl Haarnack

Die Negerin in Guayana (1841)

Tags

, , , , , ,

Die Negerin  in Guayana. Eine Geschichte aus dem nördlichen Südamerica. Der gesammten edleren Lesewelt, besonderes aber der reiferen Jugend. Erzählt  von dem Verfasser der Beatushöhle. Mit einem Stahlstiche. Regensburg, 1841. Verlag von G. Joseph Manz.

In de historische werken uit de Surinaamse bibliotheek kunnen we een onderscheid maken tussen de boeken van schrijvers die Suriname bezocht hebben en zij die hun fantasie hebben uitgeleefd. Die Negerin in Guayana hoort in die laatste categorie thuis. Wilhelm Bauberger (1809– 1883) was behalve arts ook een beroemd schrijver. Op zijn negentiende debuteerde hij met Die Beatushöhle. Daarmee oogstte hij zoveel roem dat bij zijn al latere werken de auteursnaam werd weggelaten en volstaan werd met ‘maker van Die Beatushöhle.’

Frontispiece Die Negerin in Guayana (1841)

Die Negerin in Guayana gaat over Blanca, een slavin op de plantage in Suriname. Het opperhoofd van de indianenstam, de Guaraunos, heeft gezworen wraak te nemen op Blanca. Deze Huaracriou, bijgenaamd De Gele Slang, had geprobeerd Blanca over te halen te vluchten van de plantage. Het lot van de vluchteling is, zo stelt hij, draaglijker dan dat van de gevangene. Hij beloofde haar te beschermen tegen de blanke vijanden die haar uit Afrika hadden geroofd. Maar Blanca antwoordt dat ze liever de ketenen van de slavernij draagt en vertrouwt op God. De god die Huaracriou niet wil kennen. Ze stelt dat haar meester een milde planter is die goed is voor zijn slaven. Huaracriou zweert de smaad die hem is aangedaan te wreken. Hij zal als Blanca ooit een zoon zal baren en wanneer deze zonder de zorg van zijn moeder kan, haar door een giftige pijl doden.

Guaraunos indianen (Venezuela)

Blanca krijgt een zoon met een Albino en als deze zelfstandig wordt komt Huaracriou inderdaad om haar te doden. Maar de aanslag mislukt. In een vergadering met stamoudsten wordt besloten tot een list. Als er op de plantage waar Blanca slavin is een feest wordt gehouden steelt Huaracriou een kostbare ketting en een ebbenhouten kistje van de vrouw van de plantage eigenaar. Dat verbergen ze vervolgens onder de hangmat van Blanca en bedekken het met bladeren. Huaracriou gaat vervolgens bij de gouverneur in Paramaribo langs en vertelt dat hij gezien heeft dat een slavin het kistje heeft gestolen op de plantage. Gerechtsdienaren van de gouverneur doorzoeken slavenhutten. Ze vinden natuurlijk het kistje bij Blanca. Die wordt met de handen op de rug gebonden en naar Paramaribo afgevoerd.

Op diefstal staat de doodstraf. Dan volgt een interessant anti-koloniaal verweer als Blanca zegt: “Waarom bestraffen jullie jezelf niet met de dood? Wij slaven zijn gestolen waar. Men heeft ons geroofd in ons vaderland (“Ihr aber habt uns gekauft, und verdienet darum den Tod nach euren eigenen Gesetzen).”

Die zal worden voltrokken door een beet van de gele slang. De gouverneur stuurt zijn manschappen naar Huaracriou’s stam met het verzoek met een gele slang naar de stad te komen. Blanca’s zoon weet inmiddels dat de bladeren en bast van een bepaalde struik (Bauberger noemt deze struik Quaco!) goed werken tegen de beet van de gele slang. Hij laat haar hier van eten. Als Huaracriou de gele slang op Blanca’s borst plaatst gutst het bloed al snel uit haar. Maar tien minuten later staat ze springlevend weer op. De bevolking is door het dolle heen. Huaracriou knielt voor Blanca neer en zegt: “Nu weet ik dat de God tot wie Blanca bidt de enige is en de ware die bescherming biedt”. Hij bekent de diefstal en biedt Blanca zijn tomahawk aan om hem te doden. Maar geheel in de 19e eeuwse christelijke traditie zegt Blanca: “Der gütige heiland hat gelehrt: Richtet nicht, damit auch ihr nicht gerichtet werdet!”

Blanca krijgt de vrijheid van haar meester die haar een stuk grond geeft met een huis. Daar leeft zij met Huaracriou die een vader wordt voor haar zoon. Zij zorgt als een moeder voor zijn zonen.

Die Negerin in Guayana is een interessant 19e eeuwse roman waarin de christelijke boodschap verbonden wordt met het goede meesterschap. De slaven krijgen christelijk onderricht en belonen de plantage-eigenaar met loyaliteit. Blanca is liever slavin dan vrij onder de heidense indianen. Het staat bol met vooroordelen over de wilde onbeschaafde indianen die wraakzuchtig en trots zijn. Bauberger heeft zijn beeld van de indianen gebaseerd op de literatuur die hem ter beschikking stond. Gezien zijn grote populariteit zal hij op zijn beurt wellicht voor vele generaties het beeld van ‘de indiaan’ en de slavernij in Suriname mede bepaald hebben.

Carl Haarnack

Titelblad Die Negerin in Guayana

Huis van Wilhelm Bauberger in Thannhausen (Duitsland)