Adriaan François Lammens (1767-1847)

Tags

, , , ,

Bijdragen tot de Kennis van de Kolonie Suriname. Tijdvak 1816 to 1822. Door Mr Adriaan François Lammens. Amsterdam: Vrije Universiteit,1982

Over de geschiedenis van Suriname is nog lang niet alles gezegd. Veel daarvan ligt nog verborgen in archieven, dagboeken, brieven en ongepubliceerde manuscripten. In het Surinaams Museum in Paramaribo worden in achttien banden de Memoires en onuitgegeven werken van Adriaan François Lammens bewaard. Mr Adriaan François Lammens (1767-1847) speelde een belangrijke rol in het koloniaal bestuur van Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Precies dertig jaar geleden (in 1982) werd een deel van het manuscript van Lammens door de Vrije Universiteit Amsterdam en het Koninklijk Institituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) gepubliceerd. Het werk van Lammens is een rijke bron van informatie over het leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Belangrijk hierbij is dat Lammens ook veel informatie geeft over het leven in de stad Paramaribo. Tot dan toe gingen de meeste verhandelingen meer over hetgeen zich op de plantages afspeelde.

Stadsplan Paramaribo ca. 1767 (Tirion)

Lammens was geen vluchtige bezoeker die, zoals veel van zijn voorgangers, een oppervlakkige beschrijving geeft van hetgeen hij om zich heen zag. Hij verbleef bijna twintig jaar (1816-1835) in Suriname en was er o.m. President van het Hof van Justitie en het Militaire Gerechtshof. Door tijdgenoten zoals Teenstra wordt Lammens omschreven als één der eerlijkste en verdienstelijkste ambtenaren van de kolonie. Hoewel hij natuurlijk deel uitmaakte van de elite die het systeem van de slavernij in stand hield was hij tegelijkertijd kritisch over de uitwassen er van. Hij veroordeelt de onbetamelijke en wrede wijze waarop sommige eigenaren hun slaven behandelen. Lammens wijst bijvoorbeeld op het doodschieten van een slavin door directeur Balfour van plantage Berlijn die daarvoor ‘aan het zwaard der gerechtigheid of aan de koord’ ontsnapte.

Plantage Berlijn

Het verval van de Kolonie komt door dat de gemaakte winsten naar Nederland worden doorgesluisd: “De Kolonie is als een melkkoe, welke men steeds melkt, en die men bijna niet te eten geeft.”  In zijn opvattingen over slaven onderscheidt hij zich niet van zijn tijdgenoten. De slaaf is traag en lui, zo stelt Lammens, maar zijn afkeer van werken heeft hij afgekeken van zijn meester. De negerslaaf “vormt het eenig werksaam deel der bevolking, in het belang van Nederland, zonder hen bestond de kolonie niet.”

In het eerste deel beschrijft Lammens de geografie van het land. Lammens heeft zelf ook deelgenomen aan tochten naar Nickerie, hij bevoer de Corantijn en de Marowijne. Interessant zijn ook de beschrijvingen van verschillende wandeltochten door en om Paramaribo. De weg naar de plantage Ma Retraite, met aan weerszijden Kombées of tuinen, is beplant met sinaasappelbomen, manjebomen, zuurzak en broodbomen. Van Ma Retraite loopt men naar de plantage Tourtonne waarvan men in een half uur weer in de Gravenstraat komt. Deze laan door een wild bos en is met hoge bomen beplant.

Nog interessanter wordt het als Lammens de bevolking van de kolonie onder de loep neemt. Zo beschrijft hij dat de blanke inwoners zich verre houden van de kleurlingen en met verachting op hen neerkijken. Zij stellen ‘den neger verre boven den mulat (kleurling, ch)’. De kleurling verenigt volgens de blanken de gebreken van blank en zwart. Dat is volgens Lammens niet alleen onstaatkundig maar ook dom (als de kleurlingen en de zwarte bevolking zouden samenspannen zouden de blanken geen schijn van kans hebben) en ongerijmt.

Blanke mannen wonen vrij samen met ‘vrouwen kleurlingen of negerinnen’. Vaak gebeurt dat onder het mom van ‘huishoudster’. In een land waar de middelen van bestaan beperkt zijn moet, zo stelt Lammens, ‘onderkruijping en afgunst’ een grote rol spelen. Dat Adriaan François Lammens zo’n fijngevoelig oog had voor de betrekkingen tussen blanken en kleurlingen is opmerkelijk. Ongetwijfeld heeft zijn huwelijk (na het overlijden van zijn eerste vrouw) met een kleurlinge daar een rol in gespeeld. Waarschijnlijk was zij een zuster van de bekendste 19e eeuwse Creoolse kunstenaar Gerrit Schouten.

Jeriman (uit: Benoit, Voyage a Surinam, 1839)

Op de de markten en ‘wooijwooijen’ (wojo, ch) worden groenten, vruchten, vis en vogels aangeboden. Maar er zijn ook vrouwen die langs de deuren hun waren uit venten. Het gaat hierbij om snuisterijen, droge provisie, gebak, zeeschilpad (calpé). De slavinnen zijn er zeer op gesteld om als uitvenster (Jeriman) te werken want dan kunnen ze langs de straten wandelen, elkaar bezoeken en praatjes maken.

De slaven zijn ‘vol bijgelovigheden’, zegt Lammens. Zij beschouwen het als een ongeluk wanneer bosganzen ’s nachts over het hoofd vliegen. Men mag als men op de rivier vaart niet naar de naam van de plantage vragen die men voorbij vaart. Daarvan krijgt men ‘kras water’. Ook hebben de slaven veelal een treeft. Het is hun dan verboden bepaalde zaken te eten of aan te raken. Voor sommigen is de schildpad treeft, voor anderen, vlees van een hert of de pingo.

Stadsslaaf (uit: Benoit, Voyage a Surinam, 1839)

Het zichtbare onderscheid tussen slaven en vrijen is dat slaven geen schoeisel mogen dragen. Veel slaven gaan naakt door het leven en bedekken alleen de schaamdelen met een kamies. Soms draagt ‘de neger’ een groflinnen genaamd ‘makka’ bestaande uit een kort rokje en een lange linnen broek. Maar meestal loopt hij zonder broek. Soms geeft men hem een ‘duffelsche rok zonder panden’ (regenrok).

De vrouwen dragen meestal zeer ruime lange rokken ‘welke zij boven de borst vastmaken, dat de gestalte misvormt en lelijk staat.’  Soms in combinatie met een los jak dat van voren open is. De borsten worden soms in een doek gevangen die achter op de rug is vastgeknoopt. Ook slaan ze wel eens een aantal doeken (paantjes) boven de heupen om het lijf. Om het hoofd hebben zij een doek gewonden. In plaats van braceletten dragen zij snoeren kralen om de armen. Aan de benen dragen zij die ook, net boven de enkel. Onder de knie draagt men een knieband.

In deze publicatie uit 1982 is slechts geput uit deel XIII, aangevuld met enkele passages uit de delen XII en XIV, van het werk van Lammens. Dat de overige delen ook waardevolle informatie bevatten over het politieke- en sociaal-culturele leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw laat zich raden. Nu,  bijna tweehonderd jaar na de aankomst van Adriaan François Lammens in Suriname, wordt het tijd om ook uit de overige delen te publiceren.

Carl Haarnack

 

verder lezen:

  • Adriaan François Lammens. Bedenkingen bij het lezen van het artikel: Koloniën, voorkomende in het 7de deel der bijdragen tot de huishouding van staat van G.K. Grave van Hogendorp. Amsterdam, G.S. Leeneman van der Kroe, 1824. Wrappers.
  • Dr. J. Voorhoeve, De Handschriften van Mr Andriaan François Lammens. Mededeling Surinaams Museum, no. 3. Overdruk uit Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 40, 1960. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff.
  • Jan Voorhoeve en Ursy M. Lichtveld, Suriname: Spiegel der vaderlandse kooplieden. Uitgeverij Martinus Nijhoff, Den Haag 1980 (2de herziene druk).
  • Marten Douwes Teenstra, De negerslaven in de kolonie Suriname. H. Lagerweij, Dordrecht 1842

De voeding van den Neger in Suriname

Tags

De voeding van den Neger in Suriname. Door G.J. Mulder. Rotterdam: H.A. Kramers, 1847.

Vaak ligt er een schat aan informatie verborgen in kleine onooglijke werkjes uit de Surinaamse Bibliotheek waarvan de meeste exemplaren de tand des tijd niet hebben overleefd. Dit boekje van G.J. Mulder (1802-1880) is daar een uitstekend voorbeeld van. Het telt slechts 36 bladzijden en bevat geen illustraties.

Mulder was arts in en werd later benoemd tot hoogleraar farmacie en chemie in Utrecht. Dit boekje schreef hij naar aanleiding van een vraag van de minister van Koloniën:  “Heeft de ‘Neger’ in Suriname voedsel genoeg aan de bananen en den visch, die hem wekelijks wordt toegediend?” Mulder bestrijdt de gedachte dat het niet uitmaakt wat men eet als het maar aan de smaak voldoet en de maag vult. De meeste mensen in de wereld hebben geen enkele keuze in wat zij eten. Er is voedsel dat de maag vult maar dat door gebrek aan eiwitten te arm is om als kracht voedsel te dienen: “Het hoofdvoedsel, aan den Neger toegediend, zijn bananen……”

Er volgt een chemische analyse van het voedende bestanddeel van de bananen; het bananenmeel. Dit bananenmeel bevat zoveel amylum (zetmeel) dat het te vergelijken is met rijst en aardappelen. Maar Mulder kent geen enkele voedingsstof die zo weinig eiwitten bevat als bananenmeel. Aan een Nederlandse soldaat wordt door de staat per etmaal minstens 100 ‘wigtjes’ (gram) eiwit voorgeschreven. Zou men iemand dezelfde hoeveelheid eiwit in bananenmeel willen voorschotelen dan zou deze 10 kilo per etmaal moeten eten. Die hoeveelheid kan de maag niet verdragen. Zou men ‘de arme Neger’ slechts 1 kg geven (in de praktijk was dat veel minder) dan zou deze 1/10e binnenkrijgen wat nodig geacht werd voor een man van middelbare leeftijd. Zelfs dat dit wordt aangevuld met gedroogde vis dan krijgt hij nog steeds slechts 2/5e van wat een soldaat in vestingsdienst voorgeschoteld krijgt. Nog erger is de situatie voor de kinderen die uitsluitend van bananenmeel leven. Er is in Suriname een hoog sterftecijfer onder kinderen, merkt hij op. Vele ‘Negerkinderen’, schrijft Mulder, komen om van gebrek terwijl er ‘geen enkele van de honger schreeuwt’.

Het woord slavernij komt in het hele boek niet voor. Mulder mengt zich niet in het debat over afschaffing van de slavernij dat in Europa plaatsvindt. Hij moet dan ook zeker niet als abolitionist worden gezien. Maar met zijn pleidooi voor beter voedsel voor de arme bevolking (lees: slaven) liet toch een afwijkend geluid horen. Mulder concludeert dat men in Suriname niet krijgt wat nodig is om met ‘lust en ijver’ te werken, voor kinderen om te groeien en vrouwen om gezonde en krachtige kinderen ter wereld te brengen. Het dieet moet gevarieerder en bananen dienen deels te worden vervangen door vlees, vis, tarwe, rogge en peulvruchten. Daaraan toevoegend: “Of de kleur der huid bruin of wit zij, doet hier evenmin iets af”.

Carl Haarnack

Jacques Salomon Samuels (1859-1939)

Tags

, ,

Schetsen en typen uit Suriname. Jacq. Samuels. St. Rafael Boekhandel, Paramaribo z.j. [ca. 1944].

Jacques Salomon Samuels (1859-1939) was onderwijzer van beroep. Zo was hij schoolhoofd op Berlijn in het district Para. Maar hij werkte later ook als boekhouder en goudhandelaar in Paramaribo. Dit boekje bestaat uit een bundeling van artikelen die hij in 1904 schreef voor het dagblad De Surinamer aangevuld met stukken die hij rond 1924 schreef voor het blad De Periskoop. Het verscheen vijf jaar na zijn dood.

Deze foto van de joodse familie Samuels dateert van ca. 1912. V.l.n.r.: Estelle, zittend Annie, dhr. en mw. Samuels, Erna op de arm van een Nene, een creools kindermeisje (Bibliotheca Rosenthaliana, Collectie S.A.Bruiijning. Amsterdam : Universiteitsbibliotheek Amsterdam. No. 98)

Samuels vertelt op een onderhoudende wijze over het alledaagse leven in Suriname in het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20e eeuw. Zo vertelt hij in ‘Mijn eerste begrafenis’ over het heengaan van de moeder van zijn nêné:

“In het huisje lag op twee schragen de kist, waarin nêné’s moeder, en daarom heen stonden de zoons en andere bloedverwanten van de overledene, met op de borst gekruiste armen, gebogen hoofd en neergeslagen oogen, als in diep gepeins verloren.”

Dragers tillen vervolgens de kist het huis uit. Voor de kist loopt de lijkbezorger in gala. De dragers , in getal zijn allen in het wit gekleed en hebben hoge zwarte hoeden op, zg ‘brouwers’. Achter de kist lopen de bloedverwanten van het mannelijke geslacht, de oudste voor op, twee aan twee. Allen dragen een ‘bradihatti’ (brede hoed) waardoor de gezichten bijna niet te zien zijn. Dan volgen vrienden, buren en de vrouwen die allemaal in het wit gekleed gaan. De vrouwelijke bloeverwanten dragen als teken van rouw op hun hoofddoek een klein in vieren gevouwen servetje gespeld en houden hun handen in een witte omslagdoek verborgen.

Dan beschrijft Samuels de ‘markeer den pas’: “… bij elke brug of bij elken omzwaai, is eene gelijkmatige verwisseling der voeten als bij het loopen, zonder dat de voorwaartsche beweging volgt, of zooals Boer Teunis het zou uitleggen: ‘met kleine stappen loopen zonder dat je loopt’.

“Bij lieden uit de volksklasse wordt de lijkkist veelal op een baar gedragen, door een zestal mannen in het wit, (rouwkleur) met een zwarten hoogen of ronden hoed op. Een bedienaar der begrafenissen in rok gaat vooraf. De statie wordt gevolgd door eveneens in het wit gekleede vrouwen. Bij het omgaan van een hoek loopen de dragers in sleependen tred en schuiven met de voeten over den grond; volgens oeroude opvatting zou hierdoor de kwade geest worden verjaagd. Intusschen bleef het gebruik in zwang.” (Onze West in Beeld en Woord. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1929)

Na acht dagen wordt er een dede oso gehouden. Er zijn veel gezichten te zien die niet op de begrafenis waren; ‘dédéhosotata’s’, piraten die elk sterfhuis bezoeken. Samuels noemt als voorbeeld ene Sjoeber, Pa Bréatora, Ba Sjaki en  Ba Priorie. De gasten worden rijkelijk voorzien van ‘gebakken koorn met pinda’, koek, chocola, koffie, brandewijn, jenever en likeur. Tussendoor worden anansitories verteld. Pas om vijf uur in de morgen wordt door de gasten afscheid genomen.

Jacq Samuels stamt uit een joodse familie en behoort tot de lichtgekleurde bovenlaag. Hij noemt zichzelf graag ‘bakra’. Een zeker elitarisme kan hem niet ontzegd worden, zeker als hij zaken beschrijft die niet behoren tot zijn ‘klasse’. Toch is hij voor ons een belangrijke chroniqueur van het gewone leven rond 1900.

Carl Haarnack

Swart in Nederland (intro)

Tags

, , ,

‘Swart’ in Nederland – Afrikanen en Creolen in de Noordelijke Nederlanden vanaf de middeleeuwen tot de twintigste eeuw

Carl Haarnack en Dienke Hondius

Door de eeuwen heen hebben veel zwarte mensen de Nederlanden bezocht. Ze verbleven  er voor korte of langere tijd. Vaak kwamen zij mee uit de Nederlandse koloniën in ‘de West’ of uit Afrika, als slaven of bedienden met hun meesters. Daarnaast waren er velen die als ‘vrije zwarten’ Nederland bezochten of er zich blijvend vestigden. Van een aantal personen zijn indertijd de levensverhalen opgetekend, of zijn portretten door kunstenaars gemaakt. In geschiedenisboeken of in musea zijn deze mensen nauwelijks te zien. Nederlandse archieven zijn vrijwel niet op dit thema ontsloten, maar recente zoektochten leverden telkens bijzonder materiaal op. Voor het schetsen van een vollediger beeld is het echter nog veel te vroeg.

Portretstudie van een zwarte bediende of muzikant (Cornelis Troost, 1747)

De grootste groep bestond uit slaven en bedienden. Daartegenover staat een – voorlopig nog – heel klein groepje van Afrikaanse gezanten die hier op diplomatieke missie kwamen. Verrassender is wellicht dat er ook een heel aantal vrije zwarten is geweest dat zich hier vestigde en een leven heeft opgebouwd. Vaak zijn zij bekend doordat ze met de rechterlijke macht van doen kregen. Dat was soms goedschiks, bijvoorbeeld bij manumissie (invrijheidstelling van slaven) of bij het vaststellen van testamenten. Soms was het ook kwaadschiks, omdat ze iets op hun kerfstok hadden. Wie echter niet in aanraking kwam met justitie, is voor ons moeilijker terug te vinden en dat levert natuurlijk een vertekend beeld op.

Jacobus Capitein was een ex-slaaf, die de slavernij verdedigde. Zijn studie theologie rondde hij in 1742 af met een werkstuk waaruit volgens hem bleek dat de slavernij niet in strijd was met de christelijke leer. 

Soms weten we ook van hun bestaan doordat we ze uit religieuze (christelijke of joodse) archieven kennen. Zo waren sommige zwarten waarschijnlijk joods toen ze in Nederland kwamen. Een heel aantal anderen werd toegelaten tot kerkgenootschappen, toen ze zich in Nederland lieten dopen. Uit de achttiende eeuw zijn de eerste aanzienlijke kleurlingen bekend die zelf voor een beperkte periode naar Nederland reisden,  en/of er hun kinderen lieten studeren. Uit het artikel hofleven van Esther Schreuder blijkt dat Afrikanen aan hoven vaak show- en theatrale functies hadden. Maar ook in het burgerlijke leven hadden ze die, zoals nog zal blijken.

Nijmeegse school Koning Balthasar ca. 1483 Olieverf op paneel, 40 x 24 cm Collectie Historisch Museum Arnhem, in langdurig bruikleen van het Rijksmuseum

Lees verder….Klik hier !!!!!!!

(deze tekst verscheen eerder in de catalogus van de tentoonstelling Black is beautiful. Van Rubens tot Dumas. Waanders, 2008)

Voyage a la Guiane et a Cayenne (1789)

Tags

, , , , , ,

Voyage a la Guiane et a Cayenne, fait en 1789 et années suivantes. Contenant une description géographique de ces contrées, l’histoire de leur découverte, les possessions et etablissemens des Français, des Hollandais, des Espagnols et des Portugais … Le climat, les productions de la terre, les animaux, les noms des rivières, leurs coutumes et le commerce … Les particularités les plus remarquables de l’Orenoque et du fleuve des Amazones. Des observations … Suivi d’un vocabulaire français et galibi … Par L….. M…. B…., armateur …1798  L’Éditeur in Paris (Louis Prudhomme).

In het diplomatieke verkeer in de 18e eeuw was niet het Engels maar het Frans de belangrijkste taal die adel en gegoede burgerij in Europa gebruikten. Ook voor literatuur en wetenschappelijke boeken was de Franse taal beslist geen uitzondering. Dit boek werd geschreven door Louis-Marie Prudhomme (1752 – 1830) die zijn carriere als bibliothecaris en boekbinder begon. Later werkte hij als uitgever en schrijver. Dat was in die tijd een gevaarlijk beroep waarvoor hij verschillende malen, vanwege het  revolutionaire klimaat in Frankrijk, in de gevangenis belande.

Louis-Marie Prudhomme

Het boek begint met een uiteenzetting over de flora en fauna van het gebied van de Guyana’s. Ook de leefwijze van de indianen die in het gebied tussen de rivier de Orinoco en de Amazone leven komt ruim aanbod. Het boek bevat een prachtige kaart van het gebied (met een inzet van Cayenne) en een aantal fraaie etsen. Voor ons is het natuurlijk interessant om te kijken wat de auteur over Suriname schrijft. Allereerst steekt hij de loftrompet over de Nederlanders. Zij hebben door het droogleggen van moerassen en het graven van kanalen voor vruchtbare gronden gezorgd. Ook de hele geschiedenis van de kolonisatie van Suriname wordt onder de loep genomen. Het bestuur van de kolonie vindt plaats vanuit Amsterdam waar een college bestaande uit magristraten van de stad Amsterdam, van de West-Indische Compagnie (WIC) en de familie van Sommelsdijk. Als een meester een slaaf de vrijheid wil schenken, zo schrijft Prudhomme, is hij verplicht een manumissiebrief (lettres de franchise) te kopen. Zonder dit document kan geen enkel zwart persoon christelijk onderricht krijgen, noch gedoopt worden. Ook moet hij zorgen dat de ex-slaaf een beroep leert zodat hij in zijn eigen onderhoud kan voorzien. Als een slaaf vader wordt dan laat hij zijn meester een naam uitkiezen; als het een meisje is dan beslist de meesteres. De Europese bevolkingsgroep definieert Prudhomme als die groep mensen die geboren is uit Europese vaders (!). Onder hen bestaat er een grote vrijheid die, volgens Prudhomme, in Frankrijk niet bestaat.

Dit boek is geen reisverslag maar is door de auteur samengesteld uit bronnen die hij in Europa geraadpleegd had. Toch behoort het tot de 18e eeuwse klassiekers over de Guyana’s en geeft ons inzage in het beeld van bijvoorbeeld indianen en de slavernij,  dat men in Europa voorgeschoteld kreeg. Tien jaar na publicatie verscheen er een Duitse vertaling: Reise nach Guiana und Cayenne, nebst einer Uebersicht der ältern dahin gemachten reisen …. Frankfurt, Anton Pichler, 1799.

Carl Haarnack

 

Boeken & Bananen

Tags

, , , ,

De foto’s op deze pagina werden gemaakt door de fotograaf Eugen Klein. Hij werd geboren in Mannheim (Duitsland) in 1869. In de jaren ’90 van de 19e eeuw vestigde hij zich als fotograaf in Suriname. Aan de Domineestraat in Paramaribo opende hij zijn studio en winkel. Gedurende zo’n 30 jaar was hij een van de productiefste en bekendste fotografen van Suriname. Naast foto’s gaf hij ook honderden prentbriefkaarten uit. Hij overleed in Paramaribo in 1927. Zijn weduwe, Louise Schrader, heeft samen met haar kinderen de zaak tot de Tweede Wereldoorlog voortgezet.

Klein koos de onderwerpen voor zijn ansichtkaarten zorgvuldig uit. Behalve de vele stadsgezichten van Paramaribo lieten zijn ansichtkaarten ook vaak exotische vruchten zien. Deze kaarten waren natuurlijk vooral bestemd voor diegenen die familie of vrienden in Europa een indruk wilden geven van de vele vruchten die daar vrijwel onbekend waren. De banaan is een van de oudste geteelde gewassen ter wereld. De oorsprong van de banaan ligt in Zuid-oost Azië. Portugese handelaren zorgden er voor dat de bananen vanuit Afrika mee werden genomen naar het Caraïbisch gebied. Maria Sibylla Merian, die in 1699 vanuit Nederland in Suriname arriveerde, tekende de bananenplant in haar Metamorphosis insectorum Surinamensium (Verandering der Surinaamse Insecten, Amsterdam 1705). Dankzij haar werk kreeg men in het Europa voor het eerst exotische vruchten als cashew, marcusa, pepers en dus ook de banaan te zien.
Suriname lijkt onlosmakelijk verbonden te zijn met de banaan. Worden gerechten als heri heri nu met trots opgediend als een nationale Surinaamse schotel, de geschiedenis van de banaan in Suriname is minder heroïsch. De banaan diende tenslotte vooral als goedkoop voedsel voor de slaven. Van Hoëvell, een voorvechter van de afschaffing van de slavernij, schreef in Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (1854): “De neger, aan wien niet veel keuze gelaten is omtrent hetgeen hij als spijs zal gebruiken, vindt zijn hoofdvoedsel in bananen, een aan eiwit en phosphaten hoogst armoedig voedsel. Het hem daarbij toegekende dierlijk voedsel, dat dan nog uit gezouten visch bestaat, is verreweg te gering, om het evenwigt van de verbruikt wordende stof te herstellen.” Ook de slavenkinderen leven volgens Van Hoëvell voornamelijk op bananen (-meel). Ook de ‘stadsdoctor en chirurgijn’ van Paramaribo, Kuhn, had al dertig jaar daarvoor opgemerkt dat het voedsel van ‘de negers’ bestaat uit taaie en zwaar te verteren meelachtige vruchten of wortels.

Op deze prachtige ingekleurde ansichten van Klein zien we twee meisjes die trossen bananen vasthouden. Het zijn hier duidelijk twee uit een serie. Eén meisje komt op beide afbeeldingen voor; ze heeft dezelfde kleding aan. Het andere meisje heeft iets tussen haar tanden geklemd. Misschien is het een stukje hout om het gebit schoon te houden? Deze kaarten werden vóór 1905 uitgegeven. Helaas kunnen we deze meisjes niet meer vragen hoe zij hun tijd beleefden. Maar zou het niet aardig zijn als nakomelingen van deze Surinaamse schonen hun oma’s zouden herkennen?

Carl Haarnack

De kanten zakdoek door E. Gerdes (1867)

Tags

, , ,

De kanten Zakdoek. Een verhaal uit den ouden tijd. door E. Gerdes. Leiden: A.W. Sijthoff, 1867.

Eduard Gerdes (1821-1898) was geboren in het Duitse Kleef maar verhuisde op jonge leeftijd naar Amsterdam. Hij werd opgeleid tot predikant en werkte onder de arme arbeidersgezinnen  op Kattenburg en Wittenburg. Gerdes behoorde samen met P.J. Andriessen tot de belangrijkste kinderboekenschrijvers van de 19e eeuw. De kanten zakdoek is één van zijn bekendste titels die honderd jaar na het verschijnen nog werd herdrukt.

Dit verhaal speelt ergens aan het eind van de 17e eeuw in een grote Nederlandse stad. De hoofdfiguur , Pieter van Delft, is een straatarm en moet bedelen en stelen om aan de kost te komen. Hij ziet hoe een rijke dame haar dure kanten zakdoek, met parels en gouddraad versierd, uit haar koets laat vallen. Pieter grist de zakdoek weg maar wordt door de knecht van deze mevrouw Van Polslagen in de kraag gegrepen. In plaats van hem over te dragen aan de schout besluit zij Pieter een kans te geven op het rechte pad te komen. Zelf heeft zij een zoon genaamd Julius, die niet wil deugen en die haar veel verdriet bezorgd. Ze brengt Pieter onder bij Saartje, een vroedvrouw, waar hij leert lezen en schrijven. Uiteindelijk neemt hij dienst op een schip. Achttien jaren verstrijken en Pieter is inmiddels kapitein op een schip dat in dienst van de Staten van Zeeland op West-Indië vaart. Hij laat even van zijn mannen op zoek gaan naar zijn weldoenster, mevrouw van Polslagen. Daarvan verneemt hij dat zij het grootste deel van haar vermogen aan haar zoon heeft opgeofferd en ergens in eenzaamheid haar laatste dagen slijt. Waar weet niemand.

Van Delft arriveert met zijn schip in Paramaribo. Nu wordt het voor ons pas echt interessant. Op dat moment was er op twee plantages een slavenopstand uitgebroken. Hij krijgt opdracht om met zestig van zijn manschappen naar de opstandelingen te gaan. Hij doet dat met tegenzin want hij weet ‘dat zij (de slaven, ch) hoofdzakelijk alleen door onmenschelijke wreedheden’ tot hun gewelddadigheden gekomen waren. Gerdes keurt de slavernij af en toont begrip voor de acties van de opstandige slaven. Voor zijn beschrijvingen van de slechte behandeling van de slaven put hij overduidelijk uit het werk van Stedman. Kapitein Van Delft arriveert net op tijd om de vrouw en kinderen van de plantage-eigenaar te ontzetten. Ook red hij het leven van de wrede blank-officier. Dit blijkt Julius van Polslagen te zijn, de zoon van de vrouw die Pieter van Delft gered heeft van de bedelstand. Na terugkeer in Nederland slagen Pieter en Julius er in mevrouw Van Polslagen te vinden.

De kanten zakdoek heeft een sterk moraliserende toon en is doorspekt met bijbel teksten. Hoewel Gerdes op basis van zijn geloof de slavernij verwerpt heeft hij duidelijk geen hoge pet op van de slaven. Ze praten gebrekkig en krom Nederlands (de slavin Sally: “Ik hare twee kinderen gevonden en gered heb.”). Ook in het anti-semitisme is niet van de lucht (… “daar waar kostbaarheden, parelen, juweelen, gouden en zilveren voorwerpen aan de meestbiedende ter veiling liggen, daar vindt de jood de ware negotie”). De kanten zakdoek is wel een boek dat gedurende meer dan honderd jaar lang beeldbepalend is geweest voor vele generaties jongeren.

Carl Haarnack

 

(www.dbnl.nl)

 

 

Joanna, or the Female slave (1824)

Tags

, ,

Joanna, or the Female slave. A West Indian tale. Founded on Stedman’s Narrative of an Expedition Against the Revolted Negroes of Surinam. London: printed for Lupton Relfe, 13, Cornhill; Constable and Co., Edinburgh; and R. Milliken, Dublin, 1824.

Het verhaal van John Gabriël Stedman (1744-1797) over zijn vijfjarig verblijf in Suriname verscheen in 1796 onder de titel  “Narrative of a five years’  expedition against the revolted negroes of Surinam […]”. Stedman was een zoon van een Schotse militair en een Nederlandse moeder. Hij nam dienst in het regiment van kolonel Fourgeoud  en werd naar Suriname werd gestuurd om de aanvallen van weggelopen slaven op de plantages, de kop in te drukken.  Joanna, or the Female Slave, gebaseerd op de “Narrative” van Stedman,  verscheen in 1824 zonder vermelding van de auteur. Een uitermate zeldzame editie.

Stedmans ooggetuigenverslag is vooral een succes geworden door zijn relatie met de slavin Joanna. Joanna is de dochter van een Europese kolonist genaamd Kruythoff en een slavin genaamd Cery. Cery en haar kinderen behoorden toe aan de eigenaar van de plantage Fauconberg (Fauquemberg), gelegen aan de Commewijne. Ze was slechts vijftien jaar oud en ze was dus een mulattin. ‘Joanna’, zo schrijft de anonieme auteur, ‘was of the most elegant symmetry, moving her finely formed limbs with peculiar gracefullness; her face was fullof native modesty, with the most distinguised sweetness; her eyes, black as ebony, were large, and full of expression, …’.

Stedman wil Joanna vrijkopen maar Joanna weigert.  In de eerste Nederlandse editie zegt Joanna: “Ik ben geschikt om in de slavernye te leven. Indien gy van my te veel werk maakt, zult gy de achting uwer vrienden zien verflaauwen. Aan den anderen kant, zal het verkrygen van myne vryheid u kostbaar, moeielyk, en misschien ondoenlyk wezen… .”  In de bewerking uit 1824 ontbreekt deze passage. Stedman en Joanna kregen samen een kind.  In het jaar 1777 verlaat Stedman de kolonie Suriname samen met zijn ‘huisslaaf’ Quaco. Zijn geliefde Joanna en zoon zijn in Suriname achtergebleven. Stedman trouwt na terugkeer in Europa met een Nederlandse vrouw. In 1782 sterft Joanna, waarschijnlijk door vergiftiging. Hun zoon verlaat dan ook de kolonie en voegt zich bij zijn vader die inmiddels met zijn vrouw en kinderen in Engeland is gaan wonen. Hij treedt in dienst bij de Britse marine. Dit boek is vooral een poging van de auteur  zich te mengen in het debat over de afschaffing van de slavernij. Deze is volgens hem ‘neither practicable nor advisable’. Het is beter dit over te laten aan de tijd. Het lijkt hem beter alleen de wreedheden en uitwassen van de slavernij te bestrijden. Nog geen tien jaar na de publicatie werd in de Engelse kolonieën de slavernij verboden.

Carl Haarnack

Tori vo wi Masra (1816/1865)

Tags

, ,

Tori vo wi Masra en Helpiman Jesus Kristus so leki wi finni hem na ini dem fo Evangeliste Matteus, Markus, Lukas en Johannes. Stolpen; gedrukt by Gustav Winter, 1865.

Vanaf het begin van de 19e eeuw verschijnen er in Suriname voor het eerst boeken die niet gemaakt waren voor de rijke Europese bovenlaag. Het zijn boeken die gedrukt werden door de Hernhutters (EBG) voor de bekering van slaven en het geven van taalonderwijs. Deze titels werden veelal in Duitsland gedrukt en geschreven in het Sranan Tongo. Doordat de Hernhutters het Sranantongo tot haar kerktaal maakte heeft zij grote aantrekkingskracht uitgeoefend op de zwarte bevolking van Suriname. De vroege Bijbelvertalingen in het zg. ‘Neger-engels’ zijn van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van het Sranan Tongo. Deze teksten vormden de eerste gedrukte teksten die het ‘gewone’ Surinaamse volk  in haar eigen taal onder ogen kregen.

Graaf van Zinzendorfschool (toen lagere school voor meisjes), Gravenstraat 100. Dit perceel werd op de kaart van Moseberg (1801) als „land van Stolkert“ aangeduid. Aan het einde van 19e eeuw kwam het in bezit van de Evangelische Broedergemeente (EBG) en werd het huis als schoolgebouw als in gebruik genomen. Vandaag staat hier de Zinzendorfherberg. Van het oude huis Stolkert is niets overgebleven. Alleen de smeedijzeren sierhekken bestaan nog. Ze zijn herplaatst naar de Lim-A-Postraat (bron: Bernd Katt)

Dit boek is een vertaling van teksten van Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes uit het Nieuwe Testament. In 1816 verscheen Da tori va wi masra en helpiman Jesus Christus, so leki wi findi datti na inni dem fo evangeliste: Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes [Het verhaal van onze Heer en Redder Jezus Christus, zoals wij het vinden bij de vier evangelisten: Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes.] Dit was het eerste gedrukte werk in het Sranan Tongo. Deze vertaling was van C.L. Schumann, een missionaris van de Moravische Broeders (Hernhutters).

Maar de uitgave waar we het hier over hebben is van 1865 en werd opnieuw vertaald door Wilhelm Treu (1803-1846). Treu was net als Schumann ook missionaris en was daarnaast kleermaker van beroep. Hij schreef ook een Grammatik der negerenglischen Sprache (1838) en een was begonnen aan een Negerenglisches Wörterbuch dat hij slechts half af kreeg. Hij hield ook een dagboek tijdens zijn  verblijf in Suriname dat begon in 1832 en eindigde met zijn dood in Paramaribo in 1846. Door zijn dagboek  krijgen wij een boeiend beeld van het leven dat hij in Suriname aantrof. Zo stoorde hij zich aan het gedrag van de blanke elite in de kolonie. Ze waren volgens hem platvloers en gingen zich te buiten aan kaartspelen, dobbelen en drinken. Ook de sexuele moraal van de kolonisten was hem een doorn in het oog. Treu: “Lieutenant Canzee vertelt mij zonder schaamte dat hij in de stad twee vrouwen heeft, Celesta en Patiensi die tot onze kerk behoren. Dokter Westerveld en directeur Van Thol zeggen hetzelfde.”

In dit exemplaar van Tori vo wi Masra en Helpiman (…) staat op het schutblad een handgeschreven opdracht: “Aan Salomo de Rijp, uit liefde van Alexander”. Nieuwsgierigen onder ons willen natuurlijk dolgraag weten wie Salomo en Alexander waren. En wat was hun relatie? Zullen we het ooit te weten komen?

Carl Haarnack

verder lezen:

  • A grammar of Early Sranan. Margot van den Berg. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2007.
  • Strijders voor het Lam, Leven en Werk van Herrnhutter Broeders en -Zusters in Suriname, 1735-1900. Maria Lenders. Leiden: KITLV Uitgeverij, 1996.
  • Early Suriname Creole texts: a collection of 18th century Sranan and Saramaccan documents. Jacques Arends en Matthias Perl. Vervuert, 1995.

Amsterdamse uitgevers en de Surinaamse Bibliotheek

Tags

, , , ,

Een wandeling door Amsterdam en door de Surinaamse boekenkast

Wie een wandeling door Amsterdam maakt en goed om zich heen kijkt ziet dat Suriname altijd dichtbij is. Kijk maar naar de gevels van de  grachtenpanden of de gebouwen van de West-Indische Compagnie.

Oudezijds Voorburgwal 187

Maar er ligt natuurlijk ook een minder tastbare geschiedenis die de banden met de voormalige kolonie Suriname duidelijk maken. Het is opvallend dat op slechts één vierkante kilometer in het centrum van Amsterdam de voetsporen liggen van de uitgevers van de belangrijkste werken uit de Surinaamse bibliotheek die in Nederland zijn uitgegeven.  Deze uitgevers en de Surinaamse boekenkast staan in dit stuk centraal.

Aan het eind van de 18e eeuw telde de kolonie zo’n 50.000 inwoners waarvan er slechts 3000 tot de blanke Europese bevolking konden worden gerekend. Over de Europese bevolking van de kolonie werden in de regel weinig postieve verhalen verteld. Ze zou bestaan uit de grootste zuiplappen en de verachtelijkste wezens. Natuurlijk waren veel werklieden en soldaten in Europa geronseld uit arme, ongeletterde groepen. Een groot deel was naar de kolonie gekomen om galg en rad te ontlopen; mensen die hun schulden niet meer konden terugbetalen,  dieven, verkrachters en moordenaars. Daarnaast werd reeds in die tijd het immorele gedrag van de blanken scherp bekritiseerd (dominee J.G. Kals – 1733); behalve dat de kolonisten de negers mishandelen geven de kolonisten zich over aan dronkenschap en aan de zonde van “Hoerereije ende egtbreuk” met negerinnen en indiaanse vrouwen. Hij noemde de wijze waarop blanken mannen negermeisjes uitzoeken op de slavenmarkt, stuitend.

Dat beeld komt sterk overeen met dat wat in de andere West-Indische koloniale samenlevingen bestond. Zo werd er gezegd dat de Caraibische samenleving ongelooflijk materialistisch en geestelijk zeer leeg was.  Het vinden van een geletterd mens in Suriname was als het zoeken naar een speld in een hooiberg. Het klimaat in Suriname werd gekenmerkt door de ‚animus revertendi‘, het verlangen zo snel mogelijk, uiteraard vermogend, naar Nederland terug te keren. Opvallend vaak wordt het lage intellectuele niveau genoemd. Materialisme voerde in de kolonie de boventoon

Aan de andere kant kan daar tegenin gebracht worden dat onder de koloniale elite, de plantage-eigenaren, de bestuurders van de Kolonie er ook mensen waren metprive-bibliotheken Vooral in de 19e eeuw moet het boekenbezit sterk zijn toegenomen (Kempen: 171). Toen Gouverneur de Friderici (1751-1812) overleed  werd een grote collectie van ‘Engelsche, Fransche, Hoog- en Nederduitsche Boeken’ geveild. Maar ook van andere vooraanstaande kolonisten werden bij het veilen van hun boedel naast trekpaarden en slaven ook boeken geveild.

Wylen de Heer Gouverneur Texier, de Heer Wichers, de Heer Lieutenant Kollonel Fredrici, de Geneesmeester van Wiert, Wylen de Heer Meinertshagen, de Geneesmeester Schilling, wylen de Heer van Dam, en verscheiden andere liefhebbers, zo Christenen als Jooden, deeden in Suriname eene Bibliotheek oprechten, die zo groot en wel voorzien is van werken over allerhande soort van onderwerpen, dat ze voor geene in gansch Amerika behoeft te wyken, en verscheiden groote Bibliotheeken van Europa evenaart (Nassy: 1974, 69).

Om een beeld te krijgen welke boeken er in Suriname voorhanden waren kunnen we een kijkje nemen in de Catalogus der Surinaamsche Koloniale Bibliotheek (1862). Deze Catalogus verscheen in ´s-Gravenhage bij Martinus Nijhoff. We krijgen zo een beeld van welke boeken er in Paramaribo beschikbaar waren. Het gaat hierbij niet alleen om boeken over Suriname. We vinden hier ook een heuse sectie Bibliotheekwetenschap waarin titels als Katechismus der Bibliotheklehre- Anleitung zur Einrichtung und Verwaltung von Bibliotheken, van J. Petzholdt (1856).

Een van de oudste en m.i. belangrijkste titels uit de Surinaamse bibliotheek wordt hier natuurlijk ook in vermeld.

Een onpartydige Beschrijvinge van Surinam, gelegen op het vaste Landt van Guiana in Africa. Mitsgaders een Verhael van alle vreemde Beesten, Vogels, Visschen, Slangen ende Wormen. Gelijck mede van de Gewoonheden ende Manieren van dese Colonie.

George Warren, een Engelsman, bezocht Suriname toen de kolonie nog in handen van de Engelsen was. In het jaar waarin de Vrede van Breda werd gesloten, 1667, en Suriname geruild werd tegen New York verscheen zijn boek. Dit boek was oorspronkelijk in het Engels geschreven door George Warren (An impartial description of Surinam)  en verscheen in 1667, twee jaar later verscheen in 1669 de  in Amsterdam bij Pieter Arentsz., boekverkoper inde Beursstraat/ in de drie Rapen De Beursstraat is wat nu het Rokin heet.

Warren geeft ons, als ooggetuige, een beschrijving van de onmenselijke omstandigheden waaronder de slaven moeten leven. Een zekere empathie kan hem niet ontzegd worden. Warren schrijft:  De slaven worden als honden verkocht. Ze moeten de hele week werken tot zaterdagmiddag. Dan mogen ze op hun kostgrondjes werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Eén of twee keer per jaar krijgen ze wat geroosterd vlees als een koe of paard is doodgegaan. Of misschien een stuk verrotte vis. Zo’n miserabel leven drijft sommige slaven er toe te ontsnappen om hun vrijheid te zoeken. En als ze gevaar lopen te worden gevonden slaan zij soms de hand aan zichzelf. Want als ze weer in de macht van hun meesters  komen worden ze aan verschrikkelijke martelingen blootgesteld als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen. Warrens boek is belangrijk omdat het een vroeg beeld geeft van de situatie in de kolonie Suriname. En Warren heeft een flink aantal schrijvers na hem geinspireerd, om het zacht uit te drukken. Velen hebben het werk van Warren geplagieerd.

Niet zo ver hier vandaan, aan het eind van de O.Z. Achterburgwal, tegenover het Oude Heeren Logement, bevond zich boekverkoper Johan ten Hoorn. Hier verscheen in 1695;

Amerikaansche Voyagien, Behelzende een Reis na Rio de Berbice, Amsterdam, Johan ten Hoorn, 1695 ( first edition).  Adriaan van Berkel. “Gelegen op het vaste Land van Guiana, aande Wilde-kust van America, Mitsgaders een andere na de Colonie van Suriname, Gelegen in hetNoorder Deel van het gemelde Landschap Guiana”.  Adriaan van Berkel was een Nederlandse ontdekkingsreiziger. Hij reisde in de tweede helft van de Gouden Eeuw naar de Nieuwe Wereld. Zo leefde hij een aantal jaren onder de Arrowak indianen aan de rivier de Berbice. Van Berkel bleef bijna tien jaar in Suriname. Het eerste deel van zijn boek is gewijd aan het verblijf in Berbice, Demerara en Essequibo. Hij beschrijft de zeden en gewoonten van de indianen, zoals de Arrowakken, Warau en Caraïben.

Het tweede deel van zijn boek is gewijd aan Suriname. Opmerkelijk is dat zijn beschrijving van de rivieren, de flora en de fauna maar ook de behandeling van de slaven onbeschaamd overgenomen is uit George Warrens An impartial description of Surinam (1667). Alleen het eerste stuk over zijn reis naar Suriname en het laatste stuk komt waarschijnlijk uit de pen van Van Berkel. Hij beschrijft daarin de moord op de gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck in 1688. Kort daarop verlaat Van Berkel Suriname en zet hij in augustus 1689 voet aan wal in Middelburg (Zeeland). We zullen wel nooit weten waarom hij plagiaat pleegde en het werk van Warren klakkeloos overschreef. In elk geval zijn de beschrijvingen van zijn eigen hand zeer de moeite waard. Het boek behoort tot de zeldzaamste werken uit de Surinaamse bibliotheek.

Het waarschijnlijk meest kostbare boek uit de Surinaamse bibliotheek verscheen in 1705 bij Gerard Valk : Maria Sibylla Merian: Metamorphosis insectorum Surinamensium, Amsterdam. Valk was gevestigd op de Dam in De Wakende Hond. Deze bevond zich op de hoek van Beurssteeg en de Dam.

In 1699, op 53jarige leeftijd reisde Maria Sibylla in gezelschap van haar jongste dochter naar Suriname om daar in het regenwoud insecten te bestuderen. Ze keerde na twee jaar doodziek terug, maar mét honderden tekeningen en opgezette vlinders, hagedissen, slangen en leguanen. Het leverde de basis op voor het boek Metamorphosis Insectorum Surinamensis, Ofte Verandering der Surinaamse Insecten dat ze in 1705 in het Latijn en Nederlands uitgaf en dat haar wereldberoemd maakte. In dit prachtige boek (het mooiste en kostbaarste uit de Bibliotheca Surinamica ) liet zij afbeeldingen zien van planten en dieren die men in Europa nog nooit onder ogen had gekregen; bananen, cashew, pepers, markusa, vlinders en reptielen.

Merian wordt gezien als de belangrijkste en meest invloedrijke 17e eeuwse natuurhistorische tekenaar. Zonder twijfel is Merian ook de eerste kunstenaar die Suriname in cultureel opzicht op de wereldkaart heeft gezet. Vooraanstaande musea als het Rijksmuseum in Amsterdam, het Teylers in Haarlem maar ook het  British Museum in Londen bezitten kostbare werken van haar hand. Daarnaast heeft bijvoorbeeld de Engelse koningin Elizabeth II  in haar Royal Library op Windsor Castle een grote collectie Merian. Maar ook de Russische tsaar Peter de Grote kocht in 1717 een verzameling aquarellen op perkament en kopergravures ter waarde van drieduizend gulden. Merian woonde in de Kerkstraat in Amsterdam, tussen de Spiegelstraat en de Leidsestraat. Merian overleed in 1717 in Amsterdam waar zij in totaal zo’n 25 jaar had gewoond.

Als we het Rokin oversteken over het Spui lopen en dat steegje tussen Cafe de Zwart en Cafe Hoppe in lopen, over het Singel, dan komen we ergens op de hoek van de Herengracht op de plek waar in 1762 de ‘Boek- en Papierverkooper’  Theodorus Crajenschot gevestigd was, in den Berg Sinaï. Crajenschot was ook uitgever van Korte en Zakelyke Beschryvinge van de Colonie van Zuriname. Waar te vinden is Een omstandig Berigt van de gelegenmheid deezer Volkplantinge; derzelver Rivieren, Kreeken, Forten, Been, Plantagien, Water-Werken en Houtzageryen; opgemaakt volgens de nieuwste Land-Kaarten. Mitsgaders … Door de Heer Thomas Pistorius, lit van de Edele Achtbaare Raad van Policie en Crimineele Justitie op de Colonie van Zuriname (1763).

Pistorius beschrijft het leven in Suriname zoals hij dat waarnam en geeft ons een beeld van het leven op de plantages, de slaven en de flora en fauna. Ook geeft hij een gedetailleerd verslag van de moord op gouverneur Van Sommelsdijck. Ook is dit een belangrijk boek omdat we hier  voor het eerst bastiaan zien. Hij maakt met zijn zweep een slag in de lucht. Voor het eerst zien we een afbeelding waaruit blijkt dat er onvrije arbeid plaatsvindt.

Philip Fermin (1730-1813) was een belangrijke veelschrijver over het leven in Suriname in de tweede helft van de 18e eeuw. Fermin was geneesheer, tevens natuuronderzoeker. Hij woonde acht jaar in Suriname. In 1785 verscheen bij Jan Roos en Zoon, boekhandelaars te Amsterdam, een tweede druk van de Nieuwe algemeene beschryving van de colonie van Suriname. Behelzende al het merkwaardige van dezelve, met betrekking tot de historie, aardryks- en natuurkunde.

Jan Roos was gevestigd in de Hartenstraat (een van de 9 straatjes ; tussen de Herengracht en Keizersgracht). Eerder was in 1770 in Harlingen bij V.(Volkert) van der Plaats Junior de eerste druk verschenen. Lang daarvoor verscheen van dezelfde auteur Histoire naturelle de la Hollande Equinoxiale ou description des animaux, plantes, fruits, et autres curiosite’s naturelles, qui se trouvent dans la Colonie de Surinam. Dit boek verscheen bij M. (Martinus) Magerus in Amsterdam in 1765. In dit even curieuze als zeldzame boekje beschrijft Fermin de dieren en planten uit de kolonie. Op de frontispiece zien we o.a. wilde paarden en struisvogels. Magerus was gevestigd in de de Stilsteeg, wat nu de Paleisstraat is.

Het straatje tussen de Paleisstraat en de Hartenstraat heet de Gasthuismolensteeg. Op die plek was rond 1770 de boekverkoper  Gerrit Tielenburg gevestigd. Deze gaf in dat jaar uit Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust, in Zuid-America, Betreffende de Aardrykskunde en Historie des Lands, de Zeeden en Gewoontes der Inwooners, de Dieren, Vogels, Visschen, Boomen en Gewassen, als mede de eerste Ontdekking dier Kust, de Bezittingen der Spanjaarden, Franschen en Portugeezen en voornaamelyk de Volkplantingen der Nederlanderen, als Essequebo, Demerary, Berbice, Suriname, en derzelver Rivieren (…). Waarby komt eene Verhandeling over den Aart en de Gewoontes der Neger-Slaaven.Amst., G. Tielenburg, 1770.

Dit boek werd lang beschouwd als het beste boek ooit dat over de Guiana’s geschreven werd. Hartsinck’s vader was directeur van de West-Indische Compagnie. Hij is nooit in Suriname geweest maar had toegang tot documenten van de West-Indische Compagnie (WIC) die nu allang verloren zijn gegaan. Uitgebreid beschrijft Hartsinck de geschiedenis en de geografie van Suriname en haar buurlanden.

Eén van de belangrijkste chroniqueurs van de 18e eeuwse plantage-samenleving in Suriname was John Gabriël Stedman (1744-1797). Stedman was een zoon van een Schotse militair en een Nederlandse moeder. Hij nam dienst in het regiment van kolonel Fourgeoud dat door de Staten-Generaal naar Suriname werd gestuurd om de aanvallen van weggelopen slaven op de plantages, de kop in te drukken. Vijf jaren, van 1772 tot 1777, verbleef Stedman in de Nederlandse kolonie. Gedurende zijn verblijf hield hij nauwkeurig een dagboek bij. Dit dagboek vormt de basis van zijn in 1796 verschenen boek: “Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam, in Guiana, on the wild coast of South America; from the year 1772, to 1777: elucidating the history of that country, and describing its productions”[....] London: J. Johnson & J. Edwards, 1796.

Dankzij zijn dagboek weten wij veel over het alledaagse leven in 18e eeuws Suriname. Zonder twijfel is ‘de Narrative’ het belangrijkste verslag van de plantagesamenleving in de nieuwe wereld. We leren over de manier waarop de kolonisten met elkaar omgingen en hoe slaven behandeld werden. Dit boek heeft samen met o.a. Candide van Voltaire er voor gezorgd dat het idee ontstond dat de behandeling van slaven in Suriname onmenselijker was dan die in omringende landen. In Stedman lezen we en zien voor het eerst hoe gruwelijk de straffen waren die slaven soms ten deel vielen.

Het boek sloeg in Europa in als een bom. Niet eerder werd door een ooggetuige op zo’n levendige en soms schokkende wijze het leven in Suriname beschreven. Het boek bevatte ook 80 prenten (o.a. door de beroemde William Blake). Er verschenen vertalingen in het Frans, Duits, Nederlands, Italiaans, Zweeds. Het boek werd vele malen herdrukt en bewerkt tot toneelstuk of roman. Stedmans ooggetuigenverslag is vooral een succes geworden door zijn relatie met de slavin Joanna.

In 1799 verscheen de eerste Nederlandse vertaling van de eerste Engelse editie in Amsterdam bij Johannes Allart (1754 Windesheim–1816 Den Haag) : Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana; / door den capitain John Gabriël Stedman. ; met plaaten en kaarten. ; naar het Engelsch. John Gabriel Stedman (1744-1797). Amsterdam: Johannes Allart, 1799-1800.

Allart was rond 1800 een van de grootste en voornaamste uitgevers in Nederland. Hij was gevestigd op den Nieuwe Dyk byden Dam. In 1773 werd hij lid van het boekverkopersgilde te Amsterdam. Hij heeft naar verluidt een grote invloed gehad op tijd genoten en op zijn vak.

Ook in 1799 verscheen in Leiden Reize in de binnenlanden van Suriname. John Gabriël Stedman. Leyden : A. en J. Honkoop, 1799. Deze editie was vertaald uit de Duitse vertaling van Stedman. Uiteraard leidde dit tot ruzie tussen de Allert en de gebroeders Honkoops. Er was natuurlijke een enorme gretigheid om boeken uit te geven over zo’n onbekende nieuwe wereld. Indianen, negers, onbekende planten en dieren. Het boek van Stedman werd een enorm succes in heel Europa. Voor het kreeg men in Europa over de gruwelen van de slavernij in te lezen en te zien. En hierbij ging het niet alleen om een bastiaan en zweep zoals bij Pistorius.

Politiek Gevoelige Boeken : slavernij & emancipatie

Maar het uitgeven van boeken was niet altijd zonder gevaar. Vooral als het om politiek gevoelige onderwerpen ging. Voor de Surinaamse bibliotheek waren er natuurlijk verschillende gevoelige onderwerpen. Zo was Stedman zeer ontstemd toen hij voor het eerst zag wat de uitgever met zijn oorspronkelijk manuscript had gedaan. In een brief naar de broer van zijn Engelse vrouw schreef Stedman : « My book was printed full of lies and nonsens, without my knowledge…. I burnt two thousand vols and made them print it over again…. » De uitgever van de eerste Engelse editie Johnson had, buiten medeweten van Stedman, William Thompson (1746-1817) ingehuurd om de tekst te editen. Thompson was een afgestudeerd theoloog die zich had ontwikkeld tot een ‘man of letters’. Regel voor regel werd het manuscript herschreven. Van de zomer van 1795 tot begin 1796 was Stedman in onderhandeling met zijn uitgever over de tekst die hij in 1790 had ingeleverd en het uiteindelijke product van Thompson. Vanwege geldzorgen en gezondheidsproblemen stemde hij in met een ongelukkig compromis (Price : LV)

Afgezien van de vele stylistische aanpassingen waren er opvallende verschillen tussen Stedman’s oorspronkelijke manuscript en de uiteindelijke eerste editie uit 1796 waarop alle vertalingen gebaseerd waren. Vooral politiek gevoelige zaken zoals de kritiek die Stedman had op zijn meerderen in de krijgsdienst. Ook werden verschillende passages waarin ‘overgrown widows’ uit jaloezie hun slavinnen mishandelden verwijderd. Vooral de passages waarin de sexuele relaties tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen waren beschreven, werden systematisch aangepakt. Zowel de frequency en de importantie van dergelijke relaties werden afgezwakt. In het manuscript schrijft hij over een overnachting bij Mr. Lolkens : « I f—ck one of his negro maids. » Dat wordt iets van:  ‘the rest of the adventure can afford little entertainment to the reader. »

Ook de diepe emotionele band met zijn geliefde Joanna werd systematisch afgezwakt en werden passages herschreven om de ongelijkheid van de posities die zij in de samenleving bekleden te benadrukken (Price LX). Stedmans visie op slavernij, de slavenhandel, sociale rechtvaardigheid en religieuze kwesties werden constant veranderd. Stedman was geen abolitionist maar bekritiseerde de onmenselijke behandeling van slaven en had in zekere opzicht liberale opvattingen. In de uiteindelijke 1796 editie werd systematisch een poging gedaan om er een soort van pro-slavernij ideologisch boek van te maken. Alle cultuur relativerende passages waarin de gemeenschappelijke humaniteit tussen Afrikanen en Europeanen werden aangepast. Ondanks dit alles heeft het verhaal van Stedman toch een behoorlijke rol gespeeld in de abolotionistische beweging. Daarom was zijn boek in Suriname niet geliefd.

Eduard Beyer, winkelier te Paramaribo, is een boekenvriend. Hij is de auteur van Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand. Door eenen inwoner aldaar. Amsterdam : C.G. Sulpke, 1823. Sulpke was gevestigd in de Kalverstraat bij de Enge Kapelsteeg no. 192 (tussen Rokin en Kalverstraat). In 1816 woonde Eduard Beyer (Beijer)  in Amsterdam. In 1817 heeft hij blijkens Gouvernementsresolutie 6313 een admissie-paspoort gekregen om Suriname te betreden. Kort daarvoor had hij tezamen met de Nederlander Abraham Vinkeles de eerste Nederlandse steendrukkerij opgericht in 1816. Vinkeles was de zoon van de bekende graveur en tekenaar Reinier Vinkeles. Zij drukten muziek, prenten en handelsdrukwerk. In 1817 werd de zaak overgenomen door de boekhandelaar en uitgever C.G. Sulpke. Logisch dat Beyers boek ook bij Sulpke verscheen. Mogelijk verkeerde het bedrijf in financiële problemen en had Beyer schulden. Dit kan een motief zijn geweest de wijk te nemen naar Paramaribo. In de Surinaamse almanak van 1828 staat dat hij winkelier was te Paramaribo.

Hij begint hij met een uiteenzetting over welke boeken je zou moeten lezen als je iets over de geschiedenis van Suriname of het reilen en zeilen zou willen weten. Hij noemt Hartsinck, Fermin en Blom. Van Stedman heeft hij geen hoge pet op. Hij noemt Stedmans Reize naar Suirname (1796) niet meer dan ‘een hutspot zijner liefdesgeschiedenis, krijgsavonturen en twisten met zijn kolonel Fourgeoud.’ Het meeste daarvan is schromelijk overdreven en een deel onwaar, zo stelt Beyer. Het is trouwens interessant om de vraag te stellen waarom Beyers boek in de Nederlandse vertaling, in hetzelfde jaar,  wordt uitgegeven zonder vermelding van de auteursnaam terwijl de Duitse versie wel naam en toenaam vermeld (Beyträge zur Kenntniss der gegenwärtigen Zustandes der Colonie Surinam. Von Eduard Beyer. Nürnberg : Johann Leonhard Schrag, 1823).

Er zijn natuurlijk veel boeken die invloed hebben gehad op politieke ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de Emancipatie, de afschaffing van de slavernij in 1863. In 1796, hetzelfde jaar waarin Stedman voor het eerst in Engeland verscheen, werd De negers van de in Duitsland enorm populaire August von Kotzebue uitgebracht.

De Nederlandse vertaling van Die Negersklaven verscheen in 1796 bij Joannes Roelof Poster te Amsteldam (sic) (gevestigd bezijden de Beurs). Dit werk, vertaald door P.G. Witsen Geysbeek, gaat over een hardvochtige planter ten tonele die wordt afgezet tegen zijn goede broer. Kotzebue heeft zich gebaseerd op werk van Franse filosofen. In het voorwoord staat : « De schrijver schaamt zich niet te bekennen, dat hij, gedurende hij dit toneelspel schreef, duizend traanen vergoten heeft. Wanneer de traanen des aanschouwers zich met de zynen vermengen, dan is zijn moeite beloond. » Het is een aanklacht tegen de slavernij en niemand kan volgens Kotzebue door geboorte een slaaf zijn. Dit toneelstuk is dan ook nooit opgevoerd in Suriname. Ook vinden we het niet in de Catalogus der Surinaamsche Bibliotheek.

Er zijn ook in Nederland talloze toneelstukken maar ook romans en gedichten die kritisch stonden t.o.v. slavernij of de uitwassen daarvan. Een aantal voorbeelden:

Hassar of de negers van Edmond Willem van Dam van Isselt (1796-1860), verscheen in 1829 bij D.R. van Wermeskerken te Tiel. Dit gaat over de tragische geschiedenis van de prins Hassar die edelmoedig en opstandig is maar uiteindelijk gedood wordt door kogel uit een plantersgeweer.

Van Dam van Isselt was abolitionist en vond dat de negers wel degelijk open staan voor het christendom. Hoewel het verhaal in Jamaica wordt gesitueerd wilde de auteur wel degelijk met zijn gedicht aandacht vragen voor de slavenmisstanden in Suriname. In de ‘Aanteekeningen’ achterin waarin hij verwijst naar de afschuwelijke toestanden in Suriname.

Anna, Schaduwbeelden uit Suriname. Gebroeders Binger, Amsterdam 1858. Anna Adriana Everdina Henrietta AMPT (Nijmegen 1832 – Nijmegen 1885)  was geboren in Nijmegen. In 1858 verscheen haar gedicht  Schaduwbeelden uit Suriname. Zij was geinspireerd door Wolter Robert van Hoëvell, een abolitionist die zijn beroemde werk Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet, in 1855 bij Joh. Noman en Zoon (Zaltbommel) publiceerde.

In 1813 verscheen De geschiedenis van Simon Blaauwkool. C.G. Salzmann. Amsterdam: Johannes van der Hey, 1813. Van der Hey was boekverkooper op het ‘Rokkin’, by de beurs. Het boek werd gedrukt bij H. van Munster & zoon, op de Nieuwezijds Achterburgwal, no. 350.  Christian Gotthilf Salzmann (1744-1811) was een bekende Duitse pedagoog die veel opvoedkundige werken en romans op zijn naam heeft staan.

De geschiedenis van Simon Blaauwkool is één van zijn minder bekende romans. Maar daarom niet minder belangrijk. De Duitser Simon komt min of meer toevallig in Suriname terecht. Omdat hij groot en sterk is én omdat hij kan lezen en schrijven wordt hij door de plantage-eigenaar Jessen aangenomen als blankofficier. Op de plantage worden de slaven slecht behandeld. “Het zijn honden en kunnen alleen met de zweep beteugeld worden”, zegt Jessen. Simon Blaauwkool heeft hier hele andere gedachten over. Hij behandelt ze met respect en geeft ze af en toe een ‘mutsje rum’ en laat ze ook de ruimte op hun eigen kostgrondje te werken. De slaven dragen hem op handen en werken veel harder dan bij de andere opzichters. Dat zet natuurlijk kwaad bloed. Ze beramen een aanslag op Simon Blaauwkool. Maar de slaven krijgen lucht van deze plannen en redden zijn leven. De planter Jessen overlijdt en nu eisen de opzichters van de weduwe dat Blaauwkool de laan uit wordt gestuurd. De weduwe is eigenlijk zeer tevreden over hem maar is ook bang voor de wrede opzichters. Zij vraagt Simon ten huwelijk waardoor hij nu plantage-eigenaar is. Zo wordt het ‘humane’ regime voortgezet en mogen de slaven zelfs sparen om zich vrij te kopen en zich als vrije arbeider op de plantage te vestigen. Aan het eind van het verhaal, als zijn vrouw en dochter zijn overleden, keert Simon Blaauwkool terug naar Duitsland.

De auteur Salzmann is nooit in Suriname geweest. Toch heeft hij met zijn roman bijgedragen aan de beeldvorming in Europa (Nederland en Duitsland vooral) over de slavernij in Suriname. De behandeling van de slaven die Salzmann beschrijft is bijzonder slecht. Zo slechts zelfs dat de vertaler, de Nederlandse predikant Willem Ockerse (1760-1826), zich genoodzaakt voelt om in een voetnoot duidelijk te maken dat niet alle Hollandse planters zo zijn en dat de slechte reputatie niet alleen Hollandse planters geldt. De manier waarop de vertaler hier uit zijn, normaal gesproken toch anonieme, rol stapt is toch op zijn zachts gezegd opmerkelijk te noemen. Maar Salzmanns boeken werden in zeer brede kring gelezen. En na Oroonoko (Behn), Candide (Voltaire) en Stedman zou een ongenuanceerd negatief beeld van Salzmann van de behandeling van slaven in Suriname misschien net iets te veel zijn. In 1830 verscheen een 2e Nederlandse druk bij M. de Bleijker in Rotterdam.

Dit zijn slechts een aantal voorbeelden van boeken uit de Bibliotheca Surinamica die in het hartje van Amsterdam van de drukpersen rolden. Aan de ene kant was Amsterdam dus het centrum van de de koloniale mogendheid. Vele rijke plantage-eigenaren bouwden grote herenhuizen aan de Amsterdamse grachten met het vermogen dat zij mede vanwege de slavenhandel en slavernij in Suriname hadden verdiend. De Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname had haar hoofdzetel in Amsterdam. Meer dan de helft van de ca. 100 directeuren woonden op de Herengracht tussen de Leidsegracht en de Amstel.

Gerrit Adriaensz. Berckheyde – De bocht van de Herengracht 

In de Republiek bestond er een betrekkelijk grote vrijheid voor uitgevers. Er bestond geen staatscensuur en ook de kerkelijke macht was niet in staat haar macht aan uitgevers op te leggen. Dit in tegenstelling tot omringende landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland. De gilden hanteerden relatief soepele regels en lieten joden, vreemdelingen en vluchtelingen toe. Veel boeken die in dit vrije klimaat verschenen (waaronder ook boeken van uitgeweken Franse Hugenoten, joden of Duitse vluchtelingen) droegen bij aan het verspreiden van kennis over wat er in Suriname gebeurde; ook de onmenselijkheid van de slavernij. In zekere zin speelden boeken een belangrijke rol in het Emancipatie-proces. Amsterdam als stad van vrijheid en tegelijkertijd de hoofdzetel van de plantage- en slaven eigenaren die juist de onvrijheid van Afrikanen in de kolonie in stand hield. Is er een vreemdere paradox denkbaar?

Carl Haarnack